De Schat van Aros Killee
(1958)–Joop van den Broek, W.H. van Eemlandt–
[pagina 5]
| |
[De Schat van Aros Killee]Mr Justus Reiziger, bejaard advokaat in ruste, behoort tot hen, die nimmer ongevraagd levensbeschouwelijke onderwerpen ter sprake brengen. Hij zal zich niet onttrekken aan de normale conversatie, zoals deze bij het samenzijn van mensen, die iets in hun mars hebben, aan de orde komt, maar hij bewaart het zwijgen over de persoonlijke overtuigingen, die wortelen in zijn omvangrijke ervaring en gaandeweg zijn uitgegroeid tot axiomata, welke hem als maatstaf dienen bij een hem bevredigende verklaring van wat hij zo al in de wereld waarneemt. Alleen, wanneer hij met een even bedachtzaam levenswijs man als hij zelf in ernstig gesprek is gewikkeld en onderwerpen ter tafel komen, die hem na aan het hart gaan, toont hij zich bereid een stokpaardje van stal te halen en dan, eenmaal stevig in het zadel, laat hij zich door niets weerhouden zijn standpunt te verklaren in het bedaarde, logische betoog, dat hem is bijgebleven uit de dagen toen hij in de rechtzaal bewondering oogstte met het uitspreken van zijn befaamde, redekunstige pleidooien. Bij voorkeur verdedigt hij de stelling, dat er niets, hoe onbetekenend ook, in de wereld voorvalt, dat als een op zichzelf staand feit is te beschouwen. Elke gebeurtenis ziet hij als gevolg en oorzaak tegelijk van ontelbare andere voorvallen, die zich waar en wanneer ook afspeelden of nog zullen voordoen. ‘De mensen’, merkt hij dan op, ‘realiseren zich nog veel te | |
[pagina 6]
| |
weinig, dat zelfs hun geringste daden schakels vormen in oneindig lange ketens, die zich in alle richtingen uitstrekken, hier met elkander verenigd, daar zich verwijdend of splitsend. Al die onderling verbonden schakels tezamen vormen de complete geschiedenis van het leven der mensheid’. En, al verder improviserend op dit thema, brengt hij dan veelal de ideale kriminele opsporing ter sprake, die voor de volledige opheldering van een verwarrend misdrijf - dat immers niet meer is dan de resultante van allerlei voorafgegane gebeurtenissen - slechts de weg terug behoeft te zoeken met als uitgangspunt alle aanwijzingen, welke voortvloeien uit de omstandigheden, waaronder de misdaad plaats greep. ‘Neem’, zegt hij met een handgebaar in de richting van zijn volle boekenkasten, ‘elke beschrijving van een ingewikkeld strafproces. Of beter nog, lees een met zorg en logica opgebouwd detective-verhaal, dan zal mijn bedoeling je duidelijk zijn. Ik wil niet beweren, dat ieder misdaadverhaal in de practijk waarschijnlijk zou zijn of technisch oplosbaar, zoals de schrijver het deed. Maar daarom gaat het nu niet. Dat, waarop ik de nadruk wil leggen, is de bij de constructie van het boek gevolgde methode, het systeem, dat de auteur gedwongen is toe te passen, wil hij een bevredigende oplossing leveren. Hij is genoodzaakt de feitelijke omstandigheden van zijn misdrijf als uitgangspunt te beschouwen voor een in tijd en ruimte teruglopende reeks van onderling met elkaar in verband staande gebeurtenissen. Bezie de enscenering van de misdaad als een enkel uit een lange speelfilm geknipt beeldje. Dan moet dat beeld ook openlijk of bedekt alle elementen bevatten, die een schrander opsporingsambtenaar nodig heeft om de voorafgaande, ter zake dienende beeldjes uit de film | |
[pagina 7]
| |
te reconstruëren en de enig juiste motivering voor de daad met zekerheid aan te wijzen. Ieder voorval, dat van oorzakelijke betekenis was bij de vorming van al die omstandigheden, welke in de moment-opname van het misdrijf zijn vastgelegd, hebben een spoor nagelaten, dat door een scherpzinnig man kan worden gevolgd en geïnterpreteerd. En bij perfecte toepassing van die deductieve methode komt de speurder opvallend vaak tot de erkenning, dat het de nietige, onbeduidende voorvallen zijn, de feiten, die zich angstvallig aan zijn waarneming pogen te onttrekken, welke hem de weg wijzen naar de waarheid.’ Justus zwijgt even en bestudeert peinzend de inspanning, die zich op het gezicht van zijn toehoorder aftekent bij het volgen van het betoog. Dan zet hij zich wat gemakkelijker in zijn ouderwetse leunstoel en gaat voort: ‘Daar heb je het geval, dat Celestine en mij overkwam tijdens onze reis door Schotland in juni. Laat ik het je in grove trekken vertellen, dan zal mijn bedoeling je duidelijker worden en kan ik je aan een actueel voorbeeld demonstreren, hoe een futiliteit, een onnozele daad, zoals iemand er vele verricht zonder er bij stil te staan, de rechtstreekse aanleiding werd tot de arrestatie van een moordenaar.’
Met meer dan gewone omzichtigheid loodste Mr. Reiziger op een stralende ochtend in juni de Hillman door het drukke verkeer van Academystreet in Inverness. Op die zaterdagmorgen waren ze voor dag en dauw uit Ballachulish vertrokken en ze hadden maar half genoten van de prachtige omgeving van het Caledonisch kanaal, omdat het reisgeld noodzakelijk diende te worden aangevuld en de bank in Inverness, waar Justus een chèque zou kunnen incasseren, om twaalf | |
[pagina 8]
| |
uur sloot. Ze hadden zich moeten haasten en - zoals het in dergelijke gevallen meestal gaat - waren door allerlei onvoorziene kleinigheden onderweg opgehouden, zodat, toen ze tenslotte de zogenaamde hoofdstad van de Schotse Hooglanden binnenreden, de minuten die hen van het middaguur scheidden op tien vingers konden worden afgeteld. Ongeduldig zochten Justus' ogen een geschikte parkeerplaats nadat hij de naam van de bank boven een nog geopende deur had ontdekt. Alleen, wanneer hij onmiddellijk een plek vond, waar hij de wagen kon neerzetten zou hij zich nog tijdig bij de kas kunnen melden, al zou het ook op het uiterste nippertje zijn. Met een zucht van verlichting zag hij op het inspringende pleintje voor het station, dat zich - evenals de grootste winkels en gelegenheden van vermaak - in Academystreet bevindt, de ruimte, die hij zo broodnodig had en zonder zich verder te bedenken greep hij de gelegenheid aan. Hij liet Celestine achter in de auto, sprintte terug en zag zijn inspanning beloond. De klok had nog niet geslagen, toen hij zich buiten adem aan het loket meldde. De employé, die geen moeite had een buitenlander in de late klant te herkennen, betoonde hem de voorkomendheid, die een bejaard en uiterlijk gegoed toerist toekomt en om vijf minuten over twaalven had Reiziger zijn geld opgeborgen en stapte hij met een verlicht hart van de hardstenen stoep in het drukke verkeer. De Engelse zaterdagmiddag en daarmede de stroom van huiswaarts kerende kantoorbedienden en winkelmeisjes was begonnen. Opgelucht nu het bedrukte gevoel van de laatste uren van hem was afgevallen, liep Justus terug in de richting van het station. Reeds uit de verte ontdekte hij zijn glanzende limousine. Hij was in zo'n opgewekte stemming gekomen, dat hij | |
[pagina 9]
| |
met een glimlach waarnam, hoe een reusachtige Schotse politieagent met een opschrijfboekje in de hand naast het geopende portier stond en geduldig een druk gebarende Celestine aanhoorde. Natuurlijk had hij in zijn haast de wagen op een verboden plaats geparkeerd! Wel, dat zou - als ze niet met een al te voortvarende dienstklopper te maken hadden - zonder veel omslag in orde zijn te brengen. Al voortgaande opende hij de tas van het fototoestel dat hij, zonder er bij te denken, had meegenomen toen hij daarstraks uit de auto sprong, met de bedoeling het tweetal, nog onkundig van zijn nadering, te kieken. Hij zou zijn voornemen onbemerkt kunnen uitvoeren en later, wanneer ze weer thuis waren in Utrecht, zich onschuldige plagerijtjes ten koste van Celestine kunnen veroorloven bij het tonen van de reis-foto's aan kinderen en vrienden. Maar hier, aan alle zijden omringd door zich voortspoedende wandelaars, was het niet gemakkelijk een open schootsveld te vinden. Zijn twee hoofdpersonen waren te zeer in het dispuut verdiept om aandacht te schenken aan zijn nadering en hij slaagde er dan ook in een plaatsje voor de opname te vinden op een tiental meters van de, zijn vermaak wekkende kleine scène. Het scheen, dat er juist een trein was binnengekomen, want een file van reizigers spoedde zich door de uitgang van het station en benam hem weer het vrije uitzicht. Een ruimte van een enkele pas, die een dame met een valies en een achter haar aankomende gezette man tussen zich lieten, benutte Justus om af te drukken, met de zekerheid, dat de ‘aanhouding’ van zijn ega door de politie van Inverness geslaagd op de film was vastgelegd. Nog in zichzelf meesmuilend voegde Reiziger zich bij het tweetal, met gejuich begroet door zijn vrouw, die blij was de verdere leiding aan zijn capabele handen te kunnen toever- | |
[pagina 10]
| |
trouwen. De bobby toonde zich redelijk. Justus, de geroutineerde ex-advocaat, herhaalde in enkele goed gekozen woorden de uitleg, die Celestine blijkens haar vroegere gebaren reeds moest hebben gegeven, maakte beleefd zijn verontschuldigingen wegens een ongewilde overtreding en zag zijn moeite beloond met een glimlachende waarschuwing van de zijde van de gewapende macht. De agent stak zijn zakboekje weg, gaf de nodige aanwijzingen voor het vinden van een nieuwe parkeerplaats en wenste de Reizigers verder een genoeglijke dag in Inverness. ‘Als we nu eens eerst iets gingen eten’, meende mevrouw Reiziger. ‘We ontbeten vanmorgen al om zes uur en dat nerveuze gehaast onderweg heeft me honger bezorgd, Justus! Om je de waarheid te zeggen vraag ik me af of al dat geren en gevlieg voor een paar bejaarde mensen zoals wij eigenlijk wel een plezierreis kan worden genoemd. Ik geef je toe, dat we de laatste tien dagen hèèl wat hebben gezien van dit mooie land. Maar ik vind het nu welletjes. Wij zijn hier volgens de reisgids in een prachtige streek. Waarom zouden we niet een goed gelegen hotel zoeken en daar een paar dagen uitblazen? Natuurlijk niet hier in deze drukke stad! Maar ergens buiten, waar we 's morgens een wandeling kunnen maken en 's middags in een ligstoel op het terras in het zonnetje kunnen zitten. Haast hebben we niet en het zou ook geen vooraf gemaakte plannen in de war sturen, wanneer we het wat kalmer aan doen’. Ze hadden de wagen afgesloten en liepen terug in de richting van het station, nieuwsgierig het straatbeeld in zich opnemend. ‘Helemaal geen bezwaar’, antwoordde Justus, nog steeds in zijn opgeluchte stemming nu hij de geldzorgen kwijt was. | |
[pagina 11]
| |
‘Maar je weet, dat de hotels in de hooglanden niet zo dik gezaaid zijn als op het vasteland van Europa. Het is de vraag of we ergens plaats zullen krijgen. Daar zijn we weer bij het station, waar je je bijna een arrestatie op de hals hebt gehaald. Laten we even zien of er een restauratie is, dan lunchen we daar en kunnen we verder overleggen wat we gaan doen’. Er wàs inderdaad een restauratie in het stationsgebouw, maar de kleine zaal was reeds geheel gevuld met eters; forenzen, die vóór het vertrek van hun trein haastig een hapje naar binnen schrokten, handelsmensen, die gewoon waren hun lunch hier te nuttigen, toeristen, zoals de Reizigers. Een leeg tafeltje was niet meer te vinden, maar Justus wist beslag te leggen op een paar juist vrijkomende stoelen en zo kwamen ze aan één dis te zitten met een net geklede man, die Reiziger - zijn gewoonte om alle vreemden naar hun uiterlijk te klassificeren - tot de gezeten winkelstand rekende. Natuurlijk raakten ze in gesprek. Uit de aanvankelijk door het echtpaar met Hollandse terughouding gegeven antwoorden op belangstellende vragen, groeide gaandeweg een zekere vertrouwdheid, zoals dat gaat wanneer men in den vreemde in aanraking komt met een plaatselijk bekend persoon, die beleefd is en zich vriendelijk gezind toont. Celestine legde uit hoe ze genoten hadden van het befaamde merengebied, maar voegde er bij, dat het een vermoeiende tocht was geweest en dat ze besloten hadden ergens in de erkend mooie omgeving van Inverness voor een tijdje onderdak te zoeken. Haar toehoorder trok een bedenkelijk gezicht. ‘Ik heb me laten vertellen’, zei hij bedachtzaam, ‘dat je op het vasteland in mooie streken hotels te kust en te keur vindt. Maar zo is het niet in dit deel van Schotland. Zonder voor- | |
[pagina 12]
| |
bereiding komt men in dit seizoen nergens terecht voor een langer verblijf, zoals u op het oog hebt’. Mevrouw Reiziger stak haar teleurstelling niet onder stoelen of banken. Ze was een flinke, gezonde vrouw, maar wanneer je de zeventig in het nabije verschiet weet, valt het reizen en trekken met zijn dagelijkse nieuwe indrukken niet mee. ‘Zou u ons niet raad kunnen geven?’ vroeg ze, op haar gewone direkte manier de koe bij de horens vattend. ‘Met een behoorlijk pension zijn we ook al tevreden, wanner het maar in een omgeving ligt waar we kunnen wandelen zonder ons al te veel in te spannen’. ‘Waarschijnlijk wèl, mevrouw.’ De Schot nam zijn tafelgenoten monsterend op. ‘Zonder in al te veel bijzonderheden te treden wil u vertellen, dat mijn vader, die een ouderwets huis bezat in deze buurt, een paar maanden geleden gestorven is. Ik ben makelaar in onroerende goederen en zo komt het, dat mijn twee broers mij het perceel in handen hebben gegeven om het tegen de best mogelijke prijs te verkopen. Het huis is compleet ingericht en de oude knecht van mijn vader woont met zijn dochter nog steeds in de portierswoning, die er bij hoort. Hij onderhoudt de tuin, zorgt voor het luchten van het huis en houdt tegelijk toezicht op het tamelijk afgelegen bezit. Wanneer het voor u geen bezwaar is om het eenvoudige, dat Douglas en zijn dochter Roslyn in de vorm van verzorging kunnen produceren, voor lief te nemen, zou ik met genoegen het huis voor een paar weken willen verhuren tegen een redelijke pensionprijs.’ ‘Waar ligt het ergens?’ vroeg Justus. ‘Op de rand van de bossen vlak ten zuiden van Loch Morlich in Glenmore. Aan de voet van de Cairngorms, het gebergte, dat de hoogste toppen van het Verenigd Koninkrijk | |
[pagina 13]
| |
bevat. Het is bij een beetje voorzichtig rijden met de auto te bereiken over Aviemore, vandaar langs de Luinaeg, een riviertje. De streek is prachtig en zal u zeker bevallen. Maar eenzaam! De enige bewoonde plaats op mijlen in de omtrek is het hotel van mijn broer, David Grant. Dat ligt een twintig minuten lopen van het huis verwijderd op de plaats waar de Luineag in Loch Morlich stroomt. Wanneer hij nog een bed vrij had, zou ik u zeker bij hem onderdak brengen, maar ik weet, dat hij in de zomermaanden de mensen, die zonder vooraf te hebben besproken zich aanmelden, moet afwijzen. Stampvol geboekt tot en met het jachtseizoen, dat midden Augustus begint. Bovendien lijkt het mij toe, dat een paar oudere mensen, zoals u, het genoegelijker zult vinden de beschikking te hebben over een eigen huis, waar de bediening vertrouwd en verzekerd is en waar u geen hinder zult ondervinden van de drukte, die 's zomers in een vol hotel heerst’. Justus had geen nadere uitleg nodig om uit het sprekende gezicht van zijn vrouw te kunnen opmaken, dat het aanbod haar buitengewoon aanstond. ‘Zouden we er eens een kijkje kunnen nemen? Ik heb de wagen hier vlakbij geparkeerd staan en we zouden vanmiddag er heen kunnen rijden. Hoe ver is het ongeveer?’ ‘Van hier tot vaders huis iets minder dan zestig mijlen. Grotendeels over een goede autoweg. Alleen het laatste gedeelte, voorbij Aviemore, is nogal tijdrovend. Het is nu kwart voor enen. Wanneer u er geen bezwaar tegen hebt, dat ik met u mee ga, kunnen we er omstreeks drie uur zijn. Bevalt het u niet, dan hebt u nog tijd genoeg voor de terugrit naar Inverness.’ Celestine knikte haar echtvriend met ogen vol verwachting toe. | |
[pagina 14]
| |
‘Goed’, zei Justus. ‘We hebben al onze bagage in de wagen en kunnen dus onmiddellijk beslissen, wanneer we er zijn. Hoe komt u zelf in dat geval weer terug?’ ‘Ik wandel naar het hotel van mijn broer en vind daar wel een mogelijkheid om Aviemore te bereiken vóór de laatste trein naar Inverness vertrekt.’ De bereidwillige Schot stelde zich nu voor. Willie Grant heette hij. Ze beëindigden hun maaltijd, rekenden af en tien minuten later waren ze op weg naar het eenzame huis, dat reeds de gedachten van Celestine hulde in rooskleurige en aantrekkelijke fantasieën. In Aviemore vulde Justus de tank geheel bij en bereidde zich voor op de rit langs een uiterst moeilijke weg, welke hem na de vele kilometers, die ze die dag al hadden afgelegd, geen sinecure leek. Maar Willie Grant toonde zich een behulpzaam man en bood aan de Hillman verder te chaufferen, een voorstel, dat met graagte werd aanvaard. De makelaar toonde zich niet alleen een hulpvaardig metgezel, maar eveneens een goede gids, die alle bijzonderheden van de streek kende en zijn best deed de mogelijke cliënten in een goede stemming te brengen voor de komende onderhandelingen. ‘Ziet u daar die hoge rots? Dat is de Rock of Craigellachie, de plaats waar de clan Grant vroeger bijeen kwam. Onze familie stamt in rechte lijn af van die oude vechtersbazen, die heel wat hebben bijgedragen tot de geschiedenis van de Hooglanden in de achter ons liggende eeuwen. Dat waren heel wat woeliger tijden dan tegenwoordig, meneer Reiziger! Binnen de clans, die je eigenlijk als een soort particuliere militaire organisaties kon beschouwen, heerste een strenge discipline. Wanneer de lairds een of ander plannetje hadden opgezet, het uitvechten van een vete met politieke tegenstanders of | |
[pagina 15]
| |
persoonlijke vijanden, ging de oproep door het land en niemand van de weerbare mannen waagde het daaraan niet te voldoen. En nu? Ik kan er zelf van meepraten! Van die hechte familieband is niets meer over. Zelfs wij, drie broers, kunnen nauwelijks de vrede bewaren nu het gaat om de verdeling van vaders nalatenschap. Maar laat ik u daarmee niet vervelen... Kijk, hier passeren we de brug over de Spey en nu slaan we de weg in over Coylum Bridge, die ons rechtstreeks bij Loch Morlich zal brengen. Wanneer u deze blijft volgen voorbij vaders huis komt u over de Revoan pas, een nauwe, met pijnbomen begroeide kloof in de vallei van de Nethy. Te voet natuurlijk, want met een auto hoeft u dat niet te proberen. U ziet, dat we hier al aardig beginnen te klimmen en daarginds, een mijl verder ongeveer, komen we in het Glenmore woud. Wanneer u er toe besluit het huis te huren zult u niet ver behoeven te gaan om herten en hazen te zien. Het zit hier vol wild...’ Zo, al babbelend en vertellend, bracht Willie Grant de Reizigers door het stille, uitgestrekte bos over een pad, waarvan hij de vele hindernissen meesterlijk wist te ontwijken. De Cairngorms, die ze bij het verlaten van Aviemore de massieve koppen in de verte hadden zien omhoog boren in de blauwe hemel gingen bijna voortdurend schuil achter het dichte geboomte, in de koele schaduw waarvan ze reden, maar van tijd tot tijd slingerde de route zich langs plaatsen die een vrij uitzicht gunden. Dan stopte Grant de wagen en noemde de steeds dichterbij schijnende toppen bij hun namen: Ben Macdhuie, verbasterd uit Beinn Mhic Duibhe, Macduff's berg, lang beschouwd als de hoogste piek van Schotland. Braeriach... Cairn Toul... Cairn Ban... Druimcaillich. ‘Hier passeren we de duizend voet grens’, legde de Schot | |
[pagina 16]
| |
uit, ‘en dat pad, daar rechts, gaat naar het hotel van David. Kijk, daar beneden ziet u tussen de bomen het blauwe water van Loch Morlich. Vanaf dit punt wordt de weg nog slechter en als ik er niet bij was om u te leiden, denk ik, dat u als automobilist niet de moed zou hebben verder te gaan. Maar ik kan iedere yard dromen, want in de loop der jaren ben ik hier honderden keren langs gegaan. Vader was een man, die van eenzaamheid hield. Als jongen had hij heel wat afgezworven in deze omgeving en hij had het oude jachthuis, dat nog uit de dagen van Maria Stuart stamt, altijd als het toppunt beschouwd van zijn wensen naar een plaats, waar hij geen last van buren zou hebben... Zo, we gaan de laatste bocht in en zodra we die achter ons hebben kunt u Aros Killee, de Gaelische naam voor Boshuis, zien liggen.’ Op de tweede versnelling bromde de sterke Hillman langs de steilte omhoog. ‘U wilt me toch niet vertellen’, merkte Justus op, die met enige weemoed bedacht, dat er wel wat erg veel van zijn auto werd geëist en zich afvroeg of zijn chauffeurskunst ver genoeg reikte om zonder hulp de wagen weer omlaag naar bewoonde streken te brengen, ‘dat leveranciers hier boodschappen komen afleveren!’ ‘Ze hebben een goed voorziene groententuin daarboven en Roslyn gaat 's morgens even heen en weer naar het hotel om de verdere benodigdheden te halen. Ik heb er over zitten denken u aan te raden uw maaltijden in het hotel te gaan gebruiken. Maar nódig is dat niet. Het menu zal u zeker meevallen. Het zal u als huisvrouw verbazen, mevrouw, hoe Douglas Macgoullie en zijn dochter er in slagen u te doen vergeten, dat u hier meer dan zes mijl van de winkels in Aviemore verwijderd bent’. Grant drukte een paar lange | |
[pagina 17]
| |
signalen op de claxon, welker echos in het bos verstierven. Hij draaide van het bospad, dat verder steil en stenig omhoog voerde naar de pas, een smalle, effen zijweg in en even later stonden ze voor een geteerd houten hek, dat juist geopend werd door een hoogblonde, struise jonge vrouw, die de makelaar verwonderd aanstaarde terwijl hij de Hillman stopte voor een klein, met stro gedekt stenen huis, met ruitjes van donkergroen glas en een deur van in de loop der jaren zwart geworden eikehout, die uitnodigend open stond onder de zware binten van een uitgebouwde portiek. ‘Hier woont de huisbewaarder’, zei de Schot, terwijl hij het portier opende en uitstapte. ‘Hello, Roslyn! Deze dame en heer komen het huis bekijken. Wanneer ze tevreden zijn blijven ze hier logeren en moet jij er voor zorgen, dat ze aan niets te kort komen. Geef me de sleutel maar. Is je vader niet thuis?’ ‘Vader is het bos in. Ik zal de sleutels halen, meneer Grant.’ Ze sprak met een diepe, donkere stem en rukte zich met moeite los van de beschouwing der twee vreemdelingen, die intussen ook waren uitgestapt. Na een verlegen buiging in de richting van de bezoekers verdween het meisje in de duistere gang. Intussen leidde Grant de adspirant-huurders langs een aan beide zijden door een twee meter hoge heg omzoomd pad naar het huis, dat ze door een bosje van zilverdennen aan de achterzijde bereikten. Laag en breed strekte het zich voor hen uit, stil en vredig in het licht van de namiddagzon. Ze liepen er omheen en kwamen op een geplaveid terras met een bemoste balustrade. En eensklaps vergaten de Reizigers, dat ze hier waren gekomen om een woning te inspecteren, want ze werden gegrepen door het wijde panorama, dat zich voor hen | |
[pagina 18]
| |
uitstrekte. Vlakbij in de diepte lag klaar en rimpelloos in de windstille dag Loch Morlich als een in een krans van groen gevallen stuk van de hemel. Aan de overzijde, als kinderspeelgoed, het hotel van David Grant met rondom op de geschoren grasvelden kleurige tuinparasols en tafeltjes, waar zich, klein als miniatuur poppetjes de gasten bewogen. Daarachter het naar het dal van de Spey omlaag golvende bos van Glenmore. Grant wees in de heiïge verte naar het groene lint van de vallei. ‘Aviemore kunt u van hier niet zien, maar daar links, waar u het licht ziet vallen op het watervlak van Loch Insh ligt Kincraig aan de spoorlijn en de grote weg van Blair Atholi naar Inverness en Forres. 's Morgens, wanneer het nog helder is kunt u de kerktorens en de fabrieksschoorstenen onderscheiden. En daar verderop naar het zuiden ligt Kingussie. Wanneer u een kaart bij de hand hebt kunt u de namen van al de bergtoppen aan de overkant van het dal gemakkelijk vinden. Daar bijvoorbeeld, iets rechts van Kincraig, de A'Bhuidheannach.’ Celestine luisterde nauwelijks. Diep ademhalend leunde ze op de gebeeldhouwde hardstenen baluster, genietend van de stilte, die hier bijna tastbaar was en nauwelijks werd verstoord door het gekwetter van een vogel in het bos rondom. In gedachten vergeleek ze de vrede van het voor haar liggende landschap met de vele kilometers weglint, die de Hillman de laatste dagen onder zijn rusteloze wielen had weggedraaid. Voor haar stond vast, dat er heel wat aan het te huur geboden huis zou moeten ontbreken, wanneer ze zich straks weer van hier langs die steile bosweg naar omlaag zou laten voeren. Voor zover het haar betrof wilde ze niets liever dan hier blijven, uitgestrekt op het zonnige terras in een luie stoel en de moeheid van het uitstapje van zich laten afglijden. Ze | |
[pagina 19]
| |
wendde het hoofd om naar haar Justus en één oogopslag was voldoende om haar te doen begrijpen, dat ze er geen woord aan behoefde te verspillen om het pleit te winnen. De beweging van zijn vrouw had Reiziger losgerukt van de beschouwing van het onbeschrijfelijke vergezicht. Hij glimlachte haar toe en keerde de vallei de rug toe. Even breed en degelijk als de achterzijde, strekte zich de voorgevel uit. Lage glasdeuren gaven toegang tot het bordes. Boven de ingang, waar Roslyn bezig was met een sleutelbos, was een stenen wapen in de muur gemetseld, waarop drie gekroonde vogels gebeeldhouwd stonden. Daaronder was in de steen gebeiteld ‘Wayte awhyle’, waarschijnlijk het motto van een lang uitgestorven geslacht, dat minder rusteloos en voortvarend was geweest dan de doorsnee Schot. Grant nodigde de Reizigers met een gebaar uit binnen te gaan. ‘De oude heer was niet alleen erg gesteld op zijn rust en eenzaamheid, maar hij liet zich daardoor toch ook de goede dingen van het leven niet ontgaan. Hij heeft geen kosten gespaard aan de verzorging van zijn comfort. Het sanitair is prima in orde, de bedden zijn modern en het interieur is, zoals u dadelijk kunt zien, ouderwets maar in uitstekende staat. Roslyn weet de weg in huis. Ze kan onmiddellijk de slaapkamer, die u gebruiken wilt, luchten en de bedden opmaken. Er is nog tijd genoeg om een behoorlijk avondmaal klaar te maken. Ze liepen door de zonnige kamers en moesten erkennen, dat Grant niets te veel had gezegd. Nergens kon Celestine, hoezeer ze de lucht opsnoof ook maar enige mufheid bespeuren; er was geen stofje te bekennen. Roslyn, die vlot het zuivere Engels waarvoor de streek bekend is had geleerd, opende | |
[pagina 20]
| |
kasten en laden en toonde zich, na van de eerste verbazing te zijn bekomen, bereidwillig om elke wens te vervullen. Binnen een half uur beloofde ze heet water te zullen gereed hebben voor een verfrissend bad, over het avondeten behoefde mevrouw zich geen zorgen te maken en er was nog wijn in de kelder en een halfvol vat bier. Mocht er nog iets ontbreken, dan zou het meisje langs een soort van privé-pad naar het hotel gaan en binnen drie kwartier met het benodigde terug kunnen zijn. Intussen besprak Justus in de op het terras uitkomende zitkamer de condities met de makelaar, die zeker van zijn zaak, een bedrag noemde, waartegen de Hollander aanvankelijk even opzag, maar waarmee hij, diep onder de indruk van de unieke gelegenheid voor een rustig verblijf in een vlak voor de huisdeur liggende, prachtige omgeving, na enig nadenken accoord kon gaan. Hij stelde een beknopt huurcontract op, want hij kon op dit punt van zakelijke voorziening de gewoonte van een lang leven in de juristerij niet achterwege laten. De overeenkomst werd voor tien dagen gesloten en de helft van de huur voldeed Reiziger in een chèque op de bank in Inverness. Hij had gedurende de autorit een goede indruk gekregen van Willie Grant en maakte uit diens houding op, dat de Schot eensdeels de transactie had gesuggereerd om een paar beschaafde vreemdelingen ter wille te zijn, maar anderdeels de kans om een voordelig zaakje te beklinken niet uit het oog had verloren. Hoe ook, beide partijen waren tevreden en bij het afscheid, dat Grant na gedane zaken niet langer uitstelde om zijn huurders niet onnodig voor de voeten te lopen, wisselden zij over en weer in een stemming van wederzijdse waardering hartelijke woorden. Het was kwart over vier. De aktieve Roslyn, die overal tegelijk scheen te zijn, zorgde | |
[pagina 21]
| |
voor thee. Ze had een paar stoelen op het terras gereedgezet, een tafeltje gedekt, jam en biscuits tevoorschijn getoverd en was alweer in de slaapkamer aan het werk, toen de Reizigers, die Grant uitgeleide hadden gedaan tot het hek, terugkeerden. Terwijl het echtpaar genoot van de weldadige rust kwam Douglas Macgoullie zich presenteren. Hij was een lange, hoekige Schot, die Justus op een goede zestig jaar schatte, met een door de buitenlucht verweerd gezicht en dun, grijzend haar. Met zijn dicht bijeen staande, grijsblauwe ogen nam hij de tijdelijke bewoners scherp op, alsof hij bedachtzaam elke bijzonderheid inventariseerde. Hij herhaalde het reeds door Grant gegeven getuigenis, dat het hen aan niets zou ontbreken en dat Roslyn er was om elke geuite wens of verstrekte opdracht te verwerkelijken. Voorzichtig peilde hij hen met vragen. Waren zij bekend in Schotland? Dachten zij erover zich hier te vestigen? Waren de Grants een oude connectie? Justus wist niet goed wat hij aan de man had. Te oordelen naar zijn stroeve uiterlijk was hij zeker niet iemand, die zich moeite zou geven met onbekenden op goede voet te komen. Geen glimlach verscheen op het magere gezicht, de ogen bleven waakzaam. Een aangeboden sigaret wees hij af met de mededeling, dat hij uitsluitend pijpen rookte. En toch rekte hij de kennismaking met de kennelijke bedoeling iets aan de weet te komen over de relaties, die tussen de Grants en Reizigers bestonden. Justus, die geen reden zag zijn huisgenoot, van wiens zorgen ze in de komende dagen afhankelijk zouden zijn, geheel onkundig te laten van de wijze, waarop hij zo onverwacht in Aros Killee was beland, gaf een korte uitleg van de ontmoeting in de stationsrestauratie van Inverness. | |
[pagina 22]
| |
Op zijn beurt informeerde de Hollander met enige belangstelling naar de vorige bewoner. ‘Voor een man op leeftijd lijkt het mij iets bijzonders zich zo geheel van de wereld terug te trekken in een bijna ontoegankelijk bos. Je zou eer verwachten, dat hij zijn laatste jaren in de buurt van zijn kinderen had gesleten, althans op een plaats, waar bijvoorbeeld een dokter in de buurt zou zijn geweest in geval van ziekte.’ ‘Hij was een sterk en gezond mens. Tot kort voor zijn dood draaide hij geen hand om voor een wandeling heen en terug naar Aviemore, dat ruim zes mijlen van hier ligt. Zijn zoons hadden het te druk met hun eigen zaken om zich veel aan hem gelegen te laten liggen. David heeft de handen vol met zijn hotel, Andrew met zijn fabriek in Aberdeen en Willie met zijn kantoor in Inverness. Hij was tevreden met de manier, waarop Roslyn en ik hem verzorgden.’ ‘Maar...’, Justus nam de major domo een beetje verbaasd op, ‘...hij is hier toch ziek geworden en gestorven...’ ‘Geen dag in zijn leven is hij ziek geweest! Hij heeft een ongeluk gehad in het bos. Daarboven op de pas. In maart was het. De sneeuw was nog niet helemaal weggesmolten en de beken, die van Mealf a'Bhuachaille afstromen, liepen over. Waarschijnlijk is hij uitgegleden en meegespoeld. Toen we hem vonden, half onder water tussen de stenen, herkenden we hem aan zijn kleren en aan de dingen, die hij in zijn zak had.’ Douglas monsterde de belangstellend toeluisterende Justus met een wantrouwige blik en schudde peinzend het hoofd. ‘Vreemd’, zei hij met een licht schouderophalen, ‘dat iemand, die zijn leven lang de wouden heeft afgelopen, die ieder hoekje en gaatje in deze buurt kende als z'n zak, die de | |
[pagina 23]
| |
gevaren van het bos beter overzag dan ikzelf, die de onbegaanbaarste hellingen bijna zonder inspanning beklom, op een zonnige lentedag in het water is geraakt.’ Celestine wendde de ogen van het panorama af en keek van terzijde haar Justus aan met een veel betekenende blik. Ze voelde het alweer aankomen. Zo lang ze in de wagen voortstoven over de wegen van vreemde landen gebeurde er niets bijzonders, maar nauwelijks hadden ze een plek getroffen, waar je kon verwachten rust te vinden op een buitenlandse reis of er lag als het ware een mysterie op de loer om Justus, altijd bereid zich te bemoeien met onverklaarbare geheim-zinnigheden, te bespringen! Zo was het gegaan bij die overtocht met de Prinsendam van New York naar Rotterdam, zo was het gegaan tijdens de vakantie in Beau Séjour, het Luxemburgse hotel. En zo zou het hier gaan! Justus behoefde maar de lucht te krijgen van iets dat niet deugde en opheldering nodig had, of hij was niet meer te houden. Niet omdat hij een ongeneselijke bemoeial was, maar omdat hij zich nu eenmaal niet kòn verzetten tegen de behoefte in menselijke puzzles te wroeten. Dat ze er niet ver naast was met haar spekulatieve overpeinzingen, bewees haar die ene zijdelingse blik. De oud-advocaat zat een beetje voorover met de ellebogen gesteund op de knieën, de vingertoppen stijf tegen elkaar gedrukt en staarde met niets ziende ogen onder gefronste wenkbrauwen voor zich uit. Douglas sloeg hem gade met een gezicht, alsof die reaktie van de vakantieganger hem niet onverwacht kwam, alsof hij had vermoed, dat de wijze, waarop zijn meester de dood had gevonden, de belangstelling van de bezoeker zou gaande maken. Justus scheen uit zijn diepe over- | |
[pagina 24]
| |
denking terug te keren naar de begane grond. Peinzend vroeg hij: ‘Was de oude Grant een vermogend man?’ ‘Hij zat er heel warmpjes in.’ Uit de toon van de huisbewaarder klonk iets van tevredenheid over het stellen van die vraag. Het was, alsof hij bij zichzelf dacht: Zie je wel! Ik had het bij het rechte eind. Deze vreemdeling is met een bedoeling hier gekomen. ‘Heel warmpjes! Dit huis en de inboedel met een flinke lap grond erbij. En naar men zegt een kapitaal aan contacten en soliede effecten. Naar men zegt! Want dat kapitaal is niet boven water gekomen. Mijn meester was er de man niet naar zijn geld aan een bank toe te vertrouwen of het te beleggen in ondernemingen, die voor je het weet failliet kunnen gaan. De erfgenamen keken nogal op hun neus toen de notaris al de grote bedragen opnoemde, die de oude heer voor hen had bestemd. Ze hebben het huis half afgebroken om de schat te vinden, maar Angus Grant was een slimme vos. Hij moet een geheime schuilplaats hebben bedacht, waarin niemand erg heeft. Wanneer iemand hem daarboven op Revoan Pass heeft opgewacht en in een hinderlaag gelokt, heeft hij er geen garen bij gesponnen. De hoofdzaak, die in de honderdduizend pond moet lopen, is weg en blijft weg. Er was zelfs geen geld om mij en mijn kind ons legaat uit te keren!’ Justus bewoog zich rusteloos in zijn ligstoel. ‘Het is toch niet aan te nemen’, zei hij bedachtzaam, ‘dat Angus Grant zelfs niet een korte notitie zou hebben gemaakt van de plaats, waar hij zijn geld bewaarde. Zo iets ligt voor de hand.’ ‘U kende hem niet. Hij was niet bepaald een zonderling, maar wel een gesloten, eenzelvig mens. Nooit sprak hij over zijn zoons. Als ze hem eens kwamen opzoeken was het hem | |
[pagina 25]
| |
goed, maar het was een opluchting voor hem, wanneer ze weer weg gingen. Zelfs David, die in twintig minuten hier kan zijn, wanneer hij er lust in zou hebben, liet zich maar hoogst zelden zien. Het is een oud geslacht, die Grants van de clan van Craigellachies. Altijd lagen ze met anderen overhoop. Sinds er geen buitenstaanders meer zijn met wie ze ongestraft ruzie kunnen maken, vechten ze hun geschillen onder elkaar uit. Neen, dan zijn de Seafield Grants, ook uit deze buurt, anders aangelegd. Dat zijn normale, moderne mensen. Maar Angus en zijn drie zoons tonen nog het oude bloed van de rebelse Hooglanders. Misschien heeft Angus voorzien, dat ze hem op een kwade dag uit de wereld zouden helpen. Dat kàn de reden zijn geweest, waarom hij het geheim van zijn vermogen zo zuinig bewaarde. Ook wist hij, dat ieder van de jongens op zijn geld loerde. Nooit mochten ze hier blijven logeren. Voor het 's avonds donker was werden ze weggestuurd en dan lieten we Liath, de hond, los rondlopen. Tenminste zo lang het beest nog leefde. Als u het mij vraagt, lacht Angus in zijn doodkist, omdat hij zijn kinderen bij de neus heeft gehad.’ ‘Je zei, dat het lijk alleen aan de kleren en de inhoud van de zakken kon worden herkend. Geven de overblijfselen van het lichaam de indruk mogelijk van een ander te kunnen zijn?’ ‘O, neen. Hij droeg een gebit en jaren geleden had hij de pink van zijn linkerhand gebroken. Op dàt punt kunt u gerust zijn. Het was wel degelijk Angus, die op drieëntwintig maart in de beek terecht kwam.’ ‘Stelde de politie destijds een onderzoek in?’ Opnieuw gleed er een glimp van tevredenheid over het stugge gezicht van Douglas. | |
[pagina 26]
| |
‘De inspecteur uit Aviemore is er aan te pas gekomen. Maar er was geen enkele aanwijzing, dat er iets niet in de haak zou zijn. Er werden geen sporen van een worsteling op de pas gevonden. Trouwens er was niemand die precies kon zeggen wààr het ongeluk ergens was gebeurd. De sneeuw was aan het smelten. Zelfs zijn eigen voetstappen waren niet terug te vinden. Justus knikt nadenkend. De zelfgenoegzame houding van Douglas, die zich over de omstandigheden van de dood van zijn meester zo uitvoerig had getoond, terwijl aanvankelijk het gesprek van zijn kant maar nauwelijks had kunnen vlotten, was de Hollander niet ontgaan. ‘Meen je, Macgoullie,’ vroeg hij met zijn zachte stem, ‘dat er een bijzondere reden bestaat voor mijn belangstelling in het einde van Angus Grant?’ De smalle lippen van de Schot vertrokken zich in een zure glimlach. ‘Waarom niet, meneer? Waarom zou Willie Grant niet een speurder in de arm nemen, die hij onder het mom van een toerist hier boven een onderzoek laat doen naar de werkelijke toedracht van zaken? Hij heeft er altijd aan getwijfeld of zijn broers niet betrokken waren bij dat onbegrijpelijke ongeluk. En als één Grant een andere Grant een hak kan zetten, zal hij het niet laten.’ Plotseling scheen hij de min of meer vertrouwelijke wending, die het onderhoud dreigde te nemen, te betreuren. ‘Het spreekt vanzelf, dat ik op al uw vragen om inlichtingen naar waarheid zal antwoorden, meneer.’ Zonder af te wachten of Justus voornemens was onmiddellijk op dit laatste aanbod in te gaan, maakte Douglas een beleefde buiging, keerde zich om en verdween tussen de dennen op de weg naar zijn woning. | |
[pagina 27]
| |
Celestine zuchtte en stond op. ‘Ik ga een bad nemen, Justus,’ zei ze koeltjes. Reeds half gevorderd tot de voordeur kwam ze bij zijn stoel terug. ‘Is het nu beslist nodig, dat je je gaat verdiepen in die historie? Niemand zal je er dankbaar voor zijn, wanneer je stof gaat opwaaien over de geraffineerde suggesties van de kille Douglas. Je snapt toch wel, dat die iets heeft tegen de Grants en van de gelegenheid gebruik wil maken achterdocht te zaaien. Als je het mij vraagt zitten die niet-uitbetaalde legaten hem dwars! Hij wil jou voor het wagentje spannen, omdat hij met Schotse clairvoyance in jou precies de geduldige puzzelaar vermoedt, die je helaas nu eenmaal bent. Wees verstandig, Justus, en probeer er aan te denken, dat je voor je genoegen met je vrouw een reis maakt.’ Alleen gelaten op het terras overdacht Justus ernstig de woorden van zijn ega. Hij was er niet de man naar een goedbedoelde waarschuwing zonder meer naast zich neer te leggen. Hij zag in, dat Celestine, die gedurende zijn lange en drukke loopbaan in de advocatuur in zekere zin het slachtoffer was geweest van de eisen, die zijn werk hem stelde, rechten op zijn aandacht kon doen gelden nu hij niets meer om handen had. Maar ook moest hij erkennen, dat elke geheimzinnige gebeurtenis hem onweerstaanbaar aantrok. Hij kon het niet helpen, dat het zwaartepunt van zijn bestaan ergens in zijn heldere verstand school. En evenmin, dat de wereld vol was van verborgenheden, die eenvoudig schreewden om oplossing door iemand, die de moeite wilde nemen ze wat nader te beschouwen. Omdat hij nu bij twee opeenvolgende reizen in het buitenland verwikkeld was geworden in criminele problemen, was bij Celestine natuurlijk de gedachte gewekt, dat hij die dingen | |
[pagina 28]
| |
zòcht. Maar zo was het niet! Ze kwamen hem voor de voeten lopen. Ongevraagd. Alleen omdat het kwaad een universeel verschijnsel was, waarvan je de vaak ontstellende gevolgen nergens kon ontlopen. Negenennegentig van de honderd mensen zouden de schouders ophalen voor de problemen, waarmee volslagen onbekenden rondliepen. Maar Justus kon toch niet helpen, dat hij uitgerekend tot die kleinste minderheid behoorde, welke een aangeboren belangstelling bezat voor de kronkelwegen van de menselijke natuur. Zeker, het was hem duidelijk, dat Douglas Macgoullie met een voorop gezette bedoeling de zonderlinge dood van Angus Grant had aangesneden. Maar, wanneer je dit feit even overdacht, behoefde het geen verwondering te wekken. Een man, vertrouwd met alle gevaren van de wilde Hooglanden krijgt een ongeluk in het gebergte. Begrijpelijk, dat zijn huisbewaarder zich daarover het hoofd gaat breken, gezien het feit, dat Angus een vermogend man was en er reeds lang kwaad bloed bestond tussen hem en zijn erfgenamen. Evenzeer begrijpelijk, dat Douglas zich afvraagt welke verklaring hij moet zoeken voor het feit, dat Willie Grant plotseling komt aanzetten met een huurder voor het verlaten huis. Aros Killee kon je, in aanmerking nemend de afgezonderde ligging en de moeilijke bereikbaarheid met een vervoermiddel, moeilijk als een normaal object beschouwen om aan toeristen te verhuren. Lag het dan niet voor de hand, dat Douglas, die nog altijd zit te broeden op de dood van zijn werkgever, verband legt tussen de onverwachtse verschijning van een heer op leeftijd met een ernstig gezicht, die niet ongeneigd blijkt zich te laten inlichten over de verhoudingen, welke tussen de Grants bestonden? Is het verwonderlijk, dat Douglas op het idee komt een particulier detective voor zich te zien, die - achteraf - | |
[pagina 29]
| |
het ongeluk op Revoan Pas nog eens onder de loupe komt nemen, òf nasporingen komt doen naar de schuilplaats van de schatten van Angus? Wie zou voor dit laatste doel een betere gelegenheid hebben dan een deskundig speurder, die dag en nacht in het huis kan gaan waar hij wil? En evenmin behoeft er twijfel aan te bestaan, dat Douglas om enigerlei reden de speurhond niet de indruk wil geven van verzet zijnerzijds. Wanneer eenmaal de indruk bij hem is gewekt van een heropend onderzoek, is het zijn welbegrepen belang bereidwillig zijn hulp aan te bieden. Niet de detective tegen zich in het harnas te jagen. Een geheel andere kwestie was natuurlijk of er werkelijk iets op te helderen viel aan het ongeluk van Angus en of er inderdaad ergens op het perceel een geheime bergplaats bestond, waar het vermogen van de oude heer onvindbaar op de komst der rechthebbenden lag te wachten! Voor een man van Justus bijzondere karakter en onmiskenbare opsporingsgaven een probleem om van te smullen! Alles goed en wel, Celestine zag, zoals altijd, met haar nuchtere ogen de zaken in het juiste licht. Het lag in de aard der dingen, dat er een dag in je leven kwam, waarop je serieus een streep moest zetten onder alles, wat in verband had gestaan met je beroepsbezigheden. Je kon niet eeuwig in het gareel blijven! Als iemand nadrukkelijk je hulp inriep was het natuurlijk een andere zaak. Dan had je een aanknopingspunt. Uitsluitend omdat je een aantrekkelijk probleem achter veronderstelde gebeurtenissen vermoedde, kon je toch maar niet op de bonnefooi gaan wroeten in de levens van mensen, die je niet kende, en die bovendien in een vreemd land woonden! Met deze en dergelijke overpeinzingen legde de bezonnen- | |
[pagina 30]
| |
heid in Justus de lust om zijn hart op te halen aan een kriminologisch avontuur het zwijgen op. Hij verlegde zijn aandacht naar zijn reislektuur, en las ongestoord tot zijn vrouw zich verkleed had. Ze kwam bij hem zitten, sprak opnieuw haar waardering uit voor de zindelijke toestand, waarin alles verkeerde. ‘Waarom gaf je geen antwoord, toen ik je daarstraks uit de badkamer toeriep?’ Met niet-begrijpende ogen keek hij haar aan. ‘Ik heb er niets van gehoord!’ ‘Maar je kwam toch naar de verdieping om in onze slaapkamer iets te halen? Ik hoorde duidelijk de trap kraken en mannenstappen!’ ‘Misschien had Douglas iets in huis te doen. Ik heb al die tijd hier gezeten.’ ‘Daar wil ik toch het mijne van hebben. Roslyn was in de keuken bezig en kon door de deur naar de hall de trap zien.’ Ze stapte resoluut naar binnen en kwam even later weer op het terras met een bevreemd gezicht. ‘Ze zegt, dat er niemand de trap is opgegaan en ze verklaart het kraken dat ik hoorde, als het werken van het oude eikenhout der betimmeringen.’ ‘Best mogelijk! Het huis is lang gesloten geweest en de nu doorstromende buitenlucht beïnvloedt waarschijnlijk de spanningen in het hout!’ ‘Nu weten we het!’ merkte Celestine ironisch op. ‘Het klinkt heel geleerd en overtuigend, Justus, maar ik hoorde voetstappen van een man en kraken van de trap. Gelukkig, dat het 's nachts bijna niet donker wordt. Wanneer het december was pakte ik een koffertje en ging ik naar het hotel van Grant junior! Volgens Roslyn hebben we mèt het huis een spook gehuurd, dat de prettige gewoonte heeft de dood aan | |
[pagina 31]
| |
te kondigen van relaties der Grants. Het staat bekend als de Wolf van Badenoch en bezoekt de nakomelingen van de oude plaatselijke clans bij toerbeurt, al naar het tijd wordt voor een sterfgeval te waarschuwen. Overigens is die Wolf onschadelijk voor mens en dier... Tenminste volgens Roslyn.’ Justus, die in de terraskamer met servies hoorde rammelen, riep het Schotse meisje. ‘Ben je ervan overtuigd, dat niemand aan de achterzijde van het huis is binnengekomen, Roslyn? Je vader misschien? Mijn vrouw is er zeker van op de verdieping mannenstappen te hebben gehoord en ik ben niet van mijn plaats hierbuiten geweest.’ ‘Neen,’ ze schudde met beslistheid het hoofd. ‘Vader is naar het hotel om een paar dingen te halen, die ik voor de zondag in de keuken nodig heb. Ik zag hem het pad naar beneden inslaan, toen hij met u gesproken had. Wie zou hier binnenkomen zonder zich te melden?’ ‘Een landloper misschien, die een plaatsje zocht voor de nacht?’ Roslyn lachte. ‘Er zijn hier geen landlopers... Bovendien, hoe zouden die door het gesloten hek moeten komen? Mevrouw moet zich hebben vergist. De balken en planken in oude huizen zoals dit, hebben zo veel te vertellen, dat vreemdelingen er van alles in horen.’ Justus nam zich voor na tafel een rondgang door Aros Killee te maken van de nok tot de zolder. Geïntereseerd in de legenden en sagen waarvan het wemelt in Schotland, vroeg hij schertsend: ‘Wat was die wolf van Badenoch voor een dier?’ ‘Hij was geen dier, maar een mens’, lachte Roslyn. ‘Badenoch is een streek in de buurt van Kingussie.’ Ze maakte | |
[pagina 32]
| |
een vlugge hoofdbeweging in de richting van het zuidwesten, waar boven de vallei van de Spey een rossige dondertoren zienderogen omhoog klom in de blauwe lucht. ‘Vroeger waren de Comyns baas in Badennoch. Men zegt, dat de volgelingen van Bruce ze hebben uitgeroeid. Dat was lang geleden, in de veertiende eeuw. Koning Robert de Tweede schonk een stuk van Badenoch aan een van zijn bastaards, die hier zó te keer ging, dat hij nu nog bekend staat als de wolf, en voor de mensen voortleeft als een spook. In het dal zijn ze zó bang voor hem, dat ze hem nooit zijn werkelijke naam geven, maar hem de Aanzegger noemen, omdat ze geloven, dat er een sterfgeval op komst is, als hij zich ergens laat zien.’ ‘En ben jij niet bang voor hem, Roslyn?’ Het meisje maakte een onverschillige beweging. ‘Ach nee... Hij laat zich niet zien. In de nacht voor Angus Grant stierf, werd er een paar maal op de deur van onze woning getikt en ik hoorde het doffe geluid van een stop op de plavuizen van het pad. Vader was er ook wakker van geworden. Hij ging met de lantaarn naar buiten, maar het hek was op slot en het pad verlaten. De volgende dag, toen Mr. Grant niet van de wandeling terugkeerde, begrepen we dat de Wolf zijn boodschap had afgeleverd. Maar dat is niet iets, waarover wij ons hier ongerust zouden maken of bang zouden zijn.’ ‘Als de emancipatie van Jong Schotland in tempo blijft voortgaan’, meende Justus, toen hij weer met z'n vrouw alleen was, ‘zijn over vijftig jaar al die plaatselijke legenden afgezakt tot historische anekdoten zonder meer. Roslyn, met haar prozaïsche verslag over het bezoek van de Wolf van Badenoch, is er een sprekend voorbeeld van. Jammer, dat we niet weten of de politie uit Aviemore een zelfde nuchtere verklaring | |
[pagina 33]
| |
heeft aanvaard voor de voetstappen, die 's nachts hier werden gehoord.’ ‘Ik wou, dat je die oude zaak kon laten rusten, Justus. Veel urgenter lijkt het mij, dat jij straks met zorg het huis onderzoekt om vast te stellen of de geluiden, die ik hoorde, een natuurlijke oorzaak hebben gehad! Voor een rondzwervende geest ga ik niet opzij, maar ik voel er niets voor de eerste nacht de beste in dit comfortable huis te worden vermoord.’ Het diner, dat de Reizigers in een toestand van verbijstering had gebracht, was geëindigd. Ze zaten met een geurig kopje koffie voor zich op het terras, waar het rijpe licht van de vallende avond de tintelende kleuren van de dag aftemperde tot een rustiger, meer effen palet. De donderbui die 's middags zo dreigend in het zuidwesten was opgebold, had het bij een zwak, verwijderd gerommel gelaten en was afgedreven. ‘Ik heb een gevoel, dat we dromen, Justus, en dat, als ik mijn ogen opendoe tot de ontdekking zal komen, dat we met de wagen op een lange, stoffige weg rijden op uren afstand van het naaste hotel. De Macgoullie's waren niet voorbereid op onze komst, nietwaar? Dat Douglas even een paar forellen in de beek bij het meer heeft gevangen kan ik begrijpen. Maar hoe Roslyn ons daarvóór een heerlijke, pittige kippenbouillon kon voorzetten en als tweede gerecht een malse reebout op tafel heeft getoverd, gaat me boven mijn verstand. Willie Grant kan hen van uit Inverness niet telefonisch op de hoogte hebben gebracht, want er is hier geen aansluiting. Bovendien hebben we zelf gezien, dat Roslyn volkomen verrast werd, toen ze ons uit de auto zag stappen. Hoe is het dan verklaarbaar, dat ze ons een compleet diner heeft opgediend in een onbewoond huis?’ | |
[pagina 34]
| |
‘Natuurlijk is er een verklaring voor te vinden! Misschien heeft Douglas alles in een etensdrager in het hotel gehaald; misschien is een uitgebreid diner op zaterdagavond hun gewone diëet... Hoofdzaak is, dat Grant niets te veel heeft gezegd over de kostelijke verzorging. Zowel hij als de Macgoullie's zijn erbij gebaat, wanneer het ons hier goed bevalt en wij de volle tien dagen blijven. Daaraan schrijf ik in hoofdzaak toe dat ze ons verwennen.’ ‘Maar die reebout, Justus! De jacht is nog niet geopend..!’ ‘Laten we daar maar niet naar vragen. Mogelijk verklaart de verschijning van het wild op tafel Douglas' afwezigheid vanmiddag toen we kwamen. Maar vast staat wel, dat we nog nergens in Schotland zo goed hebben gegeten als vanavond. En die fles Bordeaux uit de kelder van de oude Angus was juist wat we nodig hadden voor de afronding.’ Hij zweeg even en ging toen bedachtzaam verder. ‘Tijdens het diner ging me een paar maal door het hoofd, dat het er veel van heeft of er een speciale reden bestaat, waarom inen zo spontaan een paar vreemdelingen het gebruik van dit huis heeft aangeboden. Wanneer ik er niet op had aangedrongen de helft vooruit te betalen, zou Grant genoegen hebben genomen met mijn belofte na afloop van ons verblijf in Inverness te komen afrekenen. Volkomen strijdig met de gerenommerde voorzichtigheid van de Schotten in geldzaken!’ ‘Grant zal toch niet op een of andere manier iets hebben gehoord over je penchant voor geheimzinnige zaken?’ ‘Niet aan te nemen! Bovendien heeft hij zelfs niet gezinspeeld op de vreemde dood van zijn vader. Nee, ik acht het veel aannemelijker, dat de slimme Douglas er een plannetje op na houdt mij voor een of ander eigen wagentje te spannen. Ik zal hem er zeker niet van weerhouden daarop aan te sturen. | |
[pagina 35]
| |
Al was het alleen maar om er achter te komen, wat nu precies de bedoeling is. Ik zal me niet ongevraagd mengen in mogelijke mystificaties, die op oplossing wachten. Maar zodra Roslyn klaar is met de afwas ga ik eens op inspectie door het huis. Eensdeels om je gerust te stellen over de voetstappen, die je hoorde, anderzijds om precies de weg te leren kenen in dit oude gebouw.’ Hoewel het klare licht van de juni-avond het gebruik van een lamp voorshands overbodig maakte, voorzag Justus zich van een zaklantaarn toen hij zijn speurtocht begon. Hij wilde vooral de donkere hoekjes in diepe kasten, die hem bij de eerste rondgang met Grant al waren opgevallen, op de keper kunnen bekijken. Met de gelijkvloerse verdieping was hij vlug gereed. De beide grote kamers, die aan het terras grensden, bevatten weliswaar een ganse verzameling van omvangrijk, antiek meubilair, maar de plaatsen waar een inbreker zich verborgen zou kunnen houden waren gemakkelijk te lokaliseren. Achter de lengte van beide vertrekken, liep een brede, betegelde gang, die door een raam in alle der zijgevels het daglicht ontving. Aan de ene zijde, recht achter de eetkamer, lag de grote keuken met het gemetselde fornuis onder de ver vooruitstekende kap van de haard, de brede aanrecht, de glanzend gepoetste koperen pomp voor de watervoorziening en de diepe kasten met kookgerei en serviesgoed. Een deur gaf toegang tot een bijkeuken, die de enige uitgang naar de tuin aan de achterkant van het huis bevatte. Roslyn had in haar domein vóór ze naar huis ging de luiken gesloten en van binnen gegrendeld. Voor zover ze dit had nagelaten, om niet alle licht en lucht buiten te sluiten, verhinderden de zware ijzeren tralies het binnendringen van ongenode gasten. Justus | |
[pagina 36]
| |
verzekerde zich ervan, dat hem van de achterzijde geen verrassingen op dit punt konden worden bereid. In de gang kwam een, onder de trap naar de verdieping gelegen, modern ingericht toilet uit en daarnaast lag de toegang tot de kelder. Justus stelde zijn bezoek aan de lagere regionen uit, tot hij de bovenverdieping zou hebben verkend. Hij besteeg de brede, massief eikehouten trap, nam een kijkje in de voor het gebruik van het echtpaar gereedgemaakte slaapkamer en de aangrenzende logeerkamer. Hier wemelde het van muurkasten, waarvan sommige ruimer waren dan de zitkamers van de nieuwbouw in Hollandse flats. Stuk voor stuk betrad Reiziger deze helklinkende lege ruimten om muren, vloer en zolder met de felwitte stralenbundel uit zijn zaklamp te beschijnen. Wat een huis om een schat te verbergen, dacht hij herhaaldelijk, wanneer hij de arm in diepe ventilatiegaten in de muren stak of het duimdikke hout van binnenwanden beklopte. Dat er niet zo lang geleden schatgravers waren bezig geweest met opsporingswerk, werd hem duidelijk uit velerlei verse beschadigingen op hoopgevende plekjes. Hij opende het raam van de badkamer en wuifde Celestine, die op het terras was blijven zitten, toe. ‘Tot nog toe geen spoor van een verstekeling gevonden’, stelde hij haar gerust. Een van de slaapafdeling afgeschoten ruime zolder nam de rest van de bovenverdieping in. Hier waren de zware balken van de dakbetimmering zichtbaar en onder de nok, de donkere opening van een vliering. Er stond een aantal afgesloten koffers en kisten, hier en daar een groepje met stoflakens afgedekt meubilair en achter twee deuren van latwerk hing nog de geur van appelen, die er hadden gelegen. Indachtig aan de ervaring, die hij in een Luxemburgse grot | |
[pagina 37]
| |
had opgedaan bij een vorig avontuur, tilde hij de afhangende meubelbedekking op en liet zijn licht onder afgedankte stoelen en tafels vallen. Tenslotte beklom hij een stevige ladder, om zich ervan te overtuigen, dat ook de vliering geen inbreker verborg. Wanneer Celestine tijdens haar bad mannenvoetstappen had gehoord, was de persoon, die daarmee zijn aanwezigheid had verraden, even onontdekt vertrokken, als hij boven was gekomen. Tot besluit van zijn speurtocht bezocht hij de onder het huis doorlopende kelder. Het manshoge stenen gewelf was prima onderhouden, maar ook hier verraadden nog maar kortelings gerepareerde openingen in de massieve muren, dat de erfgenamen van Angus zich niet onbetuigd hadden gelaten. De wijnrekken in het voorste deel waren nog goed gevuld en met waardering las Justus de befaamde merken, nadat hij het stof van de etiketten had geblazen. Een rij gevulde inmaakpotten bewees, dat Roslyn - het ontbreken van een hoofdbewoner ten spijt - reeds begonnen was met het opslaan van de wintervoorraad. Alles zag er zindelijk en verzorgd uit. Het huisvrouwelijke hart van Celestine zou opengaan, wanneer ze hier eens een kijkje kwam nemen. Hoewel hij hier, ondergronds, al evenmin een inbreker verraste, ontdekte de Hollander wel, op welke ingenieuze wijze de riolering was aangelegd. Een geheel bemetselde grot, waarin de lozingspijpen uitmondden, leidde een aftakking van een der beken onder het huis door. Een gegrendeld ijzeren luik, dat Justus met enige moeite opende, gunde hem een blik op de snel voortvlietende, donkere waterstroom, die, door een of ander obstakel buiten opgewekte schuimbellen meevoerde. Hij bevestigde het luik met zorg. ‘Ik heb alles nagezien’, lichtte hij zijn vrouw in, toen hij | |
[pagina 38]
| |
weer bij haar zat, ‘en ik ben er vrijwel zeker van, dat zich niemand in huis heeft verborgen. De enige deur aan de achterkant heeft Roslyn afgesloten en de sleutel hangt aan een haak op de deurpost. Overigens getuigt de orde en netheid, die ik tot zelfs in de kelder en op de vliering tegenkwam, voor de zorg, die onze huisbewaarders aan het schoonhouden besteden. Nergens stof of rommel en een keldervloer, die er uitziet of er een half uur geleden eens extra geboend en gedweild is.’ ‘De Macgoullies zullen in deze wildernis niet veel anders te doen hebben, Justus!’ vond Celestine nuchter. ‘Maar ik geef toe, dat er niets valt aan te merken. Ik gaf er wat voor, wanneer wij in Utrecht een hulp als Roslyn konden krijgen...’ Met het prettige gevoel geheel vrij in eigen huis te zijn, brachten ze de zaterdagavond door al bladerend in een stapel illustraties uit het begin van de eeuw, waarvan de plaatjes met de ouderwetse mensen en dingen de lachtlust zouden hebben opgewekt van het jongere geslacht, maar die de bejaarde Reizigers aanleiding gaven tot allerlei jeugdherinneringen. Er was geen radio, hetgeen ze beiden als een extra aanbeveling van Aros Killee beschouwden. Buiten hield de junihemel het licht van de dag zo lang mogelijk vast en toen Justus tegen elven voor alle zekerheid de sluitingen van ramen en deuren nog eens controleerde vóór ze naar bed gingen, waren de voorwerpen op en om het terras nog duidelijk te onderscheiden. Ver weg aan de zuidwestelijke horizon twinkelden in de diepe schemer, die over de vallei van de Spey hing, de lichten van Kincraig en Kingussie. ‘En Celestine, ben je tevreden over je dag?’ vroeg Reiziger, nadat zijn vrouw het zich gemakkelijk had gemaakt tussen de | |
[pagina 39]
| |
naar kruiden geurende lakens en hij zelf bezig was het waxinepitje zó op te stellen, dat de schijn niet hinderlijk op hun ogen kon vallen. ‘Ik vind, dat we fantastisch hebben geboft’, zei de slaperige stem. ‘Een ideaal, komfortabel en zindelijk tehuis, waar wij met deze prachtomgeving voor het grijpen het ons net zo gemakkelijk kunnen maken als we willen. En mocht het er naar uitzien, dat jij, met je actieve natuur je zou vervelen, dan ligt er een mysterie voor je klaar... Nee, we hadden het niet beter kunnen treffen!’ Justus, die gewoonlijk de ganse nacht kon doorslapen, was plotseling klaar wakker. Van enige vaagheid was geen sprake in de wijze, waarop hem klaar voor de geest stond, dat ze voor de eerste nacht in Aros Killee sliepen, dat het flauwe schijnsel van het nachtlampje geen enkele ongerechtigheid bestraalde en dat buiten de vensters de schemer zich had verdiept tot een blauwig waas, dat het donkerder profiel van de sparrentoppen nevelig omhulde. Door het half geopende raam drong flauw het ruisen van verwijderd water en het zuchten van de nachtwind in de omringende bomen. In huis was de stilte bijna tastbaar. En toch kon Justus niet aan de indruk ontkomen, dat er onraad was. Een of ander zintuig had het nodig gevonden hem in zijn rust te storen en zich bewust bezig te houden met zijn omgeving. Hij snoof bedachtzaam om te ontdekken of er misschien een flauwe brandlucht tot de vredige slaapkamer doordrong, maar de atmosfeer was fris. Het enige dat hij rook, was de harsachtige geur van de dennen buiten. Ingespannen luisterde hij, in twijfel of een of ander geluid hem misschien had gewekt. Hij was rechtop gaan zitten en spitste de oren. Zó stil was | |
[pagina 40]
| |
het, dat hij de fijne tikjes kon onderscheiden, waarmee het reisklokje op de stoel naast het bed, de voortijlende tijd bij hield. Weifelend schudde hij het hoofd, nog niet van zins het op te geven, maar toch half overtuigd, dat het instinct, waaraan hij zijn ontwaken moest wijten, het ditmaal bij het verkeerde eind had gehad en loos alarm had geslagen. Plotseling hoorde hij iets. Het was bijna niet meer dan een nauw merkbare trilling op zijn trommelvlies, welhaast de schaduw van een geluid. En het was in huis! Ergens beneden. Dof en onbestemd, alsof er een deur of luik uiterst omzichtig werd gesloten. Nu zijn volle aandacht op iets, dat zich buiten de kamer moest afspelen gevestigd was, meende hij méér te horen. Niet te definiëren bewegingen van iets zwaars op de plavuizen van de benedengang, een niet te omschrijven gekraak. Justus boog zich over naar Celestine en schudde haar zachtjes. Ze opende de ogen en keek hem slaapdronken aan. ‘Sst!’ fluisterde hij. ‘Niet spreken! Ik geloof, dat er iemand beneden aan het rondsluipen is.’ Zijn vrouw had enige tijd nodig, voor de betekenis der woorden tot haar doordrong. Eindelijk kwam ze overeind. Zwijgend luisterde ze even. Toen keek ze haar man een beetje verwijtend aan. ‘Ik hoor niets, Justus. Je hebt zeker gedroomd!’ Vóór hij iets kon zeggen ter verdediging, klonk nu duidelijk uit de benedengang een doffe bom en vlak daarna waren voetstappen te horen op het klinkerstraatje achter het huis, dat naar het sparrenbos leidde en vandaar naar de portierswoning. Zonder enige aarzeling sprong Justus uit bed, schoot zijn kamerjas aan en zijn pantoffels. Een wapen bezat hij niet, maar hij bedacht zich, dat zijn stevige bergstok met ijzeren | |
[pagina 41]
| |
punt beneden in de parapluiebak stond en dat hij deze en passant zou kunnen grijpen, wanneer hij de trap afkwam. Zijn electrische zaklamp lag naast het klokje op de stoel. Toen hij die opnam, zag hij, dat het kwart voor tweeën was. Celestine, nu klaar wakker, was ook opgestaan en hulde zich in haar kimono. Ze glimlachte een beetje spottend, want ze was een flinke, evenwichtige vrouw, die zich niet bang liet maken door voetstappen. ‘Ik snap niet’, glimlachte ze, ‘waarom de Wolf van Badenoch ons de eerste nacht al komt begroeten! Ik sliep juist zo heerlijk. Beter dan de laatste dagen in die drukke hotels.’ In een adem voegde ze er bij, terwijl Justus zich gereedmaakte de kamerdeur te openen: ‘Doe niets riskants, Justus! Wanneer de inbreker er van door is, zien we morgenochtend wel verder!’ De bijna verblindend aandoende witte lichtbaan van de lantaarn bescheen de verlaten bovengang en de trap. Ongehaast ging Justus omlaag en voorzag zich beneden van zijn wandelstok. Ook hier in de betegelde korridor bevond zich niemand. De deuren waren gesloten. Met ingehouden adem luisterde de Hollander, onder aan de trap staande, of de geluiden, die hem gewekt hadden, zich zouden herhalen. Het bleef doodstil en Celestine, die boven over de balustrade leunde, riep met enige stemverheffing: ‘Zie je wat, Justus?’ ‘Niets te zien dan een lege gang. Ik zal even in de kamers en de keuken kijken.’ De gegrendelde kamerdeur liet hij gesloten, maar wel overtuigde hij zich ervan, dat zich niemand in het toilet bevond. De keuken zag er even ordelijk uit als 's avonds en in de bijkeuken hing de sleutel van de buitendeur nog steeds aan het haakje op de gewone plaats. Hoofdschuddend ging Justus | |
[pagina 42]
| |
terug naar de gang en opende, nu vrijwel overtuigd, dat er geen ongenode bezoeker in huis was gedrongen, de deur van de eetkamer. Toen hij binnenging, achter de op borsthoogte gehouden zaklamp, struikelde hij bijna over een zacht aanvoelend obstakel. Hij richtte de lichtkegel snel omlaag. Wat hij zag, benam hem voor een ogenblik de adem, maar snel hervond hij zijn gewone koelbloedigheid. Zonder zijn plaats te verlaten wendde hij zich half om. ‘Kom even beneden, Celestine! Er ligt hier in de eetkamer een onbekende man, die waarschijnlijk is neergeslagen door degeen, die wij buiten hoorden lopen.’ Hij wachtte tot Celestine naast hem stond en gaf haar de zaklamp. Naast het uitgestrekte lichaam knielend beschouwde hij van nabij het achterhoofd, dat door slagen met een zwaar voorwerp verbrijzeld was. Zijn vingers zochten de pols van de slap op de glimmend gewreven eiken vloer liggende rechterarm. Voorzichtig tilde hij daarna het hoofd omhoog. Hij had genoeg doden gezien om uit de grauwe kleur van het gezicht en de gebroken ogen op te maken, dat hier geen menselijke hulp meer kon baten. Zwijgend kwam hij overeind en beantwoordde de vragende blik van zijn vrouw met een ernstig hoofdschudden. ‘Ik zal vlug iets aanschieten en Douglas gaan wekken. Hij moet dadelijk naar het hotel gaan om de politie in Aviemore op te bellen. Vind je het bezwaarlijk om alleen hier te blijven tot ik terugkom?’ Ze knikte zwijgend, nog steeds met de lichtbundel op de roerloze gestalte gericht. ‘Maar steek eerst de lampen hier op, Justus! Overal!’ Binnen tien minuten stond Reiziger in de houten portiek voor de deur van de Macgoullies en sloeg met zijn bergstok | |
[pagina 43]
| |
een donderende roffel op het paneel. Boven hem werd een dakraam geopend en hij hoorde de stem van Roslyn roepen. ‘Wie is daar? Wat is er gebeurd?’ Hij deed een paar stappen achteruit en bescheen de gevel. Uit een raampje onder de ver vooruitstekende rietbedekking van het dak keek het ontstelde gezicht van het meisje. ‘Roep je vader, Roslyn!’ Ze knikte en verdween uit de omlijsting van het kozijn. Even later werd de voordeur geopend en ze stond voor hem in haar nachtgewaad, waarover ze een rok had geworpen. ‘Vader is niet in zijn kamer! Hij is niet naar bed geweest. Wat is er gebeurd, meneer Reiziger?’ ‘Heb je niets gehoord? Een kwartier voor ik klopte ongeveer?’ ‘Nee... Ik sliep. Is er iets met mevrouw?’ ‘Er zijn een paar vreemde bezoekers in het huis geweest, Roslyn. Ik werd wakker en hoorde één van hen op het pad buiten in deze richting weglopen. De andere ligt in de eetkamer. Dood. Vermoord... Je begrijpt, dat de politie zo vlug mogelijk moet worden gewaarschuwd. Waar kan je vader zitten?’ Roslyn keek verlegen naar haar blote voeten; blijkbaar viel het haar moeilijk de nieuwe huurder uitleg te geven van Douglas' afwezigheid. Ze wierp een schichtige blik op het gezicht van haar ondervrager. ‘Wat hij ook uithaalt, dit is niet het ogenblik om het te verzwijgen, Roslyn’, drong Justus ernstig aan. ‘Er is hier een moord gebeurd en je vader zal zonder omwegen moeten verklaren waar hij heeft gezeten.’ ‘Hij is het bos in.’ Roslyn was verstandig genoeg om in te zien, dat openhartigheid geboden was. ‘Hij wilde u morgen | |
[pagina 44]
| |
verrassen met een paar hazen. Of patrijzen... Natuurlijk is het stropen, want de jacht hier in de omtrek is verpacht. Als de politie zich er mee gaat bemoeien wordt hij veroordeeld.’ ‘Kan je hem niet een signaal geven? Dat hij moet terugkomen? Of is hij ver uit de buurt?’ Roslyn haalde de schouders op. ‘Hij is het ravijn in van de Allt Mor op de helling van de Cairn Gorm. Zelfs een geweerschot zou hij niet horen. Wil ik naar het hotel gaan om hulp te halen? Ik kan de weg blindelings vinden. Binnen een kwartier kan ik er zijn.’ ‘Er zit niets anders op. Bel jij zelf de politie in Aviemore op en zeg dat de tijdelijke bewoner van Aros Killee wakker werd door geluiden op de benedenverdieping. Iemand verliet het huis vóór ik goed begreep, wat er voorviel. Ik ging kijken en vond het lijk van iemand, die ik niet ken, met ingeslagen schedel op de vloer van de eetkamer liggen. Ik heb mij ervan overtuigd, dat hij dood was en hem nauwelijks aangeraakt.’ ‘Gaat u nu naar huis terug, meneer Reiziger. Ik trek mijn kleren aan en kom dan even kijken of hij iemand is, die ik ken. Als ik hem zelf heb gezien kan ik de politie beter inlichten dan wanneer ik alleen maar herhaal, wat u mij gezegd hebt.’ ‘Goed, maar haast je, Roslyn. En laat hier een kattebelletje voor je vader achter, dat hij onmiddellijk naar het huis moet komen, wanneer hij terug is.’ Nauwelijks had Justus zich bij de wachtende Celestine gevoegd, of Roslyn klopte reeds op de achterdeur. Hij liet haar binnen. Eén snelle blik op het door Reiziger een weinig opgeheven gezicht van de dode was voor Roslyn voldoende. ‘Davie Grant!’ Ze drukte de tot vuisten gebalde handen tegen haar borst en zag het echtpaar met starre schrikogen aan. | |
[pagina 45]
| |
‘Wat!? De eigenaar van het hotel?’ Het was Justus of het noemen van de naam de vermoorde plotseling tot een intieme relatie van hem maakte. Roslyn knikte met een star gezicht. Ze maakte een wild gebaar en verdween met een sprong uit de kamer. Even later hoorden zij haar voetstappen over het terras gaan en het kraken van takken, waar ze langs het smalle voetpad door de struiken naar het meer afdaalde. ‘Er komt toch niets meer van slapen,’ merkte Celestine gelaten op. ‘Ik ga me maar kleden, Justus. Zoek jij in de keuken of je koffie kunt vinden en zet dan water op het vuur. Binnen hoeveel tijd kan de politie hier zijn?’ ‘Het is zondag... En we zijn in Schotland! Ik denk, dat het wel middag zal worden voor met het eigenlijke onderzoek begonnen wordt. Ga jij je maar kleden. Ik zorg intussen voor koffie.’ Terwijl Justus doende was met die huiselijke bezigheid liet hij de gedachten gaan over het afschuwelijke voorval. Willie Grant had die middag bij het vertrek gezegd, dat hij in Davids hotel telefonisch een taxi uit Aviemore wilde bestellen om daarna verder per trein naar Inverness terug te keren. Wanneer hij dit plan had ten uitvoer gelegd, had David Grant kennis gekregen van de onverwachte komst van een huurder op Aros Killee. Mogelijk had Douglas nog iets in het hotel te doen gehad - tenslotte was de herkomst van dat uitgebreide diner nog niet opgehelderd - en zou David ook van de huisbewaarder het nieuws hebben gehoord. Hoe ook, het was aannemelijk, dat David op de hoogte was van de aanwezigheid van de Reizigers in het afgelegen buitenhuis. Aangenomen mocht worden, dat hij vrijwillig de wandeling naar boven had gemaakt. Maar zeker was het niet zijn bedoeling geweest | |
[pagina 46]
| |
de Hollanders een beleefdheidsbezoek te brengen. Hij moest hebben begrepen, dat oudere mensen, zoals de Reizigers, omstreeks halftwee naar bed zouden zijn. Zijn komst had dus een andere bedoeling gehad en hij was als een dief in de nacht binnen geslopen. Dat wees op urgentie in de uitvoering van zijn voornemen. Maar hij had een metgezel meegebracht! Was Willie niet naar Inverness teruggekeerd en hadden de broers samen een of ander plannetje beraamd, waarvan de uitvoering niet kon worden uitgesteld in verband met het betrekken van het huis door de twee buitenlanders? Of was Douglas Macgoullie de tweede man geweest? Vreemd, dat Douglas het donkerste gedeelte van de korte nacht zou hebben gekozen voor zijn stroperswerk! Het liep nu tegen drieën en de nieuwe dag kondigde zich reeds aan in de scherpere omtrekken van de bomen. De witte nevels boven Loch Morlich waren duidelijk door de samenstrengeling van takken op de steile helling te zien en Loch Inch in het dal bij Kincraig tekende zich door de afspiegeling van de opklarende hemel scherp at tegen het omringende groen van de vallei. Natuurlijk moest rekening worden gehouden met de mogelijkheid, dat Douglas voor zijn oneerlijke bedrijf een veraf gelegen terrein had gekozen en dat hij, om daar tegen daglicht aan te komen, reeds in de avond had moeten op weg gaan. Dan zou het nog uren duren vóór hij weer thuis kon zijn. Justus had het dienblad met de kopjes en het komfoor in de zitkamer gebracht; de kan met de geurige koffie zette hij daar neer. Hij speelde even besluiteloos met het sigarenkistje, dat hij 's avonds op het rooktafeltje van Angus Grant had laten staan en stak na enige aarzeling op. Het leek oneerbiedig in de onmiddellijke nabijheid van een dode te roken, | |
[pagina 47]
| |
maar tja... de man zou er geen last van hebben en Justus kon nu eenmaal niet geconcentreerd denken, wanneer hij zijn sigaar moest missen. Met de handen in de zakken stond hij voor de naar het terras voerende deur, starend naar het vergezicht, waarvan de details zich steeds scherper aftekenden. Jammer! Juist nu ze het zo getroffen hadden met een rustig onderkomen, van waaruit ze op hun gemak de mooie omgeving zouden kunnen verkennen, moest er uitgerekend de eerste nacht iemand in dit huis worden vermoord. Dat betekende, dat ze hier niet zouden kunnen blijven. Of misschien toch wèl? Juridisch bezien was de zaak in kannen en kruiken. Wanneer hij op nakoming stond van het huurcontract zou de verhuurder geen been hebben om op te staan. Misschien maakte de politie bezwaar..? Plotseling drong het tot Justus door, dat het geenszins uitgesloten was te achten, dat men mogelijk hem zou verdenken van het plegen van het misdrijf. En dat men Celestine als medeplichtige zou beschouwen. Natuurlijk was gemakkelijk vast te stellen, dat hij tot voor de onverwachte ontmoeting met Willie Grant in de stationsrestauratie van Inverness, nog nimmer van Aros Killie en de erfgenamen van Angus had gehoord. Men zou hem dus moeilijk een motief voor moord met voorbedachte rade kunnen aanwrijven. Maar - zolang de werkelijke dader onbekend bleef - zou de Schotse recherche met goed recht kunnen denken, dat Justus David had verrast in het huis en, menend met een gevaarlijk inbreker te doen te hebben, deze had neergeslagen. Het lag voor de hand, dat iemand op vakantiereis er bezwaar tegen zou hebben openlijk met een dergelijke daad voor de dag te komen. Zelfs in geval van zelfverdediging gaf het bekennen van de daad een eindeloze rompslomp en oponthoud. Het verhaal | |
[pagina 48]
| |
over de zich verwijderende voetstappen kon zeer wel op een leugen om bestwil berusten... Om van alle onaangenaamheden af te zijn! Nu zijn gedachten eenmaal in die richting waren afgezwenkt, werd het Justus duidelijk, dat hij slechts het getuigenis van zijn vrouw kon produceren voor de bevestiging van zijn bewering. De achterdeur, die hij had gebruikt toen hij Douglas Macgoullie wilde halen, was model gesloten geweest en - voor zo ver hij bij zijn vluchtig onderzoek had kunnen vaststellen - ook de luiken voor de vensters toonden geen spoor van verbreking door twee personen, die moesten zijn binnengedrongen. Hoe waren die dan in huis gekomen? Zou zich aan de onderzoekende politie niet de voorstelling opdringen, dat Justus zelf de oudste zoon des huizes had binnen gelaten en deze, na een woordenwisseling, had gelikwideerd? Daar kwam nog bij, dat hij ampel gelegenheid moest hebben gehad, alle sporen van zijn misdrijf te verbergen vóór de politie op het toneel kon verschijnen! Zijn verklaring, dat hij kwart voor tweeën het onderzoek naar de verdachte geluiden was begonnen, berustte alleen op zijn woord. Wanneer de recherche zou veronderstellen, dat hij haar met een kluitje in het riet probeerde te sturen en kritisch achterdochtig de mogelijkheden daartoe voor het voetlicht zou halen, kon het niet uitblijven of de aanwijzingen, die de misdadiger had nagelaten zouden evenzeer kunnen worden geïnterpreteerd als opzettelijk door de ex-advokaat geplante valse sporen. Alles zou afhangen van het soort mensen met wie hij te maken kreeg. Het was voldoende bekend, dat de Britten vlug partij kozen tégen vreemdelingen! Maar afgescheiden zelfs van overdreven chauvinisme lag het in de rede, dat de detektives ten aanzien van bij de moord betrokken buitenlandse toeristen | |
[pagina 49]
| |
minder toeschietelijk zouden zijn dan ten opzichte van plaatselijk bekende personen. Best mogelijk, dat het echtpaar Reiziger, zelfs tegen zijn zin, gedwongen zou worden het verblijf op Aros Killee te rekken, tot de moord zou zijn opgehelderd. Maar Justus was onschuldig! Natuurlijk kon hij de politie niet kwalijk nemen, wanneer ze begonnen die voor hem onomstotelijke waarheid in twijfel te trekken. Maar wel betekende dit, dat Justus met betrekking tot de ontleding van het misdrijf de officiële instanties een slag vóór was, want hij zou al zijn aandacht kunnen besteden aan de onbekende dader en geen tijd verspillen aan het onderzoek van zijn eigen onschuld! Hij kon de factor ‘Reiziger’ volledig uit de analyse elimineren... Of niet!? Behoorde de aanwezigheid op Aros Killee van twee oudere Hollanders, of welke andere buitenlanders dan ook, tot de elementen, die de dader onmisbaar achtte voor het slagen van zijn misdrijf? Om het anders uit te drukken: bestond er een verborgen verband tussen de likwidatie van David Grant en de onverwachte komst van tijdelijke bewoners in het leegstaande huis? Hadden die logeergasten zich blootgesteld aan de kans als zondebokken te worden gebruikt, als lokvogels, die de eerste aandacht van de politie zouden afleiden van de werkelijk schuldige? Of vreesde de moordenaar - evenals Douglas Macgoullie de vorige middag had gedaan - dat de uit de lucht gevallen Hollander belangstelde in de omstandigheden, waaronder Angus Grant in maart om het leven was gekomen en was hij bang voor mogelijke onthullingen? Of, subsidiair, zag de onverlaat in de nieuwe huurders een paar schatgravers, op zoek naar de onvindbare schatten van Angus? De ex-advokaat in Justus jongleerde met al deze juridisch | |
[pagina 50]
| |
aantrekkelijke, verwarrende mogelijkheden naar hartelust, terwijl hij de komst van Celestine afwachtte. 's Avonds, vóór hij ging slapen, had hij zich stellig voorgenomen de rustkuur, die het afgelegen Aros Killee in uitzicht stelde, niet te bederven door zich blindelings te storten in het verleidelijke onderzoek naar een mogelijk familiedrama binnen de clan Grant. Maar de omstandigheden hadden dat goede voornemen in rook doen vervliegen. Het lot scheen er nu eenmaal plezier in te hebben hem met de neus op de kriminologische pudding te drukken en hem zijn otium cum dignitate niet te gunnen. Celestine, gewassen, gekapt en gekleed, ruiste opgewekt als altijd de zitkamer binnen, snoof waarderend de geur van de vers gezette koffie op en opende de op het terras uitkomende deuren. ‘We kunnen de lampen nu wel uitdoen, Justus,’ meende ze, ‘en onze koffie buiten drinken. Het is dag geworden!’ Weliswaar zou het nog lang duren vóór de zon boven de oostelijke bergkam verrees en het Boshuis bescheen, maar het prille licht onthulde reeds alle bijzonderheden in het wijde landschap. De in de nacht opgestoken bovenwind reet lange nevelflarden van de kale kop van Cairn Gorm en zweepte die hoog over Aros Killee door de witblauwe hemel. Celestine volgde de spookachtige slierten met wijdopen ogen. Reeds lang waren hier en daar vroege vogels begonnen met het repeteren van korte, schuchtere soli. Nu scheerde met een gesnor van vlugge vleugels een kleine blauwe vogel over het terras. In het voorbijgaan wierpen zijn zwarte kraaloogjes een nieuwsgierige blik op de onverwachte verschijning van een onbekend vrouwmens op zijn gewone podium; hij streek niet neer op de balustrade, maar zocht een plaatsje op de hoogste top van een spar en bekogelde Celestine vandaar met serpen- | |
[pagina 51]
| |
tines van rollende loopjes en trillers. Toen ze glimlachend naar hem opkeek, hield hij zich van den domme, staakte de klaterende aria en begon met een onschuldig gezicht hier en daar een pluisveertje van zijn beste pakje glad te strijken. Er lag zo iets koddigs in zijn gedrag, dat Celestine een schaterlach niet kon onderdrukken. Justus keek haar bevreemd aan en maakte met het hoofd een ernstig gebaar naar de gesloten deuren van de eetkamer. Schuldbewust bestierf de lach op het blijde gezicht. ‘Wil je geloven, Justus, dat ik het helemaal vergeten was. Maar het is hier ook zo fantastisch heerlijk in de ontwakende morgen. En die vogel daar lachte me uit! Omdat wij er zo stijf en opgeprikt bijstaan inplaats van uit volle borst mee te juichen met de natuur. Eigenlijk is er toch ook geen reden om ons de dag te laten bederven door wat er gebeurd is. Zo lang die stakker daar nog ligt, geef ik je toe, dat zijn arme overblijfselen recht hebben op onze piëteit. Het raakt ons formeel, maar materieel staan we er buiten, dat ben je toch met me eens?’ Hij kwam bij haar op de balustrade zitten en schudde weifelend het hoofd. ‘Ik ben bang, dat we ons moeten voorbereiden op een paar verwarrende dagen. Jij zou graag de besproken tijd uitblijven op Aros Killee, niet?’ ‘Natuurlijk, Justus! Je krijgt me hier met geen stok vandaan voor de laatste dag om is! Je denkt toch niet, dat ze ons er uit zullen zetten?’ ‘Er zal veel van afhangen of ze ons in ernstige mate als verdacht zullen beschouwen. In het aller-allerergste geval kunnen ze ons in voorarrest zetten om te voorkomen, dat we er vandoor gaan tijdens het vooronderzoek. Blijken ze oog te | |
[pagina 52]
| |
hebben voor onze werkelijke positie, dan zullen ze ons hier tijdelijk interneren, tot ze wat méér weten.’ ‘Dan moet je het er op aansturen, dat dit laatste gebeurt, Justus. Iedereen, zelfs de meest botte provinciale Schotse diender kan zien, dat we behoorlijke mensen zijn.’ Op zijn gebruikelijke, bedachtzame manier zette de jurist zijn vrouw uiteen, hoe zijns inziens de kaarten verdeeld lagen en hij was daar nog mee bezig, toen het naderend kraken van takken in het struikgewas op de helling de kleine blauwe vogel ijlings op de vlucht deed gaan. Gespannen wachtte het echtpaar af wie of wat er zou verschijnen en pas toen het hoofd van Roslyn boven de struiken onder het terras opdook voelden ze zich gerustgesteld. Het meisje was niet alleen. Achter haar aan stapte een lange, stevig gebouwde man met een door de inspanning van het klimmen hooggekleurd gezicht. Hij droeg een goedzittend grijs colbertkostuum, dat weinig sporen vertoonde van de tocht dwars door het bos en zijn met zorg gekamde zwarte haren lagen glad en effen langs de slapen. Terwijl hij het bordes betrad rustten zijn donkere ogen onder saamgetrokken wenkbrauwen op de Reizigers. Justus behoefde zijn onderscheidingsvermogen geen geweld aan te doen om met zekerheid in de beheerste gestalte een hoger politie-ambtenaar te herkennen. Op dit punt had hij een mensenleven van ervaring achter zich. Hij stapte de bezoeker rustig tegemoet. Voor hij iets kon zeggen vroeg Roslyn een beetje angstig: ‘Is vader al teruggekomen, meneer Reiziger?’ Zwijgend schudde hij het hoofd, De lange, donkere man, die blijkbaar wilde voorkomen, dat zich een gesprek zou ontwikkelen, waarvan hij niet de leiding had, nam zelf het woord. ‘U bent mister Reiziger? En dit is uw vrouw? Ik ben de | |
[pagina 53]
| |
districts superintendent van Inverness, Donald MacDonald. Met vakantie in het hotel daar beneden. Ze haalden mij uit bed, toen dit meisje met het bericht kwam. Het kan nog wel een tijdje duren, voor de politie uit Aviemore hier kan zijn en daarom leek het mij gewenst zelf hierheen te komen en uit de eerste hand het verhaal van uw onplezierige ervaring te horen.’ Justus, die een beetje prat ging op zijn degelijke kennis van Engels, nodigde MacDonald uit in de zitkamer te komen. ‘Terwijl mijn vrouw zich kleedde, heb ik koffie klaargemaakt. Mag ik u een kop aanbieden? En jij wil ook zeker wel meedoen, Roslyn?’ De rustig monsterende ogen van de superintendent schenen hem ervan te overtuigen, dat de Reizigers uiterlijk niet de indruk maakten hem een kop koffie met vergift voor te zetten. Hij knikte en ontdooide zelfs een beetje, toen Justus hem het doosje corona's voorhield. ‘Eigenlijk rook ik bij uitzondering sigaren. Ik houd mij aan de pijp. Maar ik laat me de kans niet ontgaan van een produkt te genieten, dat de Hollanders beroemd heeft gemaakt.’ Het ijs scheen gebroken. De heren lieten zich bij de open terrasdeur neer in de ouderwetse fauteuils van Angus Grant en Roslyn, wier betrokken gezichtje toonde hoe zeer het gebeurde haar had aangegrepen, zocht haar troost onder de hoede van de moederlijke Celestine. ‘Jij weet hier de weg in huis, Roslyn. Kan je niet iets klaarmaken dat we als een vroeg ontbijt kunnen beschouwen? Sandwiches of zo iets? En maak dan nog wat koffie.’ De superintendent keek zuinig, toen het meisje zich naar de deur begaf. ‘Ik heb de deur van de eetkamer naar de gang afgesloten,’ | |
[pagina 54]
| |
merkte Justus op, terwijl hij een sleutel uit de zak haalde en bij de politieman op tafel legde. ‘De enige andere toegangen zijn naar het terras - de deuren zijn gegrendeld - en door die tussendeuren daar naar deze kamer.’ ‘Toch verkies ik het dat meisje onder toezicht te houden, tot ik een voorlopige rondgang door het huis heb gemaakt. Het feit, dat haar vader op het appel ontbreekt zal opgehelderd moeten worden, voor ik haar alleen laat op de plaats van het misdrijf. Dat ontbijt kan nog wel even wachten. Zo... vertelt u mij nu eens iets over u zelf, meneer Reiziger. Hebt u uw paspoort bij de hand?’ Justus diepte de identiteitspapieren bereidwillig uit zijn portefeuille. ‘Hm... Elf dagen geleden in Edinburgh aan land gekomen. Wat hebt u sedert dien gedaan?’ De getrainde hersens van Justus hadden er geen moeite mee. Hij haalde zijn notitieboekje erbij, legde de met grote nauwgezetheid bewaarde hotelrekeningen als bewijsstukken over, beschreef de omstandigheid, die hem in de restauratie van het station in Inverness in aanraking had gebracht met Willie Grant en maakte duidelijk, waarom zijn vrouw en hij met beide handen de gelegenheid hadden aangegrepen voor een tiental dagen rust te nemen in Aros Killee en zich daar, zonder onophoudelijk reizen en trekken, wat vertrouwder te maken met het leven in de Schotse Hooglanden. MacDonald moest erkennen, dat de leeftijd van zijn getuigen het reisprogramma en de behoefte aan een rustig verblijf, niet weersprak en zo kwam vanzelf het voormalige beroep van de Utrechtse advocaat ter sprake. Justus noemde een aantal namen van functionarissen bij de rechterlijke macht in Nederland bij wie inlichtingen konden worden ingewonnen. | |
[pagina 55]
| |
Het feit, dat hij zeer goed de taal v[a]n zijn ondervrager beheerste en de omstandigheid, dat hij uit hoofde van zijn werkzaamheden als advocaat in staat was zijn antwoorden zonder onnodige omhaal en strikt zakelijk te formuleren, maakten een zichtbaar goeie indruk op de superintendent. ‘U bent dus een deskundige in strafzaken en op de hoogte van onze methoden van onderzoek. Ik mag dus van u een exacte beschrijving verwachten van alles, wat hier vannacht naar uw stellige weten is gebeurd.’ Zonder aarzelen liet Justus, bijna van minuut tot minuut, de handelingen de revue passeren, die hij had verricht tussen het ogenblik van zijn plotseling ontwaken in de duistere slaapkamer en dat, waarop Roslyn verschrikt had uitgeroepen: ‘Davie Grant!’ ‘Uit was u intussen hebt waargenomen, zult u zich wel een voorstelling kunnen maken van wat er moet zijn voorgevallen.’ De vraag werd als terloops gesteld. ‘Wanneer u bedoelt of ik sedert Roslyn's vertrek op eigen houtje een onderzoek ben begonnen, moet ik u teleurstellen. Ik heb er dus bijvoorbeeld niet het flauwste idee van, hoe David Grant in het huis is binnengekomen. Toen ik op zoek was naar een inbreker, zag alles er beneden normaal uit. De kelderdeur was gegrendeld en ik heb die niet geopend. Het vinden van het lijk wettigt uiteraard de gevolgtrekking, dat er behalve Grant nòg iemand binnen moet zijn geweest. Of de moord in de eetkamer plaats had, dan wel of het lijk post factum daar door de dader werd gedeponeerd, kan ik niet beoordelen. Voor zover ik bij zeer oppervlakkig rondkijken kon zien zijn er geen sporen van een worsteling in de eetkamer te vinden en evenmin ontdekte ik het wapen, dat gebruikt moet zijn.’ | |
[pagina 56]
| |
‘Ligt de dode in dezelfde houding, als waarin u hem voor het eerst zag?’ ‘Ik althans heb aan de ligging nauwelijks iets veranderd. Ik moest zijn hoofd optillen om te kunnen uitmaken of hij misschien Willie Grant of Douglas Macgoullie, de enige man, die ik hier ontmoette, kon zijn. En later herhaalde ik die handeling om Roslyn gelegenheid te geven voor indentificatie.’ ‘Prachtig... Dat is allemaal heel duidelijk... Blijft u nu met mevrouw en het meisje hier in de kamer, tot ik terug kom.’ ‘Mag ik nu een vraag stellen? U logeert in het hotel, nietwaar? Is er u iets van bekend of Willie Grant uit Inverness gisteren in de namiddag zijn broer David, de vermoorde, heeft opgezocht? Toen hij ons hier verliet vertelde hij van plan te zijn vanuit het hotel een huurauto in Aviemore te bestellen.’ ‘Waarom stelt u die vraag?’ ‘Maar dat ligt toch voor de hand, superintendent! Het kàn van belang zijn te weten, of David van onze aanwezigheid in Aros Killee op de hoogte was, toen hij vannacht binnendrong.’ De scherpe, donkere ogen bleven even nadenkend op Justus gevestigd, voor MacDonald antwoordde. ‘Nadat Roslyn Macgoullie haar verhaal had gedaan, mèt een toelichting over uw onverwachte komst hierboven, heb ik het personeel en mevrouw Grant een paar inlichtingen gevraagd. Voor zover zij weten is Willie gisteren niet in het hotel geweest.’ De superintendent stond op om zijn onderzoek te beginnen. Bij de deur naar de gang gekomen, wendde hij zich om en voegde hij er aan toe: ‘Er is al opdracht gegeven aan de recherche in Inverness om Willie Grant te horen en | |
[pagina 57]
| |
ook werd de politie in Aberdeen verzocht zich met Andrew Grant, de jongste van de broers, in verbinding te stellen.’ MacDonald bleef langer weg dan Justus verwacht had. Ze hoorden hoe hij deuren opende en op de bovenverdieping rondliep. Voor een ogenblik werd de aandacht voor het doen en laten van de Schot afgeleid door zware voetstappen, die op het terras weerklonken. Roslyn, die op een stoel in een der open deuren zat, sprong op en riep luid ‘Vader! We zijn hier! Davie...’ Maar ze kon de mededeling, die haar op de tong lag, niet beëindigen, want met een soepele snelheid, die Justus niet in hem had vermoed, was de superintendent binnengekomen, op Roslyn toegeschoten en had de hand op haar mond gelegd. ‘Straks kan je je vader alles vertellen,’ zei hij niet onvriendelijk, ‘maar nu is eerst het woord aan mij.’ Intussen was Macgoullie de deur genaderd. Hij nam de kleine scène, die zich afspeelde met een strak gezicht op en scheen in twijfel hoe hij zou reageren op dat, wat veel had van molestatie van zijn kind. Toen hij zag, dat MacDonald de hand terugtrok en hem tegemoet wilde gaan, draaide hij zich naar Reiziger, kennelijk met de bedoeling te worden ingelicht over de reunie in de prille morgen. ‘Roslyn liet een boodschap achter, dat ik hier moest komen...’ ‘Waar heb je de hele nacht gezeten, Macgoullie?’ vroeg de politieman bars. Douglas nam geen notitie van MacDonald. Hij richtte zich wat strammer op en scheen van de enige aanwezige, die recht had hem orders te geven, een verklaring te verwachten. Justus zei effen: ‘Ik geloof, Macgoullie, dat het verstandig zal zijn de superintendent uit Inverness onomwonden te antwoorden.’ De huisbewaarder richtte zijn koude blik op de autoriteit. | |
[pagina 58]
| |
‘U vraagt naar de bekende weg,’ merkte hij kalm op. ‘U zou niet in de nacht hier zijn gekomen, wanneer u niet zeker van uw zaak was. Maar ik wist niet, dat Don MacDonald zijn slaap opofferde om een doodgewone stroper te verbaliseren.’ ‘Hoe laat ging je van huis?’ ‘Gisteravond om halftwaalf.’ ‘Waar ging je heen?’ ‘Van hier langs het pad de beek op. Bij de vork van Allt Mor, volgde ik het linkse ravijn, de kortste weg naar de oosthelling van Lairig Ghru. Tegen de helling op een wandeling van drie uur. Het begon al licht te worden toen ik over de waterscheiding ging op de westelijke uitloper van Cairn Gorm. Ik bleef er een half uur. Teruggaande doe ik er niet langer dan vijf kwartier over. Het liep tegen halfvier toen ik thuiskwam. Daar vond ik Roslyns briefje. Ik knapte me wat op en hier ben ik.’ ‘Hm... Je was dus in het bos van Rothiemurchus. Heb je daar iemand ontmoet?’ ‘In dat deel, waar ik was, zie je nooit iemand. Zelfs in het seizoen mijden de jagers de steenwoestenij boven de pas. Dom, want het wemelt er van de wilde konijnen en fazanten. Het grootste gedeelte van het wild wordt ieder jaar door de vossen en marters opgevreten.’ ‘Dus jij beschouwde het als redelijk, dat je daar nam, wat van je gading was. Wat heb je meegebracht?’ ‘Een koppel fazanten en drie konijnen.’ ‘En je hebt heen of teruggaande niemand in het bos gezien?’ ‘Geen sterveling.’ ‘Ook niet Davie Grant?’ | |
[pagina 59]
| |
‘Nee. Wanneer ik die tegen het lijf was gelopen zou hij voor een paar dagen ontoonbaar zijn geweest!’ ‘Wat heeft hij je gedaan?’ Douglas wierp een snelle blik naar Roslyn, die in het summiere toilet, waarin ze zich naar het hotel had gehaast, handenwringend tegen een deurpost leunde en waarschuwend het hoofd schudde. ‘Wat doet dat er toe, nu ik hem niet ben tegengekomen?’ ‘Dat heb ik te beoordelen! Waarom lig je overhoop met Davie?’ ‘Hij valt Roslyn lastig. Ik heb hem gewaarschuwd. Hij weet wat hem te wachten staat als ik hem weer hier op het terrein zie. Hij komt als een dief bij nacht, in de hoop, dat ik er op uit ben en hij mijn kind alleen zal treffen.’ ‘Davie is dood.’ De enkele woorden van MacDonald hadden een onverwachte uitwerking. Douglas richtte zich op in zijn volle lengte. De norse uitdrukking op zijn gezicht, die tijdens het onderhoud had overheerst, verdween; zijn lichtblauwe ogen vernauwden zich en vonkten. Hij glimlachte en zei tevreden: ‘Zo... Davie dood! Eindelijk een bewijs, dat er nog gerechtigheid in de wereld is. Een adder minder in Glenmore Forest!’ ‘Hoe bedoel je dat, Macgoullie? Had hij dan nog meer op zijn kerfstok dan het nalopen van je dochter?’ ‘Vraag dat aan de dode Angus in zijn graf. Die is de enige, die daarop kan antwoorden.’ Het was duidelijk, dat MacDonald niet op de hoogte was van het onverklaarbare overlijden van de oude heer. Hij bleef Douglas aanzien met vragende ogen, als verwachtte hij een verdere toelichting, maar deze bleef uit. De huisbewaarder | |
[pagina 60]
| |
had het gezelschap de rug toegekeerd en staarde over de door de zon beschenen verre vallei van de Spey. Roslyn veegde met de rug van haar hand de tranen uit haar ogen. ‘Davie werd vermoord!’ De superintendent was vlak bij Douglas gaan staan. ‘Oog om oog, tand om tand!’ Met een bliksemsnelle beweging wendde Macgoullie zich naar de flegmatieke spreker. Dat hij verbijsterd was door dit laatste nieuws en zich verzette tegen een worgende angst was duidelijk. Hij sprak niet. Even onverwacht als hij zich naar MacDonald had gekeerd, draaide hij nu het hoofd in de richting van Roslyn. Zijn lange bovenlichaam, zijn armen en vingers kromden zich krampachtig. Met een afwerend gebaar schudde het meisje opnieuw het hoofd. Als bij toverslag keerde het uiterlijk van Douglas terug in de gewone, afwijzende, enigszins sarkastische plooi. Fijne zweetdruppels stonden op zijn voorhoofd en getuigden van de inspanning, die het hem moest hebben gekost zijn zelfbeheersing te hervinden. ‘Wáár in dit huis?’ De stem was weer koud, onverschillig bijna. ‘In de kelder.’ ‘Dan heeft de wreker hem getroffen, terwijl hij zocht wat niet te vinden is. Bezig zijn broers te bestelen!’ Douglas streek zich over de ogen. ‘lk ben moe. Kan ik nu gaan slapen?’ Hoezeer de superintendent er in slaagde zijn aandoeningen achter een niets zeggend gezicht te verbergen, was Justus er van overtuigd, dat de rechercheur worstelde met een uiterst moeilijk probleem. Hier stond hij tegenover een man, die verklaard had David Grant te haten, wiens alibi voor de afgelopen nacht nog moest worden onderzocht - een tijdrovend | |
[pagina 61]
| |
karwei -, iemand die waarschijnlijk heel wat zou kunnen vertellen over minder oirbare handelingen van de vermoorde, iemand, tenslotte, die nog bij herhaling in het onderzoek zou moeten worden gehoord, vóór de politie van zijn onschuld overtuigd zou zijn. En die man gaf dood gemoedereerd de wens te kennen te gaan slapen. In zijn eigen huis natuurlijk. Buiten bewaking, want MacDonald kon moeilijk zelf bij het bed gaan zitten om Douglas te verhinderen zich uit de voeten te maken. Aan de andere kant was het verzoek begrijpelijk. Macgoullie was juist teruggekeerd van een zware strooptocht in het morainegebied tussen de afgronden van Cairn Gorm en Braeriach. Hij had sedert de vroege zaterdagmorgen geen oog dicht gedaan. De op hem rustende verdenking was bovendien nog door geen enkel concreet feit gestaafd. Integendeel, de reactie van Douglas, toen hij hoorde, dat de moord in Aros Killee had plaats gevonden, riep de gedachte wakker aan een vertwijfelde vader, die zijn eigen kind verdacht van moord op een hinderlijke hofmaker. En juist dit laatste maakte het verhoor van de nog steeds door de eerste ontsteltenis gekwelde Roslyn urgent. ‘Je kunt naar je bed gaan, Macgoullie. Maar ik waarschuw je ernstig voor ondoordachte pogingen om de benen te nemen. Je bent verstandig genoeg om te begrijpen, dat je niet uit deze omgeving kunt wegkomen en dat de politie binnen een paar uur een drijfjacht kan organiseren, die je fataal zou worden.’ Douglas knikte onverschillig. Maar hij groette de Reizigers met een korte, beleefde buiging en wankelde meer dan hij liep naar de zijde van het terras, waar hij om de hoek van het huis verdween. ‘Die voetstappen vannacht,’ vroeg de superintendent, ‘kunt u zich daarvan nog een voorstelling maken? Deden ze u den- | |
[pagina 62]
| |
ken aan een bepaald type van een persoon? Wilt u eerst uw indrukken weergeven, mevrouw?’ Celestine knikte nadenkend. Ze stelde zich voor, hoe ze daar slaapdronken in bed had gezeten, betwijfelend of Justus werkelijk iets gehoord had. En plotseling had die doffe dreun geklonken, alsof iemand een zwaar luik of een deur achter zich had gesloten. Onmiddellijk daarna de snelle, lichte voetstappen... ‘Het moet iemand zijn geweest, die de weg goed kende. Het was nog donker buiten en het stenen pad is vrij smal. Het maakt een scherpe bocht bij het sparrenbosje. Toch rende die persoon zonder aarzelen voort. Lichte tikjes. Niet schuifelend, maat gedecideerd.’ Ze aarzelde en zweeg. MacDonald keek Reiziger uitnodigend aan. Justus maakte geen haast met zijn antwoord; de zaken verliepen een beetje anders dan hij had verwacht. De officiële politie in de persoon van MacDonald gedroeg zich tegenover de beide bejaarde Hollanders zonder de formele kilheid, die als regel door de instructie wordt in acht genomen. Zijn vraag over de voetstappen was gesteld in de soepele conversatietoon, die tussen leden van dezelfde goedgesitueerde maatschappelijke groep wordt gebezigd; méér alsof de superintendent advies zocht, dan met het gewicht van de wet in de rug verklaringen wilde afdwingen. Hij was er bij gaan zitten, had met een dankbaar glimlachje een verse kop koffie van Celestine aanvaard, genoot kennelijk van de uitstekende sigaar. Natuurlijk had Justus zich voorgenomen de onderzoekende instantie geen enkel gegeven te onthouden, maar zijn scherpe juridische brein had hem gewaarschuwd voor loslippigheid en aanvankelijk was hij er dan ook van uitgegaan, dat hij in dit vreemde land extra op zijn tellen zou moeten passen en zijn eigen | |
[pagina 63]
| |
mening over de gebeurtenissen voor zich zou moeten houden. Maar nu hij tegenover een man was komen te zitten, die hem voorkomend behandelde en reeds bij voorbaat hem scheen te aanvaarden als iemand, die recht kon doen gelden op een zekere courtoisie, voelde Justus zich geneigd vrijuit te spreken, hoezeer hij bij een vorige gelegenheid, in Luxemburg, had geleerd, dat de àl te scherpzinnige particulier uiterst voorzichtig dient te zijn met zijn bereidheid tot vèrgaande medewerking, wil hij niet tegenover persoonlijke conflicten komen te staan. Door de rook van zijn sigaar bestudeerde hij peinzend de uitdrukking in de afwachtende ogen van MacDonald. ‘Die voetstappen,’ zei hij bedachtzaam,’ vormden het eerste concrete gegeven over het feit, dat er iets niet in orde moest zijn. Daarvóór had ik alleen maar niet te definiëren, vage geluiden gehoord. Het zal u begrijpelijk zijn, dat mijn volle aandacht zich hechtte aan die gehaaste tikjes op het plaveisel van het straatje hierachter. Onbewust telde ik ze zelfs! Het waren er zeven. Zoals mijn vrouw reeds zei toonden ze geen enkele aarzeling. Het was of degeen, die het huis verliet, niet op gang behoefde te komen, maar reeds bij de eerste stap zijn volle energie inzette. Hij liep licht, als een getrainde renner. Verder ben ik er zeker van, dat hij schoenen droeg met rubberzolen. Niet alleen stond dit voor mij vast, toen ik hem hoorde, maar ik heb buiten naar sporen gezocht en ze ook gevonden.’ ‘Vertelde u mij daarstraks niet, dat u geen eigen onderzoek had ingesteld?’ ‘Hier in huis heb ik mij daarvan onthouden, behalve dan voor wat betreft mijn eerste rondgang om te controleren wat mij had gewekt. Maar terwijl mijn vrouw zich kleedde en ik | |
[pagina 64]
| |
in de keuken wachtte op het doorbranden van het vuur voor de koffie, ben ik naar buiten gegaan. Het was nog donker, maar met mijn zaklamp kon ik vaststellen, dat op de klinkers geen spoor was te zien; evenmin op de met losse naalden bedekte grond onder de sparren. Maar tussen de woning van de Macgoullies en het hoge houten hek, dat de toegang tot het perceel afsluit, vond ik in de zachte grond een paar duidelijke indrukken van het patroon van een rubberzool. Uit enkele aardkluitjes op de horizontale binnenlatten van het hek maakte ik op, dat de vluchteling langs die weg is ontkomen.’ De superintendent nam Justus bevreemd op. Hij scheen een opmerking op de tong te hebben, maar liet die onuitgesponnen. De oud-advokaat kon uit het strakke gezicht niet opmaken of MacDonald een prijzend woord had willen laten horen, dan wel een aanmerking had willen maken op het staaltje van amateurs-speurzin. ‘Wijst u mij even de plaats, waar u die sporen vond.’ De Schot was opgestaan en reeds op het terras, vóór Reiziger hem kon volgen. Ze liepen naar de achterzijde van het huis. ‘Zeven stappen, zei u, geloof ik?’ Justus knikte. De athletische politieman rende nu zelf met lange, verende passen het gehele klinkerstraatje af. ‘Ik heb er zestien nodig voor de volle lengte,’ merkte hij op, toen hij weer bij Justus kwam. ‘De zevende bracht mij juist ter hoogte van de deur van de bijkeuken. Laten wij nu de voetindrukken gaan bekijken.’ Nu, bij vol daglicht, hadden ze geen moeite allerlei sporen in de rulle laag sparrennaalden te onderscheiden, maar deze hadden niets te vertellen over het schoeisel van de voorbijgangers; het waren vage strepen en indrukken. Pas voorbij de woning van Macgoullie waren op de bedauwde bosgrond | |
[pagina 65]
| |
scherpere omtrekken van schoenen waarneembaar en vlak bij het hoge, met een hangslot verzekerde hek, kon Justus zijn metgezel tussen de diepe sporen, die zijn binnenrijdende auto de vorige middag had achtergelaten, het geribde patroon van een rubberzool wijzen. ‘Douglas en Roslyn droegen laarzen met leren zolen,’ legde hij MacDonald uit. ‘Willie Grant had een paar moderne sportschoenen met een crêpelaag eronder. Mijn vrouw en ik hebben wel rubberzolen, maar niet met dit visgraatpatroon.’ De superintendent beschouwde aandachtig het houtwerk van het hek in de omgeving van de nog vochtige aardkluitjes op de dwarslatten. Hij gaf geen enkel commentaar, maar vond in een van zijn zakken een enveloppe en begon op de achterzijde daarvan een schets te tekenen van de voetafdruk, die er het meest gaaf uitzag. Nauwgezet mat hij de verschillende afmetingen met een kleine stalen zakliniaal en noteerde die. Toen hij klaar was kwam hij overeind en voor het eerst verbrak een spontane glimlach de ernst van zijn donkere gezicht. ‘M'n compliment, mister Reiziger! De deskundigen, die straks komen, zouden zeker die sporen niet over het hoofd hebben gezien... tenzij ze die bij het binnenkomen onbewust zouden hebben ingetrapt. Best mogelijk, dat uw speurderstalent mij de sleutel in handen heeft gegeven van het probleem.’ Hij wierp een blik op zijn polshorloge. ‘Twintig over vier! Wanneer uw vrouw toezicht wil houden op miss Macgoullie, heb ik er geen bezwaar tegen, wanneer het meisje in de keuken het ontbijt klaarmaakt.’ Ze sloegen de weg terug naar het terras in. ‘U hebt gehoord, wat Macgoullie ons daarstraks vertelde. Misschien hebt u zich er over verwonderd, dat ik in een moordzaak een belangrijke getuige in uw bijzijn mijn vragen stelde. Ik beschouw echter alles, wat ik hier uit- | |
[pagina 66]
| |
voer, meer als preliminaria dan als een model onderzoek. Alleen kan ik niets beginnen en inspecteur Wood van Aviemore is feitelijk de man, die officieel moet optreden. Wanneer ik niet hier in de onmiddellijke omgeving gelogeerd was, zou ik pas in een later stadium in de zaak zijn gestapt. Maar goed Ik ben er nu eenmaal en maak dus alvast een begin.’ De twee mannen hadden hun gemakkelijke stoelen weer opgezocht en Celestine was met Roslyn naar de keuken verdwenen. MacDonald haalde een notitieboekje te voorschijn en begon ongehaast aantekeningen te maken, een bezigheid, die Justus de gelegenheid gaf ongestoord zijn positie in de lopende affaire degelijk onder de loupe te nemen. De jurist van de Prinsendam en in Luxemburg verkregen zekerheid, moord een episode vormde in de keten van voorvallen, waartoe ook de onverklaarde dood van Angus behoorde en het feit, dat een belangrijk deel van diens nalatenschap onvindbaar was gebleken. De houding van Douglas Macgoullie tijdens het summiere verhoor wettigde de veronderstelling, dat de huisbewaarder David er van verdacht de hand te hebben gehad in het noodlottige ongeval, waarbij Angus om het leven was gekomen. Het lag dus voor de hand, dat de politie bij het verder onderzoek alle aandacht zou schenken aan die voorgeschiedenis. Het viel niet te ontkennen, dat de Hollander van nabij in de opsporing zou worden betrokken. David was neergeslagen in het tijdelijk door hem gehuurde huis en Reiziger had het lijk ontdekt en de eerste stappen genomen om de hulp van de politie in te roepen. Hoewel zijn aanvankelijk voornemen was geweest zich zo veel mogelijk afzijdig te houden van de recherche, had hij zich er toe laten verleiden vrijwillig de superintendent in te lichten over de door hem gevonden voet- | |
[pagina 67]
| |
afdrukken en de waardering, die MacDonald had getoond voor de gegeven aanwijzing - welke van zéér groot belang kon blijken bij de jacht op de dader! - had Justus in een zwak punt getast. Ook al was hij allerminst ijdel, doch was hij menselijk genoeg zich gevleid te voelen door de hem toegezwaaide lof. Er ging voor hem een grote bekoring uit van de gedachte deel te kunnen nemen in het speurderswerk, een sensatie, die nog extra werd geprikkeld door de aan boord van de Prinsendam en in luxemburg verkregen zekerheid, dat hij een onmiskenbare aanleg bezat voor deductie en combinatie. Om kort te gaan, Justus voelde er alles voor zijn goede voornemens te laten varen en een actieve rol te spelen in de opheldering van het Schotse drama. MacDonald had een prettige indruk op hem gemaakt. Het feit alleen al, dat de superintendent zich er rekenschap van gaf, dat hij met zijn zeer voorlopige onderzoek feitelijk het ambtsterrein van de inspecteur uit Aviemore betrad beschouwde Justus - zelf een rechtschapen mens - als een pertinente aanbeveling. Dat nam niet weg, dat de vertrouwelijkheid van MacDonald tegenover een hem geheel onbekende buitenlandse toerist nu ook weer niet zó ver ging, dat hij zich uitliet over de diepere dessous van de moordzaak. En evenmin had hij de Hollander - van wie hij toch op geen stukken na wist, waar hij deze moest plaatsen in het geheel der gebeurtenissen - met andere dan zeer oppervlakkige vragen over diens status lastig gevallen. Justus kon het gevoel niet van zich zetten, dat de superintendent de kans om het meisje uit te horen, die zijn onderhoud met Roslyn in het hotel en tijdens de wandeling naar boven hem had gegeven, met beide handen had aangegrepen. Het lag in de rede, dat zij haar verwondering had uitge- | |
[pagina 68]
| |
sproken over de onverwachte verschijning van het Hollandse echtpaar in het afgelegen Aros Killee en zelfs was het aannemelijk, dat zij door haar vader was ingelicht over diens veronderstelling, dat de Reizigers met een bepaald doel door Willie Grant hier waren gebracht, namelijk om onopvallend een hernieuwd onderzoek in te stellen naar de dood van Angus en naar de schuilplaats van het verborgen vermogen. De omstandigheid, dat MacDonald op dit punt reeds kon zijn ingelicht, maar met geen woord had gerept over de vermoedelijke voorgeschiedenis van de moord, vormde een verwarrende factor, die zo vlug mogelijk diende te worden geëlimineerd, wilde Justus door de politie er niet voor worden aangezien een eigen spelletje te spelen. Zoals de oud-advocaat het geval beschouwde waren er twee redenen, die het aanbevelenswaardig maakten MacDonald op de hoogte te brengen van zijn gesprek met Macgoullie: hij zou zich daarmee bij voorbaat zuiveren van verdenking ook maar iets verborgen te houden, dat van betekenis zou kunnen zijn voor de opheldering van het misdrijf èn - het bloed kruipt nu eenmaal waar het niet gaan kan - hij zou mogelijk een gelegenheid krijgen te suggereren, dat hij van nut zou kunnen zijn voor de instructie, door het tegenover Douglas te doen voorkomen, alsof hij werkelijk op Aros Killee was gekomen om het onbegrijpelijke geval van Angus en zijn nalatenschap op te helderen. Blijkbaar was de politieman gereed met zijn aantekeningen. Hij sloot nadenkend het boekje en vroeg Justus met een gebaar toestemming zijn pijp op te steken. De Hollander knikte en vatte tegelijk de koe bij de horens. ‘Toen gisteren Douglas Macgoullie zich bij mij meldde om kennis te maken, verraste hij mij met de ongevraagde mede- | |
[pagina 69]
| |
deling, dat hij zich niet tevreden voelde over het resultaat van het destijds naar de dood van zijn meester ingestelde onderzoek. Zoals u misschien weet is Angus Grant op 23 maart tijdens een wandeling in het bos in de beek op de Revoan Pas te water geraakt en verdronken.’ De superintendent knikte met een niets zeggend gezicht, maar had geen kommentaar op het uitwerpen van de spiering. ‘Willie Grant had zich er toe bepaald mij te vertellen, dat zijn vader gestorven was, zonder enige aanduiding van de doodsoorzaak. Mijn beroep,’ ging Justus voort, ‘heeft mij in allerlei gevarieerde strafzaken betrokken. U zult begrijpen, dat de opmerking van Douglas mij als kriminalist interesseerde en dat ik de voor de hand liggende vraag stelde of Angus een vermogend man was geweest. Het resultaat was, dat de huisbewaarder, die zeker geen babbelachtige indruk op mij had gemaakt, mij allerlei vertrouwelijke mededelingen deed over de familie. Een kapitaal van betekenis in geld en geldswaardige papieren zou, ondanks ijverige nasporingen van de erfgenamen, onvindbaar zijn gebleken - - - De verhouding tussen de vader en de gestorven zoons zou veel te wensen hebben overgelaten...’ Weer wachtte Justus even om de superintendent gelegenheid te geven voor een teken van belangstelling, maar MacDonald bleef hem zwijgend opnemen. ‘De manier, waarop Douglas mijn aandacht probeerde te vestigen op de dingen, die hem raadselachtig voorkwamen, gaf mij de indruk, dat hij een bepaalde bedoeling had met zijn spontane openhartigheid tegenover een wildvreemde. Het was, alsof hij verwachtte, dat ik reeds ingelicht was en alsof hij mij te kennen wilde geven, dat ik op zijn medewerking kon rekenen, wanneer ik met het speciale doel naar Aros Killee | |
[pagina 70]
| |
was gekomen, om een hernieuw onderzoek in te stellen. Op dit punt stelde ik hem een vraag op de man af. “Waarom zou Willie Grant niet een speurder in de arm hebben genomen?” vroeg hij met een vreemd glimlachje. “Hij heeft er altijd aan getwijfeld of zijn broers niet betrokken waren bij het onbegrijpelijke ongeluk van zijn vader!”... Hij brak plotseling het gesprek af en ging naar huis, naar het mij voorkwam om mij de gelegenheid te geven zijn ontboezemingen te overdenken.’ Justus had meer aanmoediging verwacht van de politieman. Zijn enigszins teleurgestelde gebaar, toen hij zweeg, was duidelijk genoeg. MacDonald deed nog een paar bedachtzame trekken aan zijn pijp vóór hij vroeg: ‘Had de veronderstelling van Macgoullie enige grond? Bestond inderdaad bij u het voornemen u in die oude geschiedenis te mengen en is dit de verklaring voor uw verschijning in dit huis?’ ‘Zeer zeker niet! Tot op het ogenblik, waarop Willie Grant afscheid van ons nam, nadat we de huur beklonken hadden, wist ik niets over het bestaan van een mysterie, dat verband hield met de dood van Angus.’ ‘Hm... Waarom vond u het nodig mij in te lichten over de ten onrechte door Macgoullie veronderstelde bedoeling van uw komst op Aros Killee?’ ‘Maar dat ligt toch voor de hand!’ Binnen weinig uren na onze aankomst heeft er een moord in dit huis plaats gehad. Het slachtoffer is een van de zoons. U vertelde Douglas, dat hij in de kelder werd gedood. Maar dan moet er toch verband bestaan tussen de nachtelijke aanwezigheid van David Grant en de voorgeschiedenis, die Douglas mij meedeelde! In de ogen van de huisbewaarder zal het er uit zien, alsof mijn | |
[pagina 71]
| |
intrede in Aros Killee de oorzaak is van Davids heimelijke binnensluipen. Het misdrijf moet nieuw voedsel geven aan zijn onjuiste opvatting over mijn status. Het heeft weinig zin op dit punt veronderstellingen te gaan maken, maar ik acht het zeer wel mogelijk, dat Douglas òf mij zal verdenken met David in een zekere verstandhouding te hebben gestaan, die aanleiding was voor zijn bezoek in de nacht, òf op de gedachte zal komen, dat David hier binnendrong om maatregelen te treffen, die hem veilig zouden moeten stellen, wanneer ik het onderzoek ter hand zou nemen. Dat er een verband bestaat tussen mijn huren van dit huis en de moord, lijkt mij overigens niet te ver gezocht.’ ‘En nu wilt u, op uw beurt, zich veilig stellen voor het geval de politie soortgelijke gedachten als Macgoullie er op na zou houden?’ ‘In zekere zin: ja! Ik maak me niet bezorgd over de aard van de informaties, die de politie in Utrecht over mij kan inwinnen en evenmin ben ik bang voor volkomen ongegronde verdenking van de zijde van inspecteur Wood uit Aviemore. Maar dit betekent nog niet, dat ik onverschillig kan staan tegenover de samenloop van omstandigheden, die mij - louter door mijn aanwezigheid hier - min of meer betrekken in de gebeurtenissen. Mijn voormalige beroep en het feit, dat ik geen vreemdeling ben in de kriminologie, zouden gemakkelijk door de recherche als bezwarende aanwijzingen kunnen worden beschouwd.’ ‘Zegt u maar eerlijk, dat u niet gerust bent op de deskundigheid van de Schotse plattelands dienders en dat u rekening houdt met de mogelijkheid, dat onze mannetjes met de bekende insulaire eenzijdigheid zonder meer een bui- | |
[pagina 72]
| |
tenlander, die ze op de plaats van het misdrijf aantreffen, als de schuldige zullen beschouwen.’ ‘Ach nee,’ zei Justus. ‘Ik heb genoeg ervaring met strafrechters opgedaan om geen waarde te hechten aan het sprookje van de rechterlijke dwaling, waarmee in de fictie nog al eens wordt geschermd. Er zijn heel andere redenen voor mijn verlangen door de opsporingsambtenaren als een volkomen betrouwbaar man te worden beschouwd. Ten eerste de wens om ongestoord onze tien dagen op Aros Killee door te brengen. Mijn vrouw is wat vermoeid door de geforceerde autotocht in het merengebied en het was een ontzaggelijke meevaller voor ons in deze mooie streek onderdak te vinden in een geriefelijk huis met goede verzorging door Roslyn. Het zou mij oprecht spijten, wanneer de politie het nodig vond ons een verder verblijf hier te ontzeggen. Dat is punt één. In de tweede plaats, vraag ik me af of het onderzoek niet gebaat zou zijn, wanneer ik hier bleef en inofficieel er achter probeerde te komen, wat er in Douglas Macgoullie omgaat. Afgescheiden van het feit, dat hij David als de belager van zijn dochter beschouwde en haatte, schijnt hij reden te hebben de hotelhouder te verdenken van een aanslag op zijn vader. Zo lang hij meent, dat ik hier ben om ter plaatse het mysterie van het ongeval op de pas en de onvindbare schatten op te helderen, zal hij gewillig met zijn informaties voor de dag komen. Mogelijk is er langs die weg een korte doorsteek te vinden voor het ontdekken van de schuldige aan de moord. Ziehier, waarom ik graag misverstanden tussen de onderzoekende instanties en mij zou willen voorkomen.’ ‘Daar zit wat in,’ meende MacDonald niet onvriendelijk. ‘Ik zal inspecteur Wood dit gesprek overbrengen. Maar daar komt mevrouw Reiziger met het ontbijt. Ik denk, dat de | |
[pagina 73]
| |
brigade uit Aviemore niet lang op zich zal laten wachten en ben er dan ook vlak voor de inwendige mens te versterken, zo lang we daarvoor nog gelegenheid hebben.’ ‘Meent u, dat Macgoullie moeilijkheden zal krijgen met zijn nachtelijke strooptocht? Ik ben er zeker van, dat hij zich die verre wandeling alleen heeft getroost om de onverwacht op zijn dak gevallen huurders een passend zondagsmaal te kunnen voorzetten.’ ‘Ik acht het niet uitgesloten, dat Macgoullie zich tegenover de inspecteur zal hebben te verantwoorden voor een misdaad, die het strikken van een paar konijnen en een koppel fazanten in de schaduw zal stellen.’ Het was duidelijk, dat de superintendent, hoe hoffelijk hij zich ook tegenover Justus gedroeg, zich niet wilde laten verleiden tot vertrouwelijkheden, maar, waar het de maatregelen van de plaatselijke politie betrof, zich achter een koele gereserveerdheid verborgen hield. Hij had - afgescheiden van de summiere mededeling aan Macgoullie, dat de moord in de kelder was gepleegd - de uitslag van zijn voorlopige onderzoek verzwegen. De bewoners van Aros Killee was omtrent de veronderstelde toedracht van het misdrijf nog even wijs als vóór de komst van de superintendent. Zo verliep het vroege ontbijt in een enigszins gedrukte sfeer. Roslyn hield de ogen op haar bord gevestigd en antwoordde slechts met ja of neen, wanneer haar iets werd gevraagd. Justus overpeinsde hoe het straks zou gaan, wanneer de inspecteur met zijn brigade uit Aviemore was gearriveerd. Alleen Celestine scheen zich te hebben voorgenomen zich niet uit het veld te laten slaan door de gedwongenheid. Ze wist MacDonald telkens te betrekken in een gesprek over alles, wat ze in Schotland had gezien en bereikte althans, dat de gast uit Inverness zijn | |
[pagina 74]
| |
geslotenheid liet varen en zelfs van tijd tot tijd hartelijk moest lachen over haar grappige opmerkingen. Tegen zes uur spitste de superintendent, die reeds vaker zijn ongeduld had geuit over het nog niet verschijnen van de brigade uit Aviemore, met een glimlach van tevredenheid de oren. Met opgeheven hand vroeg hij de aandacht van de anderen voor een roffelend geluid, dat ver in de diepte op de berghelling klonk. ‘De motoren van de politie,’ zei hij tevreden. ‘Het eind van ons onproductieve wachten! Laten we met ons vieren naar het hek gaan en de inspecteur opvangen vóór hij binnenkomt en misschien onbewust de sporen van die rubberschoen vernielt.’ Blijkbaar achtte MacDonald het niet geraden zijn metgezellen uit het oog te verliezen. Gezamenlijk wandelden ze naar de woning van de huisbewaarder, waar Roslyn de sleutel van het hek haalde en de politieman zich er van overtuigde, dat Douglas Macgoullie werkelijk uitsliep na de vermoeienissen van de nacht. Het hoge hek werd geopend en het viertal begaf zich op het effen pad buiten. Het bos was nu vervuld van het lawaai der naderende motoren, die - zo goed en zo kwaad als het ging - langs de steile weg omhoog zwoegden. Het eerst verscheen een open jeep met een chauffeur in uniform. Een gezette man met een joviaal hoog rood gezicht zat naast de bestuurder op de voorbank en nauwelijks had hij het wachtende groepje in het oog gekregen of hij wuifde een opgewekte groet. Achter de jeep verschenen toen twee zware motoren met zijspan. ‘Hello, Don!’ riep de vrolijke leider van de brigade, terwijl hij zijn forse lichaam uit de nauwe zitplaats werkte. ‘Dàt had je niet gedacht, toen je hier kwam uitrusten van de vermoeienissen in Inverness! Een moordzaak vlak naast de deur. | |
[pagina 75]
| |
En nog wel op zondag!’ ‘Hello, Jamie!’ MacDonald was de inspecteur tegemoet gegaan. ‘Ik was zo dicht in de buurt, dat het een onvriendelijkheid zou hebben geleken, wanneer ik niet een kijkje was gaan nemen. Maar ik ben blij, dat jij er nu bent om aan de slag te gaan, want ik heb om tien uur een afspraak voor een partij golf, die ik niet graag zou mislopen. Laat ik je even voorstellen aan de tijdelijke bewoners van Aros Killee. Mr. and Mrs. Reiziger, Nederlandse toeristen... Dit is James Wood, de inspecteur van Aviemore. Dat hun aanwezigheid de inspecteur niet verraste bleek Justus uit de zonnige wijze, waarop Wood, zonder ook maar één nieuwsgierige vraag, Celestine en hem de hand schudde. Bij het in de nacht met Aviemore gevoerde telefoongesprek van uit het hotel, moest MacDonald zijn collega reeds hebben ingelicht. In dit feit zag de Hollander een bevestiging van zijn veronderstelling, dat Roslyn omstandig was uitgehoord. Reiziger wisselde enkele vriendelijkheden met de inspecteur en kwam tot de overtuiging, dat diens opbruisende vrolijkheid waarschijnlijk een geheel natuurlijke karaktereigenschap vormde, maar zeker niet wees op oppervlakkigheid. De staalblauwe ogen van Wood namen hem scherp en onderzoekend op en de stem, waarmee hij even later zijn manschappen opdrachten gaf, mocht dan amikaal en welwillend klinken, de instructies waren er niet minder zakelijk om. MacDonald wees Wood op de voetsporen bij de houten poort en onmiddelijk werd een van de zich op een afstand houdende rechercheurs belast met het verder onderzoek. ‘Ga vooral na, Munro, of je hier in het bos in de omgeving die indrukken kunt vinden. Hij is niet in rook vervlogen toen hij buiten het hek kwam!’ | |
[pagina 76]
| |
Intussen had Celestine tussen het zestal politiemannen een grote, kortharige bruine hond ontdekt. Het was het dier aan te zien, dat hij zich weinig op zijn gemak gevoelde na de schokkende rit over de oneffenheden van het bergtraject. Hij zat er zielig bij, met de lompe kop voorovergebogen naar de grond starend. De moederlijke Celestine, altijd bereid te troosten en op te beuren, ging er heen en gedroeg zich, zoals iedere hondenliefhebber dat op zulke ogenblikken doet. ‘Hij is een beetje zeeziek van de tocht, mevrouw,’ merkte een van de rechercheurs glimlachend op. ‘Nu zit hij er bij of hij geen tien kan tellen, maar straks, als hij aan het werk moet, zult u wat anders zien.’ Wood, die even terzijde met de superintendent had staan praten, kwam er nu ook bij. ‘Eén van de beste speurhonden in Schotland, mevrouw! Een soort bastaard bloedhond, die ons in dit terrein al heel wat goede diensten heeft bewezen.’ Hij richtte zich tot een van de wachtende mannen. ‘Er moet een twijfelachtig alibi worden onderzocht, Johnson. De huisbewaarder heeft verklaard omstreeks de tijd van het misdrijf in het bos van Rothiemurchus aan het stropen te zijn geweest. Een koppel fazanten en drie konijnen. Laat de man, Macgoullie heet hij, je precies uitduiden welke weg hij volgde en waar hij het wild neerlegde. De sporen zijn vers en de hond zal er niet veel moeite mee hebben. Hij zegt tegen halfvier vanmorgen te zijn thuisgekomen. Je begrijpt, waarom het mij te doen is: hoeveel tijd heeft hij minstens nodig gehad voor de ongeoorloofde schietpartij... Zo, mevrouw, ik hoop, dat ik u niet te veel overlast bezorg, maar het zal nuttig zijn, dat de rest van de mensen nu mee gaat naar het huis...’ ‘Ik heb er op gerekend,’ zei Celestine glimlachend, ‘dat het | |
[pagina 77]
| |
een drukke dag zou worden. De koffie is gezet en na die vroege rit zal de mannen een kop welkom zijn.’ Justus liep met MacDonald en Wood vooruit. ‘We begrijpen, dat het geen pretje voor u kan zijn, meneer Reiziger,’ begon de inspecteur met zijn trouwhartigste glimlach, ‘de eerste dag de beste van uw verblijf hier onder de voet te worden gelopen door een stel dienders. Maar wat wilt u! Het is een moordzaak en dat geeft altijd een hele rompslomp. U moet maar denken, dat wij het ook niet voor ons genoegen doen... Terwijl de super en ik het geval samen bespreken, zullen mijn rechercheurs het huis bekijken. Misschien wilt u met mevrouw zo lang een wandelingetje gaan maken. Langs de zuidwand van Loch Morlich loopt een weinig vermoeiend pad, vanwaar u een pracht uitzicht hebt over de omgeving. Het is nu halfzeven. Laten we afspreken, dat u tegen negen uur weer terug bent. Dan hebt u geen last van het geloop in uw huis. Het meisje Macgoullie houden wij hier voor het geven van inlichtingen. Uw vrouw was zo vriendelijk ons een kop koffie te beloven. Zodra we daarvan hebben genoten wijs ik u, hoe u het gemakkelijkst op het bospad kunt komen. Ik ken de omgeving hier als mijn zak, want ik zit al twintig jaar bij de politie in Aviemore...’ Zo bedekte Wood met een stroom van hartelijke woorden, het simpele feit, dat de Reizigers voor een paar uur uit hun huis werden gezet. Ze moesten er samen om lachen, toen ze een half uur later door een boslandschap stapten, waarvan de inspecteur zeker niet te hoog had opgegeven. ‘De hoofdzaak is,’ meende Justus hoopvol, ‘dat ze ons straks toestaan ongestoord hier te blijven. De dode zullen ze wel meenemen voor het coroners inquest in Aviemore, waar wij - althans ik - wel als getuige zullen moeten voorkomen. Voor | |
[pagina 78]
| |
het overige zullen ze ons wel met rust laten. Wat is het hier heerlijk fris, Celestine, en wat prachtig ligt het meer daar in de diepte. Kijk, de mensen in het hotel zitten al buiten op het terras en daarachter op de gloflinks zijn ze ook al bezig.’ Een bocht van de weg bracht hen in het morgenzonnetje, dat juist kwam uitkijken boven een van de ronde schouders van de donker begroeide bergen, die wacht hielden ter weerszijden van de Revoan Pas. Celestine boog zich over een lage plant, die een handvol blauwe bloemen omhoog hield. Justus kwam er bij staan, terwijl zijn vrouw ijverig plukte. Iets hoger tegen de helling stonden er nog veel meer. Zonder moeite bereikten ze de langs een miniatuur waterloop groeiende plantjes. Met behulp van zijn zakschaartje leverde Justus eveneens zijn bijdrage aan de groeiende voorraad in de arm van zijn vrouw en zo kwam het, dat hij plotseling in de drassige grond een gaaf exemplaar ontdekte van een afgedrukte rubberzool. Het patroon liet geen twijfel. De man, die zo ijlings kort na de moord Aros Killee had verlaten, was hier voorbijgekomen. De voetstappen verwijderden zich van het huis. Ze stonden samen even te overleggen of ze zouden terugkeren en inspecteur Wood in kennis stellen van de gevonden aanwijzing, dan wel verder het spoor zouden trachten te volgen en ze besloten dit laatste te doen omdat de door Wood gestelde verbanningstermijn nog lang niet verstreken was. Het werd een animerend spelletje, want al spoedig bleek, dat alleen op vochtige plaatsen herkenbare voetindrukken waren nagelaten en dat op steenachtige gedeelten van de helling voor ongeoefende ogen niets te ontdekken viel. Justus, altijd stelselmatig, wanneer hij een ernstige zaak onderhanden had, keerde terug naar de plaats waar ze het opvallend scherp afgetekende spoor hadden gevonden en stak in de onmiddel- | |
[pagina 79]
| |
lijke nabijheid een grote dode tak als een merkteken in de weke bodem. Nog niet tevreden haalde hij zijn fototoestel uit de tas en maakte van korte afstand met grote zorg twee opnamen van de voetstap. Nu hij reeds verderop hier en daar vage indrukken van de schoen had geconstateerd, kon hij een gissing maken van de richting, waarin de wandelaar moest zijn gegaan. Het echtpaar was zodoende in staat met inachtneming van de mogelijkheden van het terrein sneller de geisoleerde sporen te herkennen. Tussen een paar losse steenbrokken vonden ze de plaats, vanwaar de onbekende op het pad, dat ze aanvankelijk hadden gevolgd, was gesprongen, maar van dit punt af werd het vrijwel ondoenlijk op de harde, droge grond met zekerheid het zoolpatroon aan te wijzen. Ze bleven echter het pad verder volgen, dat op gelijkblijvende hoogte boven het meer bleef voortgaan. Bij een splitsing, waar naar rechts een steenachtig wegje omlaag voerde en links een steil pad, dat er weinig aanlokkelijk uitzag, naar omhoog in een donker bos leidde, keerden ze terug naar Aros Killee. Justus popelde van ongeduld om zijn ontdekking aan de politie te rapporteren, Celestine beladen met een vracht flauwkeurende bloemen. Ze waren juist op tijd thuis om afscheid te nemen van MacDonald, die op het terras een paar laatste woorden wisselde met de inspecteur, die nog niets van zijn luidruchtige vrolijkheid scheen te hebben verloren. Hij leidde de Reizigers naar de zitkamer, nadat de superintendent tussen de struiken op de steile helling achter de balustrade verdwenen was. ‘lk zie, dat u de tijd goed hebt besteed, mevrouw!’ lachte Wood met een gebaar naar de bloemenschat. ‘In de lente zoudt u nog eens wat anders zien! Dan komen er plantkundi- | |
[pagina 80]
| |
gen helemaal uit Cambridge en Oxford om hier te botaniseren.’ De zakelijke Justus maakte een eind aan de uitwijdingen over de flora van Glenmore. Hij vertelde de inspecteur alles van het gevonden spoor en bood aan onmiddellijk een van de rechercheurs naar de plaats te brengen, waar hij de tak in de grond had gestoken. ‘Helemaal niet nodig, waarde heer! Ik zal Munro hier laten komen en wanneer u hem duidelijk maakt, waar ongeveer u de signaalpaal hebt geplant is hij mans genoeg om de rest te doen. Mijn mensen zijn nog bezig op de bovenverdieping. Wat zoudt u er van zeggen, wanneer we een paar stoelen hier op het terras haalden en dan samen eens krijgsraad hielden?’ Justus wilde niets liever! Hij gaf Munro begrijpelijke aanwijzingen omtrent de plaats, waar hij de voetafdruk zou kunnen vinden, haalde het kistje goede Hollandse sigaren er bij en was bereid zijn volle aandacht te schenken aan alles, wat hij te horen zou krijgen over de misdaad. Met een grapje had Wood ook Celestine voor de conferentie uitgenodigd; het maakte de indruk, alsof hij haar liever niet uit het gezicht wilde laten gaan. Toen ze zich gemakkelijk in de ligstoelen hadden gevleid met het wijde panorama van de door de zon bestraalde vallei aan hun voeten, begon de inspecteur Reiziger diepgaand aan de tand te voelen over de Schotse vakantiereis en de reeds bezochte plaatsen. Voor de tweede maal die dag gaf Justus geduldig tekst en uitleg van zijn doen en laten, terwijl Wood begrijpend knikte, hier en daar een vraag stelde over bezochte bezienswaardigheden en in het algemeen geen haast scheen te hebben over te gaan naar het meer belangrijke agendapunt: de moord. Wel bracht hij het gesprek van de vorige dag tussen de Hollander en Willie Grant ter sprake en | |
[pagina 81]
| |
hij hield niet op, vóór hij een welhaast woordelijke weergave daarvan had gekregen. Ook de vertrouwelijke uitlatingen van MacGoullie passeerden de revue, benevens de gevoelens, die de ontboezemingen van de huisbewaarder bij Justus hadden opgewekt. De volgende etappe betrof Justus' ontwaken in het holst van de nacht en ook dit werd tot in alle kleinigheden zorgvuldig onder het mes genomen. Justus, een beetje moe na de gebeurtenissen van de afgelopen nacht en na de wandeling, liet de ondervraging geduldig over zich heen gaan, gaf omstandig, en vaak bij herhaling, zijn antwoorden en verloor gaandeweg de hoop nog iets te zullen vernemen over de feitelijke toedracht van de misdaad. Toen Wood, hoezeer hij zich inspande, werkelijk niets meer te vragen had, knikte hij zijn slachtoffer gemoedelijk toe. ‘Bravo,’ merkte hij met zijn brede lach op. ‘Kranig geantwoord en bovendien de politie bijgestaan in de uitoefening van haar taak met de aanwijzing van die voetstappen bij het hek en in het bos. Al die ijver heeft een beloning verdiend en nu is het mijn beurt om wat loslippiger te worden. Deze moord is, wat wij een inside job noemen, dat wil zeggen, David Grant werd neergeslagen door iemand, die hier de situatie precies kende. Dat limiteert de verdachten voor ons tot enkele mensen. Ik ben zelf indertijd belast geweest met het onderzoek naar de zonderlinge manier, waarop Grant senior daar boven op de pas aan zijn eind kwam en ik ben dus bekend met de familierelaties. Dat maakt het geval vrij eenvoudig voor me. David werd vermoord door een van zijn broers, door Macgoullie of door de lieftallige Roslyn. In de eerste plaats zullen dus de alibis deugdelijk moeten worden nagegaan. Iedere verdachte, die afvalt, vergroot de kansen, | |
[pagina 82]
| |
dat de overblijvenden het hebben gedaan. U ziet het, een beetje routinewerk en dan de arrestatie.’ Justus, overtuigd, dat de inspecteur tot in de kleinste details zijn plan de campagne zou gaan uiteenzetten, haalde even de goede sigaren en ging er op zijn gemak bij zitten om niets van de bijzonderheden te verliezen. Maar hij kwam bedrogen uit! De blijmoedige Wood aanvaardde de sigaar, besnuffelde die wantrouwig en stak haar eindelijk op. Maar zijn nauwkeurige beschrijving van de sporen en aanwijzingen, die het onderzoek had opgeleverd bleef uit. De oud-advokaat voelde, dat hij zelf de leiding in handen diende te nemen en deed dit met te meer zelfverzekerdheid, nu hij uit de houding van de inspecteur meende te mogen opmaken, dat hij zelf niet tot de verdachten behoorde. Hij nam zijn overbuurman nadenkend op en vroeg met de gedecideerdheid, die hem uit de rechtzaal was bijgebleven. ‘Hoe kwam het slachtoffer en zijn aanvaller binnen? Ik zelf heb gisteren voor ik naar bed ging alle sluitingen beneden goed nagezien en ik kreeg de indruk, dat alles prima in orde was.’ ‘Vreemden zouden de weg naar binnen ook niet geweten hebben. Maar David kende dit huis door en door. Hij wist, dat boven de plaats, waar de waterloop in de kelder wordt geleid, een houten luik zit, dat er bij oppervlakkige beschouwing uiterst soliede uitziet. Hij wist ook, dat hij zijn hand maar door een brede reet tussen sponning en luik had te wringen, om de grendel te kunnen losmaken. Langs die weg is hij binnen gekomen, dat heeft het onderzoek uitgewezen. Nu de andere. U zag de sleutel van de achterdeur aan de haak op de deurpost hangen, nietwaar? Maar u wist niet, dat de Macgoullies een eigen sleutel hebben en dat Roslyn daarmee | |
[pagina 83]
| |
de deur van de bijkeuken afsloot, toen ze naar huis ging en die toen meenam. De sleutel, die u hebt gezien, is in geen maanden gebruikt. Er zit een laagje roest op, dat door geen krasje beschadigd is. Nu zal het u duidelijk zijn hoe slachtoffer en moordenaar zich toegang hebben verschaft. ‘Maar dan kwam David hier met een oneerlijke bedoeling! Waarom zou hij mij niet openlijk hebben bezocht, wanneer hij hier in huis iets te doen had? Het feit, dat hij als een dief in de nacht binnendrong wijst op een motief, waarmee hij niet voor de dag wilde komen.’ ‘Tja... die conclusie van u lijkt redelijk. Maar stel u voor, dat David niet op de hoogte was van de verhuur van Aros Killee. Dan zou hij niemand in het huis hebben verwacht en de tijd, waarop hij kwam, zou voor hem geen rol hebben gespeeld. Zijn hotel zit tjokvol met gasten en overdag heeft hij geen tijd voor uitstapjes. Best mogelijk, dat hij eens wilde kijken of alles in orde was en daarvoor een tijd koos, waarop men hem daar beneden kon missen. En waarom zou hij niet in dit huis binnengaan? Het is voor een derde zijn eigendom! Neen, in de komst van David kan ik niets illegaals zien!’ ‘Hoe wist de moordenaar, dat hij hem hier in de kelder zou kunnen vinden?’ ‘Ja, daar vraagt u me iets! Nu moet u eens luisteren. Uw vrouw meende gisteren, toen ze in de badkamer was, voetstappen van een man op de bovenverdieping te horen. Dat was nà het vertrek van Willie Grant. Wie zegt u, dat Willie niet is teruggekomen en zich, met een eigen bedoeling, hier ergens in huis heeft verscholen. De Grants hebben nog altijd hoop, dat die fameuze schat van hun vader ergens verstopt zit. Best mogelijk, dat Willie, nu hij toch eenmaal hier boven was, van de gelegenheid gebruik heeft willen maken om nog | |
[pagina 84]
| |
eens op onderzoek uit te gaan. Zonder u en uw vrouw te willen storen. Dan is het natuurlijk te veronderstellen, dat de komst van David hem verraste, dat ze ruzie hebben gekregen en dat hij in een ogenblik van opwinding de ander een tik gaf.’ ‘Maar ik heb het hele huis na het diner doorzocht! Waar zou hij zich dan verscholen hebben?’ ‘In een oud huis als dit zijn zoveel schuilhoekjes, dat men dagen nodig zou hebben om ze allemaal te ontdekken. Willie wist hier de weg en u niet! Wood streek bedachtzaam met de vinger langs de neus. Maar ik geloof niet, dat Willie het heeft gedaan.’ Justus was er nu wel achter, dat de inspecteur, hoe spraakzaam ook wanneer hij een getuige onder het mes had, zelf pas iets losliet, als het er met kracht werd uitgetrokken. ‘Waarom bent u geneigd in Willie's onschuld te geloven?’ ‘Van de drie broers is hij de rustigste. Zeker niet iemand, die z'n kop zou kwijtraken bij een ruzie. Ik heb bij dat vorige onderzoek nogal wat met hem te maken gehad. Maar er is nog iets anders... Kijk, hij woont in Inverness, nietwaar. Volgens uw verklaring vertrok Willie om zestien uur vijftien te voet van hier. Hij is niet naar het hotel gegaan; daarnaar heeft MacDonald geïnformeerd. Dan was Aviemore zijn vermoedelijke bestemming. Een wandeling van ongeveer zes mijl. Voor iemand, die de weg kent een kwestie van nog geen twee uur. Dan kan hij de achttien uur twintig van Aviemore naar Inverness op zijn sloffen hebben gehaald. Een bewijsbaar alibi, want zaterdags is er geen trein meer terug uit Inverness.’ ‘Tenzij hij met een auto terug zou komen.’ ‘Die moet hij ergens hebben gelaten, want de enige auto- | |
[pagina 85]
| |
sporen, die wij op het pad naar boven hebben gevonden, waren afkomstig van uw wagen. In een stad kan je een wagen wel ergens onopvallend onder dak brengen, maar niet in een kleine plaats als Aviemore.’ ‘Goed. U meent dus, dat Willie ten eerste niet de man is om een moord te plegen en ten tweede, dat hij zou begrijpen onder verdenking te komen, wanneer hij niet met de achttien uur twintig uit Aviemore was vertrokken. Maar volgens zijn eigen woorden, was het zijn plan op de terugweg bij David langs te lopen en daar een gelegenheid te vinden om tijdig voor de trein in Aviemore te komen. Dat plan moet hij hebben veranderd... òf men heeft de superintendent in het hotel verkeerd ingelicht.’ ‘Het zal allemaal wel worden opgehelderd, zodra ik bericht heb van de politie in Inverness. Ze nemen daar contact met Willie op en wij kunnen zijn verklaringen gemakkelijk controleren. Apropos, herinnert u zich of hij schoenen met rubberzolen droeg?’ ‘Ik weet pertinent, dat hij laarzen met leren zolen aan had.’ ‘Een punt in zijn voordeel! Maar er is nòg iets, dat Willie tot een zwakke verdachte maakt. Ik ben benieuwd of uw speurzin u zegt waarom dit zo is.’ Kijk, die laatste opmerking was nu precies, waar Justus op aangestuurd had. Hier zat hij, een vreemdeling nog wel, gezellig met een deskundige te bomen over een moordzaak en er werd een beroep gedaan op zijn scherpzinnigheid door de politie zelf! Het kwam zijn eer te na het antwoord schuldig te moeten blijven en hij leunde dus, rustig nadenkend, met gesloten ogen achterover in de gemakkelijke stoel de toppen der vingers tegen elkaar gedrukt, in volle concentratie. Hij nam er de tijd voor, want hij voelde, dat Wood bereidwilliger | |
[pagina 86]
| |
zou zijn met inlichtingen, wanneer hij in de buitenlander een waarnemer vermoedde, die er mocht wezen. Nog altijd leefde Justus in de hoop, dat hij als medewerker in het onderzoek zou worden betrokken. Hij liet de gebeurtenissen van de nacht nogmaals voor zijn geestesoog passeren en sloeg zich plotseling met de vlakke hand op de knie. ‘De gesloten achterdeur, nadat de moordenaar gevlucht was!’ riep hij geanimeerd. ‘Hoe beredeneert u dat?’ vroeg de inspecteur, blijkbaar onder de indruk van deze verrassende conclusie. ‘Ik vond de deur van de bijkeuken gesloten, toen ik uit mijn slaap was opgeschrikt! Willie had geen sleutel, want hij droeg Roslyn op, toen wij kwamen, de sleutel van het huis te brengen.’ ‘En Roslyn heeft hem haar sleutel niet afgestaan! Die heb ik hier in mijn zak. Maar wat u daar aanvoerde was niet het argument, dat ik bedoelde.’ ‘Is er bezwaar tegen mij te vertellen wat dat dan wèl was?’ ‘Welnee! De moord gebeurde in de kelder. De sporen zijn duidelijk. Maar de dader droeg het lijk naar de eetkamer. Ik vermoed, dat hij het ergens in het bos heeft willen verbergen. Maar hij mocht in huis geen aanwijzingen achterlaten. Dus legde hij de dode even in de eetkamer neer, tot hij klaar zou zijn met het redderen van de boel in de kelder. Maar in de eetkamer zag hij iets, dat hem aan het schrikken maakte. De tafel was gedekt voor het ontbijt. Op het buffet stonden twee gebruikte glazen op een blaadje en over de stoel, die recht tegenover de deur staat, lag een gekleurde sjaal van mevrouw achteloos neergeworpen. De dader, die tot op dat ogenblik geen anderen in het huis vermoedde, kwam tot de ontdekking, dat er mensen moesten zijn. Zodra hij zich daarvan | |
[pagina 87]
| |
overtuigd had is hij er vandoor gegaan uit vrees verrast te zullen worden. Misschien luisterde hij aan uw slaapkamerdeur, terwijl u wakker werd en met uw vrouw sprak. Wanneer mijn redenering juist is, kan Willie niet de moordenaar zijn geweest, want die had u zelf naar Aros Killee gebracht.’ Wood zweeg even en ging toen verder. ‘Wanneer ik gelijk heb kunt u hierin een nieuw bewijs zien voor het plegen van de daad door een insider. Een willekeurige inbreker zou het lijk in de kelder hebben laten liggen en geen enkel belang er bij hebben gehad het verband tussen de moord en het huis te verdoezelen.’ ‘Als Willie het niet heeft gedaan, blijven dus alleen de broer in Aberdeen en Macgoullie over...’ ‘En Roslyn! Inderdaad. En ik geef de huisbewaarder de beste kans. In Aberdeen zijn ze bezig uit te zoeken of Andrew Grant de schuldige kan zijn. In de loop van de dag zal de politie daar mij wel bericht sturen. Maar de Macgoullies waren hier op de plaats aanwezig. Een belangrijk punt. Bovendien steekt Douglas zijn haat voor David niet onder stoelen en banken. Bij het verhoor, dat ik Roslyn heb afgenomen, is me wel gebleken, dat de flirtation tussen David en het meisje niet zo onschuldig is als de vader wil doen voorkomen. We hebben in Aviemore wel meer klachten gehad over onbehoorlijk gedrag van David tegenover zijn vrouwelijk personeel en we weten dus wel, wat voor vlees we in de kuip hebben. Al maandenlang draait David hier 's nachts rond onder het raam van Roslyns kamertje. Hem kennende geloof ik niet, dat hij zich zo veel moeite zou geven, wanneer hij geen succes zou hebben. Dat Douglas met de gedachte rond liep David een flinke afstraffing te geven ontkent hij niet. Waarom zou hij die twee niet hebben verrast. David kan er | |
[pagina 88]
| |
van door zijn gegaan en zich in het huis hebben willen verstoppen tot Douglas het zoeken opgaf. Maar Douglas had de sleutel en kan hebben vermoed, waar de verleider van zijn kind zich veilig zou wanen. Dat hij onmiddellijk na het plegen van de daad zo vlug mogelijk naar zijn stroopterrein in het bos van Rothiemurchus is gegaan, om zich een alibi te verschaffen ligt voor de hand.’ Wood, niet gewend sigaren te roken, bekeek de gedoofde stomp tussen zijn vingers onwelwillend en mikte het geval over de balustrade tussen de struiken. ‘Kunt u mij er een goed idee van geven, hoeveel tijd er verliep tussen het moment, waarop u die achterdeur hoorde dichtslaan en dat, waarop u de zich weghaastende voetstappen hoorde?’ ‘Ja,’ zei Justus bedachtzaam. ‘Hoogstens twee seconden. Waarom?’ ‘Omdat ik uit die snelle manipulatie van de sleutel kan afleiden, dat degeen, die er van door ging, gewend was met dat slot om te gaan. U moet het zelf maar eens proberen de sleutel, zelfs wanneer die goed in het slot steekt, zonder moeilijkheden om te draaien. U zult u in het zweet werken vóór het u gelukt!’ Het bleef even stil. ‘Hangende het verder onderzoek begin ik maar vast Macgoullie met de jeep mee naar Aviemore te nemen.’ ‘Wat!? Hebt u dan het corpus delicti gevonden?’ ‘O ja. In de kelder. De bijl, die volgens de Macgoullies altijd aan een spijker in de houtschuur hangt. De schuurdeur was niet gesloten. Roslyn had daar het hout gehaald om het badwater heet te maken. Ik heb u al een paar keer aangetoond, dat het een inside job was. Alleen een goede bekende zou weten, waar hij dat wapen kon vinden.’ ‘Zijn er duidelijke vingerafdrukken op de steel?’ | |
[pagina 89]
| |
‘Afgeveegd met een doek, die over een van de inmaakpotten in de kelder hing.’ ‘Acht u de Macgoullies tot een dergelijke geraffineerde handeling in staat in de verwarrende geestestoestand onmiddellijk na de daad?’ ‘Waarom niet? Sedert ze je doodgooien met misdaadverhalen, weet de eenvoudigste boerenjongen wat hem te doen staat.’ ‘Bezit Macgoullie schoenen met rubberzolen van het gevonden patroon?’ ‘Daar hebt u me te pakken! Neen. Bovendien zijn z'n voeten te groot voor de maat.’ ‘Is het dan niet wat voorbarig hem alvast maar in voorarrest te nemen?’ ‘Ik kan wel horen, dat u advocaat bent geweest! Maar we moeten wel eens onze toevlucht nemen tot paardemiddelen. Ik heb hoop, dat Roslyn met een ander verhaal voor de dag zal komen, wanneer ze haar vader gevangen ziet wegvoeren.’ ‘Het meisje was in haar nachtgoed, toen ik op de deur van hun woning trommelde. Ze zag er niet verhit uit, alsof ze juist thuis was gekomen van een moordkarwei. Integendeel, ze gedroeg zich normaal, zoals iemand zou doen, die juist gewekt wordt en niet weet wat er aan de hand is. Toen ik haar met het lijk confronteerde, was haar schrik volkomen natuurlijk en spontaan. Op dit punt heb ik wel enige ervaring opgedaan, meneer Wood!’ ‘Goed, goed... Maar de Macgoullies zijn de voor de hand liggende verdachten. Waar of niet?’ ‘Dat hangt er van af. Wanneer u de moord ziet als een afstraffing door een vader, die de eer van zijn kind wil bewaken: ja. Maar wanneer we verder in het verleden moeten | |
[pagina 90]
| |
teruggrijpen, tot die andere onverklaarde geschiedenis, waarbij Angus om het leven kwam, dan moet u een beter motief voor de Macgoullies bedenken. Ik vind het altijd een bewijs van zwakte, wanneer de politie maar lukraak iemand in de kraag grijpt, in de hoop, dat het verdere onderzoek wel bewijzen zal leveren. En er is nog iets! Maandenlang heeft men hier tevergeefs gezocht naar het verdwenen vermogen van Angus. Dit feit is dunkt me voldoende bekend in de kleine gemeenschap van Aviemore. Waarom zou een buitenstaander niet op eigen houtje in dit huis dringen om ongestoord mee te doen aan de schatgraverij? Maar ik acht het ook redelijk, wanneer de erfgenamen de hoop nog niet hebben opgegeven de schat te ontdekken en iedere kans aangrijpen, om op onderzoek uit te gaan. Stel, dat er vannacht een ontmoeting heeft plaats gehad tussen David en een andere goudzoeker. Beiden onkundig van de aanwezigheid van huurders op Aros Killee. Dan zou de man met de rubberzolen niet een “insider” zijn in de gewone betekenis van het woord, maar iemand, die door zijn herhaalde bezoeken voldoende bekend was met de plaatselijke omstandigheden. Hij kan geweten hebben dat Douglas nogal eens 's nachts ging stropen en hem dus niet zou storen. Hij kan bij vroegere verkenningstochten de plaats hebben ontdekt, waar hij een bijl kon vinden.’ ‘En hij liep met een sleutel van de achterdeur in zijn zak, waarvan geen sterveling het bestaan vermoedde! Roslyn heeft me bezworen, dat er maar twee zijn: de hare en die aan de deurpost.’ ‘Wanneer hij bij een vroegere gelegenheid dit huis bezocht, kan hij een wasafdruk van de sleutel hebben gemaakt en die hebben nagesneden!’ ‘Dat is het beroerde, wanneer je met een advocaat te doen | |
[pagina 91]
| |
krijgt,’ zuchtte Wood met een meewarige blik naar Celestine. ‘Ze hebben voor ieder argument tien tegenwerpingen bij de hand... U wilt, dat ik Douglas voorlopig laat lopen?’ ‘Natuurlijk! Is de man al terug, die zou nagaan of hij in het bos van Rothiemurchus is geweest?’ ‘Nog niet. En het is de vraag of hij definitief nieuws zal thuisbrengen, wanneer hij komt.’ ‘Een reden te meer om voorzichtig te zijn met overijlde arrestaties! Bovendien...’ Justus monsterde zijn tegenstander met peinzende blik. ‘Voelt u er niet voor een poging te wagen om achter de waarheid van dat ongeluk in maart te komen? Ik heb de indruk, dat Douglas vermoedens koestert en ook, dat hij, met een beetje hulp van mijn kant, niet ongenegen zal zijn daarmee voor de dag te komen. Welk bezwaar zou er tegen bestaan hem nog wat méér aanleiding te geven tot vertrouwelijkheid met een vreemdeling, zoals ik, die boven de partijen staat? Zeg hem, dat hij aan mijn voorspraak te danken heeft, dat hij niet wordt meegenomen naar Aviemore. Dan krijg ik hem wel aan het praten.... En misschien lossen we met een beetje geluk het raadsel van de verdwenen schat nog op!’ Wood, die blijkbaar voor zijn doen reeds te lang ernstig was geweest, wierp het hoofd achterover en schoot in een schaterlach. ‘Ik geloof,’ zei hij, zich met enige moeite beheersend, ‘dat wanneer u als advocaat in Inverness gevestigd was, geen jury zou durven volhouden, dat iemand schuldig kon zijn, die door u werd verdedigd. Maar goed. Eerlijk gezegd wilde ik me ervan overtuigen, hoe u stond tegenover de verdachte. Weet u, wat ik zal doen? Ik laat een rechercheur hier. Mèt Bruce, de speurhond, die uw vrouw daarstraks aanhaalde. | |
[pagina 92]
| |
Zou Macgoullie er tussen uitknijpen, dan wordt dat vlug genoeg ontdekt en tegen de hond heeft hij geen schijn van kans. Verder is de super in de onmiddellijke nabijheid en die komt nog wel eens kijken hierboven of alles in orde is. Ik heb het onderzoek van Angus' dood gesloten, maar wanneer u overtuigend de aanwijzingen levert van hokuspokus, wil ik die zaak heropenen. Mooier kan het toch niet, wat? En wanneer u er dan bovendien nog in slaagt de erfenis van de Grants op tafel te toveren, kunt u er zeker van zijn, dat u de kosten van deze vakantiereis er ruim uithaalt!’ De inspecteur zweeg plotseling en spitste de oren. ‘Daar komt een auto tegen de helling op,’ zei hij, de hand waarschuwend omhoog heffend. De Reizigers hoorden het nu ook. Het hoge zoemende geluid van een op de eerste versnelling naar boven zwoegende wagen drong met afwisselende sterkte tot het terras door. ‘Die is voor hier bestemd,’ dacht Wood hardop. ‘En ze hebben haast ook. Niemand, die voor z'n plezier een tochtje maakt zou het risico nemen zijn motor compleet te ruïneren op die beroerde weg.’ Hij sprong op uit zijn stoel. ‘Blijft u beiden hier. Ik ga de bezoekers ontvangen bij de poort.’ Het duurde zó lang vóór Wood zich weer bij hen voegde, nu met de uit de vallei naar boven gekomene, dat Justus een paar maal tot de mening overhelde, dat de inspecteur uit Aviemore was teruggekeerd. Zodra hij in de man, die met een ernstig gezicht naast Wood het terras opkwam, Willie Grant herkende, werd hem duidelijk, dat deze reeds aan een lang verhoor en aan confrontatie met de vermoorde moest zijn onderworpen. De makelaar zag er moe en ontsteld uit en Celestine kwam ogenblikkelijk in de weer om hem met spijs en drank weer op zijn verhaal te brengen. ‘De heren kennen elkaar,’ begon de rechercheur. ‘Meneer | |
[pagina 93]
| |
Grant heeft tot tevredenheid van mijn collega in Inverness kunnen aantonen, dat hij gisterenavond met de trein van achttien uur twintig naar huis is teruggekeerd en vannacht in zijn eigen bed heeft geslapen. Begrijpelijk, dat hij zonder een ogenblik te verliezen in zijn auto is geklommen om hier zelf poolshoogte te nemen. Intussen is ook de man teruggekomen die het spoor van Macgoullie in het bos heeft gevolgd met de hond. Hij heeft inderdaad een plaats gevonden, waar vannacht een konijn werd neergeschoten, maar voor het overige blijft het alibi van de huisbewaarder toch onbevredigend, omdat we niet weten hoe laat de moord plaats had en rekening moeten houden met een medeplichtige, die rubberzolen droeg. Het spoor, dat u op het pad boven het meer ontdekte, kon worden gevolgd tot een steenhelling waarlangs men steil recht toe recht aan omlaag gaat en ergens tussen Aviemore en Kincraig op de grote weg uitkomt. Mijn rechercheur heeft die helling afgezocht maar op de harde, kale ondergrond geen afdrukken meer kunnen vinden. Het onderzoek wordt natuurlijk in het dal voortgezet, maar hier boven hebben we het voorlopig wel bekeken. Ik zal een van mijn sergeants op Aros Killee moeten laten, meneer Grant. Hij zal op een veldbed slapen in de bijkeuken van Macgoullie.’ ‘Goed, goed...’ De makelaar maakte een afwerend gebaar, alsof hij geen belang stelde in de maatregelen van de politie. ‘Ik vind alles best! Hij wendde zich naar zijn huurders en voegde er aan toe: ‘Het spijt me, meer dan ik zeggen kan, dat dit afschuwelijke voorval een eind moet maken aan uw verblijf hier. Het was me gisteren een oprecht genoegen een paar vreemdelingen de kleine dienst te kunnen bewijzen, door dit huis ter uwer beschikking te stellen, maar ik begrijp volkomen, | |
[pagina 94]
| |
dat u onder de gegeven omstandigheden ons contract wenst te verbreken...’ Justus, die eindelijk de gelegenheid kreeg van zijn kant ook iets in te brengen, maakte deze ten nutte om in welgekozen woorden duidelijk te maken, dat - hoezeer hij en zijn vrouw door het gebaar van die nacht geschokt waren - dit nog niet betekende, dat dit een tegenzin bij hen had gewekt tegen de belofte van comfort, die Aros Killee bood. Nu inspecteur Wood er geen bezwaar tegen maakte wanneer de Reizigers het huis bleven gebruiken. ‘We zouden het betreuren,’ eindigde hij, ‘reeds zo spoedig afscheid te moeten nemen van een omgeving, waarmee we vanmorgen op een wandeling door het bos kennis hebben gemaakt, en waarvan we de schoonheid buitengewoon waarderen.’ Hij hield zich of hij de uitdrukking van verbazing op het gezicht van Grant niet zag, nam afscheid van de nu van vrolijkheid en vriendelijkheid overbruisende Wood, die zijn laatste maatregelen ging nemen vóór zijn terugkeer naar Aviemore en nodigde zijn huisheer uit te blijven lunchen. Toen het gebrom van motoren verkondigde, dat de rust in het boshuis voorlopig was weergekeerd, verzocht Justus zijn vrouw Roslyn instructies te willen geven voor het bereiden van de lunch. Celestine, lang genoeg met haar aktieve echtgenoot gehuwd om te doorzien, dat hij met Willie Grant alleen wilde zijn, glimlachte begrijpend en ging naar binnen. ‘Ik zag,’ begon Reiziger, toen de twee mannen alleen waren, ‘dat u mijn verklaring hier te willen blijven bevreemdde. Het zou in de rede hebben gelegen, dat twee oudere mensen na het ontstellende voorval zo spoedig mogelijk ergens anders een onderdak hadden gezocht. Maar, afgescheiden van de aan- | |
[pagina 95]
| |
trekkelijkheid der omgeving, is er nog een andere reden, die tot mijn besluit Aros Killee nog niet te verlaten heeft bijgedragen. Het is u bekend, dat ik een groot deel van mijn leven nauw betrokken ben geweest bij de studie van misdrijven. De daardoor gevormde gewoonte om in verwarrende omstandigheden de waarheid te willen ontdekken, schudt men niet van zich af, wanneer men als advokaat in strafzaken afscheid heeft genomen van zijn beroep. U zult begrijpen, meneer Grant, dat de drie, vooralsnog onopgehelderde gebeurtenissen, die aan dit huis verbonden zijn, in hoge mate mijn belangstelling hebben geprikkeld. Uw vader kwam op een voor Macgoullie onbegrijpelijke wijze aan zijn einde. Als gevolg van zijn plotselinge dood kon hij geen orde op zijn zaken stellen en een groot vermogen, dat hij goed verborgen schijnt te hebben, is onnaspeurbaar gebleken. En thans is uw familie opnieuw getroffen door een ernstig verlies, dat - gezien het feit, dat uw broer werd gedood in de kelder van dit huis - zonder de redelijkheid geweld aan te doen in verband kan worden gebracht met het zoeken naar de onvindbare schat. U zult mij niet ten kwade duiden, dat het door die drie voorvallen opgeworpen probleem mij er toe prikkelt te beproeven hierin klaarheid te brengen. Ten genoege van de politie hebt u aangetoond niet de hand te hebben gehad in de moord. Ik mag dus aannemen, dat ook u niets liever wilt dan deze te zien opgehelderd en derhalve bereid bent uw medewerking te geven bij mijn pogen een bevredigende verklaring te vinden. Is deze laatste veronderstelling juist, dan zou ik u willen verzoeken mij in vertrouwen te nemen en mij enige punten toe te lichten, waarover Macgoullie - hoezeer een vertrouwde van uw vader - mij niets kan vertellen.’ Justus, tevreden over de heldere wijze, waarop hij in een | |
[pagina 96]
| |
vreemde taal zijn standpunt had uiteengezet, beschouwde zijn metgezel met een welwillende blik. Willie Grant leunde diep in gedachten in zijn stoel achterover en hield de ogen op het verre uitzicht over de vallei gevestigd. Blijkbaar wikte en woog hij de bedoeling van zijn huurder. Toen hij bedachtzaam begon te spreken besteedde hij evenwel zorg als de Hollander aan de duidelijkheid van zijn uiteenzetting. ‘Toen ik nog geen vierentwintig uur geleden bij toeval kennis maakte met u en uw vrouw, bood ik u het gebruik van dit huis aan, omdat ik geen moeite had in u beiden een paar betrouwbare, verstandige mensen te herkennen. Zeker zou ik niet willekeurige vreemden mijn aanbod hebben gedaan. En even zeker zou ik met geen woord over Aros Killee hebben gerept, wanneer ik ook maar enig vermoeden er van zou hebben gehad, dat hier iets zou kunnen voorvallen, dat uw rustig verblijf zou verstoren. Ik hoop, dat u dit van mij zult willen aannemen. Toen ik afscheid van u nam, meende ik een voor beide partijen aantrekkelijke zaak te hebben beklonken en ik verwachtte niet anders, dan dat ik u na afloop van uw verblijf nog eenmaal in Inverness zou ontmoeten en dat wederzijds een prettige herinnering aan onze transactie zou blijven bestaan. Dat is de reden, waarom ik u geen bijzonderheden vertelde over vaders dood en ook de schat van het boshuis, zoals ze hier in de buurt onze onvindbare erfenis noemen. niet ter sprake bracht. Uit wat u zegt, blijkt mij, dat Macgoullie u inlichtte. Wel, meneer Reiziger, het gebeurde van vannacht heeft de zaak voor mij in een nieuw stadium gebracht. Het vreemde ongeval van vader werd destijds door inspecteur Wood onderzocht. Ik wil niets te zijner nadele zeggen. Hij is een opgewekt mens, altijd vriendelijk en beleefd, en volgens de mensen in Aviemore een goed en geduldig | |
[pagina 97]
| |
speurder, maar ik heb geen grote indruk gekregen van zijn bekwaamheid in het oplossen van een vreemd geval als het onverklaarbare sterven van mijn vader in het gebergte, waarvan hij iedere verrassing kende. Bij de lijkschouwing bleek, dat vader door verdrinking - en door niets anders - om het leven was gekomen. Tot op heden acht ik deze uitspraak strijdig met de werkelijkheid, tenzij iemand vader opzettelijk in de beek heeft geworpen. Wood heeft een schuldige niet kunnen ontdekken. Ik kan hierin niet anders zien dan een bewijs van zijn onvermogen. Ik wil niet ontkennen, dat mijn aandeel in vaders vermogen mij welkom zou zijn, maar ik verklaar u plechtig, dat deze zijde van de zaak voor mij niet de belangrijkste is. Het gevoel, dat vader werd vermoord en dat zijn moordenaar vrij rondloopt, is mij nog iedere dag een bron van verdriet. Ik weet, dat het verkeerd is zo lang wrok te koesteren, maar ik stam nu eenmaal uit een geslacht, waar bloedwraak tot de heilige plicht werd gerekend. Ik wil niet zo ver gaan, dat ik persoonlijk met de dader zou willen afrekenen, maar wel is het mij veel waard hem langs de wettelijke weg gestraft en aan de galg te zien. Daarom grijp ik uw goede wil om uw ervaring in criminele zaken dienstbaar te maken aan het geheim van vaders dood met beide handen aan. Al zoudt u niets anders oplossen dan dat ene geheim, dan zou ik u mijn leven lang dankbaar zijn. Justus knikte. Het lot had weer eens een vraagstuk naar zijn hart op zijn weg geplaatst en hij popelde van verlangen zijn tanden er in te zetten. ‘Uw vader stierf op 23 maart,’ zei hij zakelijk. ‘Dat was op een vrijdag. U bent ongetwijfeld op de hoogte van de uitslag van het onderzoek door de recherche. Weet u, of er een ver- | |
[pagina 98]
| |
denking in een bepaalde richting is gerezen, zonder dat er afdoend juridisch bewijs kon worden gevonden?’ Grant maakte een weifelend gebaar met beide handen. ‘Natuurlijk vroeg Wood zich af, wie er belang kon hebben bij vaders dood en het lag voor de hand, dat wij als erfgenamen en Macgoullie als legataris bevoordeelden waren. Ikzelf bezocht op 23 maart met een paar gegadigden een perceel in Beauly, dat de eigenaar mij voor verkoop in handen had gegeven. Dat ontsloeg mij van verdenking op die dag in deze omgeving te zijn geweest. David was volgens zijn eigen verklaring en volgens het getuigenis van zijn huisgenoten de hele dag bezig met het in orde brengen van zijn golflinks. Zijn alibi was niet zo overtuigend als het mijne, want hij was alleen op een afgelegen deel van het terrein. Omdat het een uitzonderlijk mooie dag beloofde te worden, was hij al om vóór zessen 's morgens van huis gegaan, met een lunchpakket in zijn zak en om vijf uur kwam hij terug. Wood stelde zich op het redelijke standpunt, dat het verrichten van de werkzaamheden niet als een gezochte uitvlucht kon worden gezien en dat het feit, dat niemand kon verklaren David op dat afgelegen stuk grond te hebben waargenomen, een onaangename bijkomstigheid was. Overigens was er geen enkele aanwijzing, dat David in de buurt van Aros Killee of van de Revoan Pas geweest zou zijn. Macgoullie had met de oude Stephen Moody een paar bomen gekapt en het hout met een slee uit het bos gebracht. Menselijkerwijs gesproken is het zéker, dat ze de hele morgen aan de oever van de Allt Mor, een beek, die in Loch Morlich uitmondt, samen aan het werk waren. Mijn broer Andrew uit Aberdeen was op een zakenreis naar Dundee en Edinburgh met zijn auto. Op de 23ste maart stond zijn wagen in een garage in Montrose voor een | |
[pagina 99]
| |
reparatie. Hij gebruikte de tijd, die voor het herstel nodig was, om per trein naar Pitlochrie en Blair Atholl te gaan. Vast staat, dat hij daar geweest is. U ziet, dat er voor Wood, die niets tegen ons vieren kon inbrengen, weinig anders overschoot, dan een ongeluk als het meest voor de hand liggende te beschouwen. Vader kwam niet met mensen in aanraking en dat hij een doodsvijand zou hebben gehad, die op de hoogte kon zijn van zijn wandeling naar de pas en die hem daar had opgewacht en aangevallen, was absurd. Verder nog dit. Andrew kon aantonen, dat hij zeker niet zat te springen om contanten of krediet; zijn zaken gingen uitstekend en hij zat zelfs met een groot bedrag in zijn maag, waarvoor hij geen belegging kon vinden. Met David lag de zaak anders. Door het slechte weer in het vorige jaar waren er weinig mensen in het hotel geweest en hij zit hier op hoge kosten, omdat hij zijn personeel uit Inverness en Glasgow moet aantrekken... èn de kost geven! Vader had mij een paar maal verteld, dat David hem om geldelijke steun had gevraagd, maar de oude heer weigerde dit, omdat het hotel, dat hij van hier kon zien, hem een doorn in het oog was. Hij heeft er zich altijd tegen verzet, dat er vreemdelingen op korte afstand van Aros Killee kwamen, die door de bossen dwaalden, het wild opjoegen en zelfs hem kwamen storen in zijn rust. Dat is de reden, waarom ik - misschien ten onrechte - David wel eens heb verdacht van de moord op vader.’ ‘Hm... Gisteren zei u terloops, dat u op de terugweg naar het hotel zou gaan en dat u daar wel vervoer naar Aviemore zou kunnen krijgen. Waarom gaf u geen gevolg aan dat voornemen?’ ‘Het was prachtig weer en een vrije zaterdagmiddag. Op de wandeling van hier besloot ik te voet naar Aviemore te | |
[pagina 100]
| |
gaan. Ik ben een goede wandelaar en zie niet op tegen de zes mijl langs korte doorsteken, die voor kenners van het bos bestaan. Om halfzes was ik in Aviemore en ik heb er zelfs nog twee zakenrelaties kunnen bezoeken vóór mijn trein vertrok.’ ‘U merkte daarstraks op, dat de bloedwraak een erfstuk in uw familie is. Hebt u dezelfde gevoelens ten aanzien van Davids moordenaar als met betrekking tot de man, die naar u meent uw vader heeft gedood?’ Willie Grant staarde met een strak gezicht enige tijd voor zich uit. Toen hij antwoordde moest hij moeite doen zijn stem kalm en bezadigd te houden. ‘Vader was een eigenzinnig, gesloten man, maar hij was een goed en eerlijk mens. Hard, maar strikt rechtvaardig. David had een heel ander karakter. Hij was niet bepaald slecht. Zwak is misschien het juiste woord. Hij heeft zijn vrouw heel wat zorg gegeven met allerlei amourettes; wanneer de zaken goed gingen verdween hij soms dagen achtereen naar Glasgow of Kingussie en kwam dan weer thuis zonder een penny op zak. Hij was onbetrouwbaar. Men zal u genoeg informaties over hem kunnen geven, die dit kunnen bevestigen, maar u behoeft, dunkt me, niet ver te zoeken naar een bewijs voor zijn achterbaksheid. Wat deed hij midden in de nacht hier in huis? Wanneer u het niet kunt gissen wil ik het u wel zeggen. Hij maakte gebruik van de nabijheid van zijn hotel om buiten Andrew en mij om, naar vaders geld te zoeken! Had hij de bergplaats gevonden, dan geloof ik niet, dat hij ons daarvan iets zou hebben verteld. Het valt me moeilijk van mijn eigen broer, die zo ellendig is neergeslagen, dit te moeten zeggen. Maar ik wil u geen inlichtingen onthouden, die u op het spoor zouden kunnen brengen van de vreemde gebeurtenissen.’ | |
[pagina 101]
| |
‘Wat is uw eigen oordeel over het vermogen in contanten en effekten, dat uw vader zou hebben nagelaten? Bent u van mening, dat hij dit opzettelijk heeft verstopt, of acht u het mogelijk, dat het door hem bij een vertrouwd persoon, een bank of een notaris werd gedeponeerd, om een eerlijke verdeling over de erfgenamen te bevorderen?’ ‘Ik zei u al, dat vader een eigenzinnig en een gesloten man was. Hij heeft altijd hard gewerkt om zijn bezit te vergroten en - zonder nu weer een vrek te zijn - hing hij heel erg aan zijn eigendom. Dat hij er niet tegen opzag geld uit te geven, kan u blijken uit het feit, dat hij dit huis liet bouwen en Douglas met vrouw en kind feitelijk geheel onderhield. Toen Mary Macgoullie stierf bekostigde hij een behoorlijke begrafenis op het kerkhof in Aviemore. En hij heeft Douglas ruim bedacht in zijn testament. Zijn karakter bracht mee, dat hij niemand in vertrouwen nam over de grootte van zijn vermogen. Daarom is het begrijpelijk, dat hij dit zelf, hier in huis bewaarde en het niet aan anderen wilde toevertrouwen. Ik ben er dan ook van overtuigd, dat werkelijk een aanzienlijke som in baar geld en effekten ergens in Aros Killee op ons ligt te wachten. Ook vermoed ik, dat hij reeds bij de bouw de bergplaats er van heeft laten vervaardigen. De muren zijn dik en er zijn allerlei mogelijkheden voor geheime vakjes of kastjes. Met een architekt hebben we de tekeningen bestudeerd en iedere plaats, die in aanmerking kwam voor nauwkeuriger onderzoek, is door ons bekeken. Tot zelfs in de fundering toe zijn we bezig geweest.’ Grant schudde moedeloos het hoofd. ‘Maar vader was, waar het dergelijke zaken betrof, een sluw man, meneer Reiziger. Misschien hebben wij, door in muren en tussen vloeren te zoeken, juist de verkeerde weg gevolgd. Hij was een liefhebber van kryptogrammen en raad- | |
[pagina 102]
| |
sels. In de grote kast van de zitkamer zult u stapels boeken vinden met uitgewerkte puzzles. Ik heb me wel eens afgevraagd of vader tòch niet een aanwijzing heeft achtergelaten van de bergplaats, maar zo handig overdekt met onnodige woorden, dat alleen een zeer scherpzinnig zoeker de ware betekenis kan uitpluizen! ‘Hebt u met dat doel zijn paperassen nagezocht?’ ‘Dat spreekt vanzelf. Met Andrew heb ik hier dagen lang elk stukje papier, waarop ook maar een woord geschreven was, gelezen en hèrlezen. En daarbij keerden onze verwachtingen zich bij herhaling naar een album, waarin vader losse gedachten neerschreef, die hem wel eens invielen. We hebben er op zitten turen tot ons de letters voor ogen schemerden en niets gevonden, dat ook maar enige aanwijzing gaf van wat we zochten.’ ‘Zijn die papieren nog hier in huis?’ ‘Alles ligt in vaders schrijftafel en wanneer u er lust in hebt zelf te kijken, of u gelukkiger is dan wij, wil ik u graag de sleutels geven. Voor zover u zuiver persoonlijke aantekeningen zult vinden, over moeder en over ons, kinderen, vertrouw ik, dat die niet verder komen dan u en uw vrouw. Laat ik u dit nog er bij vertellen. Hier en daar zult u een notitie ontmoeten over de aankoop van een stuk meubilair. Alle voorwerpen, die met name genoemd zijn, hebben we uit elkaar genomen en doorzocht. Ook spreekt hij nogal eens over de schouw boven de open haard in de eetkamer. Die hebben we eveneens gedemonteerd. Zonder succes.’ ‘Wat is uw indruk van Macgoullie en Roslyn?’ ‘Betrouwbare mensen! Gesloten en vasthoudend, zoals alle Hooglanders. In vader zagen ze “de laird”, het laatste hoofd van clan Grant. Ik geloof, dat Douglas, om het romantisch uit | |
[pagina 103]
| |
te drukken, zijn leven zou hebben gegeven voor vader. Van de broers ben ik de enige, met wie hij wat vertrouwelijker is, hoewel zijn voorkeur eigenlijk naar David als oudste zoon zou hebben moeten uitgaan. Maar hij wantrouwde David, omdat hij in hem iemand zag, die vader probeerde geld te ontfutselen voor onoirbare doeleinden. Sterker nog, hij haatte hem, omdat hij werk maakte van Roslyn. Misschien zelfs wel met kans van slagen, want het meisje komt zelden of nooit met mannen in aanraking en is tenslotte een jong ding, dat ook wel eens naar een verzetje verlangt. Vooral na vaders dood heb ik me wel eens ongerust gemaakt over de mogelijkheid, dat het tussen David en Douglas tot een uitbarsting zou komen...’ ‘Meent u, dat hij betrokken is bij de moord?’ ‘Ik wil het niet geloven. Douglas is een oersterke kerel en hij zou, wanneer het tot een gevecht kwam, geen wapen gebruiken. Hij zou David een pak slaag hebben gegeven, dat hem zou heugen. En daar eerlijk voor uit komen ook! Neen, als hij zegt het niet te hebben gedaan, ben ik bereid dit zonder reserve voor waarheid aan te nemen.’ ‘Roslyn zou de bijl kunnen hebben gehanteerd, waarmee David werd neergeslagen!’ ‘Wood vertelde mij, dat ze sliep toen u bij hen om hulp aanklopte vannacht en dat uw indruk is, dat zij de schrik bij de herkenning van David niet huichelde. De Macgoullies zijn erg ongekompliceerde mensen! Als Roslyn uit zelfverdediging een man weerhield haar aan te randen, zou ze dat openlijk toegeven. En gezien de slechte naam van David in de omtrek, zou geen jury haar schuldig achten.’ ‘Acht u het, gezien de verhouding, die tussen uw vader en Douglas bestond, aannemelijk, dat hij bekend is met de berg- | |
[pagina 104]
| |
plaats van het geld, maar dit heeft verzwegen, omdat hij u en uw broers de erfenis niet gunde?’ ‘U hebt mijn vader niet gekend, meneer Reiziger! Die zou zijn eigen vrouw, van wie hij toch zielsveel hield, een dergelijk geheim niet hebben toevertrouwd. Wel acht ik het mogelijk, dat Douglas - wanneer hij iets vermoedt - zijn mond zou houden. Al was het alleen maar om David dwars te zitten. Hoewel... We mogen niet vergeten, dat hij zelf legataris is en dat de wens om in het bezit van het geld te komen, een onoverkomelijk tegenwicht zou vormen voor zijn zwijgzaamheid.’ De twee mannen bleven nog wat doorpraten tot Celestine hen kwam uitnodigen aan tafel te gaan. Roslyn nam geen deel aan het maal, omdat zij voor haar vader en de onverwachte gasten moest zorgen: sergeant Ross en de hond Bruce. Onmiddellijk na de lunch, waarbij zelfs de goede gaven van gastvrouw, die Celestine bezat, de conversatie niet kon doen vlotten, nam Willie Grant afscheid. ‘Tenzij er onverwachte redenen voor zouden ontstaan kom ik hier niet meer terug, meneer Reiziger. We zien elkaar over een paar dagen in Aviemore, wanneer de coroner zitting houdt, want u en mevrouw zullen zeker worden opgeroepen. Ik hoop van harte, dat u er in slaagt iets van belang te ontdekken, hoewel ik eerlijk moet bekennen, daarvan geen grote verwachting te hebben.’ In ieder geval zal ik mijn best doen! Mag ik u nu nog een kleine dienst vragen? Ik heb vanmorgen de laatste opnamen van een film gebruikt en ben gisteren in de drukte vergeten in Inverness nieuwe in te slaan. Wilt u de belichte film voor mij laten ontwikkelen en afdrukken en tegelijk twee nieuwe | |
[pagina 105]
| |
voor mij kopen? Ik krijg alles dan wel bij onze ontmoeting in Aviemore.’ ‘Met genoegen! En nogmaals: succes met uw opsporingen!’ Evenals de vorige dag verscheen Douglas kort na het vertrek van Grant op het terras. Beheerst en beleefd naderde hij het echtpaar en meldde zich met een lichte buiging. ‘Ik kom u bedanken, meneer Reiziger, voor de moeite, die u zich hebt gegeven een onrechtvaardige arrestatie te voorkomen. Het heeft mij getroffen, dat u dit voor een volslagen onbekende hebt gedaan. De inspecteur heeft mij verzekerd, dat hij er toe besloten was mij mee te nemen, maar dat u voor mij in de bres bent gesprongen.’ ‘De inspecteur had geen been om op te staan, Macgoullie, en dat wist hij zelf ook wel. Ik heb niet meer gedaan, dan ieder rechtskundige onder dezelfde omstandigheden zou doen. Maar ik deed het in volle overtuiging van je onschuld. Haal een stoel van binnen en kom er even bij zitten.’ Met een strak, uitdrukkingsloos gezicht voldeed de Schot aan de opdracht. ‘Gisteren liet je doorschemeren, dat ik met een bepaalde bedoeling op Aros Killee ben gekomen, Macgoullie, en ik antwoordde naar waarheid, dat dit niet zo was. Maar de omstandigheden zijn veranderd en daarstraks heb ik meneer Grant de toezegging gedaan, dat ik zal trachten de drie problemen, die zich hier hebben afgespeeld, tot een oplossing te brengen. Derhalve zal ik mij in de komende dagen gaan bezighouden met de dood van je oude meester, met de bergplaats van het geld en met de moord op David. Hoewel ik mij zeker niet als een deskundige in dergelijke zaken wil opwerpen, heb ik langjarige ervaring opgedaan als verdediger van allerlei misdadigers en ik meen dus althans enig begrip te | |
[pagina 106]
| |
hebben van de methode, die moet worden toegepast. Dat jouw medewerking de kans van slagen zal vergroten, behoef ik nauwelijks te zeggen.’ Douglas knikte zonder de uitdrukking van zijn effen gezicht te veranderen. ‘Ik heb u gisteren gezegd, dat ik bereid ben al uw vragen om inlichtingen te beantwoorden, meneer. Ten eerste, omdat ik de moordenaar van mijn oude meester wil zien hangen, ten tweede, omdat ik geldelijk belang heb bij het vinden van de erfenis en ten derde, omdat ik graag van elke verdenking van de moord op David gezuiverd wil zijn.’ ‘Goed. Laten we dan de punten in volgorde nemen. Eerst het ongeval van Angus Grant op de pas. Ik heb gehoord, dat je zelf op 23 maart in het bos werkte met een oude man. Vanmorgen hebben mijn vrouw en ik een wandeling gemaakt langs de weg boven het meer. Het viel mij op, hoe je ieder geluid kunt horen. Op een bepaald moment hoorden we zelfs de stemmen van mensen in de diepte bij het hotel, die elkaar iets toeriepen. Was de plaats, waar je op die ongeluksdag werkte zó, dat je een wandelaar op de weg naar de pas zou hebben kunnen horen of zien?’ ‘Neen, meneer. Misschien wel, wanneer we daar ingespannen hadden staan luisteren. Maar we waren bezig met zagen. Daar heb je al je aandacht bij nodig. En iemand, die met kwade bedoelingen naar boven wil gaan en dus niet wil opvallen, hoort al op een afstand, dat er in de buurt mensen aan het werk zijn. Die zorgt er dus wel voor onder dekking te blijven.’ ‘Natuurlijk. Laten we nu even op de laatste woorden van je terug komen. Je opmerking impliceert, dat je kwade bedoelingen veronderstelt bij een wandelaar naar boven. Maar | |
[pagina 107]
| |
dan moet die wandelaar geweten hebben, dat Angus Grant alleen in de buurt van de pas te vinden zou zijn, nietwaar? Acht je dat logisch? Wist iemand, dat uitgerekend op die 23ste maart de oude heer een lange wandeling in het bos zou gaan maken?’ ‘Op woensdag, de 21ste is David bij zijn vader geweest. Hij had palen nodig om een schutting te herstellen, die van de winter was omgewaaid. Ze kwamen bij mij in de schuur, waar ik bezig was, om er over te praten. Toen de zaak besproken was bleven ze nog even in de open deur staan, omdat er juist een zware regenbui over trok. Mijn meester zei: “De eerste dag de beste, wanneer de zon schijnt, ga ik naar Boglechynach om een nieuwe waakhond te kopen.” Boglechynach ligt over de pas, een mijl of vier naar beneden en Saunder MacDonald fokt een bijzonder goed ras van terriers. Ik weet niet of Angus Grant van plan was er de 23ste op af te gaan, maar vast staat, dat het de eerste dag was, waarop de zon scheen na dat gesprek.’ ‘Heb je dat ook aan de politie verklaard?’ ‘Ja, meneer. Inspecteur Wood zag er niets bijzonders in. Bovendien had David een soort van alibi.’ ‘Hm... Hoeveel tijd zou David hebben nodig gehad om de weg af te leggen van de golflinks, waar hij werkte, tot de pas en terug?’ ‘Dat heeft de inspecteur precies nagegaan, meneer. Ongeveer twee uur erheen en een half uur terug. Misschien iets langer omdat het pad hier en daar glibberig was door de sneeuw.’ ‘Passeren hier in de winter en het vroege voorjaar nogal eens mensen, die over de pas gaan?’ ‘Na november is het boven dichtgesneeuwd, meneer. Zelfs | |
[pagina 108]
| |
de jachtopzieners mijden de pas. Het duurt wel tot begin april voor er iemand komt om te zien hoe het wild daar in de omgeving de winter is door gekomen. Zelfs in het toeristenseizoen, als de weg vrij is, hebben we hier weinig verkeer. Mensen, die een verre tocht willen maken, kiezen Lairig Ghru en Glen Dee. Dat is de streek, waar ik vannacht ben geweest.’ ‘En heeft de politie niemand kunnen opsporen, die op 23 maart in de omtrek van de Revoan Pas is geweest?’ ‘Niemand, meneer. Ze zijn er weken mee bezig geweest...’ ‘Je hebt me gisteren uitgelegd, waarom je twijfelde aan een ongeval. Angus Grant was vertrouwd met het bos en zou niet in de beek zijn verdwaald. Maar hij was een man op leeftijd. Hij kan over een losse steen zijn gestruikeld, zijn uitgegleden, zich te dicht aan de waterkant hebben gewaagd. Tenslotte berust de gedachte aan moord alleen op de waardering van Angus als bergbeklimmer en woudloper.’ ‘Ik heb hem naar beneden helpen dragen, meneer. Zijn schedel was aan de achterkant op verschillende plaatsen stukgeslagen en zijn gezicht was onherkenbaar, maar dat waren ook de enige ernstige verwondingen. Toen de dokter hem onderzocht heb ik gezien, dat zijn lichaam verder gaaf was op een paar gebroken vingers aan de rechterhand na. Waarom had hij alleen hoofdwonden? De rest van hem zal toch ook wel hard tegen de stenen in de beek zijn geslagen! En waarom waren die twee voorste vingers van de rechterhand ontveld en gebroken? Het zag er uit, alsof hij een onverwachte slag met een zwaar voorwerp had afgeweerd. Er zijn in het voorjaar wel meer lui in de woelige beken gevallen, maar die zagen er anders uit! Overal kneuzingen, eerlijk verdeeld over alle delen van het lichaam. Mijn meester zat met de schouders beklemd tussen twee stukken rots, met het hoofd onder water. | |
[pagina 109]
| |
Maar zelfs die schouders waren niet gebroken of gekneusd. Het had er veel van of hij daar voorzichtig was in geschoven om het water te laten voltooien, wat de moordenaar begonnen was.’ ‘Bij de lijkschouwing werd vastgesteld, dat de dood door verdrinking was veroorzaakt en door niets anders. Klopt deze mening van een vakman wel met jouw veronderstelling?’ ‘Ik kan geen verschil zien, meneer. Ik houd het er voor, dat de moordenaar Angus Grant bewusteloos heeft geslagen en daarna onder water geduwd. Die voorstelling van zaken tast de uitspraak van de dokter niet aan. De aard van de verwondingen werd wel in het post mortem omschreven, maar niemand wilde aan mijn verklaring van het geval. Tenminste niet, nadat het onderzoek naar een mogelijke dader niets had opgeleverd.’ ‘Vertel me eens, Macgoullie... De manier, waarop je je uitdrukt, is niet wat ik van een eenvoudig huisbewaarder diep in het bos zou verwachten. Hoe kom je eigenlijk op de hoogte van een term als post mortem?’ ‘Ik ben in de eerste wereldoorlog bij de militaire politie geweest, meneer. Onder anderen in Egypte en Arabië. Ik heb dus wel wat van de wereld gezien. Bovendien was ik, vóór ik bij de laird in dienst kwam, jachtopziener, dus half en half van de politie hier. Zodoende heb ik geen moeite met uitdrukkingen, die een misdrijf betreffen.’ ‘Had Angus Grant vijanden, voor zover je weet?’ ‘Neen, meneer. Ik zal niet zeggen, dat de mensen hem graag mochten, want hij was een eenkennig mens, die zich met niemand bemoeide na de dood van zijn vrouw. Ik heb hem altijd een goede meester gevonden en ik weet, dat hij zijn | |
[pagina 110]
| |
leveranciers stipt betaalde en hard, maar rechtvaardig oordeelde.’ ‘Is het uitgesloten, dat hij op de pas een landloper ontmoette, die bij voorbeeld ruw heeft geweigerd iets te geven?’ ‘Uitgesloten, meneer. Het volk zou die landloper hier in de buurt hebben gezien en dan had de politie er van gehoord. Bovendien moet ik de landloper nog tegenkomen, die bij het smelten van de sneeuw over de Revoan wandelt.’ ‘Heb je dan enige grond voor de verdenking van een bepaald persoon, die schuldig is aan de dood van je meester?’ ‘Ja, meneer! De man, die daarstraks door de politie is weggedragen. Hij had de gelegenheid, ondanks alle getuigenverklaring over zijn alibi. Hij had een motief, want hij was in maart praktisch failliet. En hij had het karakter om een oude man half dood te slaan en dan onder water te duwen. Er was niemand anders in de omgeving, die het gedaan kan hebben.’ ‘Het ellendige is, Macgoullie, dat dit alleen maar vermoedens zijn en dat elk bewijs in juridische zin ontbreekt. De recherche heeft David toch ook niet als verdacht beschouwd na het onderzoek.’ ‘Acht u het geen bewijs, meneer, dat hij op precies dezelfde manier vermoord werd als zijn vader? Toont dit niet, dat de moordenaar tot dezelfde mening moet zijn gekomen als ik?’ ‘Neen, in die conclusie kan ik je niet volgen... Verklaar dat eens nader.’ ‘Hij werd in dit huis, in de kelder vermoord. De dader moet bekend zijn geweest met de manier om binnen te komen, òf hij kwam met David samen. In beide gevallen was de moordenaar dus iemand, die in een of andere verhouding stond tot de Grants en op de hoogte moet zijn geweest van de | |
[pagina 111]
| |
manier, waarop Angus Grant de dood vond. Er moet een motief zijn geweest voor het neerslaan van David in dit huis. Ligt het niet voor de hand, dat de reden lag in het feit, dat David hier in het holst van de nacht op zoek was naar de schatten van zijn vader? En dat de moordenaar hem daarbij betrapte? En hem strafte voor dat verraad aan de andere erfgenamen op dezelfde wijze, als David zijn vader had uit de weg geruimd? Sergeant Ross heeft mij verteld, dat het lijk in de eetkamer werd gevonden. Waarom nam de moordenaar de moeite hem weg te slepen van de plaats van het misdrijf? Omdat hij David, precies als diens slachtoffer tussen de stenen van onze beek wilde klemmen om te laten zien, dat de wraak was voltrokken. Die opzet is mislukt, omdat u wakker werd...’ ‘Ik zou je in je eigen belang willen raden, Macgoullie, deze lezing niet in het bijzijn van de recherche te geven. Zou je dat doen, dan kon het wel gebeuren, dat inspecteur Wood niet langer aarzelde om je te arresteren en te beschuldigen.’ ‘Dat is zijn zaak, meneer. Ik heb David niet neergeslagen en dus kunnen zij mij er niet voor straffen. Afgescheiden daarvan zie ik niet in, waarom ik u niet zonder terughouding zou zeggen, wat ik denk.’ ‘Ik geef Douglas groot gelijk,’ zei Celestine met een glimlach. ‘Tenslotte ben jij de advokaat, Justus!’ ‘Zou je dan ook misschien de moordenaar van David een naam kunnen geven, Macgoullie?’ ‘Misschien, meneer. Maar ik hoop, dat u mij zult toestaan daarmee te wachten tot de politie het onderzoek naar de voetsporen, waarmee ze bezig zijn, zal hebben beëindigd.’ ‘Heb je er enig idee van, Macgoullie, waar Angus Grant de schat van Aros Killee kan hebben verborgen?’ | |
[pagina 112]
| |
‘Die moet in het huis zijn, meneer. Wanneer mijn meester de bewaarplaats ergens buiten zou hebben gemaakt, zouden Roslyn en ik er wel iets van hebben bemerkt. En die schat is er nòg! Ondanks al het breken en graven van de Grants. Waarom zou anders David vannacht hier als een dief naar binnen zijn geslopen.’ ‘Ik neem aan, dat je je meester goed kende. Ook zijn eigenaardigheden. Hoe zou iemand als hij was, iets verborgen hebben, waarvan hij het vinden niet onmogelijk wilde maken voor zijn kinderen? Zou het in zijn aard hebben gelegen ergens een aanwijzing achter te laten, die - zonder nu dadelijk al te zeer op te vallen - bruikbaar zou zijn voor een normaal intelligent mens?’ ‘Van dat laatste ben ik zeker, meneer. Hij mocht dan al op het standpunt staan, dat zijn zoons maar voor zichzelf dienden te zorgen, hij zou nooit gewild hebben, dat het geld, waaraan hij zo gehecht was, in handen viel van vreemden. En dat zou beslist gebeuren, want geen van de Grants zou er over denken hier, diep in het bos, te gaan wonen. Angus Grant kon voorzien, dat het huis zou worden verkocht na zijn dood. Neen, hij zou bepaald iets hebben gedaan om te voorkomen, dat zijn kapitaal cadeau werd gegeven aan de koper.’ ‘Hij was een liefhebber van puzzelen. Lijkt het je aannemelijk, dat hij in vorm van een raadsel, een geheimschrift, de plaats waar zijn vermogen ligt, heeft aangegeven?’ ‘Het zou wel iets voor hem zijn, meneer. Vaak liet hij mijn dochter of mij kruiswoordpuzzles zien en sommetjes, waarin je woorden door getallen moest vervangen. 's Winters was hij er hele dagen mee bezig. In een van de kasten staan wel vijftig dozen met legkaarten. Op die gedachte van u zijn trouwens meneer Willie en meneer Andrew ook al gekomen. Ze hebben | |
[pagina 113]
| |
hier een dag of vier gelogeerd, alleen al om alle papieren in de schrijftafel uit te zoeken en na te pluizen. Maar het ziet er niet naar uit dat ze iets gevonden hebben.’ ‘En als ik dit allemaal zo hoor, Justus,’ zei Celestine in de korte stilte, die mr. Reiziger nodig had om de mededelingen van Macgoullie te rangschikken en te verwerken, ‘dan heb jij even weinig kans.’ ‘Of iets meer. Het is nu eenmaal zo dat mensen, die het meest zijn geïnteresseerd in een zaak en alle medespelenden persoonlijk kennen, juist daardoor in hun ijver kleinigheden over het hoofd zien die beslissend zijn.’ ‘Ik wist al dat je koppig was, Justus.’ Als om te tonen dat zij zich min of meer met deze nieuwe activiteit van haar man - waaraan in dit stadium nu toch niets meer te veranderen viel - had verzoend schoof Celestine haar stoel meer naar de zon en ze ging met gesloten ogen zitten. Op deze manier was ze zo volkomen het beeld van geresigneerde rust dat Justus erom glimlachte. Celestine was kennelijk vastbesloten om te genieten van haar vakantie en, al liet ze het niet blijken, in sommige dingen kon ze precies zo koppig zijn als hij. Douglas Macgoullie had het hoofd afgewend en staarde naar het zon overgoten landschap. Even draaide hij zich om toen hij in de tuin geritsel hoorde en ook Justus zag de man, die ongetwijfeld sergeant Ross was, vergezeld door de politiehond Bruce. ‘Ze zijn kennelijk niet van plan me lang alleen te laten.’ ‘Daarvoor zijn ze hier ook achtergebleven.’ Douglas Macgoullie draaide zich om en liep van het terras af, terug naar zijn huis. Halverwege ontmoette hij zijn dochter en hij bleef even staan om met haar enkele woorden te wisselen. Aan het geluid in het huis hoorden de Reizigers | |
[pagina 114]
| |
even later dat Roslyn bezig was de lunchtafel af te ruimen. Sergeant Ross was weer verdwenen. Peinzend bleef Justus naast zijn vrouw zitten en voor het eerst sinds de schokkende gebeurtenissen van die nacht leek alles rustig, zoals het behoorde tijdens een vakantie. Ook in het hotel van de gestorven David Grant leek de lunch te zijn afgelopen, want de meeste tafeltjes daar beneden bij Loch Morlich waren leeg en de gasten hadden zich verspreid. De vredige geluiden van rammelend vaatwerk waren de enige die klonken in de diepe stilte en opnieuw zuchtte Celestine behaaglijk. Zonder de ogen open te doen zei ze: ‘Is dit niet eindelijk de vakantie die we zo gezocht hebben, Justus?’ ‘Volkomen, lieve.’ Zijn vrouw opende een oog, wantrouwig om het lachje dat in zijn stem had geklonken. ‘Ja, voor jou ook. Je behoeft je voor mij niet in te tomen, Justus. Ik heb de zon en de rust en jij je puzzle, al zou ik niet precies weten wat je er nu aan doen moet.’ ‘Puzzelen,’ zei mr. Reiziger met een glimlach. Hij stond op en liep het huis in. Roslyn was nu bezig in de keuken en de zitkamer was koel en vol van een lichte schemer, doordat het meisje blijkbaar de gordijnen had dichtgeschoven voor de zon. De voorname, oude meubels glansden, de tijdens de wandeling van die ochtend geplukte bloemen stonden hier en daar verspreid in aarden vazen en dit alles maakte de atmosfeer van deze zomermiddag bijna transparant. Voorzichtig stak Justus Reiziger een sigaar op, voor hij zich boog naar het ouderwetse bureau dat tegen een van de muren geschoven stond. De sleutels, die Willie Grant hem zo bereidwillig had afgestaan, haalde hij uit de zak van zijn colbertjasje | |
[pagina 115]
| |
en de grootste daarvan paste op het slot, dat het bovengedeelte van de oude schrijftafel ontsloot. Justus schoof een stoel bij en ging zitten. Nadat hij het bovenste gedeelte had teruggerold zat hij tegenover de hoge opstand met vele laatjes, waarvan er weer enkele afgesloten waren. Voor ieder van de laatjes was een apart sleuteltje en het kostte enige moeite voor hij ze allemaal open had. De inhoud van de meeste toonde datgene wat een man in een lang leven verzamelt: doorrookte pijpen, waarvan er sommige prachtig van vorm waren, enkele stenen van een merkwaardige kleur, waarschijnlijk gevonden tijdens een van de vele wandelingen, die de oude Angus Grant had gemaakt in de omringende bergen, bruinige foto's op dik papier, waarop mensen stonden in starre houdingen. Voor zover Justus kon zien waren er slechts enkele foto's bij van de zoons van Grant senior en de aanwezige foto's waren allemaal uit hun kinderjaren, waaruit hij de conclusie trok dat sindsdien de familieband inderdaad slapper was geworden. De papieren die hij hier en daar vond maakten hem niet veel wijzer. Ze betroffen het huis en de daarbij behorende grond en ook voor de drie zonen hadden ze niets bijzonders ontsloten. Met deskundige ogen bekeek Justus de diverse koopcontrakten, die waren opgesteld in een oude, Engelse juridische stijl en voor zover zijn ervaring reikte, na al deze jaren in de advokatuur, waren dit niet meer dan koopcontrakten. Toch legde hij ze opzij voor een nader onderzoek. In een van de benedenladen vond hij het album, waarop door Willie Grant gezinspeeld was. Het was een vrij zwaar, in leer gebonden boek en vol verwachting sloeg Justus de eerste pagina op. In een recht, fors handschrift stond er: ‘Nu mijn derde zoon David is geboren in deze nieuwe tak van het ge- | |
[pagina 116]
| |
slacht Grant zullen wij sterk blijven temidden van de sterkte der omringende bergen’. Peinzend las Justus deze eerste trotse zin over, enkele malen. Hier sprak een nog jonge man in de kracht van zijn leven, voor wie de tradities van de Schotse Hooglanden meer waren dan lege vormen. Een man dus, die zijn zoons in die tradities zou hebben opgevoed en die hun iets zou hebben meegegeven van de eeuwige strijd der clans, van hun gevoel van eer en hun eeuwenoude wijze van leven. Mogelijk was het een van de redenen tot verbittering geweest voor de ouder wordende man, dat hij zo weinig van deze trotse eigenschappen terug vond in zijn zoons: in David, de hoteleigenaar, in Willie, de makelaar en in Andrew, de fabrikant. Gezeten in deze kamer temidden van alles wat behoorde tot een nobel verleden, kwam Justus weer dat woord in gedachten, uitgesproken door de norse Douglas Macgoullie: bloedwraak. Ook dat behoorde tot de tradities, maar de koele hersens van de Hollandse advokaat hadden het woord afgeweerd. Het had nog nooit een rol gespeeld in de vele processen, die hij had meegemaakt en eerst had hij gedacht dat het meer thuis hoorde in de romantiek van jongensboeken. Bij deze eerste zin van het album echter, gelezen in deze omgeving, kreeg het woord een andere intonatie en datgene wat het inhield moest plotseling worden gerekend tot de reeële mogelijkheden. Het bracht meteen en voorgoed het aantal spelers in dit drama terug tot de enkele mensen die hij ontmoet had: de mensen van de clan Grant en zij die bij hen hoorden. Justus trok aan zijn sigaar en leunde achterover in de stoel, om deze gedachten tot enige conclusie te kunnen leiden. De tijd werd hem daartoe niet gegund, want bij de deur hoorde hij plotseling een licht geluid en hij draaide | |
[pagina 117]
| |
zich om. In de deuropening stond Roslyn en in haar ogen lag vrees, die echter week toen ze hem herkende. ‘Oh, meneer Reiziger...’ ‘Dacht je dat het iemand anders was, Roslyn?’ ‘Ik was bezig in mijn keuken en ik dacht dat ik iets hoorde hier en toen ik u zo zag zitten, voor de geopende schrijftafel...’ Haar diepe, donkere stem trilde even en Justus sprak sussend: ‘Toen schrok je. Dat is te begrijpen, Roslyn, na alles wat je dé laatste uren hebt meegemaakt. Dit moet allemaal bijzonder schokkend voor je geweest zijn. Heb je nog wat kunnen slapen?’ ‘Nee, meneer. Maar dat is ook niet nodig. Inspecteur Wood heeft gezegd dat hij, behoudens een plotselinge ontwikkeling, vandaag niet meer terug komt en vanavond ga ik dan maar iets vroeger slapen.’ ‘Voor het geval je daarbij een zenuwstillend middeltje nodig zou hebben, dan kan mijn vrouw je daar desgewenst aan helpen. Zij heeft wel eens last van slapeloosheid, door de inspanningen en de vele indrukken van het reizen en ze zal je graag helpen. De dood van David Grant moet een grote schok voor je zijn geweest en het spijt mij dat ik je op een zo weinig subtiele wijze met het lichaam moest confronteren. Ik hoop dat je mij dat wilt vergeven, maar ik kon ten slotte ook niet weten dat de dode een zo goede bekende van je zou zijn. Je kende David Grant natuurlijk al lang?’ ‘Wij zijn als het ware samen opgegroeid. Hij was vier jaar ouder dan ik, maar omdat er in deze omgeving slechts weinig speelgenoten te vinden zijn, waren wij veel samen.’ Justus vroeg zich af hoe ver hij deze ondervraging kon | |
[pagina 118]
| |
voortzetten. Terwijl hij zijn vragen stelde was het meisje meer de kamer ingekomen en ze stond nu op slechts enkele meters van hem vandaan. Zo te zien was ze rustig, de beheerste rust van mensen die in korte tijd reeds te veel ondergingen en nu vastbesloten zijn zich tegenover niemand meer bloot te geven. In zijn praktijk had hij al veel dergelijke mensen moeten ondervragen en ook in dit geval besloot hij zich te verlaten op zijn ervaring. ‘Werd je door alle huisgenoten als zodanig behandeld? Ik bedoel: werd hun houding tegenover jou nooit beïnvloed door het verschil in maatschappelijke positie?’ Opnieuw was Justus blij dat hij deze vreemde taal voldoende beheerste om zelfs zulke delicate vragen te kunnen formuleren, want dat hij hier een gevoelige snaar had geraakt bleek wel uit de reactie van het meisje. Haar gezicht verduisterde even en bij haar mondhoeken trokken zich enkele lijnen samen. Snel zei zij: ‘Aan de houding van David veranderde het niets.’ ‘Mogelijk was dat de reden voor de verbolgenheid van je vader.’ Mr. Reiziger plaatste de opmerking snel, want hiermee was hij gekomen aan het belangrijkste punt. Hij wilde buiten iedere twijfel vaststellen in welke verhouding zowel vader als dochter Macgoullie tot de vermoorde hadden gestaan; voor de vader, Douglas, was het belangrijk, omdat hij van de moord op David Grant verdacht werd en slechts door zijn tussenkomst was ontsnapt aan een voorlopige hechtenis; voor wat betreft Roslyn moest worden vastgesteld in hoeverre de oude vriendschap tussen haar en David voor Douglas de eventuele aanleiding zou hebben kunnen zijn tot moord. ‘Verbolgenheid?’ vroeg het meisje, als om tijd te winnen. | |
[pagina 119]
| |
‘Je was er bij toen je vader tegenover superintendent MacDonald verklaarde dat hij een bepaalde wrok koesterde tegen David Grant, omdat deze je lastig viel. Dat waren je vaders letterlijke woorden. Viel David Grant je lastig?’ Het meisje liet het hoofd zakken en wachtte even met haar antwoord. Na enkele tientallen seconden hief ze beslist het hoofd weer op en zei gedecideerd: ‘Davie Grant viel mij nooit lastig. Ik weet dat er sinds zijn huwelijk vele geruchten daarover zijn verspreid en dat niet alleen ten aanzien van mij. Over de waarheid daarvan kan ik niet oordelen en ik weet alleen dat Davie slechts hier kwam, af en toe, om een praatje te maken. We kenden elkaar ten slotte al jaren, hij kende mij zelfs vele jaren langer dan zijn eigen vrouw. Mijn vader is altijd tegen een te intieme omgang met Davie geweest, juist om, wat u noemt, het verschil in maatschappelijke positie. Hij kende de mening daaromtrent van de oude Angus Grant en hij gaf de laird in alles gelijk.’ Justus dacht even een spoor van bitterheid te horen, maar niets daarvan was te zien op het kalme gezicht van Roslyn. Terwijl hij het meisje bekeek dacht hij, dat ze zijn vraag uitvoeriger had beantwoord dan ze zelf wel vermoedde, al kwam dit meer door wat ze verzwegen had dan door wat ze zei. ‘Spraken jullie dan wel eens over de verborgen schat van het Boshuis?’ ‘Wat bedoelt u daarmee?’ ‘Als jullie hier samen als kinderen zijn opgegroeid kennen jullie waarschijnlijk beide ieder verborgen hoekje in en rondom het huis. Het staat nu wel buiten iedere twijfel dat David naar de schat zocht, wat overigens niets in zijn nadeel zegt, want de twee andere broers zochten er óók naar. Maar | |
[pagina 120]
| |
het ligt voor de hand dat jullie er dan wel eens samen van gedachten over gewisseld hebben.’ ‘Dat hebben we. Maar iedereen in de omgeving, ook in Aviemore, deed dat, want het verhaal is algemeen bekend, zoals u weet.’ ‘En opperde David dan wel eens bepaalde suggesties voor de plaatsen die volgens hem het meest geschikt waren om een schat te verbergen?’ ‘Al die plaatsen heeft hij ongetwijfeld al doorzocht, ook zonder er met mij over te praten.’ Dit was een volkomen logisch antwoord, maar ook nu dacht Justus weer enige bitterheid in haar stem te horen. ‘Dan zal ik het dus helemaal alleen moeten doen’, zei Justus licht. Hij wendde zich weer naar het album en wees er even naar. Roslyn knikte en voor ze de kamer verliet zei ze: ‘Dan zal ik me bezig gaan houden met het diner. Ik vrees dat het iets minder lekker zal zijn dan we verwachtten, nu mijn vader er niet in geslaagd is mijn voorraad wild aan te vullen. Wilt u de thee gebruiken?’ ‘Goed, over een uurtje. Op het terras, als dat niet te veel moeilijkheden geeft.’ ‘In het geheel niet.’ Roslyn verdween en Justus boog zich over het boek, dat nog steeds opengeslagen bij de eerste pagina, vóór hem op het bureau lag. Langzaam sloeg hij de bladzijden om. Ze waren volgeschreven in hetzelfde forse handschrift, dat Angus Grant blijkbaar tot het einde van zijn leven onveranderd als het zijne had behouden. Bij de eerste vluchtige beoordeling leek de inhoud van het boek een merkwaardig mengsel van dagboek, kasboek en aantekenboek. Op één bladzijde stonden onder elkaar bijvoorbeeld deze drie aantekeningen: | |
[pagina 121]
| |
‘Nu ik ben achtergebleven zonder mijn vrouw en zonder mijn drie zoons valt de eenzaamheid me niet zwaar. Dit is geen kwestie van eenzaamheid, hier op Aros Killee. Voorgaande geslachten, zowel de Grants als andere, hebben bergen en wouden bevolkt met vele personages en op mijn wandelingen is het me niet moeilijk me voor te stellen hoe men tot al deze verhalen gekomen is. Schotland schijnt wel te zijn geschapen voor andere dan menselijke wezens of voor wezens die eens mens waren en nu, na hun dood, het geluk hadden om hier als geest te blijven voortbestaan. De geesten van het woud, van de bergstromen, van de bergen, zij leven hier zo lang onze verbeelding levend genoeg zal blijven om dit leven toe te staan.’ En daaronder: ‘Na de eerste malen de haard te hebben ontstoken is gebleken dat er veranderingen in moeten worden aangebracht. Heb smid Gordon uit Aviemore laten komen, die op zijn beurt hulp inriep van schoorsteenbouwer. Het geheel kostte mij 5 pond 4 shilling.’ Als laatste aantekening: ‘Onmogelijk? Gebruik tegenover mij nooit dat domme woord.’ Tussen haakjes stond achter deze zin (Mirabeau). Op sommige bladzijden stonden vele citaten uit boeken en Justus stond op en slenterde naar de boekenkast. De kasten waren ingebouwd in dezelfde muur waartegen het bureau stond, | |
[pagina 122]
| |
twee kasten met daar tussenin de deur van een muurkast. Bij oppervlakkig onderzoek bleek al, dat de oude Angus in zijn laatste levensjaren zich steeds meer tot zijn boeken had gewend en dat hij sommige daarvan zo belangrijk had gevonden, dat hij er citaten van in zijn album had overgenomen. Voor het merendeel waren het werken van oudere schrijvers, series boeken gebonden in dezelfde kostbare banden, die nu de planken van de twee boekenkasten nog vulden. Justus nam een van de boeken, een werk van Longfellow en toen hij het op een willekeurige plaats had open geslagen vielen zijn ogen op de zin: ‘All things come round to him, who will but wait’. Mr. Reiziger glimlachte om de merkwaardige coïncidentie, die in deze woorden besloten lag. Als men slechts wachten kan, dacht hij, zal er veel worden opgelost. Maar juist wachten was moeilijk en in zaken als deze was geduld een belangrijke, maar toch niet de belangrijkste zaak. Hij sloot het boek en zette het terug. Het viel hem op dat er zelfs geen stofje lag op deze rijen boeken, hoewel hij uit ervaring wist hoe snel zich juist daar het stof verzamelde. Als dit alles het werk was van Roslyn, dan had Celestine volkomen gelijk in haar wens, om een dergelijke hulp te hebben in hun huis te Utrecht. ‘Justus!’ De stem van Celestine stoorde hem in zijn overpeinzingen. Hij keek op zijn horloge en zag tot zijn verbazing dat er al ruim een uur voorbij was gegaan. Justus liep terug naar het bureau en sloot het, om er in ieder geval zeker van te zijn dat Roslyn noch haar vader een onbescheiden blik zouden slaan in het innerlijk van de oude Angus Grant, dat in deze bladzijden besloten lag. Hij wandelde naar het terras, waar Celestine hem opwachtte naast de keurig voor de thee gedekte | |
[pagina 123]
| |
tafel. Lachend keek zijn vrouw naar hem en Justus verbaasde zich opnieuw over de rijkdom der voorraden in dit huis. ‘Dit is tafeltje-dek-je in de meest uitgesproken vorm, Justus! Thee, broodjes, cake. Wil je een kopje?’ ‘Graag. Roslyn laat zich door al deze gebeurtenissen niet afbrengen van haar taak in het Boshuis en ze vervult die op een manier die bewondering afdwingt. Wat denk je van haar, Celestine?’ ‘Dat zij een jonge vrouw is uit duizenden en dat ze een beter lot verdient dan hier in eenzaamheid haar leven te slijten met haar vader.’ ‘Ze schijnt er zelf weinig bezwaar tegen te hebben en ik betwijfel of zij het wel op prijs zou stellen als ze uit dit huis zou worden overgebracht naar een andere omgeving.’ ‘Inderdaad werkt ze hier alsof dat alles is wat zij van het leven vraagt. Zo lang het zomer is kan ik me dat wel voorstellen en een winter hebben we hier niet meegemaakt, dus daarover kan ik niet oordelen. Maar in de zomer is dit dan ook wel een van de heerlijkste plekken op aarde.’ Terwijl Celestine de thee inschonk liet ze zich weer meevoeren door haar exuberante enthousiasme, dat Aros Killee al op de eerste minuut in haar gewekt had en dat door niets kon worden gedoofd. Het uurtje rust in de zon had haar in haar mening versterkt en er was een lichte blos gekomen op haar gelaat. Justus nam plaats en genoot langzaam, zowel van het verwarmende enthousiasme als van de geurige thee. ‘Mijn jammer genoeg meer op het materiële ingestelde geest vindt hier nog meer genoegen, in de wetenschap dat er bovendien nog ergens een schat verborgen moet zijn’, zei hij gekscherend. ‘Ben je daaromtrent al iets wijzer geworden?’ | |
[pagina 124]
| |
‘Nog helemaal niet. Ik heb me verdiept in de aantekeningen van Angus Grant, zoals die zijn neergelegd in het album, waar zijn zoon Willie het over had. Het is een curieus boek, moet ik zeggen en de inhoud voegt een nieuw facet toe aan het beeld van deze gesloten man. In deze stilte heeft hij zich ontwikkeld tot een denker over vele onderwerpen en hij vulde, gezien de aantekeningen, zijn dagen niet alleen met het bedenken van raadseltjes om de plaats aan te duiden waar hij zijn vermogen heeft verborgen. Bij vluchtige kennisneming heeft hij overigens dat raadsel van de schat diep genoeg verborgen, om tot enige inspanning aan te zetten. Als dat raadsel tenminste verborgen is in het album.’ ‘Justus... Justus... Ben jij nu ooit wel eens in staat om alleen te denken aan vakantie? Kom, drink je thee. Hier, deze cake is heerlijk. Ik heb met Roslyn afgesproken dat we niet te laat zullen dineren, maar voordien zullen we nog ruimschoots de gelegenheid hebben om een wandeling te maken.’
De wandeling maakten ze in het kalme, glanzende zonlicht van de namiddag. Ditmaal namen ze de weg die volgens de aanwijzingen van Willie Grant naar Aviemore liep. Het gebergte van de Cairngorms maakte de weg slingerend tussen de bomen en de schemering hier was soms diep, wanneer de boomtoppen elkaar boven het pad bijna raakten en zo een tunnel vormden van donkergroen licht. Justus antwoordde op de opmerkingen die zijn vrouw maakte, als zij plotseling een haar onbekende bloem zag, of de grillige vorm van een bergtop tussen de bomen door of een vogel, die over de weg scheerde. Hij bleef echter bezig met zijn eigen gedachten en de problemen, die hij na het gesprek met Willie Grant tot de zijne had gemaakt. Tegenover Willie Grant en Douglas | |
[pagina 125]
| |
Macgoullie had hij deze problemen verdeeld in drie nauwe met elkaar verbonden onderdelen. Zoals het meestal ging in het leven - en daarop steunde dan ook zijn meest favoriete uitspraak - betrof het hier een keten van gebeurtenissen, waarvan dan de voornaamste punten waren: de dood van Angus Grant op 23 maart, het daarop gevolgde zoeken naar het verborgen vermogen van Grant senior en ten slotte de dood van diens zoon David. Douglas Macgoullie had daarvoor een duidelijk onderling verband gewezen en volgens zijn nauwelijks verborgen theorie zou David de dood van zijn vader op zijn geweten hebben, zou daarna hebben gezocht naar de verborgen schat en zou ten slotte zijn vermoord als bloedwraak voor de moord op Angus Grant. Het klonk alle maal zeer plausibel, maar als hij meer van de zaak zou weten zouden er ongetwijfeld nog wel meer plausibele theorieën te vormen zijn. Door opleiding en ervaring had hij geleerd onzichtbare vraagtekens te plaatsen achter iedere ongevraagde theorie, vooral als deze kwam van een der verdachte partijen in een zaak. De kans immers bestond, dat Douglas Macgoullie een rol speelde in dit drama en dat hij handelingen had verricht die hij, door het verstrekken van een hem ontlastende theorie, wilde verdoezelen. Inspecteur Wood uit Aviemore, die hij toch moeilijk kon verdenken van overijling, of van een gebrek aan inzicht - daarvoor was hij met te veel autoriteit en te doortastend opgetreden tijdens het voortreffelijk geleide onderzoek, deze ochtend - had dat kennelijk ook gedacht, toen hij het plan opperde om Macgoullie in voorarrest te stellen en daar pas van af was gestapt nadat hij een van zijn mensen plus de politiehond als bewaking op Aros Killee had achtergelaten. Ook daarvoor konden andere redenen bestaan, want bij al zijn opgewektheid en openhartigheid bleef inspec- | |
[pagina 126]
| |
teur Wood een man die op zijn eigen sluwe manier wel enkele vliegen in één klap zou willen slaan. Misschien stond hij, Justus Reiziger, voor inspecteur Wood nog wel steeds onder verdenking en gold de aanwezigheid van sergeant Ross hem net zo goed als Douglas Macgoullie. Voor mr. Reiziger was dit echter van secundair belang, want hij had zich slechts te bepalen bij het enigma Douglas Macgoullie en diens woorden. Ondanks het politieonderzoek bleef Douglas ervan overtuigd dat zijn meester vermoord was en voor Justus lag hier een nieuwe moeilijkheid. Hij kende de methoden van de politie voldoende om te weten dat zij niet zonder reden een onderzoek zou sluiten en als de politie slechts had kunnen vaststellen dat Angus Grant op de Revoan Pas een ongeluk had gekregen, dan was de vasthoudendheid van Douglas wel merkwaardig. Had hij er misschien een bepaalde reden voor om naar het ongeluk van zijn meester te blijven verwijzen als naar moord? In de moord op David Grant was zijn positie vrij zwak. Weliswaar was vastgesteld dat hij zich in de afgelopen nacht op strooptocht had bevonden op de hellingen van Gairn Gorm, maar daar stond tegenover dat, zoals inspecteur Wood zei, de juiste tijd waarop David Grant was vermoord, niet was vastgesteld en mr. Reiziger wist maar al te goed dat dit tijdstip minder nauwkeurig was te achterhalen dan sommige misdaad-romans wilden doen geloven. Willie Grant kon evenmin worden uitgeschakeld en wat wist men eigenlijk van Andrew Grant, daar in het verre Aberdeen?
Om de vakantiestemming van Celestine niet te bederven probeerde Justus tijdens de wandeling en het daarop volgende | |
[pagina 127]
| |
diner het gesprek gaande te houden over de uiteenlopende onderwerpen, die zijn vrouw aanroerde. Tijdens het diner sprak ze wederom haar verbazing uit over kookkunst en voorraden van Roslyn en het voorgerecht, bereid uit gedeelten van de reerug van de vorige avond, de frisse salade, het exquise vleesgerecht, dessert en vruchten, en koffie met likeur waren daar voldoende aanleiding toe. Roslyn trok zich na de afwas terug en ook haar vader liet zich niet meer zien en de Reizigers maakten het zich gemakkelijk in de zitkamer. De ramen stonden open om de koelte van de zomeravond toe te laten, de lucht schoot vol sterren. Na nog even wat te hebben gebladerd in de oude tijdschriften haalde Celestine postpapier en ze zette zich aan tafel om de kinderen en enkele kennissen tenminste enig teken van leven te geven. Het was voor het eerst tijdens deze vakantie dat zij meer tijd hadden, want de geforceerde reis met de auto had slechts hier en daar het schrijven van een prentbriefkaart mogelijk gemaakt. Zij ging volkomen in haar bezigheid op en dat verschafte Justus de gelegenheid om zich geheel te wijden aan het in leer gebonden boek met de aantekeningen van Angus Grant.
Nu hij de bladzijden zorgvuldiger las werd hij opnieuw getroffen door het vreemde mengsel van aandoeningen en eigenschappen, dat deze mens uitmaakte: de dorheid van berekeningen, het verantwoorden van de kleinste uitgave, mededelingen over de aankoop van het geringste voorwerp. Dit dus moest de karaktertrek zijn van de Schot, zoals men die kende uit de zuinigheids-grapjes. Waar het album was gebruikt als dagboek trad een andere figuur naar voren: die van een trots huisvader, hoofd van de clan, om wie het langzamerhand stiller en leger wordt als hem de echtgenote ont- | |
[pagina 128]
| |
valt en de zoons zich van hem verwijderen. In de latere jaren werden de opmerkingen over de zoons minder in aantal en ten slotte stond er slechts in één regel dat zij bij hem op bezoek waren geweest, David uit het nabijgelegen hotel het meest en Andrew het minst. Uit niets bleek een voorkeur voor een van de drie zoons. Uit de citaten, die de rest van het boek vulden bleek overigens maar al te duidelijk hoe Angus zich min of meer verloor in wijsgerige bespiegelingen, waarin weinig ruimte was voor afkeer of voorkeur. Naar wat Justus Reiziger nu van anderen had gehoord was Angus Grant een steeds eenzelviger man geworden en in dit boek lag een gedeelte van het antwoord: teleurstelling om wat rondom hem heen gebeurde, gepaard gaande aan een innerlijke verdieping. ‘Op wat voor diepzinnigheden ben je gestoten?’ vroeg Celestine achter hem. Ze had al enige tijd zitten kijken naar de in gedachten verzonken figuur van haar man, zoals hij daar bij de schrijftafel zat. Na in drie brieven in ongeveer dezelfde bewoordingen hun reisavonturen te hebben beschreven ontging haar de lust om nog aan een volgende brief te beginnen. Justus draaide zich naar haar toe. ‘In mezelf nog steeds weinig, maar misschien komt het omdat dit boek er helemaal vol mee staat. Wat vind je van dit bijvoorbeeld: “Man is a stream whose source is hidden”, ofwel in onfraai Nederlands: “De mens is een stroom waarvan de bron verborgen is”. Dat heeft een meneer Emerson gezegd en het was voor Angus Grant diepzinnig genoeg om over te schrijven’. ‘De mens is een stroom, waarvan de bron verborgen is’, herhaalde Celestine. ‘Dat is inderdaad mooi gezegd. Was die meneer Emerson niet een Amerikaanse dominee?’ | |
[pagina 129]
| |
‘Ja zeker, maar speciaal beroemd als wijsgeer. Ik kan je wel meer over hem vertellen.’ Justus stond op en liep naar de boekenkast. Na enig zoeken vond hij een serie in half leer gebonden boekjes, kennelijk gewijd aan de werken van enkele tientallen jaren geleden beroemde denkers en dichters. Hij vond het deeltje Emerson en sloeg het open. Op de eerste bladzijde vond hij de biografische aantekeningen en hij las hardop: ‘Ralph Waldo Emerson, op 25 mei 1803 geboren in Boston. Amerikaanse schrijver en filosoof. Studeerde wijsbegeerte en theologie te Harvard, werd predikant te Boston; ontmoette op een Europese reis Carlyle, de Schotse schrijver.... ah, natuurlijk alleen daarom heeft deze Amerikaan de eer om in een Schotse bibliotheek te staan!... en in Duitsland kwam hij in aanraking met de leer van de Duitse idealisten, wier leerstellingen hij later in Amerika propageerde... Wil je de leerstellingen horen?’ ‘Nee, dank je, Justus. Wat hij verder ook gepropageerd mag hebben, deze ene zin over die verborgen bronnen is voorlopig voldoende denkmateriaal. Wat vreemd dat één zo'n zin terecht komt in het album van een laird’. ‘Het boek staat er vol mee. Op zijn manier moet Angus Grant zelf een soort filosoof zijn geworden.’ ‘En denk je echt dat hij ergens tussen al deze diepzinnigheden heeft verteld waar hij zijn schat verborgen heeft?’ ‘Het is mogelijk,’ zei Justus weifelend. ‘Maar Willie Grant en zijn broer Andrew zijn het woord voor woord nagegaan en ze hebben niets gevonden. Om het goed te doen zou je ieder woord moeten gaan vergelijken met de oorspronkelijke tekst in een van deze boeken, maar dat wordt misschien een werk van maanden. Mogelijk is hij hier en daar met een paar woor- | |
[pagina 130]
| |
den van de oorspronkelijke tekst afgeweken en ligt juist daarin de sleutel van het geheim. Maar dat is slechts een veronderstelling. Het kan evengoed, dat de veelvuldig genoemde cijfers in het album iets betekenen, wie weet. Of misschien is het geheim helemaal niet in deze bladzijden verborgen maar elders. In een van de boeken misschien, in een koopcontract, een losse rekening, wie zal het zeggen?’ ‘Verwacht van mij geen antwoord, Justus. Als jij er geen bezwaar tegen hebt ga ik naar bed, want ook voor ons was het een inspannende dag, die al vroeg begonnen is.’ Justus zette het boek van Emerson terug in de boekenkast en met lichte zucht sloot hij het bureau. ‘Dat zou waarschijnlijk niet zo kwaad zijn. Mijn hersens hebben mogelijk wat rust nodig, alvorens we met het belangrijkste gedeelte beginnen. Laten we hopen dat we tenminste vannacht niet worden gestoord en in ieder geval zal ik even mijn ronde maken.’ Celestine pakte het postpapier op, terwijl Justus de ramen sloot. Ze gingen samen naar boven en Justus greep de zaklantaarn om zijn inspectietocht te beginnen. Hij deed het in dezelfde volgorde van de vorige dag, te beginnen bij de bovenverdieping en zo naar beneden, tot hij uitkwam in de kelder. Nergens zag hij iets verdachts. De achterdeur was gesloten en de sleutel hing ernaast; zelf probeerde hij de sloten aan de voordeuren en alles was dicht. Toen hij boven kwam lag Celestine al te bed en hij volgde snel haar voorbeeld.
De lange, ongestoorde nachtrust deed hen goed. Toen ze de volgende ochtend beneden kwamen was Roslyn al bezig in de keuken aan het ontbijt, maar ditmaal had ze gedekt in de eetkamer en toen Justus op het terras stond begreep hij | |
[pagina 131]
| |
daarvoor de reden: het was vrij fris. Beneden, over Loch Morlich, dreef een melkwitte ochtendmist en de zon had moeite die te verdrijven. Toen Celestine zich bij hem voegde keken ze samen met enige bezorgdheid naar de lucht, want ze hadden minder dan ooit behoefte aan kilte en regen. ‘Vandaag wordt het nog wel goed’, stelde Justus haar gerust. ‘En morgen zien we wel weer’, voegde Celestine er zorgeloos aan toe. Het was inderdaad zaak om te leven bij de dag, zelfs zo mogelijk bij het uur en dat merkten ze toen ze nog maar nauwelijks gereed waren met het ontbijt. Op de weg klonk motorgeronk en toen Justus ging kijken zag hij in de verte de jeep naderen, die de vorige dag inspecteur Wood uit Aviemore had gebracht. Nu was het echter alleen de inspecteur, zonder begeleiding van motoren. De geüniformeerde chauffeur bracht de open jeep bij het huis tot stilstand en mr. Reiziger liep de inspecteur tegemoet. Diens gezicht was nog steeds rood, maar stond minder joviaal en opgewekt dan bij het eerste bezoek. Sindsdien was er ongetwijfeld veel werk te verzetten geweest en zo te zien had de inspecteur daarvan een fors deel voor zijn rekening genomen. ‘Goedenmorgen, inspecteur, u bent weer vroeg op pad. Zijn er nieuwe ontwikkelingen?’ ‘Goedenmorgen. Dit is voor mij niet vroeg, maar láát en nieuwe ontwikkelingen kan ik ook niet ontdekken. Het duidelijkste bewijs daarvoor is mijn aanwezigheid hier, want op school hebben ze ons geleerd dat het steeds de moeite loont om naar de plek van de misdaad terug te keren, als je vast zit. Op die school hadden ze wel meer slimmigheden, maar die zijn nu allemaal onbruikbaar,’ voegde hij er gemelijk aan toe. Hiermee was de stemming van de inspecteur voldoende | |
[pagina 132]
| |
gepeild en voor mr. Reiziger bleef er niets anders over dan hem stilzwijgend te vergezellen naar de voordeur. In de hal bleven de twee mannen even staan. ‘U hebt er geen bezwaar tegen als ik even rondkijk?’ ‘In het geheel niet, het huis is te uwer beschikking.’ Deze enkele woorden verhelderden de sfeer een beetje. Mr. Reiziger wist maar al te goed, dat hij tot nu toe door de politie met bijzonder veel consideratie was behandeld, want bij zaken in zijn praktijk had hij het te dikwijls meegemaakt, dat het huis waarin een moord was gepleegd, voor minstens vierentwintig uur voor iedereen werd afgesloten. Het was waar dat het onderzoek door de recherche uit Aviemore met voortvarendheid was geschied en dit gold zowel de politiefotograaf, die al zijn opnamen van het lijk, de bloedsporen in de kelder en de sporen buiten had gemaakt, als de andere deskundigen. Het lichaam was door een ambulance-auto gehaald en in het huis herinnerde nog maar weinig aan de moord. Inspecteur Wood liep de hal door, op weg naar de keuken en toen hij de voetstappen van Justus achter zich hoorde draaide hij zich om en zei niet onvriendelijk, maar beslist: ‘Ik ga naar de kelder en de weg daarheen ken ik al voldoende.’ In arren moede ging Justus terug naar de eetkamer. Celestine stond voor het raam en keek naar buiten. Justus nam aan dat ze wederom het landschap bewonderde, maar toen ze zich omdraaide en hem zag binnenkomen, zei ze: ‘We krijgen nog meer bezoek.’ Justus had zijn aandacht volledig bepaald tot inspecteur Wood en daarom was hem waarschijnlijk het lichte geronk ontgaan, dat de aankomst van een nieuwe auto aankondigde. | |
[pagina 133]
| |
Het geluid werd langzaam sterker en toen Justus naar het hek wilde lopen ontmoette hij in de hal de inspecteur, die de auto kennelijk ook al had gehoord en hetzelfde voornemen koesterde als mr. Reiziger. Toen de twee mannen elkaar zagen kwam er een zwakke glimlach op het vermoeide gezicht van de inspecteur en met een handbeweging nodigde hij Justus uit hem te vergezellen. Zij kwamen juist op tijd bij het hek om dat met een zwaai te zien openen door Douglas Macgoullie. Justus herkende de auto ogenblikkelijk als die van de makelaar Willie Grant uit Inverness en enigszins verbaasd vroeg hij zich af wat Willie tot deze reis had bewogen. De auto stopte op het pad naar het huis en Willie stapte uit. Hij bedankte Douglas met een korte hoofdknik en kwam toen met uitgestoken hand op de inspecteur en Justus toe. ‘Goedenmorgen, heren. Hebt u een rustige nacht gehad, meneer Reiziger?’ ‘Uiteraard, ja. Wat zou...’ ‘Verwachtte u soms nog meer onheil?’ onderbrak inspecteur Wood hem. Willie Grant lachte zenuwachtig, ietwat met zichzelf verlegen. ‘Het heeft vannacht hevig geonweerd in Inverness en ik heb de hele tijd liggen denken aan dit eenzame huis, in de bergen. Ik had vanmorgen weinig te doen en ik besloot even poolshoogte te gaan nemen, om mezelf gerust te stellen. Ik zie niet zo gauw spoken...’ ‘Spoken?’ onderbrak de inspecteur hem opnieuw. ‘Och ja... Mijn vrouw is nogal overstuur van alles wat hier de laatste tijd gebeurd is en vannacht maakte ze me wakker, omdat ze dacht dat er iemand met een stok over het dak liep of zoiets.’ | |
[pagina 134]
| |
‘De wolf van Badenoch...,’ zei Justus ironisch. ‘Dat wilde ze me bijna doen geloven, maar het bleek de eerste regenvlaag te zijn die het onweer inleidde. Haar kan ik nu dus ook geruststellen.’ ‘De Wolf van Badenoch kondigt alleen de dood aan van leden van de clan,’ zei de inspecteur vlak. ‘Naar mijn weten is het enige lid van de clan dat zich nog in deze buurt ophield, te weten David Grant, vermoord. Of verwachtte u hier nog iemand van de clan Grant?’ ‘Nee... niet dat ik weet...,’ mompelde Willie Grant. Justus verbaasde zich over de agressieve toon die de inspecteru tegen de makelaar aansloeg. Mogelijk kon dat worden afgeschreven op vermoeidheid, zenuwen of boosheid omdat snel resultaat in deze zaak uitbleef. Mogelijk irriteerde de onaangekondigde aanwezigheid van Willie Grant de inspecteur wel, want ook voor Justus was die komst een bron van verbazing. Het was allemaal goed en wel om bezorgd te zijn om twee buitenlanders ergens in de bergen, maar als Willie Grant zich van hun toestand had willen overtuigen was een telefoontje naar het hotel van David voldoende geweest; iemand uit het hotel had dan even kunnen komen om zich op de hoogte stellen. Justus herinnerde zich de inspanning van de rit uit Inverness tot hier maar al te goed om aan te nemen dat men om een bagatel een dergelijke reis zou ondernemen. Inspecteur Wood stond Willie Grant scherp op te nemen en ook hij had kennelijk zijn eigen gedachten over diens aanwezigheid. ‘Als u hier uw broer Andrew dacht te ontmoeten, dan moet ik u teleurstellen. Misschien hebt u opgebeld naar zijn huis in Aberdeen om daar hetzelfde te horen wat wij hoorden: dat hij op zakenreis is.’ | |
[pagina 135]
| |
‘Ja, dat is mij eveneens gezegd.’ ‘Goed.’ Daarmee scheen het gesprek voorlopig te zijn afgelopen, want de inspecteur keerde zich bruusk om en wandelde met lange stappen terug naar het huis. Justus en Willie Grant bleven even tegenover elkaar staan en volgden toen langzaam. ‘Merkwaardig gedoe,’ zuchtte de makelaar ongelukkig. ‘Misschien wordt het ook voor mij allemaal wel een beetje te veel, ik weet het niet. Al die geheimzinnigheid... A propos, hebt u al iets ontdekt wat ons nader zou kunnen brengen tot de schat?’ De overgang was zo abrupt dat het Justus tenminste gedeeltelijk een reden gaf voor de komst van de makelaar. Willie Grant was, onder die oppervlakte van gespannenheid om de moord op zijn broer, nieuwsgieriger naar de verborgen schat van het boshuis dan hij zelf wilde toegeven. ‘Nog niet.’ Ze vonden Celestine op het terras en zij begroette de bezoeker hartelijk. Celestine slaagde er altijd in onverwachte gasten het gevoel te geven dat hun komst het enige was wat aan haar tevredenheid van het moment ontbrak. ‘Een kopje koffie, meneer Grant?’ ‘Graag, mevrouw.’ ‘Misschien kunnen we het gebruiken in de zitkamer,’ stelde Justus vlug voor. Aan de snelle blik die Celestine hem toewierp zag hij dat ze begreep dat hij weer iets in het schild voerde en even trok zij de wenkbrauwen samen, als om hem te waarschuwen. Het was ook haar opgevallen, in dit korte ogenblik, dat Willie Grant zeer gespannen was. Terwijl Celestine zich in de keuken bezig hield met het klaar maken | |
[pagina 136]
| |
van de koffie nestelden de twee mannen zich in de fauteuils van de zitkamer. ‘Ik neem aan dat uw vader meestal in deze kamer zat?’ ‘Dikwijls, ja.’ ‘Hier werkte hij toch, of niet?’ ‘Veelal.’ ‘En hier ook gaf hij zich over aan zijn hobby van puzzelen?’ ‘Dat deed hij overal.’ Na een korte stilte zei Justus, wijzend naar de kast tussen de twee boekenkasten: ‘Is dat de kast waarin alle legpuzzles en wat het zijn mogen zijn opgeborgen?’ Willie Grant stond met een snelle beweging op en trok de kastdeur open. Hij wees met een welsprekend gebaar naar de twee bovenste planken, die voor een groot deel gevuld waren met kleurige dozen. ‘U ziet het...’ ‘Ja, ik zie het,’ beaamde Justus peinzend, zonder op te staan. Hij offreerde Willie Grant een sigaar en de makelaar ging weer zitten. Hij savoureerde de sigaar als een typische pijproker. Celestine kwam binnen met twee kopjes, die ze vol schonk met koffie. ‘Als de heren er geen bezwaar tegen hebben ga ik weer naar het terras.’ ‘Ga je gang, lieve.’ Zwijgend dronken ze hun koffie, tot Justus begon: ‘Meneer Grant, ik begrijp volkomen dat u geïnteresseerd bent in het vermogen van uw vader. De interesse die David ervoor had heeft hij op tragische wijze met de dood moeten bekopen en mogelijk zal het ons helpen bij de oplossing van | |
[pagina 137]
| |
de moord, als wij de schat vinden. Ik heb er mijn gedachten over laten gaan en als u het niet vervelend vindt zou ik u graag een paar vragen stellen. De eerste is: hebt u of een van uw broers de leeswoede geërfd die uw vader kennelijk bezeten heeft?’ Van alle vragen had Willie Grant juist deze niet kunnen verwachten en vragend trok hij een wenkbrauw op. Toen Justus slechts enkele voorzichtige trekken deed aan zijn sigaar, antwoordde hij: ‘Nee, dat geloof ik niet, al begrijp ik niet wat dat met het verbergen van de schat te maken zou hebben. Voor zover ik weet las David helemaal niet, ik lees af en toe een boek en houd mijn vakliteratuur bij en Andrew is een verwoed lezer van economische rubrieken, maar voor zover ik weet gaat zijn belangstelling niet veel verder. U moet weten dat wij het alle drie druk hebben en dan komt er van lezen meestal weinig...’ ‘Daarvoor behoeft u zich tegenover mij niet te verontschuldigen, het was alleen een vraag. Mijn volgende vraag is: de puzzelwoede, had een van u die?’ ‘Evenmin, zou ik zeggen’, antwoordde Willie Grant na enig nadenken. ‘Ik waag me nog wel eens aan een kruiswoordpuzzle in een dagblad, maar daar houdt het ook mee op.’ ‘Heeft uw vader zijn drie zoons dan nooit betrokken in zijn hobby?’ ‘U weet, meen ik al, dat wij de laatste jaren weinig contakt meer met hem hadden. Natuurlijk spijt je dat achteraf, maar eenmaal zelf bezig zijnde met het opbouwen van een leven heeft men maar weinig tijd voor familiebanden’. ‘Ook dat is begrijpelijk.’ Justus zweeg geruime tijd. Wat de inspecteur ook doen mocht, hij deed het geluidloos. Het was stil in het huis. Met | |
[pagina 138]
| |
een kort gebaar wuifde Justus de sigarenrook voor zijn gezicht weg, toen hij eindelijk zei: ‘Dit maakt het niet begrijpelijker. Wij zijn het er over eens, dat uw vader niet van plan was zijn vermogen in handen te laten van vreemden, wanneer dit huis ooit verkocht zou worden. Met andere woorden: het was zijn bedoeling dat een van zijn zoons of alle drie samen zijn vermogen zouden vinden, na enig nadenken. Ik heb het album van Angus Grant bestudeerd en als daarin de sleutel ligt van het geheim, dan zijn er enkele mogelijkheden. Mogelijkheid nummer één: de sleutel ligt in de dagboekaantekeningen. Die mogelijkheid hebt u zelf min of meer ontzenuwd door te zeggen dat u met uw broer Andrew woord voor woord hebt gekontroleerd en dat geldt ook voor mogelijkheid nummer twee: dat de sleutel zou liggen in de diverse, in het album opgenomen becijferingen. Elk genoemd meubelstuk hebt u beklopt en de schoorsteen hebt u laten demonteren, als ik het wel heb. Dan is daar mogelijkheid nummer drie: de sleutel ligt in een van de vele citaten, die uw vader haalde uit de boeken van zijn bibliotheek. Maar hij kon, beter dan wie ook, weten dat geen van zijn zoons verzot was op lezen, zoals hij. Als het dus in zijn bedoeling zou hebben gelegen om de schat door zijn zoons te laten vinden, dan moest hij de aanwijzingen daartoe zeker niet leggen in een citaat.’ ‘Tenzij hij ons een lesje wilde geven.’ ‘Dat zou ook nog kunnen, maar dan zou het toch wel een uitgebreid lesje zijn. Een hele bibliotheek vol lesjes.’ Justus wees naar de boeken in de kasten en Willie Grant staarde er met vijandige ogen naar. Hij stond op en drentelde langs de rijen boeken, die daar onaandoenlijk naast elkaar | |
[pagina 139]
| |
stonden. Voor de nog steeds geopende kastdeur bleef hij wijdbeens staan, de handen op de heupen. ‘Een hele verzameling kinderspeelgoed’, dacht hij hardop. ‘Legpuzzeltjes en boekjes kryptogrammen en de hemel mag weten wat nogal meer.’ Hij stak een van zijn armen uit en greep iets uit de kast. ‘Zelfs dit boekje is hier nog.’ Hij draaide zich om naar Justus, die nog steeds nadenkend aan zijn sigaar trok en door de rook heen de makelaar zat te bekijken. Willie Grant hield een dun boekje bij de punt vast, alsof hij er vies van was. ‘Toen we kinderen waren probeerde vader ons nog wel eens zo ver te krijgen. Dat was in de winter, als we niet buiten konden spelen. Maar natuurlijk moest de puzzle die hij ons opgaf zo wetenschappelijk mogelijk verantwoord zijn en daarom had hij dit boekje gekocht, in Inverness. Ik herinner me dat Andrew en ik die spelletjes zo vervelend vonden, dat vader het later met Davie niet eens meer geprobeerd heeft.’ Justus stak de hand uit en Willie Grant gaf hem het boekje. Het had een ouderwetse omslag, waarop kinderen stonden afgebeeld die met een hoogrode kleur bijeen stonden achter door regen beslagen ruiten. ‘HET GROTE KINDER PUZZLE BOEK’ stond er als titel boven en die wijdse titel was niet helemaal in overeenstemming met de bescheiden omvang van het werkje. Gedachteloos bladerde Justus het door, terwijl Willie Grant op en neer bleef ijsberen. De wandeling werd onderbroken door de binnenkomst van inspecteur Wood. ‘Bereiden de heren zich voor op een regenachtige dag?’ vroeg hij, met een spottende hoofdknik naar de puzzles in de kast. ‘Op z'n vroegst komt er morgen pas regen, dus u hebt | |
[pagina 140]
| |
nog even de tijd. Bovendien hebt u beiden morgen wel iets anders te doen, vrees ik.’ De overpeinzingen in de kelder hadden het humeur van de politieman niet kunnen verbeteren en onder de afwachtende blikken van de twee aanwezigen bewaarde hij even een ijzig stilzwijgen. ‘De coroners inquest?’ vroeg Justus rustig. ‘Ik was bijna vergeten met een deskundige te doen te hebben, die ons systeem van rechtspraak volkomen kent. Ja, de coroners inquest. Het zal een zittinkje van niets worden, omdat de te nemen beslissing nogal duidelijk is. Hier is slechts sprake van moord en niemand kan zich daarin vergissen. Meneer Andrew, het andere lid van de clan Grant, zal er ook aanwezig zijn. Zijn procuratiehouder heeft me ongeveer de route van de zakenreis gegeven en morgen kan hij niet ver uit de buurt zijn. De politie in Aberdeen was zo bereidwillig het verdere alibi van uw broer te onderzoeken en de procuratiehouder was zo goed om afschriften te verstrekken van telefoongesprekken, die Andrew met hem voerde uit diverse plaatsen. Dat was zo zijn gewoonte, om enkele malen per dag de zaak op te bellen met orders die hij geplaatst had en om op de hoogte te blijven met de ontwikkeling in Aberdeen. De avond voor de moord heeft hij opgebeld uit Buckie. Dat is een flink stuk van Aros Killee verwijderd. Bij het volgende telefoontje zou de procuratiehouder meneer Andrew van het tijdstip van de coroners inquest op de hoogte brengen: dinsdagmorgen om 11 uur, in een van de zalen van het gemeentehuis in Aviemore.’ ‘Ik zal er zijn,’ beloofde Willie Grant. Hij wachtte tot de inspecteur misschien nog iets zou zeggen, maar toen deze het stilzwijgen bewaarde groette hij de heren | |
[pagina 141]
| |
kort en liep de kamer uit. Even later hoorden ze de auto de weg afrijden. Toen het geluid bijna verstorven was zei de inspecteur: ‘Toch een raadselachtig heer. Of vindt u het niet zo merkwaardig, dat hij zich blijkbaar van iedere nieuwe ontwikkeling in de zaak op de hoogte wil stellen? Als iemand me zo dicht op de hielen zit begin ik dat verdacht te vinden. Maar tenslotte is alles verdacht in dit stadium,’ voegde hij er moedeloos aan toe. Deze opmerking gaf een nieuwe wending aan de gedachtenstroom van Justus. Het leek er inderdaad op dat Willie Grant uitermate nieuwsgierig was voor zijn doen. De dag tevoren hadden ze afgesproken dat ze elkaar pas weer in Aviemore zouden ontmoeten, maar nog geen vierentwintig uur later stond hij weer hier. Als men wantrouwend wilde zijn kon men zeggen dat hij iedere beweging van de politie wilde volgen. ‘Als ik beken uitermate nieuwsgierig te zijn, is dat dan óók verdacht?’ vroeg Justus met een glimlach. ‘En of. Maar een veelgeplaagde politieman wil ook wel eens stoom afblazen, al is er onder die stoom maar weinig echt vuur te bekennen. Ten gerieve van Willie Grant heb ik dus gezegd dat zijn broer er morgen waarschijnlijk ook zijn zal. Via de telefoontjes aan de procuratiehouder kon de politie van Aberdeen vrij nauwkeurig nagaan waar Andrew Grant geweest is. Ze waren daar zelfs zo gedienstig de maat van zijn schoenen op te geven. Een volle maat kleiner dan de afdrukken die wij hier gevonden hebben. Dat was maar één rapport uit de berg waaronder ik zo langzamerhand begraven word. Dat van de lijkschouwing bracht tussen de regels vol medische termen door alleen de mededeling, dat David Grant is overleden door slagen met een hard voorwerp achter op de schedel. | |
[pagina 142]
| |
Geen nieuws. In de kelder zijn vingerafdrukken gevonden van David Grant, van Roslyn Macgoullie en van Douglas. Niet van een geheimzinnige derde. Verhoren in het hotel hebben als resultaat gegeven, dat David Grant daar ná zaterdagavond elf uur à half twaalf niet meer gezien is. Tussen haakjes, de politiearts stelt de tijd van overlijden na middernacht. Om terug te keren tot de vingerafdrukken: op de hakbijl waren er dus geen meer en op de schuur, waaruit hij is ontvreemd, evenmin. Naar mijn gevoel bewijst dit alleen dat de dader inderdaad erg goed bekend moet zijn geweest met het terrein, want hij heeft niet tastend zijn weg moeten zoeken bij en in de schuur. Hij...’ ‘De schuur?’ riep Justus plotseling uit. ‘Als mijn vrouw, toen ze boven op haar kamer was, inderdaad iemand heeft horen rondlopen - en ik heb geen enkele reden om daaraan te twijfelen - dan kan die man zich hebben verborgen in de schuur, toen ik later het hele huis doorzocht. Daarom vond ik natuurlijk niets.’ Inspecteur Wood dacht er over na. Sceptisch haalde hij tenslotte de schouders op en zei: ‘Dat zou kunnen. Als tenminste iemand heeft rondgelopen. Een reden te meer dus om aan te nemen dat het een bekende was, want hij wist meteen waar hij zich verstoppen moest.’ Hij drentelde naar de deur. ‘Nou, meneer Reiziger, dan zie ik u morgen wel in Aviemore.’ Met een korte groet verdween hij, Justus enigszins teleurgesteld achterlatend. Meer dan ooit had hij behoefte aan inlichtingen, want hij was er zich van bewust dat het net van raadselen zich alleen maar rondom hem verdichtte en langzaam ieder sprankje licht naar een oplossing dreigde te doven. Met een zucht nam hij HET GROTE KINDER PUZZLE | |
[pagina 143]
| |
BOEK en hij bladerde er weer lusteloos in, hier en daar een stukje lezend en zich afvragend hoe een intelligent man als Angus Grant toch geweest moest zijn, gedacht zou kunnen hebben dat hij met deze vrij saaie letter- en cijferpuzzles enige belangstelling kon wekken bij een paar ongedurige, door de winter in het huis opgesloten kinderen. Hij liet het boekje op zijn schoot zakken en zo bleef hij piekerend zitten, tot Celestine hem kwam roepen voor de lunch. De lucht was betrokken toen zij buiten kwamen, daarna, maar Celestine liet zich daardoor niet weerhouden en ze stelde eenvoudig vast, dat het nu fris genoeg was voor een flinke wandeling. ‘Niet zo'n kleintje als gisteren,’ zoals ze neerbuigend zei. Om te ontsnappen aan de vragen die hem in dit huis bleven vervolgen ging Justus op dat voorstel in, maar hij kon zich dan toch niet voldoende aan de hem gestelde problemen ontworstelen om niet het genoegen van een wandeling te willen combineren met zijn privé-onderzoek. Toen ze naar de poort liepen bleef hij even staan bij Douglas Macgoullie, die bezig was in de moestuin. Douglas keek op toen hij het echtpaar zag naderen en hij knikte vriendelijk. ‘Douglas’, zei Celestine opgewekt, ‘we gaan een verre wandeling ondernemen. Welke richting raad je ons aan?’ Onderzoekend keek Douglas van de een naar de ander, tot Justus onschuldig zei: ‘De richting van de Revoan Pas bijvoorbeeld’. ‘Dat is een behoorlijk stuk’, zei Douglas weifelend. ‘Ik zou u zelf wel de weg willen wijzen, als ik overal mijn Siamese tweelingbroer niet mee moest slepen.’ ‘In dit geval is je tweelingbroer welkom’, zei Justus vriendelijk, terwijl hij naar Celestine keek. | |
[pagina 144]
| |
Zijn vrouw begreep volkomen wat er aan de hand was, maar zo lang zij haar wandeling kreeg was zij niet van plan zich door iets of iemand te laten afleiden. Nu zij keek naar de bergtoppen onder de laag hangende lucht leek het haar zelfs beter om de wandeling te ondernemen met iemand die ter plaatse bekend zou zijn. Alsof sergeant Ross had gevoeld dat er over hem gesproken werd, kwam hij achter de portierswoning vandaan, de politiehond Bruce aan een riem naast zich. Hij was een onopvallende, wat oudere man, die iets van de stugheid bezat die ook Douglas Macgoullie eigen was. ‘We hadden het juist over u, sergeant Ross. Ik stelde voor dat Douglas ons zou begeleiden op een wandeling en we wilden ook u daarvoor uitnodigen.’ ‘Mij best, meneer, mevrouw’, zei de sergeant brommerig. Hij wachtte gelaten tot Douglas zich in een ander pak zou hebben gestoken en volgzaam liep hij met het gezelschap mee, de poort uit. Weldra had het groepje zich gesplitst: voorop Justus met Douglas Macgoullie en achter hen Celestine met sergeant Ross. Tegenover een dame liet de sergeant iets van zijn stugheid varen, want Justus hoorde tenminste af en toe het heldere lachen van Celestine. Douglas was zwijgzaam. Naar zijn mening had hij alles verteld wat van enig belang zou kunnen zijn en voorlopig had hij de hele zaak in handen gelaten van de vreemde Hollandse bezoeker mr. Reiziger. Het was een vrij inspannende wandeling, die steeds hoger voerde, langs bossen en beken, tot ze eindelijk op een pad kwamen dat paralel liep aan een vrij brede rivierbedding, waarin nu echter weinig water stond. ‘In de winter staat er meer water in,’ gaf Douglas als commentaar toen hij zijn metgezel zag kijken. ‘Dit is de beek waarin mijn meester de dood vond.’ | |
[pagina 145]
| |
Justus ging er niet op in, niet in het minst omdat hij al zijn adem nodig had voor de steile klim naar boven. Ze liepen nog een half uurtje door. De bomen werden spaarzamer en de omgeving kreeg een wijdsheid, die men daar beneden niet voor mogelijk zou hebben gehouden. Hier en daar stond nog een enkele boom in de rotsachtige grond, maar voor het overige was het landschap kaal en verlaten. De grijze lucht gaf aan de sfeer iets drukkend en daarvan werd Justus zich nog meer bewust toen Douglas Macgoullie de arm uitstrekte en daarmee een cirkel beschreef. ‘Revoan Pas’. Hier dus was de oude Angus Grant de dood in gegaan. Justus begon langzaam te lopen, de omgeving bestuderend en tenslotte bleef ook Douglas stil staan. Opnieuw wees hij, nu naar de bijna droge beek. ‘Hier vonden we zijn lichaam.’ Justus ging zitten op een rotsblok langs het pad, haalde de zakdoek uit zijn zak en wiste zich de transpiratie van het voorhoofd. Hij zag dat Celestine en sergeant Ross enkele tientallen meters waren achtergebleven en slechts langzaam naderbij kwamen. Hij keek rond. Ze waren hier nog een behoorlijk eind van het hoogste punt af en daar, naar beneden gaande, vier mijl verder, moest dus Roglechynach liggen, waar Grant senior een nieuwe waakhond had willen kopen. Voorwaar een flinke wandeling voor iemand die zo oud was. Opnieuw viel het Justus op hoe slecht de aanduiding 'pas bij dit stuk bergen paste. Hij had zich deze pas voorgesteld als een engte tussen de wanden van twee hoog opgaande bergen, maar dit was breed, meer een weg tussen twee andere en afzonderlijke, links en rechts staande bergkammen. Celestine en sergeant Ross waren nu vlak bij en toen de | |
[pagina 146]
| |
politieman de twee mannen naderde had hij zijn ‘dienstgezicht’ weer opgezet. Hij hielp Celestine galant bij de laatste stappen, tot zij zuchtend neerstreek op het rotsblok, naast Justus. Ze dankte Ross met een gracieuse nijging van het hoofd. ‘Dank u wel, meneer Ross, dat was een hele klim.’ En naar Justus: ‘Meneer Ross kent deze hele streek ook al op zijn duimpje en hij heeft er me heel interessante dingen van verteld.’ Justus knikte en bleef de omgeving opnemen. Douglas was blijven staan en Ross stond vlak achter hem. ‘Is het aan de andere kant van de pas precies als hier? Ik bedoel: is het daar ook eerst rotsig en kaal en komen er gaandeweg meer bomen, tot bij het dorp?’ ‘Aan de andere kant staan veel minder bomen’, zei Ross vlug. Nu mevrouw Reiziger hem het predikaat van alwetendheid over de streek verschaft had, wilde hij dit ook waardig tonen. ‘En het lichaam van Angus Grant werd ongeveer op deze hoogte in de beek gevonden?’ Met zijn ogen mat Ross de afstanden, voor hij vast antwoordde: ‘Dat moet inderdaad hier zijn geweest. Met Bruce was ook ik bij dat onderzoek betrokken, maar de hond kon weinig uitrichten. Ten eerste werd hij iets te laat gehaald, de smeltende sneeuw gaf hem weinig kans en ten slotte wist men niet precies waar hij naar zoeken moest.’ ‘Acht u het waarschijnlijk dat het lichaam over een grote afstand is versleept, nadat de slagen waren toegebracht die Grant senior tot bewusteloosheid brachten? Altijd aangeno- | |
[pagina 147]
| |
men dan natuurlijk dat er zoiets als een overval is geweest, wat de politie niet schijnt aan te nemen.’ ‘Die is er zeker geweest,’ zei Douglas Macgoullie fel. ‘Maar dan is er toch geen sprake geweest van een gevecht,’ zei Ross rustig. ‘Is hij overvallen daar tussen de bomen, beneden, dan zouden juist daar nog bloedsporen moeten zijn geweest, want sneeuw onder bomen smelt minder vlug, als de zon komt.’ ‘Hij kan hier overvallen zijn’, wierp Douglas tegen. ‘Dat kan hij niet.’ De twee mannen draaiden zich om naar de constaterende stem van Justus Reiziger, toch wel even verrast. ‘Dat kan hij niet’, herhaalde Justus. ‘Als hij hier zou zijn overvallen zouden er wel degelijk sporen van een worsteling zijn geweest, want dan zou Angus Grant zich verzet hebben. Hij had zich helemaal op dat verzet kunnen instellen, want hij zag zijn overvaller naderen.’ Zijn hand wees een wijde cirkel in het rond, zoals Douglas even eerder gedaan had. ‘Het uitzicht is hier onbelemmerd. Bovendien is het doodstil. Ten derde: er is hier geen enkele plaats om iemand te verbergen, zodat de overval evenmin bij verrassing kan zijn uitgevoerd. Naderde er iemand over de top, dan had Angus hem van verre kunnen zien komen; iemand die van achter hem naderde zou hij hebben gehoord’. ‘Ergo...,’ zei sergeant Ross droog. ‘Ergo, er is géén overval gepleegd en de dood van Angus Grant was inderdaad, zoals de politie zegt, het gevolg van een ongeluk. Ik kan mij best voorstellen dat iemand van zijn leeftijd hier uitglijdt, nadat hij moe is geworden van de klim. Of de overval werd gepleegd door iemand die Angus Grant zeer goed kende, zodat hij zich niet op verweer instelde. De oude man had toch zware verwondingen?’ | |
[pagina 148]
| |
‘Voor zover ik mij herinner wel’, zei Ross, die niet begreep waar de Hollander nu weer heen wilde. ‘Juist,’ zei mr. Reiziger slechts. Ditmaal was ook Celestine een en al oor voor de verdere conclusies, maar precies als de twee wachtende mannen moest ook zij haar nieuwsgierigheid bedwingen. Ze kende deze plotselinge zwijgzaamheid van haar man; deze betekende dat hij op weg was naar een ontdekking, maar dat hij voor zichzelf eerst volkomen zeker moest zijn, voor hij die zou uitspreken. Ze stond op en sprak de wens uit om ook nog het laatste gedeelte, tot waar de berg het hoogst was, te bekijken. De mannen waren graag bereid haar de zin te geven en zo legde het groepje mensen de afstand af naar boven. Revoan Pas liep zeker niet over de hoogste berg in deze omgeving, maar toen zij boven waren hadden zij een prachtig uitzicht over het landschap, met diep beneden het dorp Roglechynach, dat eens het reisdoel was geweest voor Angus Grant. Sergeant Ross had gelijk gehad: hier stonden minder bomen dan aan de andere kant van de pas en het uitzicht was zelfs wijdser dan daar. Justus bekeek dit alles en toen zij enige tijd zo gestaan hadden draaiden ze zich om en aanvaardden ze de terugtocht. De afdaling ging sneller, maar de plotselinge moeilijkheden waren groter en Justus bleef nu meer in de buurt van Celestine om haar, tegelijk met sergeant Ross, de helpende hand te bieden als zulks nodig was. Ross zowel als Macgoullie waren opgeleid in discipline en zij stelden geen vragen, al was vooral aan Macgoullie te zien dat hem dit moeite kostte. Hij was ten slotte de man geweest die tegen alles in was blijven volhouden dat de dood van Angus Grant niets te maken had met een ongeluk en na zijn gesprekken met mr. Reiziger had hij in hem al zijn vertrouwen gesteld, | |
[pagina 149]
| |
een vertrouwen dat nu beschaamd werd door de zwijgzaamheid van de Hollander. Hij was echter niet van plan te tonen hoe gekwetst hij was en als een spoorzoeker liep hij voor het groepje uit, naar beneden. Er werd nog weinig gepraat. Het was met een zucht van welbehagen dat Celestine zich na deze wandeling kon neerlaten op de stoel op het terras, naast het tafeltje dat gedekt was voor de thee. Het was half vijf en het grijze namiddaglicht omsloot de bergen. Celestine en Justus genoten beiden van de verse thee die Roslyn bracht en na twee kopjes gleed mevrouw Reiziger bijna onmerkbaar over in een sluimering en Justus zag dat welwillend aan. Hij had een verse sigaar opgestoken en het was heerlijk zo te zitten op het terras, temidden van de stilte. De wandeling had ook hem vermoeid, maar het was een gezonde vermoeidheid, die samenhing met lichaamsbeweging en frisse lucht. Als daar niet de problemen waren geweest van twee doden en een verborgen schat, dan zou dit inderdaad de uitgezochte plaats zijn om te genieten van een vakantie. Maar de problemen konden niet weggeredeneerd worden en diep in zijn hart was Justus er blij mee om ze los te laten. Celestine werd even na zes uur wakker en verbaasd keek ze om zich heen, tot ze het vergenoegd glimlachende gezicht van Justus zag. Ze stond op om zich te gaan verfrissen en uitgerust en opgewekt als altijd kwam ze om half zeven naar beneden, naar de eetkamer, waar het diner geserveerd was. Door de bewolkte hemel werd het iets vroeger donker dan de vorige dagen, maar in de zitkamer was het rustig en goed. Manhaftig nam Celestine de draad van haar correspondentie weer op en Justus verdiepte zich opnieuw in het album van Angus Grant. Dit waren de dagen voor het verzamelen van gegevens, hoe langzaam het ditmaal, dank zij de uitzonderlijk- | |
[pagina 150]
| |
heid van het geval, ook ging. Justus was ervan overtuigd dat al deze kleine deeltjes waarheid op het eind zouden samenvallen tot een duidelijk leesbaar patroon en om dat te bereiken waren er alleen wat intelligentie en geduld nodig, vooral geduld, tot alle opgespaarde wetenswaardigheden in de hersens elkaar in een verblindende flits zouden raken. Dit moest gebeuren, maar Justus was er niet op voorbereid dat zulks al enkele uren later zou geschieden. Ze waren niet te laat naar bed gegaan. Celestine had twee brieven geschreven en langzaam had Justus nog eens het album doorgelezen, in de hoop dat ergens plotseling het antwoord zou liggen op een vraag. Celestine had hem herinnerd aan een van de uitspraken toen ze, zuigend op het einde van haar vulpen, had gevraagd hoe die uitspraak ook weer luidde van ‘die Amerikaanse dominee’. Het was het citaat uit Emerson, dat luidde: ‘De mens is een stroom, waarvan de bron verborgen is’. ‘Ik wil een goed indruk maken op de familie Nieuwlandt,’ zei ze ondeugend. ‘Een paar diepzinnigheden uit het verre Schotland, rondgestrooid in een huis-, tuin- en keukenbrief, kunnen voor professor Nieuwlandt geen kwaad.’ ‘Maar deze is niet Schots,’ protesteerde Justus zwak. ‘Het is in ieder geval diep’, zei Celestine overmoedig. Daar moest Justus aan denken toen hij in bed lag. Er waren genoeg andere merkwaardige citaten in het album opgenomen en hij had ze allemaal gelezen, maar deze was in zijn hersens blijven haken. Na het album had hij nog, zoekend naar enige lektuur tot Celestine met haar laatste brief klaar zou zijn, het puzzleboekje voor kinderen doorgekeken, dat nog steeds op het tafeltje lag. Inderdaad kinderwerk, voor een puzzle-grootmeester als Angus Grant. Lanzamerhand dreef Justus | |
[pagina 151]
| |
Reiziger nu naar de slaap toe, terwijl zijn hersens weigerden dit naar vergetelheid glijdende lichaam te volgen. ‘De mens is een stroom, waarvan de bron verborgen is.... De mens is een stroom... Een stroom....’ Justus draaide zich op de andere zij en probeerde de zeurderige regel uit zijn gedachten te zetten, maar als ongenode gasten bleven de woorden terugkeren. ‘Een stroom... de bron... stroom... bron... De mens is een verborgen en stromende schat... Verborgen...! Met een schok ging Justus overeind zitten, want nu was er in zijn hersens dat kleine kortsluitinkje ontstaan van op elkaar dringende mogelijkheden. In het donker trok hij zijn reis-pantoffels naar zich toe, greep naar de zaklantaarn op het kastje en voorzichtig, ervoor zorgend Celestine niet te wekken, ging hij naar beneden, de trap af. In de zitkamer ontsloot hij het schrijfbureau en op het blad lag nog dichtgeklapt het album, dat nu al het onderwerp was geweest van zovele gedachten en zo veel verschillende speculaties. Justus zocht de bladzijde op waarop het citaat van Emerson stond en las de woorden nog eens aandachtig over. Zoals hij al zeker had geweten stonden hier de woorden: ‘verborgen bron’. Het was het enige citaat in het boek, voor zover hij wist, waar dat woord ‘verborgen’ in voorkwam en àls Angus een aanwijzing had willen geven in deze pagina's, dan was het misschien wel hier. Bestond er een verborgen bron in de omgeving? Een bron die misschien verborgen was gewéést en die hij, tezamen met zijn drie zoons misschien, had ontdekt? Dit was een mogelijkheid die alleen kon worden getoetst aan de realiteit als Willie of Andrew Grant hier zouden zijn om inlichtingen te geven en het verdroot Justus dat hij daar dan op zou moeten wachten, terwijl de oplossing in dat moment van opwinding en opluchting zo nabij had geschenen. | |
[pagina 152]
| |
Hij liet de ogen gaan langs de andere zinnen op de pagina. De bladen van dit boek hadden een niet al te grote omvang en het grote schrift van Angus Grant vulde ze snel. ‘Zich over niets verbazen, dat is de grondslag van een gelukkig leven’, was het volgende citaat, dat volgens de tussen haakjes geplaatste naam afkomstig was van Horatius. Wijze Horatius, dacht Justus. Uit Tagore had Angus Grant de wijsheid vernomen ‘Ik raak van mijn pad en ik ga dwalen, ik zoek wat ik niet kan krijgen, ik krijg wat ik niet zoek’. Dit citaat gaf nieuw voedsel aan de veronderstelling, dat op deze pagina wel degelijk iets moest verborgen liggen, want nu al was weer sprake van zoeken. De twee laatste zinnen stonden vrij dicht bij elkaar. De eerste was: ‘Man is a stream, a sorrow’ en de tweede: ‘Man is a sorrow’. Naar alle waarschijnlijkheid had Angus Grant dit zelf bedacht, want er stond geen naam van een schrijver of denker bij en bovendien leken deze zinnen te veel op de eerste, boven aan de pagina, om enige originaliteit te doen veronderstellen. Nu hij het beter bekeek verbaasde dat Justus. Grant senior was er de man niet naar om zo maar te gaan spelen met de woorden van een ander, zonder daarbij zelf iets nieuws te ontwikkelen. Peinzend keek Justus neer op deze pagina. In zijn binnenste was Justus er nu van overtuigd dat hij de sleutel tot de verborgen schat binnen zijn bereik had en het was nog slechts een kwestie van logisch denken, nu. Hij deed de lichten in de zitkamer aan, greep uit het kistje op de tafel een sigaar en begon langzaam de kamer op en neer te wandelen, voor zichzelf de woorden mompelend. Hij was nu klaarwakker en gespannen. Al wandelend vielen zijn ogen op het kinder puzzle-boek en hij greep ernaar. Deze handeling sloot de cirkel om het geheim van het boshuis. | |
[pagina 153]
| |
Celestine begreep niet geheel waarom Justus de volgende ochtend om zes uur al het reiswekkertje naast het bed had laten aflopen, want toen ze haar gedachten had verzameld herinnerde zij zich dat ze pas om elf uur in Aviemore moesten zijn. Bovendien zag ze door de ramen, waarvan Justus de gordijnen opzij had geschoven, dat alle sombere weersvoorspellingen van de vorige dag in vervulling waren gegaan en dat het regende. ‘Maar Justus’, zei ze bestraffend en nog wat slaperig naar de figuur bij het raam, ‘is dit een uur om een van haar vakantie genietende vrouw te wekken?’ ‘We gaan een schat opgraven’, zei Justus vrolijk. Dat nam haar laatste restje slaperigheid weg en langzaam ging ze overeind zitten in het bed. ‘Je wilt toch niet zeggen, Justus...’ ‘Dat is precies wat ik zeggen wil. Kleed je aan en kom mee.’ Al was Celestine het dan niet altijd eens met de hang naar geheimzinnigheid, die haar man kenmerkte, op ogenblikken als deze, zo vlak voor een oplossing, ging ze helemaal op in zijn enthousiasme, zoals ze dat in de voorbije jaren altijd gedaan had. Ze kleedde zich aan en volgde Justus naar de zitkamer, waar haar man naar het open geslagen album greep. ‘Eerst koffie’, besliste ze. De koffie kwam. En de uitleg van Justus eveneens. ‘Gisteren heb ik uitgebreid met Willie Grant van gedachten gewisseld over de schat van Aros Killee. Daarbij werd opnieuw vastgesteld, dat Angus Grant dan wel erg gesloten mocht zijn geweest, de laatste jaren van zijn leven, maar ondanks alles hield hij van zijn kinderen en dat blijkt ook wel | |
[pagina 154]
| |
uit de aantekeningen in dit boek. Zijn vermogen was voor die kinderen bestemd en hij was bepaald niet van plan om geld en effekten in de handen van vreemdelingen te laten valle[n]. Toch kon hij dus anderzijds geen weerstand bieden aan zijn hobby voor puzzles en dus besloot hij een vrij onschuldig grapje uit te halen met zijn zoons, die - weer volgens Willie Grant - die puzzelwoede nooit hebben kunnen volgen en die, openlijk of bedekt, in hem afkeurden. Hij zou ze dus dwingen om te puzzelen, als ze tenminste de erfenis wilden hebben. Goed. Dit alles impliceert dus mede, dat als hij zijn zoons enige kans wilde geven, hij ze een puzzle moest opgeven die voor hen oplosbaar was. De oplossing kon dus niet liggen in de filosofische werken, waarnaar de laatste jaren eveneens een groot deel van zijn liefde was uitgegaan, want hij wist dat zijn zoons nauwelijks lazen. Ook dat vertelde Willie mij, maar zonder het zelf te weten gaf hij mij bij datzelfde gesprek de sleutel in handen voor de oplossing’. Justus greep naar het GROTE KINDER PUZZLE BOEK, dat Willie Grant uit de muurkast had opgediept. ‘Dit is het boekje, waarmee Angus Grant de belangstelling van zijn zoons voor puzzles heeft proberen te wekken, tevergeefs overigens. Anderzijds zijn het echter de enige puzzles, die zij samen gedaan hebben en toen ik het boekje vannacht zag liggen gaf mij dat het beslissende idee. Een van deze kinder-puzzles dus - nogmaals, de énige die de gebroeders Grant kenden! - was tot basis genomen voor het geheim van Aros Killee. Ik heb ze een voor een bekeken en op de inhoud van dit boek toegepast en tegen het einde van het boekje stootte ik op deze opgave. Luister: ‘Oude en wijze tovenaars in de oudheid begrepen, dat in de magische namen die aan mensenkinderen bij hun geboorte werden gegeven, iets bezwerends lag. Je kunt dat merken aan | |
[pagina 155]
| |
de namen die in vroeger tijden aan Chinezen- en Indianen-kinderen werden gegeven, zoals het Chinese meisje dat “Geurende Lotus” werd genoemd, in de hoop dat de tederheid van de naam in het latere leven van het meisje tot uiting zou komen, of zoals “Springend Luipaard”, met welke naam een Indiaans jongetje kracht werd voorspeld’ ...Phhtt... wat een stijl... Daarmee wilde Angus Grant zijn kinderen boeien!... ‘Het samengaan van twee mensenkinderen echter gaf ook een versmelting van hun namen en de tovenaars trachtten uit die versmelting de toekomst voor beide kinderen te voorspellen. Dat kunnen jullie ook, jongens en meisjes! Probeert het maar eens. We nemen een jongen die PETER BROWN heet en een meisje dat MARY FAVOR werd genoemd. Zet beide namen onder elkaar en streep de letters, die in beide namen voorkomen, tegen elkaar weg. Zo: ![]() PETER BROWN Nu houden jullie twaalf niet doorgestreepte letters over, nietwaar? Trek daar één af en wat is dan de elfde letter van het alfabet? Juist, de K. Nu mag je zelf uitkiezen wat de toekomst voor deze twee kindertjes verborgen houdt: een kruisje? een kluis? Probeer het maar eens met je eigen naam en die van je vriendjes en vriendinnetjes.’ ‘Een leerzaam spelletje’, zei Celestine vrolijk, toen Justus zweeg. ‘Daar leer je tenminste het alfabet mee.’ ‘Voetnoot voor de geachte opvoeders: dit is een spelletje van Ierse jongelui, vooral de meisjes, die op deze manier wilden zien wat de liefde voor hen in petto had. Nou, dat is dan heel opwindend en dat vond zelfs David Grant, die het hier, onder | |
[pagina 156]
| |
aan de pagina, in bijna verbleekt potloodschrift heeft geprobeerd met de naam van Roslyn Macgoullie, of misschien deed Roslyn het, ik weet het niet.’ ‘Wat was de uitkomst?’ vroeg Celestine prompt. ‘Vijftien. De letter... o.’ ‘Dat geeft vele mogelijkheden. Overmoed, Onmacht...’ ‘Of onwijs, er is veel keus. Het bewijst overigens dat dit spelletje tot de verbeelding sprak. Nu nemen we het album. Naar mijn gevoel worden we door het eerste citaat subtiel gewezen op het feit, dat op deze bladzijde iets verborgen ligt. Het woord “verborgen” wordt er gebruikt. Op dit citaat wordt onder aan de pagina in twee zinnen geparafraseerd. En als we hetzelfde spelletje doen als hier in dit boekje, dan krijgen we dit resultaat: ![]() LIFE IS A STREAM, A SORROW Uitkomst: het woord “stream,” stroom, heel letterlijk vertaald. Aantal letters: zes. Min één: vijf en dat is de letter e, maar hoe hard ik ook gepeinsd heb, daar heb ik geen touw aan kunnen vastknopen. Misschien betekent het iets, dat er in totaal ook vijf zinnen op deze pagina staan, weer het cijfer vijf dus. Ik heb het spelletje met die twee laatste zinnen gedaan, omdat het wel een betekenis móét hebben, dat ze juist op deze pagina en op zichzelf vrij zinloos worden gebruikt. Is men, na het doorlezen van dit boek, overtuigd van alle diepzinnigheden die erin zijn opgeschreven, dan neemt men maar al te gauw aan dat àlles een diepe betekenis moet hebben, waarvoor diep moet worden nagedacht. Maar nuchter | |
[pagina 157]
| |
bezien stellen deze twee laatste mededelingen weinig voor en bovendien zijn ze rechtstreeks gestolen van Emerson en ik verdenk Angus Grant echt niet van plagiaat.’ ‘En wat wil je met dit alles bewijzen?’ ‘Celestine, ik ken maar één stroompje, dat min of meer tot dit huis hoort. Het behoort tot het ingenieuze systeem van riolering en toen ik de eerste avond, min of meer op jouw verzoek, het hele huis van boven tot onder heb bekeken, zag ik ook dat stroompje. Vannacht, na dit alles te hebben bekeken, ben ik er opnieuw geweest. Ik zal je de reis besparen en je precies zeggen hoe het er uit ziet: de kelder is een flink gewelf, dat onder het hele huis doorloopt. De buizen van het water in de keuken, de badkamer en dergelijke komen uit in een geheel bemetselde grot en zij lozen hun inhoud in de aftakking van een beek, die onder het huis door loopt. Je kunt de waterstroom zien als je een zwaar en gegrendeld luik open maakt en toen ik er die eerste keer mijn zaklantaarn in liet schijnen, viel me onbewust al een eigenaardigheid op: schuimbellen in het snel voortstromende water en in mijn onderbewustzijn had ik daaraan de conclusie verbonden, dat deze schuimbellen waren opgewekt door een voorwerp buiten, een of ander obstakel. Het woord “stream”, stroom nog steeds, is belangrijk. Dat is punt één. De enige hier voorhanden zijnde stroom loopt onder het huis. Het zou kunnen dat zich daarin een obstakel bevindt, maar dan buiten het huis. Waarom niet, gerekend van de buitenmuur van het huis af, vijf meter de tuin in, stroomopwaarts, of vijf stappen’. ‘Of vijf yards’, zei Celestine droog. ‘We zijn tenslotte nog aan de Angelsaksische kant van de wereld.’ Ze was nogal sceptisch gestemd ten aanzien van de uiteen- | |
[pagina 158]
| |
zetting van Justus, maar een puzzle naar het hart van Angus Grant was het wèl, dat moest ze toegeven. ‘Als je me nog een kopje koffie geeft ga ik daarna kijken of Douglas Macgoullie al op is, dan kunnen we meteen zien of er enige waarheid in mijn nachtelijke kaartenhuis zit’, zei Justus goedgehumeurd. Het kopje koffie kreeg hij en daarna vond hij inderdaad Douglas Macgoullie, want de lange Schot was er niet de man naar om zijn ochtenden te verslapen, te minder nu hij rustelozer was geworden omdat de aanwezigheid van sergeant Ross de nachtelijke strooptochten onmogelijk maakt. Hij opende de deur van de portierswoning toen hij mr. Reiziger in een haastig omgeslagen regenjas zag naderen. Het regende kennelijk al enige uren en de hevigheid van de bui was nu afgenomen, al bleef het water vallen. ‘Komt u binnen. U bent er al vroeg bij. Er is toch niets gebeurd?’ ‘Nog niet’, zei Justus raadselachtig, terwijl hij het kleine halletje in stapte. Ik kwam alleen vragen of je een spade hebt.’ ‘Een schop? Maar natuurlijk...’ Langzaam kwam er begrip op het sombere gezicht van Douglas en om zijn smalle lippen verscheen een verwachtingsvolle glimlach. ‘U hebt toch niet...’ ‘Dat is precies wat ik wilde gaan uitzoeken, Douglas. Ik denk dat ik de plaats van de schat ontdekt heb, maar stel je daar niet te veel van voor. Een beetje graafwerk kan geen kwaad en als blijkt dat ik mij vergist heb, dan bevind ik mij in goed gezelschap. De hele familie Grant heeft al pogingen gewaagd en dit is mijn eerste stap...’ Douglas greep een cape van de kleerstandaard in de hoek | |
[pagina 159]
| |
van het halletje en ging met Justus naar buiten. Achter het huis stond een kleine schuur vol landbouw- en andere gereedschappen en Douglas zocht een spade uit. ‘Waar moet er gegraven worden?’ ‘Het is nogal ingewikkeld om het allemaal uit te leggen, Douglas. Je weet dat er onder het huis een riviertje stroomt, of de aftakking daarvan. Weet je waar het vandaan komt?’ ‘Van de bergen. Enkele tientallen yards voor het boshuis splitst het zich en van de splitsing die langs Aros Killee loopt is weer een aftakking gemaakt. Ik heb er zelf nog aan meegewerkt.’ ‘Goed zo, dan weet je dus ook hoe het water ongeveer loopt. Ik wil gaan graven vijf meter of yards of passen stroomopwaarts, te rekenen van de buitenmuur. Of te rekenen van de plaats waar de lozingspijpen in de kelder uitkomen, dat weet ik nog niet precies.’ Ze liepen samen de tuin in en na een ogenblik nadenken liep Douglas om het huis heen en hij bleef even in de regen staan kijken. Justus zag Celestine om het huis heen en hij bleef in de regen staan kijken. Justus zag Celestine voor het raam van de zitkamer staan en wuifde haar nog eens toe. ‘Hier moet ergens een luik zitten,’ zei Douglas plotseling. ‘Een luik?’ ‘Dat is misschien het woord niet. Ongeveer daar...’ - Douglas wees naar een plek in de tuin, die volgens de haastige schatting wel vier of vijf meter van de buitenmuur kon liggen, volgens Justus - ‘hebben we de bocht moeten maken en dat kon alleen door de boel open te graven. De metselaar uit Aviemore vond het beter om er een soort stenen putdeksel te maken, voor het geval er zich eens ongerechtigheden op die kromming zouden vasthaken en zo een verstopping of iets | |
[pagina 160]
| |
dergelijks zouden veroorzaken.’ Hij deed een paar stappen. ‘Hier moet het ergens zijn.’ ‘Graven’, gebood Justus kort. Douglas dreef de spade de grond in. De bodem was hier vrij hard en en stevig en dat was het des te meer geworden door het gras dat er groeide. De twee mannen zwegen, terwijl Douglas, enorm in zijn zwarte cape, werkte. De regen bleef vallen en het ochtendlicht was grijs en mistroostig. De kilte was Justus in de botten gedrongen, toen Douglas inderdaad na ongeveer twintig minuten een cementen putdeksel blootlegde. Hij trok de scherpe onderkant van de spade langs de afsluitende randen, om het zand eruit te verwijderen en toen hij daarmee klaar was keek hij op naar Justus. De regen op zijn gezicht mengde zich met de transpiratie. ‘Laten we proberen het samen open te trekken.’ Het gat was niet diep, nog geen halve meter. Midden in het deksel zat een grote ijzeren ring en de twee mannen grepen die vast. Ze trokken met al hun kracht en merkwaardig snel gaf het deksel mee. Niet dat het zo licht was, verre van dat. Terwijl ze nog trokken uitte Douglas een korte kreet. Onder aan het deksel bengelde een ijzeren ketting, vastgemaakt op de plaats waar de ijzeren ring in het cementen oppervlak was geklonken. Toen ze het deksel verder omhoog hieven rees ook de ketting. Ze legden het deksel in het gras en grepen naar de ketting. Langzaam kwam die onder hun handen naar boven. Het einde was vastgemaakt aan een kleinere ijzeren ring, een ring die geklonken was in een niet te grote, ijzeren kist. Zij keken elkaar aan toen zij de kist vasthielden. ‘De schat’, zei Douglas fluisterende met een stem vol verbazing en ongeloof. ‘Dat ziet er naar uit,’ zei Justus droog. | |
[pagina 161]
| |
Ze droegen de kist naar het schuurtje bij de woning van Douglas, maar voor de Schot een steekbeitel zette in de kist droeg Justus hem kalm op sergeant Ross te gaan waarschuwen. Als dit inderdaad de schat van Aros Killee was, dan was het beter dat de kist werd geopend onder de ogen van de wet. Toen drie kwartier later de inhoud zichtbaar werd was de opwinding van sergeant Ross nauwelijks in overeenstemming met zijn waardigheid van officiële getuige. ‘Dat laat ons nog twee problemen over’, zei Justus. Hij zat aan het stuur van de Hillman en reed voorzichtig de dalende, modderige weg af naar Aviemore. Het was kwart over tien en de regen viel nog steeds en de ruitenwissers maakten zoevend hun halve manen op de voorruit. Naast Justus zat Celestine en, krap op de achterbank samengedrongen, Roslyn en Douglas Macgoullie en sergeant Ross, de hond Bruce aan zijn voeten. Na zijn opwinding bij het open gaan van de kist en het zien van de nette pakjes bankbiljetten en effekten, was hij nu zwijgzamer dan ooit, alsof hij zich schaamde. Roslyn en Douglas zwegen eveneens, verdiept in hun eigen gedachten. Het meisje had maar weinig gezegd over de opzienbarende vondst en toen ze naar het huis waren gekomen om het heugelijke nieuws aan Celestine te vertellen èn om zich te verwarmen aan een kopje koffie, had Roslyn, die hen bij de deur opwachtte, alleen maar kort gezegd dat ze hun bemodderde voeten moesten vegen en verder niets. Met een even schuin gehouden hoofd had ze geluisterd naar het bijna stotterend gegeven verhaal van haar vader en daarna was ze, zonder iets te zeggen, naar de keuken teruggegaan om voor het ontbijt te zorgen. De kist rustte nu tussen Justus en Celestine in, op de vloer van de Hillman. Op zich was het een voorwerp van curieuze constructie. Het buitenste omhul- | |
[pagina 162]
| |
sel was ijzer en binnenin was een voering van dun lood aangebracht. Bankbiljetten en effekten waren gewikkeld in geolied linnen en al waren ze klam, van echte vochtigheid was geen sprake. Angus Grant had zijn erfenis keurig verzorgd. Hoeveel uren had deze vreemde oude man besteed aan het verbergen van zijn schat, louter en alleen omdat hij hield van puzzles en het zijn zoons niet al te gemakkelijk wilde maken? Hier lag een ander mysterie, dat verder weinig met de zaak te maken had, maar dat zo boeiend was als het mysterie van ieder ander mensenleven. ‘Blijft nog ter oplossing over: de dood van Angus Grant en die van zijn zoon, David Grant. ‘Er is nog maar één probleem’, kwam de stem van Douglas Macgoullie achter uit de auto. ‘Het zien van Revoan Pas, gisteren, bracht me op de gedachte dat mijn meester best een ongeluk kan hebben gehad en zo niet, dan heeft de dader zijn gerechte straf al ondergaan.’ ‘Vader!’ riep Roslyn scherp. Verbaasd luisterde Justus, maar nu hij al zijn aandacht nodig had bij het manoeuvreren van de Hillman deed hij er het zwijgen toe. Douglas had zich na zijn mededeling eveneens teruggetrokken in zwijgzaamheid en zo legden zij de rest af, van de weg naar Aviemore. In het stadje dirigeerde sergeant Ross hem naar het politiebureau, want het was afgesproken dat zij hun vondst daar zouden deponeren en meteen verslag zouden uitbrengen aan inspecteur Wood. De inspecteur was er echter niet en omdat het tegen elven liep gingen ze naar de overkant van het pleintje, naar het gemeentehuis. Hier stonden diverse bewoners van Aviemore bij elkaar, want de coroners inquest had nieuw voedsel gegeven voor de spraakmakende gemeente en gebeurtenissen als deze waren zeld- | |
[pagina 163]
| |
zaam. Nieuwsgierig keken de mannen en vrouwen, die de regen trotseerden, naar de nieuw aangekomenen en nadat zij in de Reizigers buitenlanders hadden herkend ging vooral naar hen de belangstelling uit. De inquest werd gehouden in wat waarschijnlijk bij normale gelegenheden de raadszaal was. Het was een niet zo grote ruimte, waarin het licht binnen viel door twee zijramen. Voor in de zaal stond een tafel met enkele stoelen, rechts de zetels voor de jury en over de breedte van het zaaltje banken voor de getuigen en andere deelnemers aan deze gebeurtenis. De ruimte voor het publiek was geheel gevuld en hoewel niemand hardop sprak hing er een roezige sfeer. Er liepen mensen rond, aan een tafeltje waren twee verslaggevers in gesprek, stadhuisboden, voor ditmaal omgedoopt in deurwaarders, waren druk doende plaatsen aan te wijzen. De Reizigers werden voorlopig naar een zijzaaltje gebracht, waar ze ook Willie Grant aantroffen. De makelaar leek neerslachtiger dan gisteren, maar iets van de gespannenheid had hem verlaten. Justus vroeg zich af of hij hem zou opvrolijken met zijn mededelingen over de gevonden schat van Aros Killee, en juist toen hij aan dat voornemen gevolg wilde geven werd hij op de schouder getikt door inspecteur Wood, die vergezeld was van de even tevoren spoorloos verdwenen sergeant Ross, nu zonder zijn eeuwige metgezel, de hond Bruce. ‘De sergeant heeft me in korte lijnen zijn rapport uitgebracht. Gefeliciteerd met dit resultaat, mister Reiziger! Ik had het niet voor mogelijk gehouden, eerlijk gezegd, dat u in een zo korte tijd de schat zou vinden. U moet me er na de inquest maar eens alles van vertellen en dan kunnen de gebroeders Grant het ook meteen horen. Zullen we afspreken, direct ná de inquest op mijn bureau. Misschien kunnen we | |
[pagina 164]
| |
tot zo lang het grote nieuws verborgen houden. Eén ding tegelijk, is mijn stelling. Bent u het met mij eens?’ ‘Natuurlijk. Is er intussen enige reden om ook u te feliciteren met resultaat in úw onderzoek?’ ‘Nog niet,’ gromde de inspecteur. Hij verdween tussen de groepjes mensen en hoezeer Justus het betreurde, Willie Grant moest nog even in het onzekere blijven over het fortuin dat hem in de schoot was gevallen. De makelaar had het gesprekje tussen Justus en James Wood even afgewacht en nu kwam hij naar de Hollander toe, intussen een mapje uit de zak trekkend. ‘Goedenmorgen, meneer Reiziger. Ik heb uw foto's eindelijk ook, alstublieft.’ Justus nam ze in dank aan en had ze graag willen bekijken, maar daarvoor liet Willie hem de kans niet. Nog voor hij echter toekwam tot de penibele vraag over de gevonden erfenis werd Justus een leugentje bespaard omdat de inquest begon. Met grote belangstelling zag Justus dit onderzoek tegemoet, want beroepshalve - al had hij dan dat beroep vaarwel gezegd - ging zijn interesse sterk uit naar dit juridische Engelse systeem, waarmee hij nu voor het eerst van zo dichtbij kennis maakte. Hijzelf was in dit alles een belangrijk medespeler en hij werd als eerste getuige binnengeroepen. Het zaaltje was helemaal vol, tot aan de nok, leek het wel. Waarschijnlijk had het nog nooit zoveel mensen bevat en de stadhuisbode had enige moeite hem door het gedrang te loodsen, tot bij de tafel van de rechters. Het spel van vraag en antwoord, waaraan hij zelf zulke diep-beleefde jaren van zijn leven had gewijd, nam een aanvang.
‘U bent Justus Reiziger...’ - de beheerste Engelse stem | |
[pagina 165]
| |
sprak langzaam de voor Engelse tongen zo moeilijke naam uit - ‘rechtsgleerde.’ ‘In ruste.’ ‘U was aanwezig in het perceel dat hierna zal worden genoemd Aros Killee, zijnde de naam van de woning, eens het eigendom van Angus Grant?’ ‘Inderdaad, Edelachtbare.’ ‘Mogelijk kunt u dan in uw eigen woorden vertellen wat er in de nacht van zaterdag op zondag aldaar gebeurde en hoe u met die gebeurtenissen in kennis kwam.’ Justus vertelde het, duidelijk, zonder te moeten zoeken naar woorden. Bijna twee weken waren ze nu in Engeland en met het gebruik van de taal had hij nu geen moeite meer. Hem werd af en toe een vraag gesteld, die aan zijn verhaal richting gaf. ‘Ik dank u zeer. U kunt gaan zitten.’ Justus ging zitten op de achterste rij banken en kon zo het geheel overzien. Zijn plaats voor de tafel werd ingenomen door Celestine en in zijn hart bewonderde Justus de wijze, waarop zijn vrouw zich waardig en snel door de vragen heen werkte. Hij was trots op haar. Toen ze naast hem zat legde hij zijn hand op haar arm en drukte even bemoedigend. Vrijmoedig keek Celestine rond. Er was kennelijk enig oponthoud voor de volgende getuige verscheen en Justus herinnerde zich plotseling weer de foto's. Voorzichtig trok hij het mapje uit zijn binnenzak en heimelijk bekeek hij zijn werk. Het mocht er zijn. De laatste opnamen die hij gemaakt had golden het incidentje met de verkeerd geparkeerde auto op het pleintje in Inverness en de voetafdrukken, die hij gevonden had in de omgeving van Aros Killee, na de moord op David. In stilte verkneukelde hij zich om de foto van de ern- | |
[pagina 166]
| |
stig kijkende politieagent, die Celestine aan het verstand bracht dat op die plaats niet geparkeerd kon worden. Voor dit tafreeltje was juist genoeg ruimte geweest tussen de uit het station komende mensen en op de foto stonden nog juist de gezette man en de juffrouw met de koffer, tussen wie hij de foto had gemaakt. ‘Waarom grinnik je zo?’ fluisterde Celestine. ‘Straks’, fluisterde Justus terug. Haastig stopte hij de foto's weer in zijn binnenzak en zijn aandacht werd weer bepaald tot de flitsende vragen en antwoorden, die weer begonnen waren. ‘U bent de echtgenote van de overledene, mevrouw Pamela Grant?’ Een woordeloos knikje, gegeven door een kleine, in het zwart geklede vrouw. ‘Onze deelneming gaat naar u uit in deze droeve uren en wij betreuren het dat wij u enkele vragen moeten stellen. Wij zouden graag van u vernemen hoe deze zaterdag verliep.’ ‘Hoe...? Gewoon.’ Een kleine, kinderlijke stem. ‘Is uw man de hele dag in het hotel geweest?’ ‘Ja.’ ‘Daar bent u zeker van?’ ‘Het moest wel, want we zitten midden in het seizoen en het hele hotel is vol. Nog steeds.’ ‘Het zou u direct zijn opgevallen als hij er niet was?’ ‘Nee, niet misschien direct, maar toch wel na een vrij korte tijd.’ ‘Weet u ook hoe laat uw man weg ging?’ ‘Dat zal rond half twaalf geweest zijn.’ ‘Wist u waar hij heen ging?’ | |
[pagina 167]
| |
‘Nee. Hij zei dat hij een stukje om ging... dat hij nog een afspraakje had... hij lachte er zelfs bij...’ Even leek het of de stem zou breken in een snik, maar de vrouw vermande zich. ‘We kunnen nu aannemen dat hij naar Aros Killee ging. Ging hij daar wel meer heen, voor zover u weet?’ ‘Hij ging 's avonds vrij dikwijls weg, maar hij zei me nooit waar hij heen ging.’ ‘Is u op deze zaterdag niets bijzonders opgevallen?’ ‘Nee. Davie was vrolijk, opgewekt, als u dat iets bijzonders noemt.’ ‘Noemt ú het iets bijzonders?’ ‘Och...’
‘U bent Roslyn Macgoullie, oud negenentwintig jaar, zonder beroep?’ ‘Ja.’ ‘Hoe werd u op de hoogte gesteld van de gebeurtenissen op Aros Killee?’ ‘Ik werd gewekt door mr. Reiziger, die als gast op het boshuis verblijft en hij toonde mij het lichaam. Toen ik het gezicht gezien had herkende ik Davie Grant.’ ‘Herkende u hem direct?’ ‘Ja.’ ‘Hebt u hem de laatste maanden voor zijn dood nog gezien?’ ‘Enkele keren, ja.’ ‘Waarom?’ ‘Wij kenden elkaar al van jongs af.’ ‘Is het waar dat de overledene ooit het plan heeft gehad met u in het huwelijk te treden?’ | |
[pagina 168]
| |
‘Dat is waar, maar ik zie niet in wat dit met zijn dood te maken heeft.’ Dit was nieuws voor Justus en hij boog naar voren om geen woord te missen. ‘Wij willen duidelijk maken waaróm u de overledene al na één blik kon herkennen’, zei de ondervrager kalm. ‘De politie schijnt als een van de redenen van de dood van David Grant ook een crime passionnel niet uit te sluiten, al is dit inderdaad een zaak die niets met deze inquest te maken heeft. U kende David Grant dus goed. Wat was de reden voor zijn bezoeken aan Aros Killee?’ ‘Hij had net zo veel recht als zijn broers om daar te komen,’ zei Roslyn fel. ‘Dat recht betwijfelen wij niet, maar de vraag luidt anders. Mijn vraag is waaróm hij kwam.’ ‘De erfenis van Angus Grant was zoek en hij zocht ernaar. Precies als zijn broers.’ ‘Kwamen de broers ook wel om die redenen naar Aros Killee?’ ‘Dat kunt u hun beter zelf vragen.’ Justus was verbaasd, ten eerste om de wending die de ondervraging nam en ten tweede om de houding van Roslyn. Hier stond een zelfbewuste, jonge vrouw, die te duidelijk trachtte de dode David Grant te verdedigen, iets waar diens eigen echtgenote niet aan toe was gekomen. ‘Wat deed u nadat u met de dode geconfronteerd was?’ ‘Op verzoek van mr. Reiziger ging ik naar het hotel om van daaruit de politie te waarschuwen.’ ‘Waarschuwde u de politie?’ ‘Nee. Dat is gebeurd door de superintendent van Inverness, MacDonald, die toevallig in het hotel logeerde.’ | |
[pagina 169]
| |
Op zijn beurt kwam de superintendent vertellen welke situatie hij op het boshuis had aangetroffen, Donald Macgoullie werd geroepen om het zijne te vertellen en tenslotte verscheen inspecteur James Wood en na hem de arts die de lijkschouwing had verricht. ‘De dood trad in door een zware verwonding aan de achterzijde van de schedel, zegt u?’ ‘Ja. Als wij aannemen dat de bijl...’ De stem kabbelde voort en Justus luisterde. Het was warm geworden in het zaaltje. Buiten scheen het nog steeds te regenen, want het licht achter de ruiten bleef egaal grijs. De verslaggevers schreven, het pubiiek, wat ongeduldig geworden door de medische technische termen, luisterde. Nog hoogstens een half uur en het zou afgelopen zijn. Aan een van de zij-ingangen ontstond wat gedrang en een bode maakte ruimte voor een late bezoeker. Justus keek in die richting. Een gezette man doemde achter de bode op en met een soepelheid, die men in zo'n groot lichaam niet voor mogelijk zou hebben gehouden, bewoog hij zich door de mensen. Hij deed enkele stappen de zaal in en het pubiiek achter Justus, dat in de nieuw aangekomene weer iets opwindends had ontdekt, fluisterde de naam. De naam ging van mond tot mond. De gezette man had zijn plaatsje gekregen en ging kalm zitten. Justus was er nu zeker van dat het nog regende. De gezette man had zwarte rubber overschoenen aan en de paar stappen die hij op de tegels gezet had lieten een modderig spoor na, naar de zij-ingang. Justus Reiziger staarde ernaar. Hij was er nu, al kijkend naar de rustig zittende man, ook zeker van dat hij iets zeer bijzonders zag. Hij zag namelijk de moordenaar van David Grant. | |
[pagina 170]
| |
‘En dit’, zegt Justus Reiziger, terwijl hij gemakkelijker gaat zitten in zijn oude leunstoel, ‘bewijst voor mij de stelling dat er niets, hoe onbetekenend ook, in de wereld voorvalt, dat als een op zichzelf staand feit is te beschouwen. De geringste menselijke daden vormen, zoals ik zei, schakels in oneindig lange ketens. In onze belevenissen op Aros Killee was dat wel zeer in het oog springend, eenvoudig al door de gebeurtenissen op zich. Immers, hier was niet één daad gesteld, maar werden wij geconfronteerd met dríé gebeurtenissen, ieder een afgerond geheel vormend, maar toch wel zeer duidelijk deel uitmakend van een keten. Qua gebeurtenissen hadden we te doen met: de dood van Angus Grant, diens verborgen erfenis en de dood van David Grant, zijn zoon. Na mijn verhaal is je duidelijk in hoeverre zo oppervlakkig al direct met elkaar verbonden waren: door de dood van Angus Grant was de kwestie van diens erfenis aan de orde gekomen en al zoekend naar die erfenis vond David Grant de dood. Dat is de eerste, oppervlakkige samenhang. De keten van gebeurtenissen is echter veel langer. Dit hele drama rust op kleinigheden uit één enkel mensenleven: de belangstelling voor puzzles, die Grant senior reeds als kind gehad moet hebben - en welke merkwaardige trek van zijn voorouders vond hier een dergelijke voortzetting in het kind Angus Grant? - verschafte hem het min of meer kinderlijke plezier de plaats, waar hij zijn schat verborgen had, aan te duiden, te omkleden met een vrij kinderlijke puzzle, wat wel moest omdat anders zijn zoons te weinig kansen zouden hebben bij het zoeken. Ik zeg: min of meer kinderlijke plezier, want geheel kinderlijk was dit genoegen van de puzzle nu óók | |
[pagina 171]
| |
weer niet. De geest waarin het verbergen van de schat gebeurde was gevormd door de gebeurtenissen van vele jaren en zij waren bitter, verre van kinderlijk in ieder geval. Langzaam ontstond er tussen vader en zoons die verwijdering, die het de oude man bijna onmogelijk maakte om zonder meer geld en goed, in een heel leven verzameld, af te staan aan zijn zoons. Ook in de manier waarop hij zijn erfenis beschikbaar stelde wilde hij afstand scheppen tussen hem en zijn nazaten, een afstand, geschapen door zijn eigen geest. De verwijdering was zó groot, dat er een buitenstaander nodig was om de schat te vinden. De oude Angus Grant wist anderzijds maar al te goed hoezeer tenminste één van zijn zoons op de erfenis zat te azen. Die ene was David Grant, een, zoals uit mijn verhaal wel is gebleken, wat zwak en wankelmoedig man, die in geldnood zat. In het begin verdacht Douglas Macgoullie hem ervan zijn vader, mede om dat geld, te hebben vermoord. Die verdenking kon zijn ingegeven door de afkeer die Douglas van David had gekregen omdat deze naar zijn zin te veel aandacht schonk aan Roslyn. Die verhouding tot Roslyn is merkwaardig. David was vier jaar ouder dan het meisje en van kleins af kenden zij elkaar. Tijdens de coroners inquest kwam plotseling naar voren, dat David Roslyn eens ten huwelijk heeft gevraagd of heeft willen vragen. Dat was een mededeling met houvast, maar iets van deze jeugdige verhouding was mij al eerder duidelijk geworden. Daar was HET GROTE KINDER PUZZLE BOEK, waarin òf David òf Roslyn het letterspelletje hadden gedaan. Op een bepaalde manier is Roslyn tegen David blijven opzien, ook nadat hij getrouwd was met een ander. Hij trouwde met deze ander ook al, omdat èn Angus Grant èn Douglas Macgoullie het verschil in maatschappelijke stand | |
[pagina 172]
| |
tussen deze twee te groot achtten; Roslyn heeft me dat zelf verteld. Anderzijds blijft zij erop staan, dat er van een liefdesverhouding tussen hen geen sprake is geweest. Bij onze eerste ontmoeting op de ochtend na de moord, zei inspecteur Wood mij, dat David zich, naar de mening van de inspecteur, niet zo veel moeite zou gegeven hebben ten opzichte van Roslyn Macgoullie, wanneer hij geen succes zou hebben. Maar wat is dan succes? Roslyn ontkent een verhouding, die het woord “succes” van inspecteur Wood zou rechtvaardigen. Toch - en hier spreekt weer inspecteur Wood - draaide David al maanden 's nachts rond onder het raam van Roslyns kamertje. En dat alles zonder “succes”?’ Bij deze opsomming buigt de toehoorder zich gespannen naar voren, want het is ook hem duidelijk dat de bejaarde advocaat na deze argumentatie tot een climax zal komen. ‘David Grant en Roslyn Macgoullie hebben samen Angus Grant vermoord!’ ‘Hoe is dit nu mogelijk? Ik herinner mij dat Douglas Macgoullie, op weg naar de coroners inquest in Aviemore, zelf al twijfel uitsprak aangaande zijn voorgaande mededelingen over de dood van Angus.’ ‘Hetgeen voor mij juist een reden te meer was om eerder in moord dan in een ongeluk te geloven. Dougals Macgoullie was niet dom, verre van dat. Tijdens de eerste wereldoorlog was hij bij de militaire politie, onder andere in Egypte en Arabië, als ik je even daaraan mag herinneren. Hij begon te vrezen tot welk een conclusie ik zou kunnen komen en daarom wilde hij mijn aandacht van de dood van Angus Grant, zijn meester, afleiden. Ik moet mij sterk vergissen als hij niet tot deze conclusie kwam op precies hetzelfde ogenblik als ik. Dat was op de Revoan Pas. Bij het zien van dit land- | |
[pagina 173]
| |
schap trof het mij als een van de meest opvallende merkwaardidheden, dat het er zo open, zo wijds was. Ik merkte op dat Angus, vooruit kijkende, iedereen heeft kunnen zien naderen, dat het er zo stil was dat hij iemand achter zich zou horen en meteen zou zien als hij zich omdraaide en dat er vrijwel geen plaats was om zich te verstoppen, om zo de oude man onverwacht aan te vallen. Dit is juist. Dit alles zou Angus hebben gezien als er één overvaller was geweest. Maar als er eens twéé waren, twee mensen die Angus Grant kende, van wie er tenminste één geen enkel wantrouwen in hem zou oproepen, bij een ontmoeting op de Revoan Pas? Zo en niet anders moet het gebeurd zijn: één persoon kwam, als bij toeval, Angus Grant tegemoet. Terwijl het gesprek - dat de aandacht van de oude man afleidde en bovendien de geluiden van sluipende, achter hem komende voetstappen dempte - werd gevoerd, kreeg de tweede man in het komplot de gelegenheid om zich achter Angus Grant op te stellen en hem te verwonden. Zoals je je zult herinneren had Angus Grant zijn voornaamste verwonding opgelopen aan het achterhoofd. Dat is vrijwel onmogelijk, als één overvaller zich tegenover de oude man had gesteld, immers, dan waren er zware verwondingen toegebracht aan het gezicht, in ieder geval aan de vóórzijde van Angus. Kortom: het kon niet anders of twéé mensen hadden zich tegen Angus Grant gekeerd.’ ‘David en Roslyn...,’ herhaalt de toehoorder zacht. ‘Zij en niemand anders,’ zegt de advocaat. ‘Op Revoan Pas kreeg ik het idee voor het eerst en de ontdekking werkte als een katalysator. Er zetten zich nieuwe kristallen waarheid om vast en wéér waren het kleine gebeurtenissen. Ik heb je in het begin uitgenodigd om de enscenering van de misdaad te zien als een enkel, uit een lange speelfilm geknipt beeldje. | |
[pagina 174]
| |
Volgens mijn stelling moest dat beeld ook openlijk of bedekt alle elementen bevatten, die een schrander opsporingsambtenaar nodig heeft om de voorafgaande ter zake dienende beeldjes uit de film te reconstrueren en de enig juiste motivering voor de daad met zekerheid aan te wijzen. We nemen dus het beeldje waarop de dood van Angus Grant voorkomt. De schrandere opsporingsambtenaar, in dit geval inspecteur James Wood uit Aviemore - en vergis je niet, hij wàs vrij schrander! - begon aan de hand daarvan zijn reconstructie. Hij vroeg zich af wie de spelers uit de voorgaande beeldenreeks konden zijn en hij ging na wat zij op de dag van het “ongeluk” deden: David was nog vóór zes uur 's morgens uit zijn huis vertrokken, lunchpakket bij zich en volgens zijn verklaring werkte hij op de golflinks; Macgoullie was in het bos bezig met houtzagen, met de oude Stephen Moody, Andrew heeft op 23 maart klanten bezocht in Pitlochrie en Blair Atholl, Willie tenslotte bezocht met enkele gegadigden een perceel in Beauly. Je ziet het, op alle spelers was gerekend, allemaal hadden ze een alibi, waarvan dat van David - en dat geeft iedereen toe - het zwakste was. Op bijna alle spelers gerekend, want de opsporingsambtenaar had het niet de moeite waard gevonden om de gangen na te gaan van Roslyn Macgoullie, want van haar is nergens sprake. Hebben we eenmaal vastgesteld dat de overval op Angus Grant moet zijn uitgevoerd door twee mensen, dan is de combinatie Roslyn - David het meest voor de hand liggend. Roslyn moest de oude man ophouden, hem aan de praat houden, om David de gelegenheid te geven de gevaarvolle tocht over de bergen te ondernemen. David zégt dat hij op de golflinks is geweest, maar niemand heeft hem daar gezien. Anderzijds kon niemand bewijzen dat hij er níét geweest is. Tot het bewijs, via de schakels die ik je daarjuist | |
[pagina 175]
| |
noemde, werd geleverd door dat éne woord van Roslyn Macgoullie. Alleen om dat ene woord niet te moeten horen trachtte Douglas Macgoullie mij dit onderzoek te doen staken.’
Zij zaten bijeen op de kamer van inspecteur James Wood, een groepje verslagen, bedroefde mensen: Willie Grant en zijn broer Andrew, die toch nog verschenen was, Douglas Macgoullie en zijn dochter, Justus Reiziger en Celestine; achter het bureau zat inspecteur James Wood, en òp de schrijftafel stond het kistje met daarin de schat van Aros Killee. Het was allemaal nog vrij opgewekt begonnen. De uitspraak na de inquest had tot somberheid gestemd, want de uitspraak was, zoals te voorzien: David Grant werd gedood door bijlslagen. Moord. Onder de indruk daarvan waren ze stil naar het politiebureau gewandeld, want daartoe had inspec-Wood met hen allen een afspraak gemaakt. Al bij het betreden van de niet al te grote kamer hadden Andrew en Willie het ijzeren kistje op de tafel gezien en dat had, ondanks alles, hun stemming doen omslaan. Ze begonnen opgewonden door elkaar te praten en Justus had het met een vage glimlach aangehoord. Inspecteur Wood had het daarbij even gelaten, maar toen verzocht hij om stilte en toen die er eindelijk was richtte hij tot mr. Reiziger het verzoek om uiteen te zetten, hoe hij de schat had ontdekt. Justus had het kinderboekje bij zich gestoken en aan de hand daarvan legde hij de weinig ingewikkelde formule uit. Voor alle aanwezigen, behalve Celestine, was dit groot nieuws en er werd dan ook gespannen geluisterd. ‘Bravo,’ zei de inspecteur, toen Justus uitgesproken was. | |
[pagina 176]
| |
‘Dat is kranig werk, van het gedegen, bijna ouderwets geworden soort.’ ‘Het was dan ook een ouderwets probleem,’ zei Justus bescheiden. ‘Met een oplossing die u bepaald geen windeieren zal leggen,’ beloofde Willie Grant breed. ‘Uiteraard zullen we de afwikkeling van het testament eerst moeten regelen, maar zo te zien zal er dan meer dan voldoende overblijven. Eindelijk nu ook het legaat voor jullie, Macgoullie!’ Ze keken naar Douglas, die rechtop en zwijgend naast zijn dochter zat. Justus had het kinderboekje doorgegeven en hij zag dat Roslyn het nu in de hand had en ze keek naar haar naam, die op dezelfde bladzijde in bleek potloodschrift onder die van David prijkte. Ze was bleek. ‘Wel een legaat, maar het huis niet, Roslyn,’ zei Justus Reiziger. De woorden drupten in de stilte en iedereen wendde de ogen nu weer naar hem, maar Justus bleef kijken naar Roslyn. De hand van het meisje, die het boekje vasthield, trilde. ‘Het huis?’ vroeg Willie verbaasd. ‘Aros Killee? Dat kunnen we nu verkopen. Na alles wat er gebeurd is stel ik op het bezit van Aros Killee geen prijs.’ ‘Maar Roslyn wel,’ zei Justus. ‘Roslyn beschouwt Aros Killee als háár huis, nietwaar Roslyn? Een van mijn stellingen is dat futiliteiten, daden honderd maal per dag verricht, woorden tientallen keren per dag gezegd, dikwijls de sleutels vormen waarmee men kan doordringen tot grotere en veel belangrijker daden. Om te weten dat Roslyn Macgoullie Aros Killee beschouwt als haar huis behoeft men haar slechts één dag in het Boshuis mee te maken. Voor mijn vrouw bijvoorbeeld was het na die ene dag een openbaring te zien dat | |
[pagina 177]
| |
er ook nog dienstpersoneel bestond als Roslyn, zo toegewijd, zo verzonken en overgegeven aan het werk. Vrouwen zien eerder dan mannen hoe een huis onderhouden wordt en Celestine vestigde mijn aandacht op de smetteloze kamers, de voorraden in een maanden lang onbewoond huis. Roslyn gedroeg zich niet als een dienstmeisje, maar als een gastvrouw in haar eigen huis. Ze sprak van ‘mijn keuken’, ze gaf een schrobbering als iemand met zijn bemodderde voeten op háár vloer stapte. Woorden, tientallen keren per dag gebruikt. Bij en in dit huis was zij opgegroeid en bijna had ze erin kunnen wonen als haar vader en Angus Grant zich niet hadden verzet tegen een huwelijk met de jongste zoon, David. Daar ontging haar de kans meesteresse te zijn op Aros Killee, zoals ze dat in haar hart al was. Er kwam echter nog een kans en dat was toen David alles op haren en snaren zette om de verborgen schat van Aros Killee te vinden. Roslyn vertelde me zelf dat zij daar samen over gesproken hebben en het gaat alleen over de mate van de wederzijdse interesse. Roslyn zegt dat er geen sprake was van enige liefdesverhoudingen tussen haar en David. Ik geloof haar. Het past bij haar persoonlijkheid dat zij, eens afgewezen, nimmer meer in enige liefdesverhouding tot David wil staan. Toch was David er dikwijls. David was bezeten door de schat. Samen spraken zij over de schat, waarvan zij, Roslyn, toch niets zou krijgen. Tenzij David haar voor haar hulp bij het zoeken - want wie kon beter en vrijwel zonder onderbreking zoeken, wie anders dan Roslyn Macgoullie die de hele dag in het huis was? - iets had beloofd. Beloofde hij het huis, Roslyn? Roslyn had het boekje in de schoot laten zakken en had met gebogen hoofd geluisterd naar de zorgvuldig uitgesproken woorden van Justus Reiziger, de man die uit het verre Holland was gekomen om hier haar | |
[pagina 178]
| |
geheim te ontsluieren. Zij antwoordde niet, ontkende niets, zat slechts roerloos. ‘Dat huis moet wel een bijzondere aantrekkingskracht voor je hebben, als je daarvoor David zelfs wilde helpen Angus Grant te vermoorden.’ Het hoofd kwam met een ruk omhoog, onder de fel geuite protesten van Willie en Douglas Macgoullie. Onder de voorgaande woorden van Justus waren ze blijven zwijgen, verbaasd, ongelovig, maar naar hun idee ging deze vreemdeling nu te ver, veel te ver. ‘Oh, het spijt me, maar nu ben ik daar meer dan ooit van overtuigd. Weet u, àls Angus Grant is vermoord kan hij onmogelijk door één man vermoord zijn,’ zei Justus kalm en hij zette daarvoor zijn argumentatie uiteen. Alle aanwezigen, op Roslyn na, luisterden gespannen. ‘Roslyn heeft niet ontkend dat er een soort afspraak bestond tussen haar en David, waarbij zij in het bezit zou komen van het huis en hij, David, in het bezit van de erfenis van zijn vader. Als dat zo is kan alleen deze reconstructie van de dood van Angus Grant juist zijn.’ ‘Het is waar’, zei inspecteur Wood in de korte stilte, waarin iedereen had gewacht op een protest, een verdediging van Roslyn, die echter nimmer kwam: ‘Voor de dood van Angus was alleen het alibi van David zwak, maar wij konden alleen wijzen op die zwakte en trachten bewijzen in zijn nadeel te vinden. Die bewijzen waren er niet, alleen vermoedens.’ ‘Die vermoedens hoorde ik het eerst uitspreken door Douglas Macgoullie. Bij hem waren het meer dan vermoedens alleen want hij, als kenner van deze omgeving en als trouwe medewerker van de laird, kon weten dat Angus nooit zo, door een ongeluk, kon overlijden. Toen wij vanmorgen hierheen reden krabbelde hij wat terug, omdat hij tot dezelfde conclu- | |
[pagina 179]
| |
sie was gekomen als ik, al kon hij ook vanmorgen nog niet zijn haat tegenover David geheel beheersen.’ Justus zweeg even. Iedereen keek weer naar Roslyn. Het meisje zat nog steeds roerloos en zij probeerde zelfs niet de tranen, die uit haar ogen drupten, weg te vegen. Ze was verslagen. Haar mond bewoog, maar lange tijd kwam er geen geluid uit. Toen hoorden ze het ene woord, zacht, verstikt, verdedigend en uitdagend tegelijk. ‘Ja... ja... ja...’
‘Dat was’, zegt Justus Reiziger, ‘het beeld in de kamer van inspecteur James Wood, zomaar een kale kamer op een politiebureau van een klein Schots stadje, in de regen. De inspecteur deed geen martiale poging om haar ter plaatse te arresteren, want hier was geen plaats voor heldhaftigheid, voor brede gebaren en luide kreten. De oude man was al vele maanden dood en nu was er een vreemdeling gekomen die met klinische, koude woorden, dat feit ontleedde. Ieder van de aanwezigen kende Roslyn Macgoullie, de een beter dan de ander; al konden ze misschien nog niet allemaal het begrip opbrengen om te bevatten wat dit meisje dreef. Het was een mengsel van gefrustreerde liefde, van haat tegen de omgeving waaruit zij was voortgekomen, haat ook tegen alles en iedereen die haar belet hadden te trouwen met de man, die haar op het Boshuis had kunnen brengen. Voor haar bestond als hoogst bereikbare in de wereld Aros Killee, het huis waarvoor zij jaren had gezorgd en dat een deel van haar zelf was geworden. Ja, een vat vol tegenstrijdige gevoelens, wensen, dromen, was dit meisje. Het maakt dit werk soms alleen maar moeilijker als je mensen als zij begrijpt, als het al te menselijke | |
[pagina 180]
| |
wezens voor je blijven en nooit worden tot de pekzwarte monsters, die vooral misdadigsters worden in de sensatiejournalistiek. Zoals zij daar zat was zij nog een van ons. En een van ons was ook de moordenaar van David Grant, die in dit zelfde kamertje zat en de onthullingen over Roslyn had aangehoord. Douglas was namelijk niet de enige geweest, die er in zijn hart van overtuigd was dat de oude Angus door David was vermoord. Ik geloof zeker dat iedereen daarvan overtuigd was, inclusief inspecteur Wood. Ook de moordenaar van David was ervan overtuigd. Voor ik met mijn verhaal begon heb ik niet bij toeval gesproken over de draad die door de misdaad loopt, als over een reeks beeldjes uit een speelfilm. Een dergelijk beeldje, zij het niet uit een film, bracht namelijk de identiteit van de moordenaar van David Grant aan het licht. Ik heb gezegd dat, wat er op zo'n filmbeeldje staat, voor de scherpzinnige beschouwer voldoende moet zijn om de voorgaande beeldjes te kennen. De beschouwer moet echter scherpzinnig genoeg zijn om te zien wat en wie er níét op dat beeldje voorkomen, hoewel hij weet dat zij een rol spelen. De opvallende àfwezigheid van mensen en dingen kan soms net zo welsprekend zijn als de áánwezigheid daarvan. En ik moet toegeven dat inspecteur Wood in dat opzicht wel heeft gefaald.’
‘Zo vond Angus Grant dus de dood,’ zei Justus in het nu benauwd geworden kamertje van inspecteur Wood. ‘We weten het nu en de jammerlijke details zullen zeker wel aan het licht komen. Vaag heeft ieder van u wel vermoed dat David Grant erbij betrokken was. Hij had een zwak alibi, hij zat in | |
[pagina 181]
| |
geldnood, hij had de wankelmoedige persoonlijkheid die van sommige mensen misdadigers maakt. Ik kom nu op een terrein dat u beter bekend is dan mij: dat van de bloedwraak. In het begin heb ik deze factor proberen uit te schakelen, omdat die niet paste in het raam van rationeel denken. Maar als het om moord gaat denken bijzonder weinig mensen rationeel, moest ik daarna toegeven en ik moest denken aan de uitspraak van een landgenoot-kriminoloog, die de mens die doodt vergelijkt met een ketel die ontploft. Zo vele irrationele gevoelens hebben tot die ontploffing bijgedragen en waarom, zo vroeg ik mij af zou dit niet - of júíst niet - zo zijn in een land als Schotland, waar, naar ieder mij verzekerde, nog zo veel leeft van spook- en andere verhalen en, als ik het zo noemen mag, primitieve gevoelens? Een Hollandse advokaat is geneigd om onder die laatste eveneens te rangschikken de bloedwraak, al ben ik dan, tijdens mijn korte verblijf hier, daarvan iets meer gaan begrijpen. Het komt mij voor dat dit samenhangt met uw stelsel van clans met hun dikwijls bloedige en in ieder geval krijgshaftige geschiedenis. Men heeft mij willen doen geloven, dat David Grant aan die bloedwraak ten offer is gevallen, want in de filosofie der clans is het blijkbaar zo, dat de ene dood moet worden gewroken met een andere. Zoals de inspecteur al vast stelde was de kring van verdachten voor de moord op David Grant beperkt. Voor die vaststelling ging hij niet uit van bloedwraak, maar van de omstandigheid dat alleen iemand, die ter plaatse volkomen bekend was, de moord zo kon hebben gepleegd. Iedereen met ogen in het hoofd moest de inspecteur daarin gelijk geven. De aanwezigheid van de bijl kon alleen aan ingewijden bekend zijn, de manier om, zonder iemand te wekken, het huis | |
[pagina 182]
| |
te betreden, eveneens. Dit beperkte dus de mogelijke daders tot Willie Grant, Douglas Macgoullie en Roslyn, aldus de inspecteur en hij wilde zelfs Douglas in voorarrest stellen. Dat dit niet is gebeurd sterkt mij in de overtuiging, dat ook inspecteur Wood er tenslotte van overtuigd is geraakt dat Douglas die nacht stropende doorbracht en dat is ook wel gebleken, neem ik aan, uit het onderzoek met Bruce, de politiehond. Naar mijn overtuiging was Roslyn bijzonder geschokt toen ze de dode David zag, zo zeer, dat haar reactie haar van iedere schuld wat die moord betreft, uitsloot, voor mij. Willie Grant kon aantonen dat hij te voet naar Aviemore was gegaan, daar enkele klanten bezocht en ten slotte per trein naar Inverness vertrok. Dit alles liet de inspecteur nog weinig keus. Nemen we nu de omstandigheden waaronder David Grant werd vermoord. Hij werd neergeslagen in de kelder en daarna naar boven gebracht. Van deze merkwaardige handelwijze gaf Douglas mij een plausibele verklaring. Hij wees erop, dat David, precies als zijn vader Angus, een zware wond in het achterhoofd had. Volgens de huisbewaarder zou de dader van plan zijn geweest om het lichaam van David, precies zoals dat van zijn vader, met het hoofd vast te klemmen tussen enkele rotsblokken, op de manier zoals de bloedwraak dat blijkbaar voorschrijft. Eenmaal het principe van de bloedwraak hebbende aangenomen, is het inderdaad zo verklaarbaar. Maar een dergelijke moord, zeker als het bloedwraak betreft, eist voorbereiding. De dader kon niet eeuwig in de kelder blijven zitten, in de hoop dat David ooit zou komen. Nee, David Grant werd naar Aros Killee gelokt. Nog geen uur geleden hoorden wij zijn weduwe verklaren, dat de laatste | |
[pagina 183]
| |
woorden van David Grant bij zijn vertrek uit het hotel waren: ‘Ik ga nog een stukje om... ik heb nog een afspraakje.’ Op het eerste gehoor nam ik als betekenis van die woorden aan wat u allemaal hebt aangenomen: de woorden van een ietwat verbitterd echtgenoot in een op de klippen gelopen huwelijk, die het niet kan laten zijn vrouw in kleinigheden te sarren. Maar is het zo vreemd als David Grant wèrkelijk een “afspraakje” had, een afspraak met zijn moordenaar in de kelder van Aros Killee?’ ‘Dit zijn veronderstellingen,’ wierp inspecteur Wood ietwat driftig tegen. ‘Ik moet toegeven dat het allemaal prachtig klinkt en dat het zo op het eerste gehoor allemaal sluit als een bus. Maar wij zijn onder de indruk van de inquest, van...,’ zijn hand wees vaag naar Roslyn, die het kinderboekje opgerold in de hand hield alsof dat nog haar enige steun was, nu, ‘maar het gaat te ver als we ons nu ook al gaan begeven in deze kaartenhuizen van kunstige argumentatie, die is gebouwd op futiliteiten.’ ‘Het zijn futiliteiten die sommige moordenaars aan de galg brengen’, zei Justus kalm. ‘Gewone dingen, onnadenkend gedaan.’ Hij haalde het mapje foto's uit zijn binnenzak en legde het op de tafel, de hand erop. ‘Hebt u de foto's bekeken, meneer Grant?’ ‘Nee’, schudde Willie. ‘Op weg naar Aviemore ben ik langs de fotograaf gegaan. Ik had geen tijd meer, om nog niet te spreken van de indiscretie.’ ‘Voor het merendeel zijn het de gewone vakantiekiekjes,’ zei Justus, zich nu weer tot het hele gezelschap wendend. ‘Zelfs het nemen van een foto'tje is soms de resultante van een kleine keten gebeurtenissen, overigens. Er zit namelijk een foto bij, genomen in Inverness. Ik had er mijn auto fout | |
[pagina 184]
| |
geparkeerd en was uitgestapt om geld van de bank te halen. Zonder er bij na te denken had ik mijn camera meegenomen. Bij mijn terugkeer zag ik een aardig tafreeltje, een agent, die mijn vrouw duidelijk maakte dat de Hillman daar niet mocht staan en mijn vrouw die de agent aan het verstand trachtte te brengen, dat zij daar op mij moest wachten, omdat ik haar en de auto anders in die vreemde stad helemaal niet meer terug zou kunnen vinden. Naar mijn gevoel was dit een onderwerp voor een foto, al kostte het enige moeite om die te maken. Er was juist een trein in het nabijgelegen station aangekomen en de reizigers spoedden zich naar buiten, in een lange, vrijwel ononderbroken stroom. Tussen haakjes, welke trein komt er rond twaalf uur 's middags zo vol in Inverness aan?’ ‘De express uit Aberdeen,’ zei Willie Grant prompt. ‘Dank u. Ik wachtte even tot ik een gaatje zag in de stroom en toen er een paar passen ruimte ontstond tussen een dame met een valies en een achter haar komende gezette man, maakte ik de foto. De afdruk is aardig geworden: de agent bij de auto, mijn vrouw uit het portierraampje en op de voorgrond links een gedeelte van de dame en rechts de gezette man.’ Justus wachtte en iedereen zweeg. De regen maakte kleine geluiden aan het raam. ‘Er zit nòg een foto in het mapje’, zei Justus. ‘Het is een foto van een voetafdruk, gemaakt door de moordenaar van David Grant, toen hij vluchtte. De afdruk van een rubberzool, met een bepaald patroon. Vanmorgen heb ik die afdruk opnieuw gezien: in het zaaltje van het gemeentehuis, waar de coroners inquest werd gehouden. Er kwam iemand binnen met bemodderde overschoenen aan en die lieten afdrukken achter op de tegels. Nee, niet zo scherp als in de vrij zachte | |
[pagina 185]
| |
bosgrond, maar toch herkenbaar. Het waren dezelfde afdrukken als die, welke waren achtergelaten door de moordenaar van David Grant.’ Justus Reiziger tilde langzaam zijn hand op van het mapje foto's en de aanwezigen keken gefascineerd naar deze beweging. Te lang had mr. Reiziger in de advokatuur gezeten om nu meteen maar afscheid te kunnen nemen van de kleine trucjes, die in een rechtszaal soms de stemming doen omslaan. ‘De moordenaar’, zei hij.
Geamuseerd kijkt mr. Justus Reiziger naar zijn toehoorder. ‘Heb je echt nog meer nodig, my dear doctor Watson? Dan ben je minder snel van begrip dan inspecteur Wood uit Aviemore, want die had het tenslotte toch al begrepen, nog voor ik uitgesproken was. Zoals ik je zei: hij had vergeten te kijken naar de ene man die nóóit op de beeldjes voorkwam. De ene man, die volgens de verklaringen ver van de plaats van de misdaad was, omdat hij, naar werd gezegd, uit diverse plaatsen zijn procuratiehouder beide, met opdrachten of verzoeken om inlichtingen. Maar een telefoon is een dood, registrerend ding en het registreert precies wat ik wil laten geloven. Als ik je opbel en zeg dat ik in Den Bosch zit, moet jij mij, als ondergeschikte, geloven, zeker als ik daarbij enkele opdrachten geef van winkeliers of wat dan ook, uit die fraaie stad. Maar is het zo moeilijk om enkele opdrachten op te sparen, van vorige reizen, om die te juister tijd te spuien, als men de indruk wil geven in Den Bosch te zijn? Stel je voor: een maand geleden ben ik op reis geweest en ik bezocht tien klanten, van wie er vijf opdrachten gaven. Drie geef ik er door. Twee weken later ga ik naar een heel andere plaats, | |
[pagina 186]
| |
maar ik bel op en zeg: ‘Ik zit in Den Bosch en meneer Zo-en-Zo wil dat hem direct dit gestuurd wordt en meneer Zus-en-Zo wil dat. Het zijn de opdrachtgevers van de eerste reis, maar de man die de telefonische opdracht opneemt kan dat onmogelijk weten. En als vlak daarna een rechercheur bij hem komt, zegt hij opgewekt: “Ja, mijn baas heeft me daarjuist nog uit Den Bosch gebeld, kijk maar, hier zijn de orderbriefjes.” Kan dat of kan dat niet?’ ‘Het kan, maar het is wel èrg sluw bedacht.’ ‘Iemand die een moord pleegt probeert zo sluw mogelijk te zijn, want zijn leven hangt er soms van af.’ ‘En de afdrukken van de schoen?’ ‘Nog eenvoudiger. De rechercheur, die braaf de orderbriefjes heeft bekeken, gaat naar het huis van de bijna-verdachte en vraagt diens maat schoenen. Ze blijken een maat kleiner te zijn dan de op de plaats van de misdaad gevonden afdrukken. Maar wat dacht je van overschoenen? Die behoren tenminste één maat groter te zijn dan de schoen zelf. De moordenaar trok ze aan om het geluid van zijn voetstappen te dempen èn misschien om enig misverstand te zaaien. Toen het regende en hij naar de coroners inquest moest trok hij ze doodgemoedereerd weer aan, deels uit onnadenkendheid misschien, deels uit overmoed.’ ‘Maar hoe kwam hij dan op Aros Killee?’ ‘Precies zoals Willie Grant er vandaan ging: per trein tot Aviemore, te voet naar Aros Killee. En het is inderdaad gebleken dat hij met David Grant een afspraak maakte in het Boshuis.’ ‘Maar hoe kwam hij er dan uit, na de moord?’ ‘De tragische “samenwerking” tussen David Grant en Roslyn Macgoullie is maar al te duidelijk gebleken. Van de deur van | |
[pagina 187]
| |
de bijkeuken waren maar twee sleutels: de ene roestige die naast de deur hing en de sleutel die Roslyn in haar bezit had. Maar ze had die lang genoeg afgestaan aan David om er een duplicaat van te maken. Op het lichaam van de vermoorde David werd dat duplicaat niet gevonden, maar de moordenaar had de sleutel wèl. Na de moord, toen hij volledig de tijd nam om zijn vingerafdrukken van de steel van de bijl te verwijderen, onder andere, doorzocht hij ook de kleding van David Grant en hij vond de sleutel. Iemand die met het slot op de hoogte was kon alleen zo snel verdwijnen. De moordenaar.’ ‘Maar hoe werd de moord dan gepleegd?’ ‘Simpel. De moordenaar maakte een afspraak met David Grant, in de kelder van Aros Killee die zij beiden kenden. Waarom in de kelder? Ook nogal simpel: de moordenaar wist dat David geen enkele gelegenheid voorbij liet gaan om naar de verborgen schat te zoeken. De moordenaar kwam binnen via de hem bekende ingang: het op het oog zo solide luik in de kelder, bij de waterloop. Hij verborg zich en wachtte. David kwam en begon te zoeken, in afwachting van de man die de afspraak maakte. Deze man was er al vele uren en hij liep in het huis rond, toen Celestine riep, in de veronderstelling dat ik op de bovenverdieping rondliep. Zoals ik al dacht verborg hij zich tot het vallen van de avond in de schuur, waar hij ook de bijl aantrof. In de kelder doodde hij David, hij, de oudste uit het geslacht Grant, die de dwingende noodzaak voelde om de bloedwraak te voltrekken. Hij, de man die volgens zijn telefoontjes aan zijn procuratiehouder op een geheel andere plaats moest zijn, was in Inverness, want daar fotografeerde ik hem, gewoon, onnadenkend, in een daad zoals wij er vele per dag stellen. Hij kwam uit de express uit | |
[pagina 188]
| |
Aberdeen en hij liep de stad in, omdat pas ruim een uur later het treintje ging naar Aviemore. Dit korte uitstapje werd hem noodlottig. Een simpele foto was genoeg om zijn lot te bezegelen.’ ‘Dus toch iemand van de clan Grant.’ ‘Natuurlijk. De moordenaar was de oudste zoon van Angus Grant: Andrew Grant.’Ga naar voetnoot+ |
|