Aanmerkingen op de Neederduitsche taale
(1653)–P. Leupenius–Van de Reedenen.HEt vierde deel van onse verhandelinge syn de Reedenen, die wy moogen noemen, een geschikkte saamenstellinge van verscheidene woorden. Wy noemense een saamenstellinge, en een saamenstellinge van verscheidene woorden: want een woord alleen (het sy dan een naamwoord, werkwoord, of bywoord) kann geen reeden maaken. Doch hoe veele woorden in eene reeden moeten te saamen komen, kann soo naauwe niet bepaalt worden: twee woorden syn genoeug om een geheele reeden toe te stellen, Jan schryft, Pieter drukkt. Dat getall kan opklimmen tot drie, vier, vyf, en meer woorden, Jan schryft boeuken, Jan schryft veele boeuken, Jan schryft veele goede boeuken. Doch alsoo onse taal kort vallt, soo is het onaangenaam overtollige woorden in eene reeden in te voeren, daar men eeven soo veel met minder woorden seggen kann, soo is het quaalyk geseidt, ik ging daar liggen vallen, voor ik viel daar: ik ben teegenwoordig spreekende, of ik kome te spreeken, voor ik spreeke. | |
[pagina 75]
| |
Wy hebbense daar beneeven genoemt een geschikkte saamenstellinge: want hoe veele woorden te saamen gestellt worden, soo konnen sy geen verscheidene reeden uit brengen, indien sy niet op een seekere orde geschikkt syn. Mann, brood, een, goed, staat, voedt, loopen, honden, heeft niet met allen te seggen: maar in een bequaame orde geschikkt synde, worden sy volkomene reedenen, goed brood voedt, een mann staat, honden loopen. | |
Oovereenkominge.SAll dan een reeden geschikktelyk syn te saamen gestellt, soo moeten de woorden staan in haare behoorlyke oovereenkominge, en in haare behoorlyke plaatse. De oovereenkominge wordt aangemerkt tuschen de naamwoorden alleen, en tuschen de naamwoorden met de werkwoorden. Een selfstandig en byvoeuglyk naamwoordGa naar margenoot+ in eene reeden te saamen gestellt, komen over een in geslagte, getall, en gevall, goede luiden betaamen goede seeden. Nochtans een betrekkende voornaam (die byvoeuglyk is) komt met de selfstandige naame die voorgaat wel over een in geslagte en in getall, maar tis niet van nooden altyd over een te komen in het selve gevall, wanneer het volgende woord anders vereischt, de knecht, dien ik u aangebragt hebb, is vroom: de brief, dien gy my gesonden hebbt, is aangenaam. Twee selfstandige naamen, van welke de | |
[pagina 76]
| |
eene de andere verklaart, komen over een in het selve gevall, als de stad Amsterdam, myn broeder Jan: maar sy hebben niet van nooden over een te komen in getall, noch geslagte. De boeuken myn vermaak, het kind de vreugd des moeders. Wanneer twee selfstandige naamen van verscheidene saaken by den anderen gevoeught worden, soo wordt de saak, daar men van spreekt, gestellt in het eerste, het ander in het tweede gevall, als de eere is de schaaduwe der deugd. De selve geleegentheid heeft het ook met de byvoeuglyke naamen des geenderleijen geslagts, wanneer sy selfstandelyk gebruikt worden, soo veel goeds iemand heeft, soo veel geloofs heeft hy ook. Sommige byvoeuglyke naamen komen over een met de selfstandige, doch in verscheidene gevallen. Het tweede gevall vereischen alle woorden van overvloed, gebrek, besittinge, ontbeeringe, gedachtenisse, vergeetenheid, beschuldinge, en ontschuldinge, waerdigheid of onwaerdigheid: als, ryk van goederen, des leevens satt, syns verstands magtig, geensdings behoeuftig, gedachtig des verbonds, geenesdings bewust, des lydens vergeeten, des leevens berooft, schuldig des doods, onschuldig des bloeds, waerdig des eeuwigen leevens, myns onwaerdig. De byvoeuglyke naamen van den overtreffende trapp, vergesellschappen sik geern met de selfstandige in het tweede geval des meervouds, Salomon was de wyste aller Kooningen, Moses de sachtmoedigste aller menschen. | |
[pagina 77]
| |
Soo doen ook de byvoeuglyke voornaamen, wie, een, geen, wie der Phariseen heeft ooit in hem gelooft? een der Burgeren heeft dat gedaan, onser geen heeft dat geweeten. By het derde gevall van de selfstandige naamen, worden gevoeugt sulke byvoeuglyke woorden, die de selve iet toe brengen of afneemen, eenig gemakk of ongemakk, haat of gunste, gelykheid, of ongelykheid beteekenen: siet van elks wat, het is my voordeelig, het is my schaadlyk, het is my nutt, het is my onnutt, het is my licht, het is my moeijelyk, syt my genaadig, hy is my afgunstig, synen broederen in alles gelyk, synen vaader seer ongelyk. Somtyds seggt men, hy is myns gelyk, maar dan wordt gelyk selfstandig genoomen. By het derde gevall der selfstandiger voeugen seer wel de byvoeuglyke naamen die een grootheid beteekenen, ses ellen hoog, drie voeten breed, vier vingeren dikk. Soodaanig is geweest de overeenkominge der naamwoorden met sik selven, volgt dat wy toonen de overeenkominge tuschen deGa naar margenoot+ naamen en de werkwoorden. Het woordeken syn of weesen, eenige besitting of toebehoorigheid beteekenende, neemt tot sik het tweede gevall, het is des vaaders, het is eens goeden Herders de schaapen te scheeren, maar niet het vell af te stroopen. So wordt ook somtyds gebruikt het woord achten, wat soude God hunner achten, ik achtet niets. Soo ook de woorden die eenigen tyd beteekenen, hy werkt des daags, en rustet des nachts: maar indien de vraag is, hoe lang? | |
[pagina 78]
| |
soo voeugt seer wel het derde gevall, hy heeft den geheelen nacht gewaakt. Woorden die iet geeven of neemen, of een geneegentheid des gemoeds beteekenen, hebben het derde gevall des persoons en der saake. Geeft my eenen nieuwen Geest. Weest my armen sondaar genaadig. Woorden van beschuldinge of onschuldinge, vereischen den persoon in het derde, en de saake in het tweede gevall. Hy beschuldigt hem des doodslags. De oovergaande werkwoorden begeeren het derde gevall van den persoon, van de saake, dikwyls ook van alle beide. Ik beminne hem, hy timmert huisen, de armoede leert den menschen veele konsten. | |
Plaatse der Woorden.NAa deese wetten moeten de woorden in de reedenen over een komen: maar sall de reeden wel vloeijen, soo moeten de woorden ook staan op haare behoorlyke plaatse. Ga naar margenoot+Wanneer twee selfstandige naamen te saamen komen van het eerste en tweede gevall, soo gaat het tweede voor het eerste, vaaders soon, moeders kind, niet soon vaaders, noch kind moeders. Recht anders gaat het, wanneer in het tweede gevall een naadrukk geleegen is, als de kinderen Gods, de kinderen Israëls, de Psalmen Davids, de wysheid Salomons. Daar een byvoeuglyke by een selfstandigen naame gestellt wordt, daar gaat de byvoeuglyke voor, een goed mann, een kloeuke | |
[pagina 79]
| |
vrouw, niet een mann goed, een vrouw kloeuk. Maar indien twee byvoeuglyke komen by eenen selfstandigen naame, daar gaat de selfstandige wel somtyds voor, een mann wys en geleerd, al hoe wel ook de byvoeuglyke wel konnen voorgaan, een wys en geleerd mann. De werkwoorden hebben ook haare seekereGa naar margenoot+ plaatse: want alle werkwoorden volgen naa den persoon die het werk doet. Een vaader beminnt, de meesters onderwysen. Wanneer neevens den persoon ook het werk gevoeught wordt, soo gaat de persoon voor, en het werk volgt naa, God schiep den mensche. De oovergaande woorden stellen den persoon die het werk doet voor, en tot den welken het werk oovergaat naa, de vaader beminnt syn kind. De werkwoorden, die in het geenderleij geslagte alleen in den derden persoon gebruikt worden, die voeugen sik by den naame in het derde gevall, somtyds voor, somtyds naa gestellt, het geschiedt my, het lust my, my dorst, my verlangt. De woorden daar meede men iet vraagt, worden voor den persoon en saake gestellt, doe ik dat? maakt gy moeyte? Wanneer meer werkwoorden in eene reeden te saamen komen, het een in een bepaalde, het ander in een onbepaalde wyse, soo vloeijt de onbepaalde seer gevoeuglyk op het laatste: Heer al soudt gy my dooden soo sall ik evenwel op u hoopen. Somtyds wordt een woord gevoeugt op | |
[pagina 80]
| |
verscheidene dingen, dat ik syn geld, of hy myn herte hadde. Wanneer twee naamen van het eenvoud voorgaan, soo volgt het werkwoord in het meervoud, ik noch hy hebben dat gedaan. Wanneer een woord voorgegaan is dat de geheele saake verklaart, soo wordt het daar naa in de deelen niet weederom verhaalt, twee Arenden vloogen, de een naar het Oosten, de ander naar het Westen. Wanneer nu verscheidene enkele reedenen tot een volkomene beschryvinge van eenige saake worden by een gebragt, soo vereischt de luister van onse taale de selve soo kort op te binden, als het mogelyk is, sonder veele reedenen in een te trekken, of het slot lange op te houden: als, voor den sondaren (niet die sondigen tot der dood, want dat is verbooden: maar voor die geene die sik bekeeren) moet men bidden. Dat is niet soo klaar, noch luidt niet soo wel: als, men moet bidden voor den sondaaren, niet die sondigen tot der dood, want dat is verbooden: maar voor die geene die sik bekeeren. Dit syn de Aanmerkingen die wy op de suiverheid van onse Neederduitsche taale hadden voor te stellen, welke wel waar genoomen synde, een groote vastigheid in het schryven en spreeken sullen geeven.
EINDE. |
|