delen. Maar die waren ook belangrijk. Hij stopte de binnenkant van zijn broek vol, glipte uit de wagon in de richting van het bos dat vlakbij was. Maar hij werd gezien. Ze openden het vuur op hem en hij werd gewond.
Zalman werd naar het wachtlokaal gebracht en alle andere Joodse werkers werden onder bewaking gezet op het plein er recht tegenover. Plotseling zagen ze dat de deur van het wachtlokaal werd opengerukt. Zalman rende eruit. Hij vloog naar het spoorwegemplacement maar werd neergeveld door zeven treffers.
Toen Kittel, de SS-commandant, zag dat hij nog in leven was, liet hij Zalman naar het gevangenishospitaal brengen. Kittel kwam elke dag, gaf Zalman chocola en andere versnaperingen en probeerde van hem de namen los te krijgen van degenen voor wie hij de wapen-onderdelen had gestolen. Zalman wilde de geschenken niet aanraken, noch antwoorden op Kittels vragen.
Een verpleegster die in het hospitaal werkte, vertelde ons later, dat toen Kittel hevig aandrong dat Zalman hem vertellen zou voor wie hij de schokbuizen en machine-geweer-onderdelen had weggenomen, de zestienjarige jongen had geantwoord: ‘Ik gapte ze voor jou. Omdat jij mijn ouders hebt vermoord.’
Aan de weg tussen Wilna en Wilaike stond een benediktijner klooster. Zeven nonnen van Krakau kwamen hier wonen. Hier vond Aba Kovner, staflid van de UPO, toevlucht. De moeder-overste gaf hem een kamer voor hemzelf en beschermde hem.
Die moeder-overste was een vrouw van ongeveer vijfendertig. In haar jeugd was ze socialiste geweest. Ze had aan de universiteit van Krakau gestudeerd en was in het klooster gegaan in verband met een tragische gebeurtenis in haar persoonlijk leven.
Toen het Rode Leger van Wilna terugtrok, verborg de moeder-overste een gewonde roodgardist in haar kamer en liet hem pas gaan toen hij weer helemaal opgeknapt was. Later gaf ze, behalve aan Kovner, ook onderdak aan diens