Aanmerkingen op de Neederduitsche taale
(1653)–P. Leupenius–
[pagina 3]
| |
Gunstige, en bescheidene Leeser,GElyk het niet alleen droeuvig, maar ook schandelyk is, datter soo weinig acht genoomen wordt op de suiverheid van onse Neederduitsche taale, in de welke wy gebooren en opgevoedt syn: ook by sulken, die anders doordronken syn van geleertheid, en noch dagelyksch veel olie verbranden, om de verborgentheden van vreemde taalen te doorsnuffelen, en ondertuschen lyden mogen dat haare eigene taal in de donkerheid der vergeetenheid veracht blyve liggen: soo is het niet min heuglyk, dan pryselyk, dat sommige (soo geletterde als andere) sik bemoeijen, om vaste gronden te leg- | |
[pagina 4]
| |
gen, die verstrekken mogten tot gesettede wetten voor ons selven, en genoeugsaame behulpmiddelen, voor anderen, die, uit verre landen tot ons komende, geneegen zijn, om van onse taale kennisse te neemen. De verscheidenheid der taalen is wel door de sonde in de waerld gekomen: maar, de schande weg genoomen synde, een groot zieraad geworden, en dat God gescheiden heeft moeten wy niet weederom vermengen. Wy achtense voor rechte Liefhebberen van haare moederlyke taale, die de selve trachten ongeschend te bewaaren. Niemand behoort ons dan voor ongoed af te neemen, dat wy de selve sorge draagen voor onse Neederduitsche taale, die wy alle eerbiedigheid schuldig syn. De kleinachtinge, jaa verkrachtinge, die sy van veelen lyden moet, beweegt ons om haare eere en suiverheid voor te staan. Wy achtense voor een volmaakte | |
[pagina 5]
| |
taale, die een taal is op sik selven, en op haare eigene gronden bestaat, al hoe wel sy groote gemeenschapp heeft met andere taalen, insonderheid met de Hoogduitsche, van de welke sy schynt gesprooten te syn, en waar van sy weinig verschillt dan in de uitspraak. Wanneer wy dan noch spreeken van de Neederduitsche taale, soo merken wy die niet aan gelyk sy geweest is in haare eerste beginselen, die (gelyk in allen dingen) buiten twyfel seer onvolmaakt syn geweest, de oude afgesleetene woorden uit het graf op te haalen, waar niet anders dan sik selven onverstaanlyk maaken: men moet gevoelen met den geleerden, maar spreeken met het volk: De gewoonte sall ons de wett stellen; niet een opgenomene gewoonte van desen of geenen in het bysonder, niet van eene Stad, of Landschapp, daar ieder iet besonders heeft, dat groote verscheidentheid veroorsaakt: maar die door den gemeenen drukk | |
[pagina 6]
| |
en dagelykschen ommegang opgenoomen en gebillykt is. Weeten nochtans wel dat wy somtyds buiten het gemeene karrepad sullen moeten treeden, en eenige nieuwigheden voortbrengen, ons is ook niet onbewust dat alle nieuwigheid bedenklyk is: maar gelyk alle oudheid niet te prysen is, soo is alle nieuwigheid niet te verwerpen, indien sy maar goed, en op reedenen gegrondt is. Wie will ons aan eenige oude wetten binden, daar men tot noch toe sonder wetten geleeft heeft. Niemand verwachte van ons dat wy een volmaakte letterkonst of spraakkonst sullen overleeveren, dat soude ons aan den tyd, en bequaamheid ontbreeken, al hoe wel wy ook dat niet buiten hoope stellen: sommige hebben alreede veele daar in gedaan, die ons aangedreeven hebben om met hun de hand aan het werk te slaan, en hoopen datter naa ons komen sullen, die noch meer sul- | |
[pagina 7]
| |
len sien, dan alle haare voorgangers, en door welker naerstigheid, een maal een vaste en eenpaarige voet sall beraamt worden, die men in het leesen en schryven geduurig sonder aanstoot sall mogen gebruiken. Dit trachten wy te bevorderen met onse Aanmerkingen, die wy het oordeel van den verstandigen en naauwkeurigen Liefhebberen onderwerpen. Wy willen niet seggen dat wy het alles aangemerkt hebben, dat aan te merken is: want wie kann het all bedenken? wy durven ook niet gelooven dat onse Aanmerkingen soo vast souden gaan, datse niet souden konnen teegen gesprooken worden: want dwaalen is menschelyk, en alles wat menschelyk is achten wy van ons niet vreemd te weesen. Mogen niet alleen lyden, maar versoeken vriendlyk, dat dit werk, soodaanig als het is, van gesonde oordeelen mag verbeetert, vermindert of vermeerdert worden: en eer het geschiedt, stellen wy niemand een | |
[pagina 8]
| |
wett: wy binden ons aan niemands voorbeeld, noch behelpen ons met niemands gesag, geeven ook eenen iegelyken verlof om van ons te verschillen, altyd bereid synde om beeter onderrichtinge te ontfangen. Konnen wy ondertuschen hier meede wat goeds doen, sullen wy achten onsen arbeid wel besteedt, en ons oogemerk bereikt te hebben.
Vaar wel. |
|