Clara Meijer-Wichmann herdacht
(1937)–Henriette Roland Holst-van der Schalk–
[pagina 3]
| |
Clara Meyer-Wichmann herdachtIDen 15den Februari 1937 zal het vijftien jaar geleden zijn, dat Clara Meijer-Wichmann stierf. Na haar dood heeft haar echtgenoot de uitgave van haar letterkundige nalatenschap ter hand genomen. Tusschen de jaren 1923-'31 zijn drie bundels verschenen, waarvan de eerste, ‘Mensch en Maatschappij’, aanteekeningen voor een aantal voordrachten bevat, terwijl in de beide andere, ‘Bevrijding’ en ‘Misdaad, straf en maatschappij’, voornamelijk opstellen en studies uit verschillende weeken maandbladen verzameld, werden opgenomen. Daarenboven verscheen nog, in 1925, de tweede druk van de ‘Inleiding tot de Philosophie der Samenleving’ met een levensschets van de schrijfster door J.B. Meijer. Thans heeft de Nederlandsche Vereeniging van Vrouwen met academische opleiding in ‘Vrouw en Maatschappij’ de voornaamste bijdragen van Clara Wichmann over de vraagstukken aangaande de vrouw en den vrouwenarbeid bijeengebracht. Ga naar voetnoot1) Al omvat het tot dusver verschenene niet den geheelen levensarbeid van Clara Meijer-Wichmann, zoo zijn toch zeker wèl de meest gave en doordachte vruchten van dien arbeid voor het geestelijk-levend deel van ons volk toegankelijk gemaakt. Zoodoende is het mogelijk, zich | |
[pagina 4]
| |
een voorstelling te vormen van deze jonggestorvene, wier gestalte in de troebele en verbrokkelde West-Europeesche kultuursfeer van onzen tijd een haast uniek beeld biedt van klare harmonie en zuivere omslotenheid. Clara Wichmanns opstellen en voordrachten zijn voornamelijk betoogend, niet lyrisch of drarnatisch, geen uitbeeldingen van de innerlijke bewogenheid der spreekster en schrijfster. Toch openbaren zij ons veel van haar wezen. Daarom wil ik pogen, om, eer ik ertoe overga, de beteekenis van Clara Wichmanns arbeid voor het kultureele streven van onzen tijd te schetsen, het beeld van haar persoonlijkheid voor de lezers van deze herdenking uit haar werk te doen opstaan. Nu en dan zal ik daarbij dankbaar gebruik maken van de levensschets van den heer Meijer. Men behoeft slechts één opstel van Clara Wichmann te lezen, om iets van den geur, de essentie harer persoonlijkheid in zich op te nemen. Al lezend voelt men zich verplaatst in een weldadig-aandoende sfeer, waarin de bewogenheid vrij is van onrust en de spanning van krampachtigheid. Een geest straalt uit tot den lezende, welks innigste wezen harmonie, evenwicht tusschen de spanningen van een rijk en fijn geschakeerd gevoels- en gedachteleven is. Het bijzondere van die harmonie lijkt mij, dat zij tot stand komt op den grondslag van een innerlijke houding van schroom tegenover het leven, van jonkvrouwelijke schuchterheid en teerheid, die - hoe kan het anders - ook aan Clara Wichmanns lichamelijke persoonlijkheid, aan haar stem, haar houding, haar gebaren, een bijzonder cachet gaf. De schrijver der ‘Levensschets’ getuigt een paar maal, hoe zij niet dan ‘met grooten schroom’ tot de een of andere vorm van sociale aktiviteit kwam, zoo- | |
[pagina 5]
| |
als eerst de vrouwen- en later de arbeidersbeweging. Deze, voor Clara Wichmanns wezen zoo karakteristieke, schroom ontsproot allerminst uit een gevoel van minderwaardigheid of innerlijke onzekerheid, maar uit positieve, waardevolle eigenschappen. In de eerste plaats uit de fijnbesnaardheid van haar gevoel, zoowel in aktief als in passief opzicht: uit beduchtheid anderen te kwetsen en uit bewustzijn van eigen kwetsbaarheid. En in de tweede plaats (men leze hierin geen rangorde) uit het in haar aldoor-trillend besef van het wonder des levens, uit eerbiedige en vreugdevolle erkenning, dat het eigenlijke, de diepste zin, de hoogste waarheid en schoonheid van het leven niet langs den weg van het verstand kan worden gegrepen. De nadruk, waarmee Clara Wichmann opkwam voor het recht van het anders-geaarde, om de kiemen van eigen aanleg tot ontplooiing te brengen, haar afschuw van alle onderdrukking en dwang, stond met haar verwondering over, en haar bewondering voor, het oneindig-rijke leven in innigen samenhang. Wat men haar onbegrensde verdraagzaamheid kan noemen, was in haar niet zoozeer een uitvloeisel van theoretische overwegingen en beschouwingen, dan wel een spontaan gevoel, verworteid met de diepste lagen van haar persoonlijkheid. Uit Clara Wichmanns geestelijken arbeid stijgt altijd de fijne geur van den schroom omhoog; hij verleent aan dien arbeid, hoe kloek doordacht en met hoeveel wetenschappelijke akkuratesse opgevat en uitgevoerd ook, een vrouwelijke charme. Ook uit zich die schroom in een zekere kwaliteit van haar oordeel, dat, zelfs wanneer het recht ingaat tegen gangbare meeningen, wèl beslist, nooit echter aanmatigend of tartend is, zich nooit opdringt, nooit de tegengestelde denkwijze als absoluut verkeerd, | |
[pagina 6]
| |
dwaas of onzinnig uitsluit, maar integendeel het betrekkelijk recht daarvan in zich schijnt opgenomen te hebben, zoodat ook die denkwijze meetrilt in het samenstel van eigen harmonieën. De lezer zal misschien opmerken, dat met deze opmerkingen meer een bepaalde, sterk dynamisch-dialektische denkwijze aangeduid wordt, dan een eigenlijke karakteraanleg. Zeker: Clara Wichmann dacht van nature dynamisch en dialektisch: zij was, getuigt een vriendin uit haar studententijd van haar, wijsgeerig aangelegd: volgens haar aard streefde zij ernaar, de dingen in hun dieperen samenhang te begrijpen. Ga naar voetnoot1) Maar wijsgeerige aanleg in dezen zin behoeft volstrekt niet altijd gepaard te gaan met de bezonkenheid en de wijde, milde wijsheid, die Clara Wichmann hebben gekenmerkt. Eer de groote koncepties der wijsbegeerte van Hegel haar door de kolleges van Bolland werden ontsloten, hadden eigen drang en nadenken haar reeds tot het besef gebracht, hoe in het streven naar voortdurende vernieuwing van levensvormen, naar overwinning, telkens opnieuw, van bepaalde misstanden en euvelen, welker wezen aan het leven inhaerent is, maar welker vormen wisselen, de hoogste bestemming van den mensch ligt, en hoe niet zoozeer in het bereiken van bepaalde doeleinden als wel in dit streven zèlf de positieve waarde, de rijkdom en schoonheid van het leven als konkreet verschijnsel zich openbaart. Clara Wichmann was nog geen zeventien jaar oud, toen zij in haar dagboek de levensovertuiging, die zij, zoo jong reeds, verworven had, in den vorm eener romantische fantasie uitbeeldde. Het kulminatiepunt daarvan vormt de volgende zinsnede: ‘Ik geloof niet, dat de maatschappij ooit volkomen zal zijn en dat is een geluk, | |
[pagina 7]
| |
immers het schoonste is een eeuwig verder streven naar verbetering. zonder doeleinden kan zoomin de eenling leven als de menschheid.’ In deze zinsnede wordt één kant van Clara Wichmanns kernwaarheid, de aan haar leven richtinggevende overtuiging, - al is het dan nog wat vaag en zwevend, - uitgesproken. Men voelt, hoe aan haar wil-tot-aktiviteit een verbond van filosofisch relativisme en zedelijk idealisme ten grond ligt, dat bij jonge menschen slechts zelden gevonden wordt, een inzicht, dat het in het leven niet gaat om de verwezenlijking van absolute idealen. De andere kant van die overtuiging, het geloof, dat het eeuwige in het oogenblik kan en moet gerealiseerd worden, vinden wij ook reeds onder woorden gebracht in de volgende aanteekening uit dienzelfden tijd: ‘Ik geloof niet, dat de wereld nu op weg is naar een doel, dat zij eens iets bereiken zal, waartoe de eeuwen daarvóór slechts de overgang waren. Het doel van de wereld moet altijd gelijk zijn, altijd bestaan hebben en altijd bestaan zullen... En nu geloof ik, dat dat doel beweging en vooruitgang is..., een voortdurende beweging en toch daarin het eeuwige, altijd zich gelijk blijvende, het goddelijke.’ Ga naar voetnoot1) Naar mate haar bewustzijn groeide en rijpte, naar mate ook haar levenservaring rijker werd, heeft Clara Wichmann dit beginsel dieper begrepen en vollediger gerealiseerd. Maar reeds als aankomend meisje besefte zij min of meer duidelijk, dat het leven van eenling en gemeenschap sterker en vruchtbaarder wordt, naar gelang beide er beter in slagen, hun idealiteit niet zoozeer in de toekomst te projekteeren, dan wel haar te maken tot de kracht, die hun heden doordringt en vormt. De meeste idealistisch gezinde jonge menschen missen | |
[pagina 8]
| |
dit besef. De jeugd is in den regel juist al te zeer geneigd, haar idealisme in de toekomst te projekteeren, dat is te droomen van komende heerlijkheid, van volledige vernieuwing en herschepping des levens, van een wereld zonder schaduw van zonde en smart. Ditzelfde is het geval met jonge sociale groepen en bewegingen. Pas door ervaring gerijpte eenlingen en gemeenschappen plegen in te zien, dat in het streven en strijden zelf doorgaans de zegen lag, die hun droom naar de toekomst verlegde, de zegen van vreugde, warmte, innerlijke rijkdom en schoonheid, van verlossing en verzoening. En de vrucht der ervaring is voor hen vaak het inzicht, hoeveel rijker schatten zij nog uit het leven hadden kunnen putten, zoo zij de innerlijke spanningen en krachten in de eerste plaats hadden gekoncentreerd op de vormgeving van het oogenblik, inplaats van een groot deel dier krachten te projekteeren in toekomstfantasieën, welke in hoofdzaak subjektieve illuzies zouden blijken te zijn. En dan komt het berouw om de dwalingen en vergissingen, om verkeerd bestede kracht en verzuimde gelegenheden. Het samengaan van idealistische gezindheid met filosofisch relativisme en een sterken zin voor de werkelijkheid, is de oorzaak geweest, dat Clara Wichmann reeds vroeg haar geestelijke gaven zoo vruchtbaar heeft kunnen maken. Zij heeft geen aardstortingen van het gemoed behoeven door te maken, zich niet moeizaam aan illuzies behoeven te ontworstelen, geen dwalingen behoeven te berouwen en te boeten. Hierin ligt zeker voor een groot deel de verklaring van het feit, hoe een leven, waaraan slechts betrekkelijk weinige jaren geschonken werden om te werken, zoo rijken vrucht heeft gedragen, zoowel wat het gehalte als wat den omvang van haar levens-arbeid betreft. Met open oog ving zij dien arbeid aan en datgene, | |
[pagina 9]
| |
wat men haar gematigd scepticisme met betrekking tot de toekomst zou kunnen noemen, werd meer dan gekompenseerd door haar besef van de oneindige waarde, die in elk ‘heden’ ligt. ‘De ontwikkeling’ schreef zij in 1916 in een opstel over de toekomst der vrouwenbeweging ‘is er niet eene naar een goede toekomst, die de wonden van vroeger niet meer dragen zal. Het leven zal steeds wonden dragen, die altijd weer op die van vroeger zullen lijken, de misverstanden tusschen mannen en vrouwen zullen blijven, al veranderen zij van vorm’.Ga naar voetnoot1) In ‘Heden, Verleden en Toekomst’ kenschetst zij de verwachting, ‘dat er weleens een tijd zal komen, waarin wat we nu ontberen vervuld zal zijn’, als een hoop, waarin de mensch altijd wordt teleurgesteld en een ‘naieve verhouding tegenover de toekomst’. ‘Altijd opnieuw leert de werkelijkheid ons onze wenschen af.’ ‘Maar,’ gaat zij onmiddellijk hierop voort, ‘daarmee is niet gezegd, dat het leven zich niet dikwijls in de richting van het betere zou ontwikkelen. Want in al die verwachtingen, teleurstelling van verwachtingen en begrijpend en aanvaardend te boven komen daarvan, voltrekt zich iets. Achteraf blijkt een ontwikkeling te hebben plaats gehad, beter dan die, welke we verwacht hadden: een vervulling te zijn gekomen, dieper dan die we wilden.’ Ga naar voetnoot2) Waarin volgens Clara Wichmann dat betere bestaat, daarover heeft zij ons niet in twij fel gelaten. Het betere in de verhoudingen der menschen is ‘de wil tot vrije toewijding, die immers alleen mogelijk is, waar macht en konventie ver weg geweken zijn.’ Ga naar voetnoot3) Het is de ontwikkeling niet van leed naar geluk, maar van hoogere vor- | |
[pagina 10]
| |
men van leed en geluk beide. Ga naar voetnoot1) Het is het aanvaarden van de verscheidenheid, het begrijpen van het anders-zijrgle en, voor zoover dit laatste niet wordt begrepen, dan toch van vertrouwen daarin, omdat ook dit een schakel is in het Geheel, waarin wij den troost over onze beperktheid vinden.’ Het is het langzaam uitgroeien boven den waan, dat betere sociale verhoudingen door dwang, geweld en onderdrukking verwezenlijkt zouden kunnen worden en dat de innerlijke krisis van een overgangstijd zich enkel door en op de slagvelden zou openbaren. Ga naar voetnoot2) Het is de overwinning van de opvatting, als zou ‘het bestaan het laatste en hoogste zijn’. Ga naar voetnoot3) Clara Wichmann stond tegenover de uitkomsten van het menschelijk streven voor de toekomst der menschheid volstrekt niet absoluut sceptisch. Zij erkende ten voile de waarde en de vruchtbaarheid van dat streven. Maar zij erkende ook zijn grenzen. En ook hierin kwam weer tot uiting de edele schroom, die haar tegenover het leven vervulde. De gedachte dat de mensch de ideale toekomst-verwachtingen, die in hem leefden, uit eigen kracht ten voile zou kunnen realiseeren, scheen haar aanmatigend toe. Zij zag het leven, de toekomst, als uit oneindig meer faktoren opgebouwd, dan een mensch, een tijd, een beweging kan bevroeden. ‘We doen de toekomst onrecht, wanneer we voorbijzien, dat die uit een veel grootere verscheidenheid van faktoren zal groeien dan de, toch altijd beperkte, idealen van ieder onzer,’ schreef zij. (‘De moraal in de maatschappij der toekomst’.) Telkens weer poogt zij het besef to wekken, dat niet de | |
[pagina 11]
| |
enkele mensch en evenmin de menschheid hun idealen met dogmatische zekerheid mogen opvatten, immers ook de menschheid ‘arbeidt in dienst van wetten, die zij zeive niet ten voile verstaat’. Ga naar voetnoot1) Nadrukkelijk houdt zij vast aan de opvatting, dat al is het geloof in de ‘betere toekomst’ voor den mensch ‘als rustpunt niet te ontberen’, al zijn warmte aan het oogenblik behooren moet. ‘Wij bezitten alleen het nu.’ Maar al heeft alle leven werkelijkheid, zoo is die werkelijkheid niet in alle oogenblikken en in alle levensphasen van gelijke waarde. Integendeel: die phasen zijn zeer uiteenloopend ‘in hoogte en harmonie, in ware menschelijkheid en menschlievendheid.’ Of de toekomst aan onze voorstelling en onze wenschen zal beantwoorden, weten wij niet: ‘wij moeten ook kunnen leeren vertrouwen, dat het tot iets goeds zal zijn, wanneer de toekomstige werkelijkheid anders blijkt dan wij hadden gewild.’ Ga naar voetnoot2) Maar in zijn eigen tijd vindt de eindige mensch altijd een eindige taak: deze namelijk van de menschen van zijn eigen tijd den weg te helpen vinden uit de tekorten en nooden van dien tijd naar de ‘betere’ phase, - uit disharmonie naar een harmonischer, uit oppervlakkigheid naar een verdiepter bestaan, uit een onbevredigend naar een meer-bevredigend leven. Van deze wijsgeerige overtuiging uit, kon Clara Wichmann een onafhankelijk, positief en synthetisch standpunt tegenover de geestelijke en sociale vraagstukken van haar tijd innemen. Echte, diepe, bijna teedere waardeering voor vroegere kultuurwaarden en kultuurvormen ging in haar samen met blijde ontvankelijkheid voor de uitschietende ranken en zwellende knoppen aan den, zich door de tijden been aldoor verjongenden, levensboom. Al | |
[pagina 12]
| |
het wordende had haar warme belangstelling en liefde. Al mocht het nog zoo rauw zijn van aspekt, zoo onvoldragen en onaf, zoo verontreinigd door de moeilijke baring, - wanneer zij in het nieuwe ‘het betere’ voor een bepaalde levensphase, het betere ook tegenover de uitgewoonde, verstarde levensvormen van een reeds halfvoorbijen tijd ontdekte, dan heette zij het welkom, dan boog zij er zich overheen met moederlijke teederheid, als wilde zij het koesteren en beschermen, dan hief zij het in het licht, om het den menschen te toonen, dan poogde zij hen, geduldig en onvermoeid, te overtuigen welke zoete of grootsche beloften in dit uitbottend leven scholen. Het ‘betere’ in de nieuwe opvattingen over misdaad en straf, in de nieuwe denkbeelden over het gezin, over de verhouding tusschen man en vrouw, tusschen ouders en kinderen, tusschen jongeren en ouderen, - in het nieuwe huwelijks- en familierecht in Sowjet-Rusland, - in het nieuwe streven naar zelfbevrijding der arbeidersklasse, in de nieuwe strijdmiddelen tegen onderdrukking en oorlog, voortkomend uit het vertrouwen in geestelijke krachten, - in de nieuwe methoden van opvoeding, steunend op het geloof in het scheppend beginsel, dat in elk kind leeft, - Clara Wichmann heeft ze alle gezien met den verheerlijkenden blik der liefde, dat is ze in hun hoogste mogelijkheden doorzien. Niet dat zij het nieuwopkomende steunde tegen de aanmatiging van het oude, het half vermolmde of verstarde, tegen den wil van dat oude, om ook verder het levensveld te beheerschen, is het bijzondere aan Clara Wichmann geweest, maar de motieven waarop en de vorm, waarin zij dit deed. De verbinding van beheerschte kracht, wijsheid en mildheid, met klare doelbewustheid, die haar optreden kenmerkte, heeft dit tot een zeldzame lafenis in de rumoerige, troebele, | |
[pagina 13]
| |
liefdelooze sfeer van het openbare leven gemaakt. De drang tot geestelijk-sociale aktiviteit steunde bij Clara Wichmann op twee pijlers: het geloof aan een trapsgewijze, zij het ook gedeeltelijke en nooit zekere, realiseering, van een den mensch ingeplant hooger beginsel, dat zij vooral zag in de verwezenlijking der ‘innerlijke ongelijkheid’, dat is in de toenemende verfijning en verdieping der, van uiterlijken dwang verloste, menschelijke persoonlijkheden, èn in de vervulling van een konkrete taak, den mensch in elk bijzonder tijdvak opgelegd, in den strijd tegen de nooden en misstanden, het Teed en het onrecht van elk ‘nu’, elk historisch oogenblik. Erkend moet worden, dat dit geloof in haar niet altijd onaangevochten is geweest. Ook Clara Wichmann heeft een phase doorgemaakt, waarin haar wil tot sociale aktiviteit dreigde verlamd to worden door een den geest overwoekerend besef van de gebrekkigheid en leedgebondenheid van alle menschelijke leven. Gedurende die phase was een ‘milde scepsis’ de grondtoon in den samenklank harer innerlijke harmonieën. Spoedig echter overwon zij deze scepcis, die ten deele als terugwerking op de schokken van den wereldoorlog, ten deele uit persoonlijke smartelijke ervaringen en teleurstellingen moet worden verklaard. Zij vond het geloof terug in den waarachtigen zin van het leven en van alle werkzaamheid in zijn dienst. Maar nog tegen een tweeden belager moest dit geloof verdedigd worden. Dat een zoo harmonische natuur als Clara Wichmann onder de disharmonie van het huidige levenstijdperk ontzettend heeft geleden, spreekt vanzelf. In haar wijsgeerigen arbeid vinden wij dit leed omgezet tot een beschouwing over het tekort aan volheid van | |
[pagina 14]
| |
leven, aan het geluk, uit opbouw en vormgeving opbloeiend, dat de zoogenaamde tijden-van-overgang altijd zou kenmerken. Ga naar voetnoot1) Zulke tijden schenen haar zoo arm aan voldoening in de sfeer van het maatschappelijk en geestelijk leven, als een grauwe, sombere dag arm aan licht en glans is in de natuurlijke sfeer. In verschillende wijzen van leven kon geluk liggen, meende zij, niet echter in den overgang van den eenen levensvorm in den anderen. Daar kan geen harmonie bestaan, enkel konflikt en wroeging. Dergelijke tijden kennen enkel een ‘theoretisch streven’, dat door zijn wezen alle harmonic uitsluit. Harmonie ligt alleen in scheppende werkzaamheid, in opbouw van nieuwe verhoudingen. En deze is pas mogelijk, wanneer het leven ‘in rust’ is. Ga naar voetnoot2) Maar ook in de oogenblikken, waarin Clara Wichmann zich het minst bevredigd voelde en het ergst leed onder het Bemis aan klare, bloeiend-zachte verhoudingen tusschen de menschen, - ook in die oogenblikken bleef haar gemoed in staat, den rijkdom van het leven in zich op to nemen, zooals uit eene, onmiddellijk op de hierboven weergegeven beschouwing volgende, uiting blijkt. Ondanks de disharmonie, konstateert zij, wordt nooit zóó rijk geluk beleefd als in de kenteringsdagen, wanneer de verlossing en verzoening gevoeld warden van den strijd. ‘Misschien zijn zelfs de tijden van overgang de rijkste tijden, al zijn zij de smartelijkste.’ Hieruit blijkt wel, dat de schrijfster zelve in het tekort van den tijd, in zijn smartelijke verscheurdheid, rijk geluk en voldoening heeft beleefd, zooals de vogels zingen in het geweld en de verschrikking van het onweer. Zij lam ze beleven, door- | |
[pagina 15]
| |
dat zij niet enkel dialektisch dacht, maar ook dialektisch voelde. En om, als het ware, zichzelve goed in te prenten, dat de vogel niet moet wachten met zingen, tot het onweer de atmosfeer verzuiverd en de aarde gedrenkt zal hebben, gaat zij van deze beschouwing onmiddellijk over tot het opnieuw formuleeren van de gedachte, waartoe zij telkens terugkeert en waarin misschien haar diepste levenswijsheid is neergelegd: ‘Maar, om dat te erkennen, moeten we heenkomen over den wensch van projektie in de toekomst, als ware die de idealiteit en het wezen van het heden. Eerst wie afstand doet van de toekomst, verwerft het heden.’Ga naar voetnoot1) Hoe vele jaren heeft het geduurd, eer een deel der socialistische beweging tot het inzicht is gekomen, dat zij, door het zwaartepunt der idealiteit naar een onbekende toekomst te verleggen, feitelijk de verwerkelijking der idealen van saamhoorigheid en gemeenschapszin meer tegenhield dan bevorderde. Wonderlijk: de wijsheid, waaraan zoovele sterke, schrandere en toegewijde strijders voorbijgingen, en waaraan velen tot heden toe nog steeds voorbijgaan, die door anderen pas na smartelijke ervaringen in moeizame zelfbezinning verworven werd, - een jonge vrouw plukt ze, hier en elders in haar werk, met een licht gebaar, als onopzettelijk, en biedt ze met een, ietwat weemoedigen, glimlach, maar toch met een helderen blik en een rustig gebaar alien aan, die naar nieuwe vormgeving des levens streven, als het eenige kompas, waar zij op kunnen varen, zeker niet te worden misleid. Natuurlijk heeft ook Clara Wichmann deze wijsheid door strijd verworven en met pijn ervoor betaald: geen sterfelijk wezen kan ze anders verwerven. Het feit ech- | |
[pagina 16]
| |
ter, dat zij ze jong, betrekkelijk gemakkelijk en zonder veel dwalen verwierf, stempelt haar tot een begenadigde stervelinge. Het leven behoefde niet in haar als een streng tuchtmeester verkeerde voorstellingen of dwaze illuzies uit te roeien: de zaden van inzicht, wijsheid en liefde, die in haar lagen uitgestrooid, rijpten vanzelf met haar eigen groei mee.
De twee groote filosofisch-historische koncepties, die Clara Wichmann in zich heeft opgenomen - de leer van Hegel, zooals deze door Bolland werd geinterpreteerd, en de leer van Marx -, hebben met hun rigoureuze dogmatiek de lenige gratie van haar wezen niet vermogen te onderdrukken. De starre wapenrusting der beide grootste geweldenaars in het rijk des geestes, die de 19e eeuw heeft voortgebracht, krijgt op onnaspeurlijke wijze een soepeler en gesmijdiger karakter, daar waar zij zich legt om het wezen dezer teedere, en toch in al haar teederheid innerlijk zoo krachtige jonge vrouw, wier oog een sprank schijnt opgevangen te hebben van den zachten gloed, het hart bekorend in de schoonheid van sommige sterren. Clara Wichmann heeft de groote gedachten van Hegel en Marx overgeplant in den tuin van haar eigen innerlijkheid. Zij ondergingen den invloed daarvan, zoozeer, dat zij een in vele opzichten vernieuwd aspekt kregen. Wie met zooveel schroom en eerbiedige verwondering als Clara Wichmann opzag tot het leven, die moest wel instemmen met Hegels verheerlijking van alle levensvormen, als, gedeeltelijke en tijdelijke, openbaringen van den geest. ‘Die Idee ist nicht so ohnmächtig um nur zu sollen and nie wirklich zu sein’ - dit woord van Hegel wordt door Clara Wichmann in verschillende opstellen met | |
[pagina 17]
| |
voorliefde aangehaald. En even sterk voelde zij de waarheid van het marxisme, wanneer Marx voor de nieuwe klasse, de nieuwe arbeidswijze, de nieuwe produktieverhoudingen het recht opeischte, om oude, verbruikte, uitgediende levensvormen te vervangen. Niet, alsof zij meedoogenlooze strijd van het oude tegen het nieuwe, strijd, die niets ontzag, met niets rekening hield dan met de organisatie der overwinning, aanvaarden en goedkeuren kon. Daarvoor was zij te zeer overtuigd van het innerlijk verband tusschen middel en doel en te zeer vervuld van piëteit ook jegens datgene, wat ten doode gedoemd was. Het had immers óók eens waarlijk geleefd: reden genoeg, om het niet ruw ondersteboven te loopen en in den strijd ertegen degenen, die er nog aan vasthielden, niet meer leed te berokkenen dan strikt noodig was. Clara Wichmann bezat in hooge mate de echt-vrouwelijke eigenschap der piëteit. Haar denken was er van doordrongen. Door de blijde klanken, waarmee zij het nieuwe, wordende welkom heet, klinkt altijd de ondertoon mee van het besef, dat het verleden geen dood ding, geen voorbije aangelegenheid is, maar eeuwig meezingt in de symphonie van het eeuwige worden. In hooge mate wist zij piëteit voor het voorbijgegane en voorbijgaande te vereenigen met warme, begrijpende liefde voor al wat jong, glanzend en onbedorven uit den onuitputtelijk rijken schoot des levens opstijgt. lk ken geen overtuigender beschouwing over het recht van kinderen en jonge menschen op ruimhartige sympathie van de ouderen en op levensruimte voor de vrije ontplooiing van hun eigen gevoels- en gedachteleven, dan het opstel, dat zij, zelve nog zeer jong zijnde, aan de verhouding tusschen ‘de Jongeren en de Ouderen’ wijdde. In dit, nu reeds vijf en twintig jaar geleden geschreven opstel, vindt | |
[pagina 18]
| |
men soortgelijke opvattingen over de ingewortelde neiging der volwassenen, de kinderen en de jeugd het slachtoffer te maken van hun eigen onopgeloste konflikten en hun eigen behoefte zich te doen gelden, als die door de modern paedagogie met zooveel nadruk verkondigd worden. Clara Wichmann, open als zij was voor al het jong-opkomende, moest vanzelf aan den kant van de jeugd staan, en óók aan den kant van elk maatschappelijk strewn naar vernieuwing. Slechts een ding zag zij als het voorrecht en de bijzondere schoonheid van den ouderdom: het waardeeren van het eeuwige in de voorbijgaande verschijnselen en het vrede hebben gevonden met alle. Het is kenschetsend voor haar, dat juist dit voorrecht reeds haar deel was in haar jeugd, doordat zij verleden, heden en toekomst als eenheid beleefde. Zoo ook wist zij, jong nog, reeds verband te leggen tusschen het enkele en het algemeene, en de tegenstellingen op te lossen tusschen eenling en gemeenschap, die door zoovelen van ons niet slechts in hun gedachten, maar ook in hun leven, meegedragen worden als een onopgelost en onoplosbaar probleem. Zij zag die tegenstelling akuut worden in tijden van kentering, zag vooral in zulke tijden de tegenstrijdigheid zich opdringen tusschen de geldige normen en de subjektieve moraal. Clara Wichmann was geen verheerlijkster van het individualisme. Zij erkende de noodzakelijkheid en de meerwaardigheid van normen en regels tegenover de eenlingen, die te zwak zijn, om uit eigen innerlijke kracht aan de eischen der samenleving te voldoen. Maar zij erkende óók de soevereine macht van het persoonlijk geweten, zij ging uit van het feit, dat het individueele leven in zijn hoogste potentie uitgaat boven de norm-voor-allen, ‘die meestal ook een norm van gisteren | |
[pagina 19]
| |
is’. ‘Het individueele menschenleven, dat zuiver denkend en zuiver voelend tegenover de onderlinge verhoudingen der menschen staat, gaat ver uit boven de verstarde, overgeleverde normen van vroeger,’ schreef zij in een opstel over ‘De moraal in de maatschappij der toekomst’. Zij, die voortdurend uitzag naar de eerste sprieten en sprankels van vernieuwing, wist, dat deze altijd eerst in de denkbeelden, daden en zeden van enkelen een worsteling tegen de oude normen doorzetten moet. Ongetwijfeld valt in de formuleeringen, waarin zij de rechten van gemeenschap en eenling - die voor haar vaak samenvielen met de rechten van het zijnde en het wordende - poogde saam te vatten, een overhellen naar het tweede, een zekere voorkeur van geest en hart voor het subjektieve te bespeuren. Dit is ook volkomen verklaarbaar. De individuen, die worstelen om hun subjektieve moraal, hun jonggeboren besef van een nieuw recht en een nieuw onrecht tegenover de oude, algemeen-geldige en reeds half verstarde, normen en vormen door te zetten, zijn immers altijd het heden-nog-zwakkere, het onbegrepene, misverstane deel-des-levens, vaak ook het heftig bestredene, vervolgde en verguisde deel daarvan, al bergt hun schoot potentieel de krachten der toekomst. En naar het zwakkere, het niet uit Bemis aan levenskracht, maar uit onvolgroeidheid zwakkere, - naar het individueele, dat dreigt onder den voet geloopen te worden door kuddeinstinkt, drang tot navolging en sleurgeest, ging haar sympathie, èn van nature èn door bewuste overtuiging, het sterkst uit. Zoo kwam zij tot het sociaal-anarchisme. ‘Gemeenschapsgevoel’ op zich zelf kon haar niet bevredigen. Zij zag het als een primitief en bekrompen gevoel, een opgaan van den eenling in de kudde. Daaren- | |
[pagina 20]
| |
tegen merkte zij vol vreugde de uitingen op van een nieuw-opkomend sociaal bewustzijn, dat vrij bleef van kuddegeest, omdat in dit bewustzijn de eerbied voor het persoonlijke, het aanvaarden en laten gelden van het anders-geaarde mede was opgenomen. Waar de eerbied voor het anders-geaarde, de drang zijn ontplooiing te dienen, de beduchtheid het te kwetsen, zóó diep in Clara Wichmanns wezen verworteld was, moesten alle dwang, geweld en onderdrukking haar wel diepen afkeer inboezemen. En hier moet men dan weer haar wijd en wijs inzicht bewonderen, dat haar verhinderde, van de geweldloosheid een dogma te maken. Zij besefte volkomen dat het nieuwe beginsel moest rijpen in een Lang proces ‘van leed en strijd, met vallen en opstaan’, eer van zijn algemeene toepassing sprake kon zijn. Haar hoopvol vertrouwen in elk symptoom van individueelen en maatschappelijken groei begroette als de eerste dageraad der overwinning van het beginsel der geestelijke weerbaarheid het feit, dat de vraag van het geweld in deze tijden voor vele revolutionairen tot een probleem geworden was, waarmee zij telkens opnieuw worstelden. Zij zag daarin een bewijs der toenemende gevoeligheid van het sociale geweten. Toch was ook haar vertrouwen in dezen groei vrij van alle illuzies. Scherp zag zij de gevaren, die de revolutionaire ontwikkeling in den geest, zooals zij die voorstond, gedurende haar leven bedreigden en dit heden in nog hoogere mate doen. In het samenstel van krachten en faktoren, die deze ontwikkeling vooruit drijven, beschouwde zij het ontwaken der onderdrukte massa's, hun nieuwe, aktieve belangstelling in het wereldgebeuren, als het hoopvolste en gewichtigste teeken van een kentering ten goede. Om dàt begin van zelfbevrijding te | |
[pagina 21]
| |
redden, moest, vond zij, àl het andere, óók de uitwendige machtsformatie, desnoods tijdelijk opgegeven worden. Zoo de stelselmatige aanwending van georganiseerd geweld en terrorisme in de latere phasen der russische omwenteling haar met groote bekommering vervulde, dan had die kommer, niet uitsluitend natuurlijk, maar toch in de eerste plaats zijn grond in de vrees, dat de amper ontwaakte massa zich, teleurgesteld en in haar diepste gevoelens gekwetst, van de revolutie afkeeren en in de oude dofheid terugvallen zou. Ga naar voetnoot1) En het tragische van den ontwikkelingsgang in West-Europa lag voor haar vóóral hierin, dat, nog eer een werkelijke revolutionaire krisis had ingezet, de verzakelijking, het uitsluitend-utilistisch redeneeren, het streven naar uiterlijk succes, reeds tot zulk een schrikwekkende hoogte gestegen waren. | |
IIClara Wichmann is in hoofdzaak op drie verschillende gebieden werkzaam geweest, namelijk op dat van de vrouwenbeweging, van de sociale beweging en van het recht. Haar werkzaamheid op alle drie deze gebieden was zoowel praktisch als theoretisch. Zeker heeft haar praktisch optreden in de vrouwen- en de arbeidersbeweging een onuitwischbaren indruk nagelaten bij hen, die het voorrecht hadden, met haar in aanraking to komen. Bewust of onbewust ondergingen zij | |
[pagina 22]
| |
haar vermogen - hoe zeldzaam is dit - beginselvastheid te vereenigen met verzoenende, bindende kracht, radikalisme met geest-van-synthese. Op den voorgrond getreden in de praktijk van het openbare leven is zij echter niet. Haar voornaamste werk ligt op het gebied van de theorie, de wetenschappelijke verklaring van verschij nselen, feiten, toestanden, verhoudingen, opvattingen, denkbeelden. Haar werk is één doorloopende poging, om door verheldering den weg te banen tot verbetering, om aan te toonen, hoe zekere verhoudingen ontstonden, wat hun (betrekkelijk) recht was of is, hoe dit recht in onrecht verkeerde of verkeert, aan nieuw-opkomende maatstaven gemeten, en in welke richting de overwinning van konkrete vormen van onrecht moet worden gezocht. Dat werk is altijd drie-eenheid van verklaring of interpretatie, kritiek, en poging-tot-konstruktie, nooit enkel het eene of het andere. Voor zoover het betrekking heeft op het heden, wordt het bezield door het streven, om in de donkerte van vandaag de eerste gloringen van morgen te doen zien, en de strekkingen der werkelijkheid in het licht te hef fen, waar iets in doorbreekt van de schoonheid en vrijheid der Idee. lk wil nu pogen, in korte woorden te zeggen, wat Clara Wichmann's wetenschappelijke verdienste is op de drie gebieden, waarop zij werkzaam is geweest: vrouwenvraagstuk, maatschappelijk vraagstuk en het vraagstuk van misdaad en straf. Op elk daarvan hebben haar praktisch werk en haar wetenschappelijke arbeid elkaar gesteund en bevrucht. Toen zij omstreeks 1908, als studente te Utrecht, zich voor het vrouwenvraagstuk begon te interesseeren, was in de vrouwenbeweging nog heel wat overgebleven van den ouden feministischen zuurdeesem. De nadruk lag in | |
[pagina 23]
| |
die beweging nog op den strijd der vrouw voor meerdere rechten, voor het vrouwenkiesrecht in de eerste plaats en in het algemeen voor ‘bevrijding’ van de vrouw in juridisch en maatschappelijk opzicht, dat wil zeggen voor verlossing uit daadzakelijke, feitelijke, gemakkelijk waarneembare banden, méér dan op de verandering van subtieler, meer innerlijke verhoudingen en op het beleven dier verandering als verlossing, warmte, geluk, - smartelijk geluk misschien en vol tegenstrijdigheid - maar toch rijk bewogen en heerlijk. Een robuste overtuiging en een muurvast vertrouwen in het absolute recht van hun eischen en het absolute goed, dat de inwilliging daarvan reeds beteekend had of nog zou beteekenen, bezielde de pioniersters van den strijd voor de emancipatie en de zelfstandigheid der vrouw. En deze inzetting bracht noodzakelijk eenzijdigheid mee in het oordeel over het verleden, voor zoover dit de vrouw betrof of met haar in verband stond, en onmacht om de pijn en het geluk in het vrouwenleven-van-vroeger te doorvoelen als verwant en nabij. Ze bracht ook het gevaar mee voor een zekere vervreemding van den voedingsbodem van het nu, een niet-erkennen van de kontinuiteit der ontwikkeling. Zeker begòn toen reeds de kentering: er waren ook andere vrouwen dan Clara Wichmann, ook onder het oudere geslacht, die de leemten en onevenwichtigheden van het militante feminisme beseften. Maar onder haar was er geene, die op den grondslag van wijd en rijp historisch-filosofisch inzicht de elementen van het betrekkelijke èn het absolute, het tijdelijke èn het eeuwige in de vrouwenbeweging èn het verband tusschen die verschillende elementen zoo scherp zag. Geen van haar bracht zoo vanzelf alle vraagstukken in een sfeer van ruimte en eeuwigheid, door altijd voorop te | |
[pagina 24]
| |
stellen, hoe in àlle verandering de kontinuïteit ongeschonden bleef. De vrouwenbeweging had zichzelf in haar eerste phasen al te zeer opgevat als een geheel nieuw verschijnsel en een aktiviteit, tegengesteld aan die, welke sedert onheugelijke tij den het lot der vrouw gevormd had. Met Clara Wichmann begon een zachte, maar nadrukkelijke stem te spreken, die poogde de vrouwenbeweging te helpen, zichzelve ànders te zien, ‘niet als de ontwikkeling van een toestand, die aan der vrouwen wezen vreemd was, maar als een, die met haar wezen overeenkomt’, - als een langzame ontplooiing van dat wezen door den geheelen ontwikkelingsgang van het verleden; - met perioden van evolutie en involutie, van onten van in-wikkeling, - en daarmee ook als een ontplooiing van alle verhoudingen die uit wezen en zijn der vrouw voortvloeien, die van man en vrouw, van man en gezin, van vrouw en gezin, van vrouw en geestelijk leven. De vrouwenbeweging was geen grensoverschrijding geweest, zij had geen totale omkeer gebracht van verhoudingen, maar vervulling en verdere ontplooiing van wat in alle tijden reeds had bestaan. Weliswaar had de vrouwenbeweging in de jaren, dat Clara Wichmann in haar rijen trad, het eerste stadium, - dat van het begrijpen der ontwikkeling als in absolute, onverzoenlijke tegenstellingen verloopend, - achter zich gelaten. Haar leidende geesten geloofden niet langer, ‘dat het verleden het verkeerde zonder meer was geweest en het ware leven nu pas beginnen ging.’ In de plaats van een dogmatische, was een historische beschouwingswijze gekomen, die de vroegere verhoudingen niet zoozeer afkeurde, dan wel ze ‘in het licht van hun tijd’ trachtte te begrijpen. Maar die opvatting bleef te zeer steken in een onfilosofisch historisme, om Clara Wichmann te kunnen | |
[pagina 25]
| |
bevredigen. Zij behoorde tot de weinigen, die in alle verandering eeuwig hetzelfde zich hervinden zien en onder het tijdelijke en betrekkelijke van iedere vorm de essentie, ‘datgene wat niet van buiten bepaald wordt’, zich eeuwig gelijk zien blijven. In verband hiermee stond, dat zij niet aan een definitieve oplossing van het vrouwenvraagstuk geloofde, niet aan het bereiken, eens en voorgoed, van bevredigende toestanden en verhoudingen. Wèl geloofde zij aan vollediger ontplooiing van het wezen der vrouw door de tijden, aan toenemende verinniging en verfijning van geluk en leed. Het eigenlijke doel der vrouwenbeweging achtte zij niet zoozeer te liggen in haar formeele emancipatie en in de gelijkstelling der geslachten op elk gebied, dan wel in den groei van het vermogen der vrouw, deel te nemen aan elk menschelijk beleven. Tegenover overspannen verwachtingen en illusies over het groote dat zou komen, waarschuwde zij met nadruk: men moest toch niet alles op de toekomst zetten, maar óók de verrijking en verruiming en verzoening van het heden, àl de eigenaardige schoonheid en warmte van een kenteringstijd, ten volle waardeeren en genieten. Thans, nu bijna een kwart eeuw later, is het aspekt der vrouwenbeweging veel veranderd. Er is de teleurstelling, dat, door alles wat bereikt werd, weliswaar veel oude onvoldaanheid opgeheven werd, maar ook veel nieuwe opkwam, pijnlijker nog dan de oude, omdat zij dieper in het leven snijdt. Er is het ‘nieuwe feminisme’, dat niet voornamelijk in het naar buiten treden der vrouw, in maatschappelijken arbeid, maar in de verrijking van haar zijn en haar verhoudingen naar binnen toe, als echtgenoote en moeder, de groote winst van de vorige phase ziet. Clara Wichmann heeft ook deze ontwikkeling vooruit | |
[pagina 26]
| |
gezien en erop voorbereid. Ga naar voetnoot1) Daarom kunnen haar geschriften over het vrouwenvraagstuk en de vrouwenbeweging in het bijzonder voor hen, die zich door die ontwikkeling teleurgesteld en geschokt voelen, of die er niet begrijpend tegenover staan, ook heden nog bronnen zijn van verheldering en verruiming.
In de eerste oorlogsjaren heeft Clara Wichmann de innerlijke verandering doorgemaakt, die haar ten slotte bracht aan den kant der anti-autoritaire, socialistische arbeidersbeweging. Deze verandering voltrok zich in haar als een ondeelbaar proces in de sferen van gemoed, gedachte en wil. Haar intuïtieve drang naar gerechtigheid voor alle sociaal-ten-achter-gestelden, alle verdrukten en misdeelden, werd door haar studie van de socialistische gedachtenwereld in bepaalde banen geleid. Vooral uit de beide uitvoerige opstellen in den bundel ‘Mensch en Maatschappij’, getiteld ‘Het Historisch Materialisme’ en ‘De Philosophische grondslagen van het Socialisme’ krijgen wij een indruk van de grondigheid en de veelzijdigheid van de studie der jonge juriste op sociologisch gebied. De eerste dezer opstellen kan men beschouwen als een breed-opgezette poging, zich over de waarde van het historisch materialisme rekenschap te geven. Zij is wat de Duitschers een ‘Auseinandersetzung’ noemen. In | |
[pagina 27]
| |
de tweede beproeft de schrijfster, de geestelijke grondslagen bloot te leggen van de uiteenloopende manifestaties der socialistische gedachte sedert de middeneeuwen. Wat ons in de eerste studie vooral treft, is het samengaan van groote waardeering voor het historisch materialisme (en het marxisme in het algemeen), met een scherpen kritischen blik voor de leemten en eenzijdigheden daarvan. Het vermogen om, ondanks alle waardeering van het marxisme, zijn zwakke plekken duidelijk te zien, was bij intellektueelen van Clara Wichmanns generatie, die tot de arbeidersbeweging kwamen, zeldzaam. In den regel begonnen zij, het marxisme met huid en haar te aanvaarden, als de absolute waarheid aangaande het werken der kausaliteit in de samenleving. Ga naar voetnoot1) De tweede phase, die van bezinning en kritiek, volgde doorgaans pas veel later, onder den invloed van persoonlijke ervaringen en door den sterken indruk van sociaal-psychische feiten, die niet in overeenstemming bleken met de theorie. Bij sommigen volgt op deze phase, waarin kritiek en negatie overheerschen, nog weer een derde, gekenmerkt door de vorming van een meer definitief, waarlijk gerijpt en bezonken oordeel. Ga naar voetnoot2) Bij Clara Wichmann is van een dergelijk uit-elkaarliggen van de verschillende phasen of stadiën van haar geestelijk rijpingsproces met betrekking tot het marxisme geen sprake geweest. Ook in dit opzicht werd haar ontwikkeling in een merkwaardig kort bestek saamgedrongen: ‘elle a brûlé les étappes’, zooals de Franschman zegt. Het historisch materialisme schijnt haar, onmiddel- | |
[pagina 28]
| |
lijk toen zij het begon te bestudeeren, gepakt te hebben. Blijkbaar waren er in haar geen weerstanden te overwinnen van het soort, zooals zij in vele intellektueelen in dien tijd zeer sterk waren en die in laatste instantie terug waren te voeren op hoogmoed. Deze aandachtige leerlinge van Hegel, wiens methode zij steeds is blijven bewonderen, begroet het omslaan bij Marx en Engels ‘van de theorie in de werkelijkheid en van de idee in de materie’ als ‘een konceptie van groote, verheven historische beteekenis, die alleen in nuchtere geesten weer nuchter werd’. Ga naar voetnoot1) De bijzondere verdienste van het historisch materialisme ziet zij in het leggen van een nauw verband tusschen de geschiedenis, dat is tusschen de menschelijke ontwikkeling, en de ekonomische werkelijkheid, een verband, ‘waarbij de mensch verschijnt als aktief’. De studie van het marxisme bracht Clara Wichmann tot de overtuiging, dat dit in tweeledig opzicht een groote historische taak volbracht had. In de eerste plaats door zijn ‘ontmaskering van de huichelarij der ideologie’ en in de tweede door zijn optreden als stuwende theorie van het zich bevrijdende proletariaat. Ga naar voetnoot2) Vooral de nadruk die zij legde op het eerste punt en niet minder haar eigen formuleering van de ‘ontmaskering’, zijn uiterst karakteristiek voor Clara Wichmanns wezen. Die formuleering is klaar en scherp, ja onverbiddelijk, maar zonder een spoor van animositeit of ressentiment. Haar moedige geest ziet de onthulling, door het historisch materialisme, van het belang dat bepaalde sociale | |
[pagina 29]
| |
groepen hebben bij bepaalde ideeën en theorieën, als een pijnlijke, maar verblijdende vooruitgang van het inzicht in het wezen der samenleving. Terecht vergelijkt zij het werk, dat het marxisme door deze onthulling of ontmaskering ten aanzien van het sociale bewustzijn verricht heeft, met de verheldering, door de theorie van Freud op het gebied van het individueele bewustzijn tot stand gebracht. Ook bij Freud was er overdrijving en eenzijdigheid, die later tal van korrekties noodig zou maken, zoodat wellicht van zijn leer in haar oorspronkelijken vorm weinig zal overblijven. En toch heeft die leer, in het groot gezien, op een zeer gewichtig punt, gevoerd tot een heilzaam proces van menschelijke zelfverheldering, waarop niet meer teruggekomen kan worden. Zoo was het ook Marx bij de ‘ontmaskering der ideologie’ erom te doen, de aard van den mensch als maatschappelijk wezen dieper te doorgronden en meer klaarheid te brengen in den psychischen samenhang der maatschappelijke verhoudingen. Clara Wichmann vat die ontmaskering op als een onweerlegbare, sociaalhistorische bewijsvoering, ‘hoe de menschheid haar belangen voor haar eigen geweten verborgen heeft.’ Zij ziet ze als leidend tot een maatschappelijk louteringsproces, dat de oogen der menschheid opent voor hare in gemakzucht en zelfzucht wortelende kollektieve huichelarij, en haar een paar stappen verder brengt in de richting van ware geestelijkheid. Maar, al aanvaardt Clara Wichmanns dappere waarheidszin de onthulling, ‘dat de menschen voor hun eigen geweten hun klassebelangen verschuilen’, als een schrede tot dieper sociaal inzicht, zoo ziet zij tevens in, dat deze onthullingsleer in haar algemeenheid slechts een doorgang mag zijn naar een nauwkeuriger onderschei- | |
[pagina 30]
| |
ding tusschen ideologie en idee, tusschen voorgewend en waarachtig idealisme. Telkens heft Clara Wichmann in haar opstel over het historisch materialisme met klem de oorspronkelijke gedachte in het licht, het rijker en dieper geestelijk leven, dat aanvankelijk in het marxisme pulseerde, maar in den loop der jaren al te vaak in vulgarisatie en vervlakking ten onderging. Ook beproeft zij, mede met gebruikmaking van wat anderen, als Max Adler, Muller-Lyer, Kelles Krauz, in die richting reeds gevonden hadden, een weg aan te wijzen tot oplossing van zich opdringende tegenstrijdigheden in het marxisme. Zeker, later zijn de verschillende problemen, die zij in haar opstel aanwees, scherper gesteld en meer in bijzonderheden uitgewerkt: het wezenlijk verschil tusschen de ‘wetmatigheden’ in het natuurlijke en het menschelijke geschieden heeft zich den beschouwenden geest opgedrongen: het toenemend inzicht in de samengesteldheid der bewustzijnsverschijnselen heeft het geloof aan de almacht van het belangen-motief ondermijnd. Niet het feit echter, dat de kritiek op het historisch materialisme, vooral na den wereldoorlog, op tal van punten boven Clara Wichmann uit is gegaan, is het merkwaardige: merkwaardig is, dat zij, na het marxisme slechts kort bestudeerd te hebben en in waardeering voor Marx' grootsche koncepties niet te kort schietend, toch zoo rake en vruchtbare kritiek daarop heeft geleverd. Dieper dan vele anderen heeft zij het sociaal-ethisch tekort van het marxisme beseft en de daaruit voortvloeiende gevaren voor de praktijk aangewezen: het alles, of bijna alles, verwachten van de omstandigheden en, in verband hiermee, het opvatten van de verwezenlijking van het socialisme als in hoofdzaak afhankelijk van den ekonomischen ‘vooruitgang’; de onder- | |
[pagina 31]
| |
schatting van de beteekenis der persoonlijkheid en van het persoonlijk verantwoordelijkheidsgevoel voor den strijd. Clara Wichmann voorzag een vernieuwd socialisme, dat de drie afgesloten phasen der algemeene socialistische gedachte in zich opgenomen en verwerkt zou hebben, - een socialisme, waarin sterker nadruk gelegd zou worden, óók reeds in de kapitalistische maatschappij, op planmatige aktiviteit en bewust menschelijk ingrijpen, dan waartoe het marxisme had opgevoed. Zoo kan zij er aanspraak op maken, zoowel een voorloopster van de konstruktieve richting in het socialisme geweest to zijn, als van de ethische en kritisch-psychologische. In de studie, door Clara Wichmann aan de philosophische grondslagen van het socialisme gewijd, treft ons de groote zekerheid, waarmee zij zich beweegt op het gebied van de ontwikkeling der socialistische gedachte. Een bondige analyse van die ontwikkeling door de eeuwen heen voert haar tot een drieledige indeeling van het socialisme in religieus-extatisch, utopisch en wetenschappelijk. Het verband van elken dezer drie verschijningsvormen van het socialisme met den tijdgeest, waarvan zij een uiting waren, wordt in enkele bladzijden aangegeven en de bijzondere verdienste van elk hunner voor de socialistische gedachte in haar geheel, ontvouwd. Uit de wordingsgeschiedenis dier gedachte, wordt dan de waarschijnlijke overgang tot een vierde phase afgeleid, omschreven als die van het neo-wetenschappelijke socialisme, dat, meent de schrijfster, gekenmerkt zal zijn door ‘socialistisch historisch denken, plus herleving van het religieuze eenheidsbesef en moderne psychologische wilsproblemen.’ Ga naar voetnoot1) Clara Wichmann geloofde dus aan een verdere, theore- | |
[pagina 32]
| |
tisch-praktische ontwikkeling van het socialisme, voerend tot een phase, waarin de door het marxisme verwaarloosde of niet-uitgewerkte elementen, tot hun recht zouden komen, - elementen, behalve met wilsrichting (ethische motieven), en wilskracht, ook samenhangend met het recht op zelfbepaling van den eenling en de groep. Zeker was zij niet zoo naief, om deze zelfbepaling op te vatten als binnen afzienbaren tijd volledig bereikbaar. Maar wél geloofde zij aan ontwikkelingsmogelijkheden in die richting reeds in het heden. En het spreekt vanzelf, dat onder de verschillende vormen van het anti-autoritaire socialisme, diegene haar het sympathiekst waren, welke het streven naar deze zelfbepaling het duidelijkst zoowel theoretisch tot richtsnoer namen als in hun praktijk trachtten, iets daarvan te verwezenlijken. Zoo moest haar sympathie wel uit gaan naar het syndikalisme, waarmee zij sedert 1916 op allerlei manieren praktisch in aanraking kwam en aan welks theorie zij een van haar mooiste studies gewijd heeft. In het syndikalisme trok haar allereerst de opvatting aan van zijn taak als het verwezenlijken, ‘met eigen handen, door eigen zelfstandigen groei’, van het socialisme, - verder zijn afkeer van politieke aktie en onderhandeling, ‘uit vrees dat deze tot de innerlijke verwording van het socialisme voeren zou’ en in het algmeen zijn opstandigheid tegen een socialisme, dat door en door rationalistisch en materialistisch geworden was. Van belang achtte zij voorts nog in het syndikalisme de opvatting der algemeene staking in aktieven en konstruktieven geest, de groote waardeering van psychische faktoren als élan, bezieling, strijdwil, de spontane daad, de offervaardigheid van eenlingen en groep, - de aansporing tot rechtstreeksche aktie (staking, boykot, lijdelijk verzet, sabotage) als een middel, | |
[pagina 33]
| |
om den geest van strijd en offervaardigheid te stalen, het zelfbewustzijn te verhoogen, de voorkeur van het syndikalisme voor een vorm van organisatie, waarin zooveel mogelijk de vrijheid en het zelfbestuur der deelen geëerbiedigd werden, en ten slotte zijn tegenzin tegen overheerschend kwantitatieve en mechanische middelen, zooals groote weerstandskassen en een sterke vakvereenigingsburokratie. Ga naar voetnoot1). De verlegging van het accent in het syndikalisme, van de meer uiterlijke en mechanische naar de psychische faktoren, en de verplaatsing der aandacht van het politieke naar het ekonomische terrein, leek Clara Wichmann een hoopvol teeken van socialistische verjonging. Als de voornaamste verdienste echter van het syndikalisme zag zij zijn werken in en op de praktijk, het feit, dat het een nieuw élan en nieuwe overgave gewekt had in vele duizenden en het schier uitgedoofde heroïsme van den strijd had doen herleven. Ga naar voetnoot2) Het feit van dit heroïsme, van deze sterke wilsspanning en het andere feit, dat zij, althans ten deele, op ideëele en boven-persoonlijke doeleinden gericht werd, is ongetwijfeld de diepste oorzaak geweest van de warmte van gevoel, waarmee Clara Wichmann het syndikalisme aanvaard heeft. In de geestes- en gemoedsgesteldheid van strijders, die in en door den strijd de volheid en schoonheid van het menschelijk bestaan beleefden, herkende zij den klop van haar eigen dappere hart. Dit heeft haar in staat gesteld, om een belangrijke strooming in het socialisme, bier te lande haast alleen bekend in de karikaturale voorstelling, die haar tegenstanders van haar gaven, en die daarenboven in de | |
[pagina 34]
| |
praktijk altijd te worstelen heeft gehad, tegen de overwoekering van haar zuivere streven door het wilde kruid van onwetendheid, ruwheid en overdrijving, te doen zien zooals zij, die strooming, in haar hoogste potentie, in de bezielde idee van haar grondvesters en de edelste uitingen van haar aanhangers, leefde. Ongetwijfeld heeft haar intuitieve sympathie voor het syndicalisme als idee, Clara Wichmanns oordeel over de vormen, waarin het zich manifesteerde, beïnvloed. Die sympathie zal wel de oorzaak geweest zijn, dat sommige elementen in het syndicalisme, zooals het uitdrukkelijk aanvaarden van geweld in den klassenstrijd, in haar uiteenzetting over de theorie in schaduw gehuld bleven. Zij kende Sorel, immers zij haalt in haar opstel de ‘Réflexions sur la Violence’ aan, het beriichte geschrift van dezen merkwaardigen, origineelen, maar niet zeer konsekwenten denker, dat een der voornaamste hoeksteenen is geweest bij den opbouw van de syndikalistische theorie. Maar zij gaat op zijn uiteenzetting niet in. Wél wijst zij op het samenvallen van ‘den opstand van het syndikalisme tegen een in verstandelijkheid verstard socialisme’ met het optreden van Bergson, die tegenover de overheersching van het rationeele in de filosofie, op intuïtie en impulsiviteit den klemtoon heeft gelegd. Ga naar voetnoot1) Clara Wichmanns warmgevoelde apologie van het syndikalisme is een bewijs te meer, hoe voor haar niet zoozeer de opvatting ten aanzien van een of ander bepaald punt van socialistische theorie of socialistische praktijk over het innerlijk gehalte, de waarde van een | |
[pagina 35]
| |
richting voor het leven besliste, dan wel de volheid van leven, door theorie en beweging te sàmen pulseerend, de werking van het beginsel op de praktijk, de groei- en bevrijdingskansen, die beide haar te bieden schenen aan individuen en groepen. Dit alles vormde voor haar een geheel, en al naar dit geheel, ja dan neen, naar een rijker gespannen eigen leven, meer zelfbepaling en grooter differentiatie scheen te zullen leiden, voelde zij er zich door aangetrokken of afgestooten. Dit verklaart, waarom bijvoorbeeld ook de onverschilligheid van het syndikalisme voor de formeele demokratie, en zijn geloof in de beteekenis der aktiviteit van daadkrachtige minderheden, haar geen gevaren toeschenen, waartegen stelling genomen moest worden. Alles beter dan de verstikking der opstandigheid in het najagen van tijdelijke zekerheden en groepsvoordeelen, dan het altijd méér nadruk leggen op machtsvorming door het aantal, op de groote weerstandskas, de ‘ijzeren’ discipline, zooals zij die in de socialistische massa-organisaties tot uiting zag komen. In die organisaties, (moderne vakbeweging en sociaal-demokratie) vond Clara Wichmann niets van datgene, wat zij het essentieele van het socialisme achtte. Het schijnt mij toe, of haar aangeboren ruimheid van denken en voelen, en óók haar waardeering voor alle vormen van strijd, leven en gedachte in een bepaald historisch verband, haar tegenover de ‘moderne beweging’ wel Bens in den steek hebben gelaten. Misschien is zij in dit ééne opzicht niet altijd buiten de verwarring van het strijdgewoel gestegen. Veel ruimer en vrijer stond zij tegenover het (russische) kommunisme. In het Radenstelsel begroette zij een vorm van sociale organisatie, die, in het groot gezien, ‘als onder het licht der eeuwigheid’, den opbouw der | |
[pagina 36]
| |
samenleving op nieuwe, zuivere grondslagen - die van den arbeid - beteekende. Zij verwachtte, dat deze organisatievorm, van onderen op werkend, een geestelijk element zou brengen in den, steeds mechanischer wordenden, arbeid en dat hij de produktie tot een zaak der werkers zelf zou maken. Ga naar voetnoot1) Clara Wichmann heeft de diktatuur van het proletariaat tegenover de aanvallen der burgerlijke pers in bescherming genomen, zij legt zelfs op één plaats in haar geschriften nadruk hierop, dat die diktatuur, noch als vestiging van een nieuwe klasseheerschappij noch als onderdrukking met grove methodes bedoeld was. Maar al behoorde voor haar de hoofdstrijd altijd gericht to blijven tegen het kapitalisme, zoo heeft zij ook vele malen de methoden en taktische beginselen der kommunistische partijen bestreden. In het absoluut loslaten en de ontkenning van elk verband tusschen doel en middelen door het kommunisme, zag zij een gevaar voor de ontwikkeling naar het (echte) socialisme, niet minder groot dan in de verburgerlijking der sociaaldemokratie. Wèl echter heeft zij zich in haar kritiek op het bolschewisme steeds beperkingen opgelegd, omdat dit naar haar overtuiging een ‘hoogere phase’ van maatschappelijk leven aankondigde, die in elk geval ‘heel wat meer menschenliefde vertegenwoordigde dan de burgerlijke kapitalistische maatschappij’. Ga naar voetnoot2) Tegenover een zekere mate van dwang en zelfs van geweld, daar waar deze onvermijdelijk schenen, om de | |
[pagina 37]
| |
ontrechten aan hun recht te helpen, heeft Clara Wichmann, kan men zeggen, niet absoluut afwijzend gestaan, al ging haar hoogste verlangen uit naar een socialistische konceptie, een strijdwijze en een vormgeving des levens, waarin deze lagere, van een bloedbevlekt verleden afstammende elementen overwonnen waren. Ga naar voetnoot1) Maar zoo Clara Wichmann, ondanks haar sterke persoonlijke afkeer van dwang en geweld, geen dogma gemaakt heeft van de absolute geweldloosheid, zoo was zij onvoorwaardelijk tegen beide gekant, wanneer zij gebruikt werden door machtigen tegen machteloozen, sterken tegen zwakken of weerloozen. De drang, al wat zwak en hulpeloos en niet in staat was, voor zichzelf op te komen, zichzelf te beschermen en te verzorgen, was een voornaam, misschien wel het voornaamste bestanddeel van haar rechtsgevoel en haar rechtsbewustzijn. Van uit dit bewustzijn heeft zij geijverd voor het recht van het kind en de vrouw, naar eigen behoefte en verlangen te leven; - van de vrouw en den proletariër, om deel te nemen aan den opbouw der kultuur in haar vollen omyang; - van den misdadiger, om erkend te worden als een medemensch, die niet uitgestooten mag worden, maar die men helpen moet, om zijn zwakheden te overwinnen - en ten slotte voor het recht van de meest weerlooze aller wezens, die tot het door den mensch geschapen kultuurmilieu behooren: van de huisdieren, hun recht om als levende, met gevoel en verstand begaafde schepsels te worden behandeld. Ga naar voetnoot2) | |
[pagina 38]
| |
De idee van het recht omvat een wijde spanning tusschen twee polen: de eene, die van het onvermurwbaar oordeel en de onverbiddelijke afwijzing; de andere die van toewijzing, van bescherming en deernis. In al haar arbeid als rechtskundige beweegt Clara Wichmann zich bij voorkeur om deze tweede pool van het recht, die men, in tegenstelling met de eerste, de vrouwelijk-moederlijke zou kunnen noemen. Hoe karakteristiek is niet deze omschrijving, dateerend nog uit haar ethisch-feministische phase, van de misdadigheid: ‘Misdaad is leed, is op aggressieve, egoïste wijze ‘abreagieren’ van ellende’. In een later stadium van ontwikkeling heeft zij deze omschrijving, althans met betrekking tot de zoogenaamde ekonomische kriminaliteit, aldus gevarieerd, daarbij sterker nadruk leggend op de maatschappelijke faktoren: ‘kriminaliteit is meestal een onbewuste, primitieve, tamelijk chaotische reaktie van lang tekort gekomenen, die zonder klaar en rustig bewustzijn van hun recht, tersluiks en individueel iets nemen van wat hun en hun klassegenooten aldoor onthouden is.’ Ga naar voetnoot1) In deze karakterisatie wordt het leed niet als de direkte oorzaak van een groot deel der huidige kriminaliteit genoemd, wel echter als zoodanig verondersteld. Wie met zoo sterk menschelijk medegevoel tegenover den misdadiger staat, die heeft in zichzelf niet slechts de oude opvatting der gerechtigheid als straffende macht en wrekende vergelding overwonnen, maar die zal ook naast dit negatieve een positief streven pogen te stellen. Hij zal pogen het recht te hanteeren als een werktuig in handen der samenleving, om tegenover personen en groepen zooveel mogelijk goed te maken wat deze verzuimde of | |
[pagina 39]
| |
bedierf, om te beschermen hen, die weerloos staan tegenover een overmacht van verstarde inzichten, hartelooze stelsels en verbureaukratiseerde instellingen, en om hen, die door deze overmacht neergeslagen werden, te helpen zich weer op te richten. In Clara Wichmanns opstellen over kriminaliteit, strafbegrip en strafrecht komt haar gave, rekening te houden met al de verschillende faktoren van een gegeven totaliteit van menschelijk zijn en bewustzijn, en ze allen te zien, werkend in hun onderling verband, in bijzonder hooge mate tot uiting. Haar filosofische aanleg en geschooldheid maken, dat zij nooit de kontinuiteit uit het oog verliest en haar, door verantwoordelijkheidsgevoel aangespoorde wil-tot-sociale aktiviteit, dat zij nooit met, in haar oogen altijd onvolledige en onvolmaakte, resultaten genoegen neemt. Ook op het gebied van het recht zag zij de ontwikkeling zich voltrekken op een dubbel plan: dat der maatschappelijke beweging en dat der evolutie van de idee. Het opmerken van de tegenstellingen in de tendenties der ontwikkeling, die zich in de moderne maatschappij op deze twee plans voltrekt, heeft tot de vorming van haar rechtsbewustzijn zeer veel bijgedragen. Reeds in haar dissertatie poogde Clara Wichmann de historische grondslagen der ‘nieuwe richting’ in het strafrecht vast te stellen. Later heeft zij telkens opnieuw de positieve waarde dier richting voor de evolutie van het rechtsbewustzijn en het strafrecht kritisch onderzocht. De groote historische verdienste der ‘nieuwe richting’ leek haar te bestaan in de ondermijning van het strafbegrip, - een karakteristieke opvatting, karakteristiek voor een geest, die elke ‘straffende gerechtigheid’ een overblijfsel achtte uit een barbaarsch verleden, een nawerking | |
[pagina 40]
| |
van primitieve, aggressieve aandriften. Volgens haar oordeel bleef de ‘nieuwe richting’ echter in allerlei halfslachtigheid steken, doordat zij zich geplaatst had op den bodem der burgerlijke rechtsorde. Immers dit feit bracht onvermijdelijk een overmatig hooge waardeering van bepaalde persoonlijke en kultuurgoederen mee. In veel wat de oorzaken en de natuur der z.g. ekonomische kriminaliteit aangaat, sloot Clara Wichmann zich aan bij de sociologische school. Zij was overtuigd, dat een groot deel der misdaden het direkt of indirekt gevolg was van de huidige ekonomische wanverhoudingen en verdwijnen zou, wanneer deze werden overwonnen. Echter, van de sociologische kriminologen in het algemeen, en speciaal van vele socialistisch-gezinden onder hen, scheidde haar het nadrukkelijk verkondigde inzicht, dat nieuwe, hoogere opvattingen in zake misdaad en straf niet ‘vanzelf’ zouden doorbreken in een socialistische of kommunistische maatschappij, maar door strijd en pijn verworven moesten worden. Overtuigd als zij was, dat elk onderdeel eener nieuwe kultuur zijn bijzondere problemen had, die van tevoren bewust moesten worden gemaakt, wilde hun omwenteling en omzetting niet worden vertraagd, Ga naar voetnoot1) kon zij niets willen overlaten aan de ‘ontwikkeling.’ Niet in het medewerken aan positieve verbeteringen van het strafstelsel zag Clara Wichmann in het huidige stadium der maatschappelijke evolutie de voornaamste taak van hen, die deze omwenteling en omzetting wilden bevorderen. Natuurlijk sloot zij die medewerking aan waarlijk - hervormende werkzaamheid niet uit. Maar de hoofdnadruk lag voor haar op de vorming van een nieuw rechtsbewustzijn en de opvoeding der openbare meening | |
[pagina 41]
| |
tot het inzicht, dat de heerschende opvattingen over misdaad en straf ‘een schandvlek zijn van achterlijkheid, grofheid, oppervlakkigheid en hardheid.’ Ga naar voetnoot1) Clara Wichmann kon zich geen beweging in de richting eener werkelijk-menschelijke samenleving denken, die niet óók het werk der loutering van de heerschende opvattingen in deze materie op zich nam. Een nieuwe, broederlijke verhouding tot den misdadiger leek haar een integreerend deel van de socialistische levenskonceptie uit te maken. Menschen, in wien die konceptie waarlijk tot leven was gekomen, konden er zich niet mee vergenoegen, de direkte en indirekte maatschappelijke oorzaken van de massale beroeps- en gewoonte-kriminaliteit aan te toonen. Zij zouden óók pogen het tekort te verminderen, dat in de samenleving bestaat aan broederlijkheid, dat is aan menschen die bereid zijn elkaar te helpen, hun zwakheden en tekortkomingen te boven te komen. Een gemeenschap, waarin die bereidwilligheid bestond, zou nieuwe, betere methoden vinden van inwerking op den misdadiger dan ‘straffen’ in den gewonen zin van het woord. Zij, die gemeenschap, zou het begrip der z.g. ‘doelstraf’ even zeker als achterlijk en onjuist verwerpen, als de ‘nieuwe richting’ dat in een vorige phase de vergeldingsstraf had gedaan, - zou begrijpen, dat het geheele strafrecht omgezet moet worden in een maatschappelijke wetenschap der paedagogiek. Enkel door deze omzetting - die natuurlijk weer een ander maatschappelijk milieu veronderstelde, - zag Clara Wichmann de mogelijkheid eener bevredigende oplossing van de juridische problemen, die voortdurend haar aandacht hadden. Hier, op dit gebied, moest een berg van vooroordeel, domheid, groepsegoisme en oppervlak- | |
[pagina 42]
| |
kigheid overwonnen worden. De grootste leeraars der menschheid: Laotse, Christus, Tolstoi, wezen haar tot die overwinning den weg. Hun voetspoor volgend, moest zij het jus puniendi niet langer aanvaarden. Het besef moest doorbreken, dat ‘de mensch in zijn beperktheid het vermogen tot (ver)-oordeelen mist.’ Ga naar voetnoot1) Men moest leeren inzien, dat de ‘misdadiger’ niet door straf nog verder gedeprimeerd, maar integendeel opgeheven en in staat gesteld moet worden, zijn energie beter te leeren gebruiken en zich uit eigen kracht weer op te heffen. Ook moest men vertrouwen op het innerlijke louteringsproces, volgend op elke daad, en dat niet door straf verstoren. Zij, die dit schreef, wist, dat de nieuwe methoden van sociale paedagogie, die de breuk met ieder strafstelsel beteekenen, alleen toegepast zouden kunnen worden in een samenleving, die, anders dan de bestaande, gegrondvest zou zijn op toenemend wederkeerig vertrouwen. Zij wist ook, dat daartoe noodig was een verruiming der menschelijke gerechtigheid in die mate, dat zij ‘het goede aan alien geeft en daarbij niet alleen niet wil weten, met welke hand zij geeft, maar ook niet vraagt, welke hand het ontvangt’. (Guyau) - ja, méér nog noodig dan dit: een groei van de ‘Charité universelle’, het oneindig erbarmen, uitgaand boven alle weten en wegen van schuld en boete. Clara Wichmann heeft niet de illusie gekoesterd, alsof ook ‘een betere samenleving’ - zooals die, welke in Sowjet Rusland ontstond, haar, vergeleken bij de burger- | |
[pagina 43]
| |
lijk-kapitalistische, in de jaren 1918/21 toescheen Ga naar voetnoot1) - onmiddellijk zonder straf zou kunnen uitkomen. Maar rustig het feit erkennend van den langen weg, die nog af te leggen was, eer de idee verwerkelijkt kon worden, moest men dit volgens haar ook het andere feit doen, dat Been raad te weten zònder straf, altijd een bewijs van ons tekort, onze fout is, niet het gevolg van de onrijpheid der ‘anderen’. Ga naar voetnoot2) In het eerste Manifest van het ‘Comitee tegen de bestaande opvattingen omtrent misdaad en straf’, dat mode op haar initiatief werd opgericht, heeft Clara Wichmann in een klein bestek haar gedachten over deze dingen in eenvoudige, voor ieder mensch hegrijpelijke, taal uiteengezet. De bezonkenheid van gevoel en gedachte en de klaarheid van vorm maken dat Manifest tot een klein meesterwerk. Een vakkundige is daarin aan het woord die de materie volkomen beheerscht, en tevens een mensch, die het beste in andere menschen, hun gevoelens van verbondenheid en van persoonlijke verantwoordelijkheid, oproept met een stem, die nooit luid of schel is, maar altijd doordringend. Ga naar voetnoot3)
Hieraan: aan het opwekken van het menschelijke in | |
[pagina 44]
| |
alle menschen, die zij hetzij persoonlijk of door haar geschriften bereiken kon, heeft Clara Wichmann haar gaven ondergeschikt gemaakt. Haar methode van denken was gedrenkt in kritisch realisme; uit haar werk komt een adem ons tegemoet van universeel humanisme, verworteld in religieus eenheidsbesef. Drang naar gerechtigheid en naar meer dan gerechtigheid: naar onderlinge broederlijkheid, is de zedelijke bron, die haar streven voedt. Waarheidsdrang, behoefte scherp te onderscheiden, te zien en te dóórzien, is de ondergrond van haar streven in de velden van het intellekt. In Clara Wichmann waren kritisch-realistisch denken en religieus-humanistisch voelen-willen tot een gave eenheid versmolten. Die gaafheid is de zuivere adem van hare persoonlijkheid. Een persoonlijk vriend van Clara Wichmann, B. de Ligt, heeft bij haar krematie de gevoelens, die de kring van haar naaste geestverwanten haar toedroegen, vertolkt in dit treffende woord: ‘Zij bewoog zich tusschen ons als het gouden meisje uit de Nachtwacht van Rembrandt’. Het lijkt mij moeilijk, een juister beeld te vinden voor het betooverende licht, dat deze vroeg van ons heengegane heeft uitgestraald. Natuurlijk is de indruk van die naar buiten stralende gouden innerlijkheid het sterkst geweest bij hen, die met haar in persoonlijke aanraking gekomen zijn of althans haar woord hebben gehoord. Maar iets daarvan is toch ook voor lateren bewaard gebleven door haar letterkundige nalatenschap. In haar opstellen en aanteekeningen voor voordrachten, glanst nog een weerschijn der gouden klaarte, waarin zij bewoog en die in haar zelve zijn oorsprong had. Wel is waar zijn van haar meeste voordrachten enkel de schema's tot ons gekomen. Zelfs in deze schema's echter leeft nog iets van | |
[pagina 45]
| |
de milde wijsheid en de poëzie, die in al haar werk treffen. Onder of achter de verstandelijkheid van het betoog trilt het leven met zijn warmte, zijn rijke schatten, zijn gevaarlijke afgronden en lokkende verten. Aldoor heeft Clara Wichmann gepoogd, met aandachtige ooren het leven te beluisteren, het waar te nemen met wijd-geopende oogen, het te betasten met eerbiedige vingers, maar vooral: al zijn manifestaties innerlijk mee te leven. Zij heeft vol piëteit zich verdiept in dat, wat voorbij is en toch niet geheel voorbij, omdat zij het voelde opgenomen in het tegenwoordige. Zij heeft zich gegeven aan het oogenblik, dat aanflitst met zijn strijd en pijn, zijn verrukkingen en teleurstellingen. En ook heeft zij voortdurend gelet op de fluisteringen van het komende, heeft zij zich heengebogen over vandaag, om daarin de trekken te onderscheiden van morgen, zoo vol overgave en blij vertrouwen, als een moeder heenbuigt over haar kind. Al wat zij opnam en verwerkte, hetzij feiten, theorieën of stelsels, onderging in haar wezen een transformatie, ‘a seachange in something rich and strange’; het werd vloeiender, zachter, gesmijdiger, menschelijker, gedrenkt door een levensbeginsel, dat in den tijd die is nog slechts hier en daar, in kleine beken en half verborgen stroomen, uitvloeit door de samenleving. Dat meer-dan-persoonlijke en toch weer diep-persoonlijke beginsel was het, wat haar elke dwang van boven, alle onderdrukking en geweld, deed voelen als het lagere in den mensch, datgene wat hij in zich zelf moet overwinnen. En zoo zij zich anarchiste noemde, was dat voorwaar niet uit geringschatting voor eenige vorm van menschelijke verbondenheid en menschelijke gemeenschap, maar in heerlijk vertrouwen op de ordenende krachten, die, werkend van binnen uit, verbon- | |
[pagina 46]
| |
denheid en gemeenschap zonder dwang weten to bewerkstelligen. Clara Wichmann heeft geloofd aan een komende phase, waarin de kracht van het vrouwelijk-moederlijke levensbeginsel tot vollediger ontplooiing zou komen op alle gebieden van menschelijk-maatschappelijk leven. Haar eigen wezen en werken versterken in ons het vertrouwen, dat het tot zulk een phase ééns komen zal, al lijkt deze nu nog zeer ver verwijderd. Het fijnste en teerste, maar niet minder de hoogste krachten van de vrouwelijke psyche, zijn in dat wezen en werken tot uiting gekomen, de krachten, die vele volken aanduidden als ‘profetisch’, ‘scheppend’ of ‘goddelijk’, en hoog vereerden. HENRIETTE ROLAND HOLST-VAN DER SCHALK |
|