Vergeten liedjes(1909)–P.C. Boutens– Auteursrecht onbekend Vorige Volgende [pagina 6] [p. 6] Na het feest De roode heugnis van dien nacht Heb ik in stille zon herdacht Tot vreugde die door tranen lacht: Nog onverbroken bleef de rei; Wij waren veel en velerlei; En geen was droef, en elk leek blij. Wij hadden ons op 't feest verlaat. Het donker door de leêge straat Keek als een gast die weldra gaat. Een hooge onzichtbre vogelvlucht, Maakte de morgenwind gerucht. De sterren bleekten in de lucht. Toen vlood ons aller moede lach De trillende oogleên van den dag Binnen dat huis van schel geklag. Daar hielden venstren dichtomhangen De moêgewaakte nacht gevangen Bij valsch klavier en heesche zangen. Boven der gasten ijlen ring, Een tuil verwelkte rozen, hing De luchter van de zoldering. In wolk van rook verheven stond Een schim en zong uit bloeden mond, In 't vaal gelaat een open wond. Als een die smart met wanhoop sust, Wier onrust niet meer hoopt op rust, Zong ze, onder liefdes naam, van lust. [pagina 7] [p. 7] Toen zeeg op ziels verkleumd gemis In killen dauw de droefenis Die vreugde zonder blijdschap is. In aller oogen en profiel, Ineens alsof een masker viel, Rilde de kommer van de ziel. Alleen uw eenig aangezicht, Als in een ver ontastbaar licht, Bleef van Gods bloemen opgericht. Als een mysterie onvermoed Scheen van u uit in klaren gloed Gods licht dat elk aanbidden moet ... Een donkre vrouw rees van den wand En schaterlachte naar uw kant Lach als een mans gebalde hand. De zang verstomde, de muziek Smoorde in een klagelijken snik; De stilte zwoelde tot paniek. Geen rees of roerde of fluisterde er. De lampen gloorden duisterder. Gij werdt als onbereikbaar ver. Ik zag het gouden mededoogen, Den glans van uw verheerlijkte oogen Over haar duistren lach gebogen. Als wie een aalmoes niet begeert, Die onwelkome weldaad weert, Zag ik haar oog naar u gekeerd. [pagina 8] [p. 8] Ik zag uw hand aan haar geleid Zooals men troost een mensch die schreit, Zooals men sust een kind dat lijdt ... Ik zag haar siddren als een riet; Als wie niet wil wat haar geschiedt, Kromp zij ineen en droeg het niet. Haar hoofd zonk in der handen scheel; Zooals een snaar springt op een veêl, Snikte de smart op in haar keel ... Straks op de thuisreis aan uw zij In stille zon dacht schaamte blij Hoe zij geweend had ook voor mij. Vorige Volgende