Van God en van de natuur(1921)–A. van Collem– Auteursrecht onbekend Vorige Volgende [pagina 28] [p. 28] XIV Het groot geraas der wateren houdt aan Onder de hemelen, de wijd gespreide, In eeuwigheid de sterren zijn gegaan En de kometen door de luchten rijden. Bij nacht en morgen en in schemering Hebben gefluisterd de nabije boomen, Nimmer hield op kleurenuitwisseling Of in den fijnen aether het klankstroomen. Wij luisterden - waarvoor, voor wien mocht wel Dit eeuwig heengaan zijn en weer verschijnen, Het trager worden - en dan weder snel Aangroeien dezer klankbezochte lijnen. Wij waren kijkers in bevreemdend spel, Dat de natuur speelt met haar wijd lichame, Zij werpt zich in de zelfgeschapen wel En ziet zich aan en schijnt iets te beramen, En kijkt zich af en zoekt wellicht de spil, Die haar doet om zichzelve heen spiralen, Een hand, een woord, een uitgesproken wil Die haar doet eeuwiglijk zichzelf herhalen. En in haar woeste wentelende kracht, Zich zelf te weten, heeft haar zaad geschapen [pagina 29] [p. 29] Een opgeheven wezen, in een dracht Van bloed en spieren, met zintuig als wapen. Dit gaat nu in haar rond en zegt haar uit, En geeft aan hare mompeling zijn woorden, Aan hare sprakeloosheid zijn geluid, Aan hare fluistering zijn klankaccoorden. En wat zij wil, d'oneindige natuur, Zegt haar die mensch - Hemel wil zij noch helle, De nachtezee zijn, noch het zonnevuur, Zij wil muziek zijn en oneindig snellen. Vorige Volgende