en eigen gemaakte lage boezelaartjes meegebracht, wat Claar erg groote-menschen-achtig vond, want ze had tot nu toe altijd hooge schorten gedragen. Ook Mademoiselle was bijzonder verrast door de dingen, die Claar voor haar had gemaakt, n.l. een handschoenendoos, waarop ze zelf wat geschilderd had, en een mooien tafellooper.
‘En,’ zei Claar, ‘hoe is het met Uw twee vriendinnetjes? Hebt U ze de poppen nog gegeven?’
‘O, dat was zoo leuk, Claar. Ik had ze mee naar huis genomen, en daar eerst getrakteerd op melkchocolade en krentenbroodjes, dat vonden ze heerlijk, maar ze durfden niets te zeggen en keken alleen maar met groote oogen rond en likten hun kopje met hun vinger uit. Daarna gaf ik ze ieder hun pop - ze keken er even naar en liepen toen in eens de gang in naar de voordeur. - ‘Nu,’ vroeg ik hun, ‘hoe vind je dat nu?’ - ‘Mooi, aan moesje laten zien,’ riepen ze allebei, en deden onderdehand wanhopige pogingen, om de voordeur open te krijgen. Ik hielp ze nu maar gauw, want ze hadden geen rust, voor ze bij moeder waren, om die hun schat te vertoonen. 's Middags kwamen ze met vader nog eens heel netjes: ‘Dank je wel, mevrouw,’ zeggen.
‘Wat leuk, als we eens samen in Laarwijk komen,