Van God en van de natuur(1921)–A. van Collem– Auteursrecht onbekend Vorige Volgende [pagina 82] [p. 82] LIV Oude vertellingen in nieuw gewaad, Uit een verschemerd land ziet gij ze komen, Vreemde geruchten tot uw oor dat luistert, Zij zijn als ritselingen achter gordijn, Uw oogen zien hen niet, gij leeft in droom, Maar gij vermoedt, dat gindsche klanken gaan Zooals verheugde wezens, in gewaad, Dat ommegangen meedeelt, zacht behaaglijk, Of neervalt zwaar in een brocaten bloem, - Er zullen zijn in fosfoorlichtend goud, In kokend paars, in zilvergroen ivoor, In peinzend bruin, in bloeiend kersenrood, Losvoetig gaan zij, en wellicht, een blad Of dier is op hun kleeden gepenceeld, Zooals bij krijgers, helden uit Japan, Het wreede zwaard nabij den scheven mond, Of ook bij Boeddhas, stil verzonken in Aanschouwing van de vrome lotosbloem, Waaruit het teer gelaat van Maja stijgt. Luchte gewaden worden overal Nu aangebracht om menschgestalten, die, U te verschijnen, willen naderen. Het hoog zachtpaars gordijn verschuift, een hand Wordt zichtbaar en een zon-beschenen vak, De plaats der samenkomst gaat blinkend open. Nu staan de sprookjes aller tijden voor Uwe verwonderde oogen bevend stil, Zij dragen op hun wijd gewaad den dienst [pagina 83] [p. 83] Uwer oer-oude menschheid gepenceeld, Het sprookje ‘God’ staat lichtende voor U, Jehova, Bel, Astarte, Dagon, Ptah, De gele goden in hun Inca-maskers, De tempel-wezens van het grijs Assur, De marmerstille godheid van Athene, En de gekruisigde van Nazareth, Alle de sprookjes die de nacht ingaf, Bij zilvren maan, die tot de aarde kijkt, Het sprookje van de bloeiend gouden sterren, De Zonnesprook, ontstijgende de zee, In vermiljoen gewaad, den vochten morgen, Alle de sprookjes die de stilte zei Aan kleine menschen neder in woestijnen, (Zij zaten aan den ingang van hun tent;) Alle de godensprookjes zijn verschenen, Zij zijn verschenen en gij ziet ze aan, En uit hen allen, stijgt omhoog de mensch. Vorige Volgende