De kostschool van meneer Beer
(ca. 1910-1920)–Louisa May Alcott–
[pagina 115]
| |
groote behoefte had. Maar hij hield zich goed en werd dan eindelijk ook beloond door de volgende woorden van den dokter: ‘De voet gaat werkelijk vooruít. Geef den jongen van middag eens een krukje en laat hem probeeren een beetje door het huis te strompelen.’ ‘Hoera!’ gilde Pau en holde weg om de jongens het groote nieuws te vertellen. 's Middags was het een heel feest om Daan een paar keeren door de gang te zien wandelen en daarna op een bank te zien zitten, als een gewoon mensch, terwijl Eddie als een vadertje voor hem zorgde. ‘Mr. Leo! Mr. Leo!’ klonk het ineens uit verschillende monden en al de jongens vlogen de deur uit, om Mr. Leo en zijn kleine Lili te helpen uitstappen. Een oogenblik later werd het kleine ‘prinsesje,’ zooals de jongens haar noemden, door tante en de meisjes mee naar boven genomen, om de keuken te zien, en stond Mr. Leo tegenover Daan. ‘Zoo, hoe is met den voet?’ vroeg hij. ‘Beter, meneer.’ ‘Het begint je zeker te vervelen, zoo thuis te zitten, is het niet?’ ‘Of het!’ was het antwoord van Daan, terwijl hij een blik wierp op de groene boomen buiten. ‘Wat zou je ervan zeggen, als we eens een rijtoertje gingen doen? Mijn open rijtuig staat toch voor en je kunt er heel gemakkelijk in liggen. Er is dan ook nog net een plaatsje voor Hans en Rolf over.’ Natuurlijk glinsterden er drie paar oogen bij dit vooruitzicht. ‘Maar zou Mevrouw het wel goed vinden?’ vroeg Daan ineens heel braaf. ‘O ja, we hebben het al afgesproken.’ ‘Dat is onmogelijk,’ zei Rolf, ‘want u hebt er niets van gezegd.’ ‘O, wij kunnen met elkaar spreken zonder woorden te gebruiken; het is een nieuw soort van telegraaf.’ | |
[pagina 116]
| |
‘Ik weet het al; u telegrafeert met de oogen. Ik heb wel gezien, dat u naar het rijtuig keek en toen Mevrouw aanzag en de wenk brauwen optrok, en toen knikte Mevrouw terug,’ riep Hans. ‘Goed geraden. Stap in maar,’ en weldra zat Daan gezellig en wel in het rijtuig, met zijn voet op een kussen en goed toegedekt met een sjaal, die heel toevallig uit het raam was komen vallen. Rolf klom op den bok, naast den koetsier. Hans mocht vooruitrijden met Daan en Mr. Leo ging naast den voet zitten, om er op te passen, zooals hij zeide. ‘Wacht eens, hier heb ik nog een boek bij me; dat wil je misschien wel eens inzien,’ zei hij, van onder het kussen een boek voor den dag halende, om het aan Daan te geven. ‘Heerejee, wat een prachtexemplaar!’ riep Daan, toen hij de gekleurde platen bezag, waarop vogels, kapellen en insecten van allerlei soort afgebeeld stonden. Hij was zóó opgewonden, dat hij heelemaal vergat Mr. Leo te bedanken. Hans keek over zijn schouder en Rolf was zóó nieuwsgierig, dat hij zijn rug naar de paarden toekeerde en zijn beenen in het rijtuig liet bengelen, om op die manier te kunnen meepraten. Een oogenblik later nam Mr. Leo een klein voorwerpje uit zijn vestzak, legde het op zijn hand en zei: ‘Dit is een tor, die duizend jaar oud is,’ en vertelde verder, terwijl de jongens het wonderlijke, versteende diertje bekeken, hoe het in het omhulsel van een mummie gevonden was, die eeuwen en eeuwen lang in een graftombe gelegen had. Toen vertelde hij hoe het er in Egypte uitziet, waar de mummies zijn en van die vreemde, groote pyramiden, van den Nijl en hoe hij die opgevaren was, van de zwarte menschen in de binnenlanden, hoe hij een gevecht had gehad met nijlpaarden en hoe hij later op een kameel de woestijn doorgetrokken was, want Mr. Leo had overal gereisd. | |
[pagina 117]
| |
‘Hier heb ik nog een paar kleinigheden bij me, die Daan wel mooi zal vinden,’ ging hij voort en haalde uit zijn zak een punt van een pijl en een gordel van schelpen. ‘O, vertel eens van de Indianen,’ zei Rolf, die niets liever deed dan voor Indiaan spelen. ‘Dat kan Daan zoo mooi,’ riep Hans. ‘Misschien beter dan ik,’ zei Mr. Leo; ‘komaan, vertel ons eens iets.’ ‘Ik heb er veel van gehoord van Mr. Heiboom; hij heeft langen tijd onder hen gewoond en kent hun taal,’ begon Daan en vertelde toen alles wat hij wist; eerst wel wat verlegen, omdat zoo'n groot mensch naar hem luisterde, maar langzamerhand zóó mooi dat allen met open ooren zaten te luisteren. ‘Ik heb al gedacht,’ zei Mr. Leo, toen hij gedaan had, ‘dat het misschien wel een aardig plan zou zijn, als jelui jongens eens een museum oprichtten, een plaats, waar je al de merkwaardige zaken die je vindt en krijgt, bij elkaar kunt bewaren. Ik vind het nogal naar voor Mevrouw - hoewel zij er nooit over geklaagd heeft - dat je al je snuisterijen zoo door het huis laat slingeren: hier zie je een paar kapellen tegen een deur steken, dáár een doosje met poppen staan; de vazen op den schoorsteen in de mooie kamer, heb ik opgevuld gezien met schelpjes en op de kleine tafel in de eetkamer lag een schrift met gedroogde bloemen. Ik verzeker je: er zijn niet veel moeders, die dat willen hebben.’ ‘Maar waar moeten we dat alles dan laten?’ vroeg Rolf van zijn hoogen zetel af. ‘In het oude koetshuis.’ ‘Maar daar lekt het en er is geen raam in en niets om de dingen op te zetten en het zit vol spinnewebben,’ zei Hans. ‘Wacht maar eens; Simon en ik zullen het wel opknappen. Maandag zal hij beginnen het in orde te maken; aanstaanden Zaterdag kom ik weer en dan | |
[pagina 118]
| |
zullen we samen het Museum inrichten. Ieder mag er in bewaren wat hij wil en Daan zal directeur zijn; hij weet nog al veel van die dingen af, en het is juist een geschikt werkje voor hem, nu hij niet veel loopen mag.’ Daan's oogen straalden van genoegen en hij wist niet wat hij zeggen zou, maar Rolf verklaarde, dat hij zijn oom Leo de beste oom van de wereld vond. Toen ze thuis kwamen en Daan weer rustig op zijn canapé lag, werd het plan natuurlijk dadelijk verteld aan Mijnheer en Mevrouw en met de jongens, die van alle kanten kwamen aanstormen, werden de belangen besproken. Met algemeene stemmen werd besloten het nieuwe Museum de ‘Leo-stichting’ te noemen, en hooren en zien verging van al die jongensstemmen door elkaar. ‘Kan ik nu niet iets te eten krijgen?’ vroeg Mr. Leo, toen hij met een diepe buiging de eer aanvaard had, het Museum zijn naam te geven, ‘ik heb honger als een paard!’ ‘Rolf, haal den trommel met koekjes eens - 't is wel niet de gewoonte om op dit uur wat te eten, maar bij deze feestelijke gelegenheid zullen we eens trakteeren,’ en met milde hand deelde Mevrouw den inhoud onder de jongens uit. Het was een echte geluksdag, want nauwelijks waren ze aan hun laatste koekje bezig, of Mr. Leo riep: ‘Wel, wel, ik heb heelemaal vergeten het pakje van Grootmama over te geven; daar zit voor ieder van de jongens nog iets in’ - en toen het aardige kistje open ging, kwam er voor ieder een groot stuk taai-taai uit: voor Daan een visch, voor Hans een viool, voor Rolf een boek, een aap voor Tom, een bloem voor Roosje, een hoepel voor Pau (omdat ze tweemaal den tuin kon rondhoepelen zonder op te houden), een ster voor Emiel, die aan de sterrekunde begonnen was, enz. Het aardigst van alles was een omnibus voor Frans - wiens grootste pleizier was, om zelf den omnibus te mennen - en een dik varkentje voor den Poffer. | |
[pagina 119]
| |
Spoedig daarop reed Mr. Leo met zijn prinsesje, dat intusschen met de meisjes een dineetje aangericht had, naar huis, terwijl vier van de jongensvoor den kruiwagen gespannen, Roosje er in en Emiel als koetsier er naast, het rijtuig een poos lang bijhielden. De geheele week werd er ijverig door den ouden Simon aan het koetshuis gewerkt en niettegenstaande al de vragen en raadgevingen en bemoeiingen van de jongens was het Vrijdag-avonds klaar. Het dak was opgelapt, de muren waren netjes gewit, planken langs de kanten gemaakt en één groot raam was in het midden geplaatst dat een mooi uitzicht gaf over de beek, de weide en de duinen in de verte; boven de deur stond met groote roode letters geschilderd: ‘Leo-stichting’ Zatermiddag kwam Mr. Leo aan, met een groot aquarium; de heele dag werd besteed aan de verdere inrichting en 's avonds werden de dames gevraagd, om het te komen zien. Het zag er al heel plezierig uit, luchtig, netjes en vroolijk. Een wilde wingerd klom langs het raam op; het groote mooie aquarium stond in het midden van de kamer en de vlugge diertjes, die zich onder en tusschen de groene blaadjes bewogen, maakten een drukte van belang in het water. Daan's kastje stond in een hoek en daar boven op zag men een Indischen afgod, heel leelijk maar heel merkwaardig; dan stond er op een lange tafel een prachtig Chineesch schip met zeilen en vlaggen en wimpels; beide voorwerpen van Mr. Leo afkomstig. Aan de zoldering hing een opgezette papegaai, die de lieveling geweest was van Mevrouw en nu op een hoepeltje zat te schommelen, alsof hij nog leefde. Verder lagen er op de planken langs den muur allerlei soort van dingen, zooals een slangevel, een schuitje uit een klomp gesneden, een halsketting van uitgeblazen vogeleieren, het geraamte van een konijn, enz. Het was onmogelijk geweest, om | |
[pagina 120]
| |
een plaats te bedenken voor alle steenen; daarom had Daan de mooiste uitgezocht, om een eereplaats op de planken in te nemen en de andere lagen in de hoeken opgestapeld. Iedereen had er plezier in, iets aan het Museum present te geven; zelfs Simon liet een oude, opgezette kat uit zijn huis halen, die hij lang geleden eens geschoten had. De motten hadden er wel erg aan geknaagd en het dier zag er over het geheel een beetje griezelig uit, maar toen het op een hooge plank stond, met den leelijksten kant naar den muur gekeerd, maakte het met zijn glazen oogen en open mond nog een prachtige vertooning, zóó natuurlijk, dat Eddie er voor wegkroop van angst. ‘Wat hebben we toch een boel moois bij elkaar! Me dunkt, we moeten het aan de menschen voor geld laten zien, dan maken we er nog een aardig zaakje van.’ Natuurlijk was het Jacob, die dit voorstelde, maar hij wilde wel, dat hij zich maar stil gehouden had, want Mr. Leo keerde zich plotseling naar hem toe en zei op ontevreden toon: ‘Een museum is geen handelszaak en als je er dat van maken wilt, laat ik onmiddellijk mijn naam van de deur wegvegen, begrepen? Er is nog één ding,’ vervolgde hij weer tot de jongens - op zijn ouden, vriendelijken toon, terwijl hij op een hoek van de tafel ging zitten - ‘dat ik zou willen voorstellen: Of je nu al die aardige mooie dingen bij elkaar hebt en beziet, daar hebt je niet veel aan; maar nu zou ik je aanraden, er over te gaan lezen, zoodat je wat weet te vertellen, als je er naar gevraagd wordt. Vroeger wist ik er nogal veel van, maar ik ben het vergeten en wil er zoo graag nog wat van hooren. Daan is nogal op de hoogte van insecten en mossen en zoo; daarom is hij het geschiktst voor directeur; maar nu moesten de anderen om beurten elke week een opstelletje maken over een of ander van de uitgestalde dingen. Ik zou er nogal plezier in hebben | |
[pagina 121]
| |
en het zou nuttig zijn ook, geloof ik. Vindt u ook niet, professor?’ ‘Ik vind het een uitmuntend plan; maar ik bezit geen boeken, die de jongens kunnen gebruiken om er over na te lezen,’ antwoordde Mr. Beer. ‘Daar zouden we een aparte bibliotheek voor moeten aanleggen.’ ‘Ik weet wel raad,’ hernam Mr. Leo. ‘Haal dat boek eens, Daan, dat ik je geleend heb, dat dunkt me nogal goed; daar staat tenminste heel wat in over insecten.’ ‘Alsjeblief, Meneer,’ zei Daan, ‘hier is het al; ik heb het hier mee naar toe genomen, om te zien, hoe ik kapellen opprikken moest; maar ik heb er een papier omgedaan om het niet vuil te maken.’ ‘Best,’ hernam Mr. Leo, schreef er met zijn potlood Daan's naam in, zette het op een plank, waarop alleen nog maar een uil zonder staart stond, en zei: ‘Ziezoo, dit is het begin van de bibliotheek van het Museum. Ik zal nog een paar andere boekjes opscharrelen en Rolf zal zorgen, dat ze netjes in orde blijven.’ ‘Maar het zal zoo moeielijk zijn over zulke dingen te schrijven,’ zei Hans, die een hekel had aan opstellen. ‘In 't eerst wel, maar je zult er gauw plezier in krijgen,’ antwoordde Mevrouw. ‘Toen ik een meisje van dertien jaar was, moest ik eens een opstel maken over: een gesprek tusschen Themistokles, Aristides en Perikles over de voorgestelde verhooging der schatting van de bondgenooten te Delos, ter versiering van Athene! Hoe vindt je zoo'n onderwerp?’ De jongens zuchtten van die lange namen en dachten dat het dan nog wel gemakkelijker zou zijn over een worm of een mier te schrijven. De Woensdagmiddagen werden nu voor de ‘lezingen’ zooals zij ze noemden, bestemd, want ze mochten er ook over | |
[pagina 122]
| |
praten, in plaats van schrijven. Verder werd een groote portefeuille uitgezocht om de opstellen in te bewaren. |
|