Een enkel woord ter inleiding
De zorgvuldig-bewaarde, complete collectie onzer brieven, (die later het eigendom zullen zijn van de Koninklijke Bibliotheek) werd eenige jaren geleden in haar geheel door ons overgelezen. En de lectuur verraste ons, want ons bleek, dat, in tegenstelling met ‘gewone’ liefdesbrieven, wij hier te doen hadden met een logisch-gebouwden, zich vanzelf psychologisch ontwikkelenden levensroman.
En daar wij, al gold het hier ook onze eigen persoonlijke correspondentie, volkomen objectief tegenover deze uitingen konden staan, die door het lange tijdsverloop van een kwart eeuw onszelf tot historie waren geworden, besloten wij, onze brieven openbaar te maken, daar nooit, zelfs niet in onze productie, een beter, vollediger en duidelijker beeld van onze individualiteiten kon worden gegeven dan in dezen roman vécu.
Wij waren ervan overtuigd, dat deze correspondentie later in elk geval zou worden gepubliceerd, maar dan misschien door verre familieleden, dus door niets-wetende onbevoegden. Immers, zooals George Eliot opmerkt: As soon as a man is dead, his desk is raked, and every insignificant memorandum is printed for the gossiping amusement of the public, - wat zij terecht ‘odious’ noemt en ‘a disgrace to us all’. Bovendien raadpleegden wij indertijd daaromtrent een advocaat (Mr. Gerard van Rossum, mijn vroegere voogd, J.K.) en vroegen, of wij een testamentaire bepaling konden maken, wàt van onze handschriften wèl en wat niet mocht worden openbaar gemaakt. Het antwoord luidde evenwel, dat een literaire nalatenschap door geen enkele wettelijke formaliteit wordt beschermd, dus dat de erfgenamen er vrij over mogen beschikken.
Geleid door al de hier bovenstaande overwegingen, hebben wij er de voorkeur aan gegeven, onze correspondentie zelf voor de pers gereed te maken, een werk, dat ons vele maanden van arbeid heeft gekost, omdat de brieven allen moesten worden uitgezocht, zoo goed mogelijk naar vervolg gerangschikt (de brieven van J.R. v. S. zijn bijna nooit gedateerd en de postmerken dikwijls onleesbaar), daarna gecopieerd, en waar noodig, van verklarende aanteekeningen voorzien.
Het spreekt vanzelf, dat niemand daar ooit zoo goed in staat toe zou kunnen zijn als de auteurs:
Willem Kloos
Jeanne Kloos-Reyneke van Stuwe