maar ik verzeker je, als je open en eerlijk tegenover haar bent, dan is er geen aardiger mensch op de wereld dan mijn tweede Mamaatje.’
‘Ja, dat is waar!’ ‘Dat geloof ik ook wel!’ beaamden de anderen.
Letje alleen had onder het geheele verhaal, half van de andere meisjes afgewend, het veld overgekeken en ook nu ze begonnen op te halen van: ‘weet je nog wel van dien keer’ en hoe aardig dat was enz., bleef ze verlegen voor zich uit zien, tot Claar opstond en naar haar toeging:
‘Zeg Letje, vind je haar nu eigenlijk niet veel te lief, om verdriet te doen? Jij gelooft misschien niet, dat ze het werkelijk zoo naar vind, als ze je straf moet geven, maar 't is toch heusch waar. Kom, zullen we er maar niet meer over praten? En laten we dan allemaal afspreken, om voortaan zoo goed mogelijk ons best bij haar te doen, wil jullie?’
‘Ja! ja! ja!’ riepen allen, ook Letje, hoewel wat zachter dan de anderen.
‘Maar zeg, hoe laat zou het zijn?’
‘O, nog vroeg, ga mee wat van die groote klavers plukken.’
‘Neen, toe, heeft er niemand een horloge? Jij wel, Dé, hè kijk eens even.’