| |
| |
| |
Hoofdstuk VIII.
Sombere dagen.
Op haar kamertje gekomen, had Claar niet veel lust om nog wat te gaan zitten leeren, zooals anders. Ze was alles behalve vroolijk gestemd - wat zag Mademoiselle vreeselijk bleek - als ze maar niet ziek werd; ze had anders nooit wat. - En dan die geschiedenis van school - o, als er toch maar geen briefje kwam! Claar wou wel alle andere straffen samen hebben, alleen die ééne niet.
En juist had juffrouw van Dichtmar, toen ze van het geval hoorde, pen en papier genomen en aan de ouders van de meisjes een briefje geschreven, waarin stond, dat al de leerlingen van de vijfde klasse tot straf voor hun onordelijk gedrag Woensdagmiddag op school moesten komen.
Zoo'n briefje werd ook den volgenden morgen al vroeg voor Mademoiselle bezorgd, en toen de meid naar haar ging kijken, gaf ze het meteen. - Claar
| |
| |
was expres, zoodra ze wakker werd, dadelijk naar beneden geloopen om te zien of de post ook wat gebracht had.
‘Hè, gelukkig niet’, dacht ze en ging gauw kijken, hoe het met Mademoiselle was. Maar toen ze binnen kwam, was het eerste wat ze zag, dat Mademoiselle een briefje in haar hand had en naderbij gekomen, herkende ze het schrift. - Ze schrok er van en wachtte af, wat Mademoiselle zeggen zou. Maar die sprak geen woord, legde het briefje neer en sloot de oogen.
Nu kon Claar het niet langer uithouden; ze begon te schreien. Na een oogenblikje hoorde ze de stem van Mademoiselle, die zachtjes zei: ‘Waarom heb je het me niet verteld, Claar?’
En onder het snikken door, antwoordde Claar: ‘Omdat U gisteren al ziek was en ik dacht - dat U vandaag misschien beter zou zijn, dan wilde ik het zeggen...’
‘Nu Claar, ik heb op 't oogenblik zoo'n hoofdpijn, vertel me dan vanmiddag maar eens precies, wat er gebeurd is. Ga nu maar gauw ontbijten en zorg dat vandaag alles goed gaat.’
‘Ja, dat beloof ik U - maar hebt U ergen hoofdpijn?’
‘Ja, nog al.’
| |
| |
‘Zal ik naar den dokter gaan voor U?’
‘Neen, maar zeg aan juffrouw van Dichtmar, dat ik niet op school kan komen. Dag Claar!’
‘Dag Mamaatje! Het beste met U hoor!’
In de kamer gekomen, voelde Claar zich nog ongelukkiger dan den vorigen avond! - Dat dat nare briefje nu ook juist komen moest! en Mademoiselle nog niet beter! Claar was bang, dat het wel erger was met Mademoiselle al zei ze ook, dat het nog al ging. - Hè, kon ze den dokter nu maar roepen - Claar ging naar de keuken en vroeg aan Rika, de meid, of ze er nog eens bij Mademoiselle op aan zou dringen, dat er een boodschap naar den dokter werd gestuurd - en ging daarna zeer bezorgd naar school.
Daar was het ook niet vroolijk. De meisjes moesten allen op hun plaatsen gaan zitten werken en er werd voortdurend toezicht gehouden, dat niemand sprak. Voordat de les begon kwam juffrouw van Dichtmar binnen, om hun te zeggen, dat het voorloopig verboden zou zijn, om voor schooltijd en tusschen de lessen te spreken of door de klas te loopen.
Nu, dat was een somber geval en voor Claar, die toch al zoo ongelukkig was, scheen het nog dubbel erg.
De morgen duurde haar dan ook verschrikkelijk
| |
| |
lang; ze dacht maar steeds aan haar lieve zieke thuis en vroeg zich af hoe die het nu wel maken zou en of 't niet erger zou zijn geworden.
Om twaalf uur vloog ze naar huis, zonder op de anderen te wachten. In de Oranjestraat gekomen, was het eerste, wat ze zag, het dokterskoetsje. Aan één kant was ze er blij om, het was veel geruster, als de dokter kwam, maar aan de anderen kant dacht ze ook, nu is het zeker niet beter, anders had Mademoiselle niet om hem gestuurd. Claar belde zachtjes aan en kwam juist in de gang den dokter tegen.
‘Zoo Claartje,’ zei hij, ‘hoe maakt je het?’
‘Ik goed, dokter. Maar hoe is het met Mademoiselle?’
‘Nu, dat schikt nog al, wees maar heel kalm, hoor. Zij mag niet veel spreken. Let maar goed op, dat ze ieder uur haar drankje inneemt; ik kom van avond nog eens kijken. Dag Claar!’
‘Dag, dokter.’ Nauwelijks gunde Claar zich den tijd, om de deur voor den dokter open te doen, zoo verlangde ze naar haar moedertje. Toen ze binnenkwam, lag Mademoiselle met het gezicht naar den muur gekeerd; ze had een hoogroode kleur; maar keek dadelijk op, en vroeg hoe het op school was geweest, haar best doende, om niet te laten merken, dat ze erg ziek was. Maar Claar zag het wel; Mademoiselle had harde koorts
| |
| |
‘O, alles ging goed op school,’ antwoordde Claar, ‘U moet de complimenten hebben van allemaal, maar de dokter heeft gezegd, dat U niet praten mag, dus gaat U nu stil liggen, dan kom ik na de koffie wat bij U.’
Tot dat ze naar school moest, bleef Claar bij Mademoiselle's bed zitten; ze gaf haar het drankje in, legde haar kussens recht - en alles zoo stil en bedaard als de beste verpleegster - wat men niet verwachten zou van zoo'n druktemaakstertje.
Na het eten kwam de dokter terug, Claar zat in spanning te wachten, wat hij zeggen zou, want hij keek zoo ernstig. ‘Nu,’ zei hij, toen hij zag, dat de koorts erger geworden was, ‘maar vooral goed innemen. Ik zal U straks iemand sturen, om U op te passen.’
Toen Claar den dokter uitliet, vroeg ze hem: ‘Hè, dokter, mag ik dat niet doen? Ik kan het best; hè toe, dokter.’
‘Neen kind, het is heel lief van je, maar je zou zelf ziek worden, als je niet sliep en je moet morgen toch weer naar school. Huil nu maar niet, dat is niet goed bij een zieke. Dag Claar!’
Claar kon haast geen antwoord geven, zoo bedroefd was ze. O, haar moedertje was zeker heel erg ziek,
| |
| |
dat er een verpleegster moest komen - ze herinnerde zich dat nog zoo goed van haar eigen lieve moeder... Maar geen tranen bij een zieke! had de dokter gezegd. Ze ging dus eerst even in de huiskamer; wachtte daar tot ze zich goedschiks bij Mademoiselle vertoonen kon en ging toen weer rustig voor het bed zitten. Nu behoefde ze geen moeite te doen, om te zorgen, dat Mademoiselle niet sprak, want de zieke lag doodstil en had niet de minste lust om te praten. Claar ging haar werk maken, en keek intusschen telkens op de klok of het nog geen tijd was, om het drankje in te geven.
Na een uurtje kwam de verpleegster. Het was een bijzonder lieve zuster met zoo'n zacht, vriendelijk gezicht, als Claar maar zelden gezien had.
‘Wel, Mademoiselle,’ zei ze, ‘nu kom ik eens een beetje bij U zitten, om te zien, of U wel goed Uw draakje inneemt, en dan zullen Claar en ik eens samen ons best doen, om U weer gauw beter te maken. - Ik zal eerst nog eens heerlijk Uw kussens opschudden en dan moet U maar eens probeeren om te slapen.’
Daarna zette ze zich rustig naast het bed met een handwerkje en na een tijdje zei ze: ‘Claar, ga jij nu naar boven, anders kan je morgenochtend niet bijtijds
| |
| |
op zijn; dan kom ik je straks nog even goedennacht zeggen en vertellen, hoe het met de zieke is.’
Claar vond de zuster dadelijk erg aardig, en ging nog steeds meer van haar houden; omdat ze zoo goed voor Mademoiselle zorgde en altijd even lief en vriendelijk voor Claar was.
Het was een angstige tijd, dien ze samen doorbrachten. De dokter kwam iederen dag vast eenmaal, dikwijls zelfs twee keer; de zieke werd steeds erger, tot Claar een dag den dokter bij het weggaan hoorde zeggen: ‘Zuster ik verwacht van avond de crisis, dus maar goed opletten en als er verandering komt, dadelijk om mij sturen - als ik geen bericht krijg, kom ik om acht uur terug.’
Dat was - legde de zuster Claar uit - omdat dien avond de ziekte in eens veel erger of veel beter zou worden. Claar moest nu maar wat stil in de huiskamer blijven.
Hè wat zat het kind in angst dien tijd. Eindelijk hoorde ze de bel gaan - de dokter kwam en bleef eindeloos lang bij Mademoiselle. Daarna kwam hij bij Claar en zei: ‘Kindlief, ik feliciteer je, hoor! Ik kan nu wel haast zeker zeggen, dat je moedertje beter zal worden, eerst was ik er wel bang voor, maar, gelukkig, het gevaar is voorbij!’
| |
| |
‘O, dokter,’ riep Claar, ‘wat heerlijk!’ En ze sloeg haar armen om den lieven ouden man heen, en gaf hem uit blijdschap een hartelijken kus.
‘Nu, nu, ik kan het niet helpen, hoor! Ga maar eens even naar Mama kijken, maar maak haar niet wakker, ze slaapt nu rustig.’
Claar sloop op haar teenen naar het bed, en ja, daar lag Mademoiselle erg bleek, maar toch veel kalmer en rustiger dan de andere dagen.
|
|