Nijmeegse colleges
(1967)–Anton van Duinkerken–
[pagina 11]
| |
Calander en Charadrius1Wie leest in Der Naturen Bloeme, kan opeens getroffen worden door een verrassend bewijs van Maerlant's dichterlijk gevoel. Hij zal dit bijvoorbeeld vinden in de achttien regels uit het derde boek, die de calander-leeuwerik beschrijven. Ze gehoorzamen aan andere schoonheidswetten dan wij gaarne gesteld zien, doch de verdeling in een voorstelling (of: ekphrasis) van tien regels, waarin de dichter de aard van deze vogel uiteenzet, en een verklaring (of: hermèneia) van acht verzen, waarin hij zijn mededelingen toepast op het zedelijke leven, geeft aan de samenstelling van dit kleine dichtstuk vage overeenkomst met de toenmaals buiten ons taalgebied reeds bekende structuur van een sonnet. Die schijn verscherpt zich, als wij de beide gedeelten ontleden om te bevinden, dat het beginstuk uit twee kwatrijnen en twee toegevoegde verzen bestaat, het slotstuk uit twee terzinen met een clausuul van twee regels. Hierbij slaan deze onderdelen met fijne zinspeling op elkander terug, zodat de lyrische toon van de descriptio doorklinken blijft in de significatio. W.J.A. Jonckbloet trok uit dit korte fragment het gevolg, dat Maerlant nog jong geweest moet zijn, toen hij Der Naturen Bloeme dichtteGa naar voetnoot1. Zijn argument, voor hemzelf verzwakt door de bedenking, dat Maerlants idee van de liefde ontleend zou kunnen zijn aan de latijnse bron, wordt voor de latere lezers bekrachtigd uit de wetenschap, dat Maerlant juist in dit betrekkelijk uitzonderlijke geval zijn voorbeeld loslaat en in de hermèneia zelfstandig optreedt als een oorspronkelijke dichterGa naar voetnoot2. | |
[pagina 12]
| |
Hij volgt De naturis rerum van Thomas van Cantimpré, wanneer hij van de calander eerst vertelt, hoe die zoeter dan de meeste vogels zingt, ofschoon in een kooi; vervolgens, hoe de gevangenis weelde schijnt voor dit dier; eindelijk, hoe hij andere zangvogels nabootst. Maar hij verwijdert zich van zijn bron, als hij de vogel met de minnaar vergelijkt, die in de kevie van de liefde zijn gevangenschap niet voelt, doch zelfverloren enkel aan de liefde denkt en binnen de kerker van de minne zich opgenomen waant in het paradijs. Calendris dats die calander:
Soeter singhet cume enighe ander,
Ende dats die sake twi si staen
In gaiolen vaste ghevaen.
Nochtan dinct si vergheten al
Haren karker ende haer mesval,
Ende singhet altoes in der ghebare,
Als of haer ghevanghenesse wilde ware,
Ende conterfaet der voghelijn sanc
Altoes met hare kelen clanc.
Bi desen voghele machmen verstaen
Hem die met minnen es bevaen,
Dat een swaer karker es ende soete.
Cume hevet hi enighe moete
Om yet te pensen dan omme sanc,
Ende om feeste ende om spel ghemanc.
Der minnen karker geeft hi prijs,
Want et dinct hem een paradijsGa naar voetnoot1.
Een paradijs: dit woord herinnerde de lezer uit Maerlants dagen die vertrouwd zou zijn geweest met Maerlant's bron, aan de oorspronkelijke significatio bij Thomas Cantimpratensis, duidelijk toespelend op Philipp. III, 20: Nostra autem conversatio in coelis est. (Maar ònze omgang is in de hemel). Immers over de calander oordeelde de pater dominicaan: ‘hij beduidt in het bijzonder de vreugde, die de contemplatief reeds tijdens dit leven geniet, nu hij, zelden en nauwelijks zich van zijn ballingschap | |
[pagina 13]
| |
bewust, reeds vòòr de zoetheid van de (eeuwige) dag, volgens het woord van de apostel, omgang schijnt te hebben in de hemel’Ga naar voetnoot1. Thomas' calander-tekst is, omstreeks een kwart-eeuw na Maerlants vrije bewerking, uitgebreid in het duits vertaald door Hugo von Trimborg, van wiens Renner hij dertig regels in beslag neemt. ‘Swelch geistlich mensche is gotes galander’, verzekert de rector van Theuerstadt. Hij werkt dit denkbeeld uit door de sfeer van klooster, dormitorium, refter en cel boven de glorie van de wereld te verheffen. Tussen calander en monnik ontwerpt hij een nieuw punt van overeenkomst, immers de gekooide vogel vergeet uit zanglust honger en dorst gelijk de ingetogen religieus geen tongstrelende spijs begeert, doch liever vizioenen proeftGa naar voetnoot2. Vreemd genoeg komt deze nieuwe reden tot geestdrift in tegenspraak met een andere plaats uit Der Naturen Bloeme, waar de calander genoemd wordt. Dat is bij de behandeling van de merel, over welk dier Maerlant op gezag van den Experimentator, maar overeenkomstig de tekst van Thomas van Cantimpré, meedeelt, dat hij, gekooid, in strijd met zijn aanleg een vleeseter wordt, doch hierdoor mooier zingt dan hij in vrijheid deed. Ende, vervolgt Maerlant: dit selve sietmen volbringhen
Die lewerke ende die kalandere
Ende so menich vogel andereGa naar voetnoot3.
Naast elkaar worden hier als twee vogels van verschillende soort de leeuwerik en de calander genoemd, wat klopt met de afzonderlijke bespreking van de ‘alauda dat es die lewerke’ in het derde boek van Der Naturen Bloeme. Geldt de calander bij Maerlant voor een erotisch zinneteken, - de leeuwerik, morgenbegroeter en zonbejubelaar, krijgt lof, omdat hij laf schijnt, | |
[pagina 14]
| |
want hij laat zich liever vangen door een mens, die hem misschien nog eens de vrijheid gunt, dan door een roofvogel, die zulke genadigheid zeker niet kent. Verzinnebeeldt de calander de verliefdheid, de leeuwerik wordt een symbool van het gezond verstand!Ga naar voetnoot1. Wist Maerlant, dat een calander niets anders dan een soort leeuwerik is? Hoe zàg, hoe kende hij deze vogel? En waarom week hij af van de conclusie, door Thomas van Cantimpré getrokken? De laatste vraag kan moeilijk een afdoend antwoord verwachten, hoewel wij beginnen te beseffen, dat de middeleeuwse naverteller door welbewuste afwijking uit de voorstellingswijze van zijn voorganger een bijzondere zich-toeëigening van de verhaalstof scheen te beogen, dus minder een verbetering door de kritische rede dan een speelruimte voor de lustige verbeelding wilde bereiken. Het geestrijke artikel van Prof. Dr. A. van Loey over Maerlants behandeling der levensgeschiedenis van de heilige Gangulphus in de derde partie van de Spiegel Historiael kan ons in deze mening versterkenGa naar voetnoot2. In de Historie van Troyen staat de calander opgesomd onder de lenteboden, echter zonder de leeuwerik naast zich en in een verbinding met de nachtegaal, die vanouds aan de leeuwerik toekwam. Ende tyersten dat die winter ginc uyt,
Ende bome groyeden ende cruyt,
Dat van couden was bedwongen,
Entie vogelen scone songhen,
Merlen, lystren, wedewalen,
Callanderen, quackelen, nachtegalen,
Entie dornen begonden bloyen,
Ende die beemden scone groyen
Entie daghe waren claer,
Ghinghen sy te scepe daerGa naar voetnoot3.
| |
[pagina 15]
| |
Lentebode, dus liefdebode naast de papegaai is de calander in de Roman de la Rose van Guillaume de Lorris: Lors se deduit et lors s' envoise
Li papegàuz et la calendreGa naar voetnoot1.
Hein van Aken vertaalt deze passus, maar herstelt terloops het oude verband tussen leeuwerik en nachtegaal: Die voglen singen menechfoude,
Die dore des felles winters coude
Hebben in bedwange gelegen,
Die hebben nu te lange geswegen;
Beide nachtegale ende calandren,
Die papegay oec metten andren
Die singen menegerande noten,
Daer si sitten met haren roten.
In desen tiden souden minnen
Die jonge lieden in alle sinnen
Dore den oversoeten tijt,
Die danne es in die werelt wijt:
Hi es al te hart ende vol nide,
Die niet en mint in desen tideGa naar voetnoot2.
Had reeds Peire Vidal niet verzekerd, dat hem van leeuwerik en nachtegaal de zang het dierbaarst is, omdat zij lenteboden zijn? La lauzet' e -l rossinhol
Am mas que nulh autr' auzel,
Que pel jois del temps nouvel
Comenson premier lor chanGa naar voetnoot3.
In de Schwabenkrieg wordt het op zijn duits gezegd: Calander und from nachtigal
concordieren lieplich zumalGa naar voetnoot4.
| |
[pagina 16]
| |
We vinden het in de Roman van Heinric en Margriete van Limborch bevestigd op de mooie lentedag, waarop het koningspel gespeeld zal worden: Op die boüme songen ouch wale
Nachtegalen ind kalanderen
Ende lewerken mit den anderenGa naar voetnoot1.
Het wordt in alexandrijnen uitgedrukt in de roman over Baudouin de Sebourg, die het vierde kind heet te zijn van Arnold van Beauvais, koning te Nimaie, dat is: te Nijmegen, en van de dochter van de Zwanenridder: Quant il se treuve as champs dessus l'ample païs
Et il ot la calandre et le chant des mauvisGa naar voetnoot2.
Onderscheiden van de leeuwerik, gescheiden van de nachtegaal, blijft hij toch lentebode, vreugdebode, liefdebode, zelfs in een heiligenleven, want in het eerste capittel van zijn Vita Sancti Edardi vermeldt Conrad van Montpellier omstreeks het begin van de vijftiende eeuw de ‘calandrus dulce sonans in myrica’Ga naar voetnoot3. Zo tekent hem Hans Sachs in de zestiende eeuw, zo komt hij met de romantiek terug in de Mirèio van Mistral, waar de kuifleeuwerik als ‘calandro capeludo’ de dageraad begroet, en zelfs in het gedicht Geisterbesuch van Ernst Moritz Arndt: Wie die Himmelsvöglein gikken
Philomelen und galandren!Ga naar voetnoot4.
Door een mystiek en kloosterlijk motief erotisch te verburgerlijken, trad Maerlant een traditie binnen, die zich lang na hem gehandhaafd heeft, want wie ‘calander’ zegt in de poëzie, schijnt niet op ingetogenheid te doelen. | |
[pagina 17]
| |
2Toch verbaast ons iets. In enkele teksten wordt de zangvogel, die bij zoveel dichters uit verschillende landen dageraad, lente en liefde verkondigt, voorgesteld als een bode van de dood. Komt dit misschien, doordat de calanderleeuwerik, gelijk de ziel van een vroom overledene, recht naar de hemel stijgt en daar zijn juichend lied begint? Uit de omgeving van Maillane, dat op de linkeroever van de Rhône ligt, noteerde Fréderic Mistral een spottend kinderrijmpje. Het parodieert in gesprekvorm een ernstige doodsklacht, maar het bericht het overlijden van een varken! Quau es mort?
- Jan dou porc.
Quau lou plouro?
- Lou rei Mouro.
Quau lou canto?
- La calandro.
Quau lou ris?
- La perdris.
Quau n'en viro a brand?
- Lou quiéu de la sartan.
Quau n'en port dòu?
- Lou quiéu dou peirou!Ga naar voetnoot1.
Wie is er dood? - Jan Varkenskind. Wie treurt erom? De Moorse koning (immers voor mohammedanen is het varken niet geslacht!). Wie bezingt hem? De calanderleeuwerik. Wie lacht hem uit? De Patrijs (die nog leeft, nu het varken in de pan gaat). Wie luidt de doodsklok over hem? Letterlijk staat er: de staart van de kachel. Bedoeld is blijkbaar het rammelend ijzer, dat de hittegraad regelt. Wie gaat er in de rouw voor hem? De staart van de ketel, dit is wel de ketting, waaraan de ketel boven het vuur hangt, en die zwart zal worden van het stoken. Waarom wordt hier de calander aangewezen om de dode te bezingen? Wij herinneren ons de reeds op aarde genoten omgang | |
[pagina 18]
| |
met de hemelingen, die de calander verzinnebeeldt in de De naturis rerum van Thomas van Cantimpré, en het paradijs, waarmee Maerlant zijn gedicht besloot. Bovendien staat ons nog voor de geest, dat de calander ‘conterfaet der voghelijn sanc’. Deze gegevens hebben wij nodig om de aardigheid te vatten van een nogal vinnig epigram, dat Clément Marot in 1535 of kort daarna heeft gedicht op de dood van Philippe-Marie Viscontin, kamerdienaar van Frans I: Incontinent que Viscontin mourut,
Son ame entra au corps d'une Calandre;
Puis de plein vol vers le Roy s'en courut,
Encor un coup son service reprendre.
Et pour mieulx faire à son maistre comprendre
Que c'est luy mesme, et qu'il est revenu,
Comme on l'ouyt parler gros et menu,
Contrefaisant d'hommes geste et faconde,
Ores qu'il est calendre devenu,
Il contrefaict tous les oyseaulx du mondeGa naar voetnoot1.
De nabootsing van het geluid van anderen levert hier het beslissende element van overeenkomst tussen de hoveling en de vogel. Maar hoe kwam Clément Marot op de gedachte, dat de ziel van Viscontin zich bij diens overlijden zou verenigen met het lichaam van een zingende calander? Zulk een voorstelling van zaken kon alleen begrepen en gewaardeerd worden, wanneer zij aansloot bij een bekend volksgeloof over de macht van deze vogel om mensenzielen in zich op te nemen. Bevestigen middeleeuwse teksten het bestaan van zulk een volksgeloof? In de franse ridderroman over Eneas horen wij verhalen over een vogel, die aan de hoven van koningen gevangen wordt gehouden en met wiens veren het doodkussen van de gesneuvelde Camilla werd opgevuld: la plume en esteit d'un oisels
ki en ces terras lai sus sont;
li rei en lor palais les ont.
icel oisel ont nom calade...
| |
[pagina 19]
| |
Vervolgens vertelt de normandische dichter ons over deze calade, die blijkbaar in zijn woonstreek onbekend is, bijzonderheden van andere aard dan wij tot dusver over de calanderleeuwerik vernamen. De calade kan de ernst van ziekten onderkennen. Als hij bij het ziekbed gebracht wordt en de lijder aanziet, dan bezorgt zijn blik hem de genezing, doch wendt de vogel het hoofd af, dan is de zieke veroordeeld, te sterven. De calade is dus levensvogel of doodsvogel naar willekeur. Het verdient aandacht, dat Henric van Veldeken in zijn bewerking van de Eneas-roman afwijkt van zijn voorbeeld door de naam van de vogel te verzwijgen en ook op diens wonderlijke macht niet in te gaan. Temidden van zijn weelderige beschrijving van Camilla's praalbaar zegt hij, bij de franse dichter vergeleken nogal nuchter: man legede er onder houvet,
ein plumvederîn kussinGa naar voetnoot1.
Geloofde hij de fabel niet? Of achtte hij de keuze van calanderveren door het verhaal over de wondermacht van de vreemde vogel onvoldoende verantwoord? Wetens en willens liet hij de naam weg van het dier, dat macht over de dood bezat. Is dit hetzelfde dier als waarmee Marot de ziel van Viscontin zich liet verenigen? Of bestaat er onderscheid tussen een calander en een calade? De ornithologie moet hulp krijgen van de etymologie, wil het raadsel verklaard worden. Zowel de doodsvogel als de lentebode heet in het provençaals: la calandro. Waar komt dit woord vandaan? Lang werd het afgeleid van een veronderstelde populair-latijnse grondvorm calandra, die ‘leeuwerik’ zou hebben betekend, maar onder invloed der naamgeving van het Alaudalegioen door Julius Caesar in zijn ontwikkelingskansen gestuit zou zijn door dit van oorsprong keltische woord. Ter verklaring van de herkomst dient dan het caliendrum, dat wij | |
[pagina 20]
| |
uit de satiren van Varro en van Horatius kennen als een kunstmatige opstuwing van het hoofdhaar: ‘Ego nunc postulo Agamemnona meum! - tantis cothurnis accipit Critona caliendrum’Ga naar voetnoot1, spot Varro over een comediant en bij Horatius zien wij Sagana verschrikt haar hoge haartoet, altum Saganae caliendrumGa naar voetnoot2, verliezen. Dit caliendrum, ook caliandrum te lezen, komt van het griekse κάλλυντρον, dat sieraad, inzonderheid: haartooi, heeft te beduiden. Uit caliandrum zou calandre ontstaan kunnen zijn, omdat er kuifleeuwerikken rondvliegen... maar de vogel, die simpelweg calander heet, is nu juist een leeuwerik zonder kuif. | |
3Reeds in 1885 bestreed Karl SittlGa naar voetnoot3 de gebruikelijke woordafleiding en bracht de naam van de calander terug tot de verbastering van de naam van een nog geheimzinniger vogel, de charadrius, die in het provençaals ook calandro heet, en die wij in Li Livres dou Tressor van Brunetto Latini ontmoeten als calendreGa naar voetnoot4. De verwarring van charadrius met calander wordt in het Französisches Etymologisches Wörterbuch van Walther von Wartburg (1940) definitief verklaard als een verschijnsel, niet van romaanse, maar van griekse oorsprong: ‘Calandro geht im griechischen zurück auf χαραδριὸς. Die Zwischenformen χαρὰδριος, χαλὰδριος, χὰλανδρος sind bezeugt’Ga naar voetnoot5. Van de vogel zelf, zowel als van zijn naam, bevestigt de Dizonario | |
[pagina 21]
| |
Etimologico Italiano, van Curio Battisti en Giovanni Alessio (1950) voorzichtig de griekse herkomst: ‘ben rappresentato nei nostri dialetti meridiani, così che il centro di diffusione di questa voce, non documentata in latino, potrebbe essere la Magna Grecia’Ga naar voetnoot1. De charadrius heeft een aanzienlijk grieks-klassiek verleden, waaraan hij nochtans zijn plaats in de westeuropese litteratuurgeschiedenis maar uiterst zijdelings dankt. Hadden de vertalers van de Septuagint hem niet in de plaats gesteld van het hebreeuwse anāphāh, dat volgens de talmudistische en arabische traditie een papegaai betekent, hij zou ten spijt van zijn vermelding bij Hipponax, Plato, Aristophanes, Aristoteles, Aelianus, Plutarchus, Heliodorus, Theophylactus en Philostratus, geen Christussymbool zijn geworden, waarover J. Huizinga een van zijn boeiendste jeugdstudies schreefGa naar voetnoot2. Hem ging het erom, in aansluiting bij onderzoekingen van Adalbert KuhnGa naar voetnoot3, W. SonneGa naar voetnoot4 en Carl PauliGa naar voetnoot5, te bewijzen, dat de fabel van de wonderdadige geneeskracht, toegeschreven aan de vogel charadrius, uit Indië stamt. Hij vond een sterk nieuw argument voor Pauli's mening, als zou de charadrius, die op een bijzondere wijze geelzucht geneest, hetzelfde levend wezen zijn als de hāridravá, in de Rigveda I, 50 genoemd. Bij Clemens van Alexandrië vond hij het wonderdier beschreven als een ὄρνεις lνδικοὺς, een ‘Indische vogel’Ga naar voetnoot6. Hoewel zijn opstel vol cultuurhistorische wetenswaardigheden staat, zocht hij de bronnen van zijn uitgebreide kennis der stof niet bij de middelnederlandse letteren, zodat hem de gedaantewisselingen van de charadrius in ons taalgebied ontgingen. Heette deze vogel bij Thomas van Cantimpré caladrius, Maerlant | |
[pagina 22]
| |
stelt hem als caladerus aan ons voor en beschrijft hem als volgt in het derde boek van Der Naturen Bloeme: Caladerus es een voghel wit,
Ysidorus bescrijft ons dit.
Sijn vleesch binnen, dat es waer,
Maket donker oghen claer.
Sijn nature es dusghedaen:
Doetmenne tenen sieken gaen,
Men mach bi hem weten albloet,
Sal hi ontgaen of bliven doet.
Wil hi op den sieken niet sien,
So nes der doet gheen ontvlien;
Ende keert hi doghen op den man,
So mach hi wel ghenesen dan.
Met sinen opsien neemt hi mede
Den menschen alle sichede,
Ende vlieghter mede in de lucht sijn,
Ende verberntse int sonneschijn.
Dese voghele hier te voren
Hilden coninghe, als wijt horen.
Men leest dat desen voghel vant
Alexander in Persen lantGa naar voetnoot1.
(In plaats van de lezing in het Leidse handschrift, uitgegeven door Eelco Verwijs, koos ik in vers 764 de variant van het Haagse manuscript ‘Ende verberntse int sonnescijn’, die overeenkomt met de Amsterdamse tekst ‘verbarrense’ en met de weergave in Conrad von Megenberg's Buch der Natur: ‘verprent und zerstraeut sie’. Het Leidse handschrift behelst op die plaats: ‘Ende brincse int sonnescijn’)Ga naar voetnoot2. Hier wordt dus een witte vogel beschreven, wiens vlees zieke ogen geneest. Hij doet bijzonder dienst als onderscheider van de afloop ener ziekte. Wendt hij de ogen af, dan is genezing uitgesloten; ziet hij de lijder aan, dan is die buiten doodsgevaar. Hij neemt in dit geval de kwalen met zich mee in zijn opvlucht naar het zonlicht, waarin hij ze verbrandt. Vroeger werd deze vogel door koningen gehouden; Alexander de Grote vond er zo een in Perzië. | |
[pagina 23]
| |
Wordt het aangehaalde epigram van Marot over Viscontin en de calander van de franse koning ons niet duidelijker, nu wij deze bijzonderheden kennen? Ten gevolge van naamsovereenkomst voltrok zich een contaminatie. Aan de charadrius, die de ziekten van stervenden wegnemen kan, ontleende de calander, die andere vogels nafluit, behalve de macht over het leven, het karakter van een koningsdier. Vergelijken wij Maerlant's beschrijving van de caladerus met die, welke hij van de calander gaf, dan valt ons het uitblijven van een zedelijke toepassing op. Juist hier mochten wij haar verwachten, immers overeenkomst tussen een vogel, die de ziekten wegneemt, en de Verlosser, die de zonden wegneemt, dringt zich op. Zij kan bovendien tot het oudste patristische erfgoed der litteratuur worden gerekend. Om Maerlant's terughoudendheid te begrijpen, moeten wij eerst zijn latijnse bron raadplegen. Ik geef hier de tekst van Thomas van Cantimpré, gelijk hij voorkomt in het handschrift 410 van de Stadsbibliotheek van Brugge: ‘Caladrius ut dicunt Jacobus et Ysidorus avis est tota alba. Huius pars interior femoris caliginem aufert ab oculis. Natura vero caladrii talis est ut si ad infirmum hominem aliquociens adducatur utrum infirmus vivere vel mori debeat certos reddit astantes. Si enim infirmi despicit faciem et oculos avertit signum est mortis. Si autem oculos non avertit signum est vite. Nam attendit in faciem eius et omnes infirmitates egroti illius intra se colligit et volat in aere ubique comburit infirmitates et dispergit illas. Et statim sanatur infirmus. Aves vero has reges antiquitus in atriis recludebant regalibus. Aves has Alexander fertur invenisse in Perside. De hiis igitur avibus et de hiis similiter quas sanctus Brandanus in quadam excelsa et pulgerrima arbore invenit, quarum una respondit ei quod essent spiritus penitentiam suam ibidem in speciebus volucrum facientes. Utrum autem verum sit an impossibile presenti lectori relinquemus iudicandum’Ga naar voetnoot1. Met een beroep op zijn persoonlijke leermeester Jacobus van | |
[pagina 24]
| |
Vitry en op een tekst van Isidorus van SevillaGa naar voetnoot1, beschrijft Thomas van Cantimpré de vogel. Doch Maerlant's vertaling breekt af, wanneer gezegd is, dat Alexander de Grote zulke vogels in Perzië aantrof. Bij Thomas volgen hierop nog enkele regels, die Maerlant welbewust wegliet. Ze luiden vertaald: ‘Over deze en soortgelijke vogels, die Sint Brandaan vond in een mooie hoge boom en waarvan er een hem antwoordde, dat zij geesten waren, die hier hun boete moesten volbrengen onder de gedaante van vogels, zal ik de lezer zelf laten oordelen, of het bericht waarachtig dan wel onmogelijk moet heten.’ | |
4De verwijzing naar de ‘bernende vogelen’, die wij ook uit de middelnederlandse Brandaan-tekst kennenGa naar voetnoot2, geeft een nieuwe, door Maerlant blijkbaar niet aanvaarde uitbreiding aan de legendarische eigenschappen van de charadrius. Behalve de ziekten van levenden neemt hij de zielen van gestorvenen in zich op, gelijk wij het hem bij Marot met de ziel van Viscontin zagen doen. Maar Thomas van Cantimpré bekijkt dit verhaal met kritiek. Hij schijnt te vinden, dat er al genoeg onwaarschijnlijks over de caladrius verteld is en Maerlant volgt hem hierin, gelijk alle andere middelnederlandse auteurs, die over de caladrius spreken. Zo komt het, dat onze taal, in afwijking van alle andere, de enige is, waarin de vogel niet met Christus vergeleken wordt. In aansluiting bij zijn model behandelt Maerlant de natuurverschijnselen in alphabetische orde. Dit is niet nagevolgd in de Renner door Hugo von TrimbergGa naar voetnoot3. Bij hem volgt een korte bespreking van de karadrius op die van de galander, doch gelijk hij zelf aankondigt, is zijn bespreking niet oorspronkelijk. Hij neemt haar letterlijk over uit de Bescheidenheit van Freidank, een | |
[pagina 25]
| |
overigens weinig bekend dichter, die in 1228 keizer Frederik II gevolgd was op diens kruistocht, en die zijn veel verspreid leerdicht voor een deel in 1229 in Syrië te boek stelde. Ook in het middelnederlands kreeg Vridanc's Bescheidenheit zekere faamGa naar voetnoot1. Er werd een deel van de rijmspreuken uit het Hs. van Van Hulthem aan ontleend, die J.F. Willems in het Belgisch MuseumGa naar voetnoot2 en vervolgens W.H.D. Suringar in de Handelingen en Mededelingen van de Maatschappij der Nederlandse LetterkundeGa naar voetnoot3 publiceerden. Freidank wijdt maar zes regels aan de wondervogel. Ze luiden in het Diets: Clavarius es een vogel, God weet,
Wies cracht vore des menschen geet;
Maer waer hi enen sieken siet,
Dien en deert hi emmer niet;
Wat sieken genesen niet en can,
Dien en siet hi nemmer anGa naar voetnoot4.
Stellen wij deze soberheid naast de fantastische toepassingen uit oudere bronnen en buitenlandse bewerkingen daarvan, dan doet zich duidelijk een raadsel aan ons voor. De middelnederlandse navertellers schijnen onkundig van de oorspronkelijke voorstellingswijze of onwillig om zich hierbij aan te sluiten. Er bestaat een bijzondere reden om dit laatste te veronderstellen. In de Vulgaat komt de vogel charadrius voor onder de onreine dieren, die de wet verbiedt te eten. Hij wordt tussen andere vogels genoemd in Lev. XI, 19 en zijn benaming wordt herhaald in Deutr. XIV, 18. Sint Hieronymus nam zijn griekse naam over van de Septuagintvertalers. In de Duitse Bijbelvertaling van 1483 staat het woord ‘charadrius’ weergegeven door het woord ‘galander’. Hier werden dus de twee vogels voor één en hetzelfde wezen gehouden. In de Statenbijbel heet de charadrius: reiger, de katholieke professoren-vertaling noemt hem regenfluiter; in de Petrus-Canisiusbijbel treedt hij als | |
[pagina 26]
| |
kraanvogel op, hoewel hij bij Plato en Aristoteles vereenzelvigd schijnt te worden met de plevierGa naar voetnoot1, doch ook als trielGa naar voetnoot2 en als wulpGa naar voetnoot3 is voorgesteld door verschillende commentatoren. Onder zijn griekse naam bleef hij nog lang een eigen plaats behouden in de dierkunde-boeken als dat van Dr. J. JonstonGa naar voetnoot4, ook in de vertaling van M. GrausiusGa naar voetnoot5. Huizinga kan men evenwel geen ongelijk geven, wanneer hij zegt: ‘Des vogels plaats schijnt meer in het spreekwoord dan in de natuur’Ga naar voetnoot6. Voor ons is van belang, dat blijkbaar niemand wist of weet, hoe hij zich de charadrius precies heeft voor te stellen. Dit bood gelegenheid tot iconografische speling en gaf hier benevens de kans om allerhande moeilijk controleerbare verrichtingen toe te schrijven aan het wonderdier. Dankt het zijn naamsbekendheid aan de Bijbel, zijn wezenstrekken kwamen in de patristische litteratuur terecht door de PhysiologusGa naar voetnoot7, die omstreeks het jaar 130 te Alexandrië in grieks proza geschreven moet zijn, en reeds vertaald was in het syrisch armenisch, ethiopisch en arabisch, voordat hij langs twee verschillende latijnse vertalingen naar West-Europa doordrong. Dat het Decretum Gelasianum het boek als ketters van oorsprong - ‘ab haereticis conscriptus’ - verbood, maakte geen indruk genoeg om het niet te doen toeschrijven aan Sint Ambrosius van Milaan of aan Sint Jan Chrysostomus. Na de opsomming van zijn eigenaardigheden wordt de witte vogel in de Physiologus vereenzelvigd met de smetteloze Christus, die ‘zijn aangezicht heeft afgekeerd van de Joden, doch tot ons zwakken is gekomen, toen wij hem tegemoet gingen, en | |
[pagina 27]
| |
onze zonden op zich heeft genomen, onze kwalen verwijderd, en die aan het kruis is verheven’Ga naar voetnoot1. Een opvlucht naar de hemel komt hier nog niet voor. Dit kenmerk van de calander treedt als karaktertrek van de Christus-verbeeldende charadrius de patristiek binnen in het invloedrijke Speculum Ecclesiae van de nog altijd weinig bekende Zuidduitse kluizenaar, die zich Honorius Augustodunensis noemde, en die dit werk niet lang voor 1120 schreef. In aansluiting bij de bekende gegevens vervolgt hij, sprekend over Christus: ‘Deinde in alta coelorum cum carne nostra ad Patrem volavit et perpetuam salutem omnibus donavit’. (Daarna steeg hij, met ons vlees bekleed, op tot de - hemelse - Vader en schonk aan allen het eeuwig gelukGa naar voetnoot2). Als bron gebruikte Honorius misschien de oudste duitse Physiologus-vertaling, daterend uit het laatste kwart van de elfde eeuw, immers hierin wordt voor het eerst over de hemelvaart gesproken: ‘dârnâch fuor er zehimele’Ga naar voetnoot3. Onder de elf dieren, bezongen in de zogenaamde Physiologus Theobaldi komt de caradrius niet voor. Dit toch wel opmerkelijke dichtstuk van een onbekende monnik uit Noord-Italië vond een plaats tussen de poëzie van Hildebert van Tours, ofschoon het besluit met de regels: Carmine finito sit laus et gloria Christo,
Cui si non aliis placeant haec metra TibaldiGa naar voetnoot4.
De engelse Bestiary uit het midden van de dertiende eeuw is hier een bewerking van en behelst dus ook de caradrius nietGa naar voetnoot5. Daarentegen wordt hij uitvoerig behandeld in alle franse Bestiaires, te beginnen bij die van Philippe de Thaon, kort na 1121 op engelse bodem te boek gesteld voor Aleidis van Leuven, die in dat jaar met koning Hendrik I van Engeland trouwde. In dit berijmde beestenboek is de caladrius nummer 26 van de | |
[pagina 28]
| |
behandelde dieren. Hij geneest de zieke door hem aan te kijken en vernietigt de ziekte, doch van een opvlucht naar de zon wordt niet gesprokenGa naar voetnoot1. Die vinden wij in de Bestiaire van Gervaise, bijna tachtig jaar later geschreven, waarschijnlijk te Fontenay-le-Marmion in Normandië. De geneeswijze toegepast door de caradrius, die in dit werk als nummer 18 wordt behandeld, is intussen sterk gecompliceerd. Niet door te kijken alleen verwijdert de vogel de kwalen, maar hij brengt zijn snavel aan de mond van de zieke en rukt hem, opvliegend, de ongezondheid uit het lichaam: S'il doit garir, de lui s'aproche
Son bec lui met dessus la boche,
O s'aloine li trait dou cors
L'enfermeté et gieta fors,
Volant vers le soleil s'en vait,
Le malade sain et sauf laitGa naar voetnoot2.
In de proza-Bestiaire, die Pierre le Picard in het begin van de dertiende eeuw heeft geschreven voor bisschop Philippe Coeurs, bekleedt ‘Charadrius’ de vijfde plaatsGa naar voetnoot3, evenals in de levendige rijmvertolking van Guillaume le Clerc NormandGa naar voetnoot4, gemaakt omstreeks 1210. Hij verhuist naar nummer 22 in het boek De las propriotas de las animancas, de zogenaamde Waldenzer Physiologus van Jaco, maar hier wordt over geen Joden meer gesproken, doch over de ziekte van de afzonderlijke mensenzielGa naar voetnoot5. Ook in de ten onrechte op naam van Hugo van St. Victor staande verhandeling De Bestiis et aliis Rebus van Hugo van Fouillé staat te lezen: ‘Faciem suam a Judaeis avertit. Gentiles respexit, iniquitaties nostras sustinuit’Ga naar voetnoot6. De Bestiaire d'Amour van Richard de FournivalGa naar voetnoot7, waarvan in de omgeving van | |
[pagina 29]
| |
Nijmegen een middelnederfrankische vertaling is gemaaktGa naar voetnoot1, zien wij het religieuse motief door een erotisch vervangen, dus een herhaling van de navertellers-techniek, die Maerlant op de calander-beschrijving van Thomas van Cantimpré had toegepast. Er wordt aldus een ontwikkelingsgeschiedenis in de hermèneia van de caladriusbeschrijving waarneembaar. In de oudste bronnen vereenzelvigd met Christus, die zich van het joodse volk afkeert om de heidenen te verkiezen, zien wij hem in latere teksten optreden als zinnebeeld van Christus, die onder de gelovigen de bokken van de schapen scheidt. Daarna wordt hij bij Thomas van Cantimpré weifelachtig voorgesteld als de wegdrager der ziel van een dode, maar Freidank, Maerlant en Hugo van Trimberg zien van een toepassing af. Is achter deze wijziging een innerlijke weerstand tegen antisemitisme te vermoeden? Ik geloof het niet. Het hoofdmotief van de schroom om de chaladrius te vergelijken met de Verlosser lijkt mij voort te komen uit de bedenking, dat de chaladrius in de bijbel een onreine vogel heetGa naar voetnoot2. Deze gedachte wordt bevestigd door de manier, waarop Ruusbroec in zijn tractaat Van den Gheesteliken Tabernakel de wondervogel behandelt. Hier is iedere bijgedachte aan een vergelijking met Christus opzettelijk ontweken, want men mag veronderstellen, dat Ruusbroec de patristische toepassing kende. Nochtans schrijft hij: ‘Die achtienste voghel es ghenoemt Caladrius. Hi es wit van plumen. Sijn mes verklaert de oeghen. Hi woent in der coninghe hove. Es hi bi enen sieken ende sal die sieke ghenesen, so siet hi op heme, ende ontfeet die siecheit, ende voerse in de locht jeghen de rayen der sonnen, ende verberse daer. Maer en wilt hi den sieken niet aensien, so sterft die sieke. Al zijn gheslachte es onreine, ende van Gode verboden in die joetsche wet. Hierin moghe wi merken, dat desen voghel alle de gheesteleke prelate | |
[pagina 30]
| |
gheliken, die des volcs onachtsam sijn, dat hen van Gods weghen bevolen es. Al sijn si gecleedt met witten plumen, dat es: met den dienste ons Heren ende met der sacrificiën der heiligher Kerken, nochtan sijn si onreine in dien, dat si den sieken sondeere niet aensien en willen, ende de siecheit sijnre sonden ute heme trecken met berespene, met heilegher leeren, met goeden exemplen, ende met al dien, dat si gheleisten mochten. So souden si met rechte de siecheit sijnre sonden ontfaen, ende voerense in de locht met haren ghebede. Ende daer souden sise verberren in de heete rayen der sonnen der ghenadicheit Gods. Siet, omme dat si des niet doen en willen, also verre alst in hen es ende hen God de macht ghegheven heeft, maer laten den sondere sterven in sine sonden; hieromme es hare leven onreine vore den oeghen Gods. Maer si wandelen in der coninghe hove: dat es: in rijcdoeme, in eeren, ende in groten staten; waer sise vercrighen moghen. Al dit gheslachte van desen voghelen es verboden. Want al dat broederleker minnen darft, dat es vore God onreine, ende onterft. Maar dat mes van desen voghelen verclaert der menschen oeghen; also gheliker-wijs onreinicheit der sonden ende betterheit der ewegher pinen, dat es des sondaren mes, dat sele wi vore onse oeghen houden; so werden onse oeghen verclaert in kinnessen der doecht ende in de vreese ons Heren’Ga naar voetnoot1. | |
5Alvorens tot gevolgtrekkingen te komen, willen wij de wondervogel nog even nastaren op zijn verdere vlucht door de litteratuurgeschiedenis. Een penproef op de laatste bladzijde van een manuscript uit de 14e eeuw, bewaard te Oxford, vermeldt hem laconiek in een distichon: Caladrius vitam spondet si respicit egrum,
E contra mortem, si negat huic faciemGa naar voetnoot2.
| |
[pagina 31]
| |
In de duitse bijbelvertaling van 1483 en bij Marot volledig met de calander vereenzelvigd, verliest hij door de onwaarschijnlijkheid van zijn geschiedenis en de onwaarneembaarheid van zijn gedaante de belangstelling der dichters van Renaissance en Barok, maar de Romantiek brengt hem terug, zodat wij hem in het vierde hoofdstuk van de roman Ekkehard van Joseph Victor von Scheffel opnieuw ontmoeten, wanneer de titelheld hem aan de hertogin van Zwaben voorhoudt als haar zinnebeeldGa naar voetnoot1. Frederich Wilhelm Weber laat hem in Dreizehnlinden voor de gedachte van de kloosterdokter pater Beda verschijnen als een voorbeeld van wonderbare geneeskrachtGa naar voetnoot2. Ten laatste zien wij hem in onze taal terug, opnieuw zonder stichtelijke conclusie, in een der Gedichten van Carel Vosmaer: Er leefde in oude tijden
Een vogel, Caradrius,
Wiens wondre gaaf verhaald is
In 't boek Physiologus.
Hij zweefde in hooge wolken
Des nachts over d'aarde heen;
Maar streek op breede vlerken
Soms onbemerkt naar beneen.
Hij wist verborgen dingen,
Waar zelfs geen klerk van las,
En of den doodlijk kranke
Genezing nog mogelijk was.
Was 't lot den mensch beschoren,
Dan vlood hij ver uit 't oog;
Maar mocht hij weer genezen,
Dan naderde hij van omhoog.
| |
[pagina 32]
| |
En over den kranke zich buigend,
Zijn bek aan den veegen mond,
Onttoog hij den bleeken lippen
De krankheid, en verzwond.
Ter hooge zonne vloog hij
En louterde zich in 't licht;
Dan had ook weer de zieke
Genezen zich opgerichtGa naar voetnoot1.
Twee verschillende vogels zagen wij door Jacob van Maerlant in Der Naturen Bloeme beschreven. De ene, de calander, is een soort leeuwerik, doch die in een kooi mooier zingt dan in vrijheid en andere zangvogels nabootst. De tweede, de charadrius, als diersoort moeilijk thuis te brengen, kan ziekten onderscheiden en genezen. Geen van de twee vogels kende Maerlant uit eigen aanschouwing. Toch volgde hij de tekst, die hij vertaalde, slechts gedeeltelijk. Over de calander gaf hij een andere gevolgtrekking dan Thomas van Cantimpré. Over de charadrius liet hij diens weifelende verwijzing naar de zielen van gestorvenen, die boetvaardigheid plegen in vogelgedaante, geheel achterwege. In verband met andere voorbeelden van zulke ontwijkingstechniek bij middelnederlandse vertalers of navertellers, ook herhaaldelijk bij Maerlant zelf, geloof ik, dat deze bewust vertoonde zelfstandigheid in de bewerking beoordeeld mag worden als een typische vorm van zich-toeëigening der behandelde stof. Zij kan verantwoord zijn door een kritisch besef. Henric van Veldeken ontwijkt het calade-verhaal uit de Eneas waarschijnlijk, omdat hij de vogel van ‘lai sus’ niet kent. Maerlant, die in het diets voor leken schrijft, geeft aan de calander diens erotische symboolkracht terug. Aan de caladrius, in de Heilige Schrift een onreine vogel, wenst hij geen godsdienstige zin toe te kennen. Bij Ruusbroec wordt om dezelfde reden dit dier, ofschoon het sedert de tweede eeuw in de patristische traditie voor een Christus-symbool had gegolden, een zinnebeeld van zondige prelaten. | |
[pagina 33]
| |
Reeds in het grieks met elkander verward, gaven de namen van de twee vogels er aanleiding toe, dat zij elkanders trekken overnamen. Brunetto Latini noemt de charadrius: calendre, en de duitse bijbelvertaling van 1483 geeft het woord charadrius weer door galanderGa naar voetnoot1. Deze totale vereenzelviging is het eindpunt van een langzame en leerzame ontwikkeling. Ze begon hiermee, dat de legendarische charadrius tegen het einde van de elfde eeuw aan de calander zijn opvlucht naar de zon ontleende. Tegen het einde van de twaalfde eeuw veranderde dienovereenkomstig zijn wonderlijke geneeswijze: hij trok met zijn snavel de verderfkiem weg uit het zieke lichaam en voerde die mee in de hoogte, waar hij haar in de zonnestralen verbrandde. Alles zag er naar uit, dat de charadrius de eigenschappen van de calander opslorpen zou. Maar de calander heeft een voordeel. Hij bestaat. Al werd in de dertiende en veertiende eeuw de charadrius afgebeeld op kathedraal-vensters als vertegenwoordiger van de Verlosser, al stonden zijn wondervermogens vermeld in veelgelezen dierenboeken, die hem bij Jezus Christus vergeleken, al ging zijn geschiedenis op de Indische oudheid en de griekse klassieken terug, toch hield op de duur de mythologische vogel geen eigen karakter. Wat hij aan poëzie te bieden had, moest hij in de vijftiende en zestiende eeuw afstaan aan de calander. De litteratuur kan zonder fantasie niet voorbestaan, doch geen verzinsel is duurzaam bestand tegen de kracht van de werkelijkheid. De wondervogel charadrius is de boekendood gestorven onder het stof van bibliotheken. Maar luistert naar het tierelieren in de lucht! De leeuwerik symboliseert verrijzenis en hemelvaart! |
|