De bloemverkoopster.
(Heidelberg.)
Aan 't spoorstation te Heidelberg,
Daar staat een kind - van dertig jaar,
Als mensch gekleed, gekapt in 't haar,
Daar ik een traan voor verg.
Traan in uw oog, zoo kwijnend schoon,
Jong vrouwtjen, op den huwlijkstocht!
Wier ga den ruiker voor u kocht,
Traan op uw wang, zoo vol en zacht,
Bevalligheid van zestien jaar!
In 't oog van uw bewonderaar
Een engel, als gij lacht.
Traan, midden in uw rijke vreugd,
Gij, moeder van dit beeldschoon kind!
| |
Die in haar schoon uw schoon hervindt,
En in haar jeugd uw jeugd.
Dit hart is ook een vrouwlijk hart,
Gevormd voor wat het uwe streelt;
Maar wat haar 't arme leven teelt
Is spot, verneedring, smart.
Al wat zoo zeer het schoon verhoogt,
Wanneer men 't in uw oogen leest,
Belachlijk waar 't in haar geweest,
Geen liefdedroom, geen echtgenot,
Geen moedervreugd zijn haar bekend;
't Zijn bloemen, bloemen, wat zij vent,
Maar doornen zijn haar lot.
Vrouw naar de ziel, slechts kind in schijn;
Als kind begroet, geplaagd, gesard,
Door kindren, zonder hoofd of hart,
Wier moeder zij kon zijn.
Beschimpt door knapen, laag van zin,
Onrein van oogen, ruw van toon,
Die, zoo zij rijzig ware en schoon,
Haar streelden om de kin.
En, alle dagen die God schenkt,
Door 't reizend volk, van uur tot uur,
Als wondre speling der natuur,
Ach vrouwen! moeders! denkt er aan:
Zij is een zuster, de arme dwerg!
En stoomt niet voort langs Heidelberg,
Of wijdt haar lot een traan.
|
|