De kostschool van meneer Beer
(ca. 1910-1920)–Louisa May Alcott–
[pagina 48]
| |
‘Waarom niet?’ ‘Ze zeggen dat slootje springen geen spelletje voor meisjes is.’ ‘Dat is 't wel; dat weet ik nog bij ondervinding,’ en Mevrouw lachte eens bij de herinnering aan haar eigen wilde jeugd. ‘Ik kan 't ook best; Rolf en ik hebben het heel dikwijls gedaan, maar nu wil hij me ook niet mee laten doen, omdat de andere jongens hem zouden uitlachen,’ zei Roosje, heel verontwaardigd over de stugheid van haar broertje. ‘Eigenlijk heeft hij ook wel gelijk, kindlief. Als je met je beiden bent, is 't iets anders; maar met al die jongens is het te veel een wildemansboel; ik zou maar iets bedenken om alleen te spelen.’ ‘Ja, maar ik vind het zoo vervelend om alleen te spelen.’ ‘Straks mag je met mij naar Grootmama gaan.’ ‘Maar ik mag toch wel terugkomen? Rolf heeft liever dat ik hier blijf en het is hier ook zoo pleizierig.’ ‘Je kunt het niet best zonder Rolf stellen, is 't wel?’ ‘Wel neen, want we zijn tweelingen en die houden veel meer van elkaar dan andere kinderen,’ zei Roosje, die er wat trotsch op was, dat ze een tweeling was. ‘Wat zul je nu doen, terwijl ik heen en weer vlieg?’ vroeg Mevrouw, die het heel druk had voor ze kon uitgaan. ‘Ik weet het niet; de poppen en alles beginnen me zoo te vervelen, bedenkt u eens weer een nieuw spelletje voor me, asjeblieft tante!’ zei Roosje, lusteloos met de deur heen en weer zwaaiende. ‘Dat kan ik zoo ineens niet; ga eens zien of je Aal ook helpen kunt,’ stelde Mevrouw voor, blij dat ze althans een oogenblik van haar kon afkomen. ‘Ja, maar Aal is altijd zoo knorrig, die wil het zeker niet hebben,’ zei Roosje, maar ging toch schoorvoetend naar de keuken. Vijf minuten later kwam ze terug met een opgewon- | |
[pagina 49]
| |
den gezicht, de handen vol meel, en een propje deeg op den neus. ‘O tante! mag ik bij Aal blijven? ze is bezig met beslag te maken voor den ketelkoek voor vanmiddag, en ze is niets knorrig en zegt dat ik haar helpen mag,’ riep Roosje in één verrukking. ‘Heel goed; blijf maar gerust zoo lang in de keuken als ze je houden wil,’ zei tante Beer, want dit eene meisje was moeilijker bezig te houden dan alle jongens te zamen. Daarom deed Mevrouw dan ook al haar best om een nieuw spelletje te bedenken en eindelijk slaagde zij er in, maar wat het was, mocht niemand weten. Terwijl ze nu eens op een keer naar de stad reden, vertelde ze Roosje dat ze iets wist en dat ze een nieuw spel ging koopen, waarbij tante zoo ondeugend keek, dat Roosje vreeselijk nieuwsgierig werd. Maar zij bleef bij Grootmama, terwijl Mevrouw in de winkels ging, en toen die terug kwam met allerlei wonderlijke pakjes in haar groote tasch, vroeg Roosje of ze alsjeblieft maar onmiddellijk naar Rozenlust terug zouden gaan. Maar tante had heel geen haast en bleef nog lang bij Grootmama zitten praten. Eindelijk reden ze weg en Roosje hoorde iets rammelen. Wat is dat?’ vroeg ze. ‘Het nieuwe spel,’ antwoordde tante kortaf. ‘Waar is het van gemaakt?’ vroeg Roosje. ‘Van ijzer, tin, zout, gruis, porselein, suiker en nog honderd andere dingen.’ ‘Hoe gek! Wat voor kleur heeft het?’ ‘Allerlei kleuren.’ ‘Is het groot?’ ‘De ééne helft er van is groot en de andere helft klein.’ ‘Heb ik er wel eens meer een gezien!’ ‘Dikwijls; maar nog nooit zoo'n mooi als dit.’ ‘Och, wat zou 't toch zijn! Ik kan 't haast niet uit- | |
[pagina 50]
| |
houden! Wanneer mag ik het zien?’ vroeg Roosje van ongeduld op de bank heen en weer schuivend, ‘Morgenochtend na de les.’ ‘Is het ook voor de jongens?’ ‘Neen, alleen voor jou en kleine Lili, als zij bij je op visite komt. De jongens mogen het alleen maar eens zien en ik verbeeld me, dat ze één gedeelte er van ook wel zullen meedoen; maar jij bent er baas over.’ ‘Ik zal Rolf laten meedoen, als hij wil.’ ‘O, dat zullen ze allemaal wel willen, daar behoef je niet bang voor te zijn, vooral de Poffer’ en Mevrouw betastte eens een smakelijk rond pakje. ‘Mag ik er eens even aan voelen?’ verzocht Roosje. ‘Geen denken aan; je zoudt het in een oogenblik raden en dan was alle aardigheid er af.’ ‘Maar ik kan het niet uithouden.’ ‘Dat zal toch dienen; ik heb met oom Leo afgesproken, dat je het niet zien moogt, voordat het heelemaal in orde is.’ ‘O, weet oom Leo er van? Dan zal 't wel heel mooi zijn,’ riep Roosje, want oom Leo was heel rijk en gaf graag mooie presenten aan zijn neefjes en nichtjes. ‘Ja, oom Leo is 't mee gaan koopen, en je moogt er hem wel eens een hartelijk kusje voor geven, want je zult eens zien wat een prachtig koo ...; o, foei, daar had ik me haast versproken!’ en tante Beer ging ineens haar boodschappenbriefje zitten nazien, alsof ze bang was, nog meer te verklappen. Roosje had nu ook genoeg te doen met te bedenken, wat voor woord toch met ‘koo’ begon, en toen ze thuis kwamen, keek ze elk pakje, dat Frans uit het rijtuig nam en naar de kinderkamer bracht, nieuwsgierig na. Dààr gebeurden dien middag heel geheimzinnige dingen; men hoorde er duidelijk het geluid van hamerslagen en de grove stem van Aal, terwijl tante Jo heen en weer vloog met allerlei pakjes onder haar voorschoot. Kleine Eddie was het eenige kind, dat binnen mocht komen, omdat hij toch niet | |
[pagina 51]
| |
genoeg praten kon, om te verklappen wat hij gezien had; hij deed er anders wel zijn best toe, want met heel veel moeife bracht hij er eindelijk uit: ‘O, aardig.’ Roosje wist niet wat ze doen zou van opgewondenheid en alle jongens deelden er in; ze bestormden Mevrouw met aanbiedingen om te helpen, maar ze werden afgewezen met hun eigen woorden: ‘Meisjes kunnen niet met jongens spelen. Dit is nu eens voor Roosje, Lili en mij.’ Er bleef dus voor de jongens niets over dan zich stil terug te trekken. Dien middag vroegen ze Roosje tot haar groote verbazing om het hardst, met hen te knikkeren of paardje te spelen, ja zelfs om mee slootje te springen. Die beleefde aanbiedingen hielpen haar gelukkig om den dag gauw door te komen en den volgenden morgen was ze zoo ijverig op school, dat oom Beer wel wilde, dat er elken dag een nieuw spelletje werd uitgevonden. Om elf uur waren de lessen voor Roosje afgeloopen en toen ze de kamer uitging, voorspelde een algemeen gemompel onder de jongens, dat nu het oogenblik dààr was, waarop ze het geheimzinnige spel zou zien. Menig oog volgde haar begeerig en Rolf was zoo afgetrokken, dat hij toen Frans hem vroeg waar de Zuiderzee lag, antwoordde: ‘in de kinderkamer’ waarop de heele school hem natuurlijk uitlachte. ‘Tante, tante, ik ben klaar, en ik kan 't nu geen half minuutje meer uithouden!’ riep Roosje, terwijl zij de huiskamer kwam invliegen. ‘'t Is in orde; ga maar mee,’ en met Eddie op haar éénen arm en het sleutelmandje aan den anderen, ging Mevrouw de trap op naar boven. ‘Ik zie niets,’ zei Roosje, in de kinderkamer rondkijkende. ‘Hoor je ook niets?’ vroeg tante Beer, terwijl zij Eddie, die met alle geweld naar een zeker hoekje van de kamer wilde gaan, aan zijn jurkje tegenhield. Roosje luisterde oplettend, en jawel, ze hoorde eerst | |
[pagina 52]
| |
een vreemd gesnor en toen een geborrel alsof er water stond te koken. Dat geluid kwam van achter een gordijn en toen dat weggetrokken werd, gaf Roosje een gil van blijdschap .... want, wat zag ze? De groote vensterbank was in drie doelen verdeeld; rechts hingen en stonden allerlei potjes en pannetjes, links een klein thee- en eetserviesje, en in 't midden een kacheltje: niet van tin, of van blik, maar een wezenlijk ijzeren kacheltje, groot genoeg om er eten op te koken voor een dozijn hongerige poppen. Maar het aardigste was, dat er een wezenlijk vuur in brandde en dat er wezenlijk stoom uit het tuitje van het keteltje kwam, waarvan het deksel op en neer wipte, zóó kookte het water. Er was een rond gat in het raam gemaakt om de pijp door te steken, en het deed een mensch goed om te zien hoe natuurlijk de rook er uit opsteeg. Een gruisbakje en een turfmandje stonden er voor en daarboven hingen een blikje en een stoffertje: op haar gewone kleine tafeltje stond een klein boodschappenmandje, terwijl een net wit schortje en een mutsje over den rug van haar stoeltje waren gelegd. De zon kwam juist naar binnen kijken, het kacheltje snorde, het water stoomde, de tinnen pannetjes glinsterden, het nieuwe porselein blonk en alles zag er even prettig en vroolijk uit als in een sprookje. Langen tijd stond Roosje in stomme verbazing te kijken. ‘O, tante, ik heb nog nooit zoo iets gezien!’ riep ze eindelijk uit en liep toen naar haar toe en bedankte haar zoo goed als ze maar kon. ‘Je moet nu maar goed je best doen om te leeren koken, hoor kindlief,’ zei tante; ‘want het is niet alleen voor je plezier, maar ook voor 't nut dat ik je dit gegeven heb. Ik ben nu mevrouw en jij bent de nieuwe keukenmeid,’ en tante Beer ging gezellig aan de tafel zitten naaien, terwijl kleine Eddie zich naast haar op den grond zette en op zijn duimpje zuigend het kacheltje aanstaarde, alsof dat nu een wezen was, zooals hij nog nooit had gezien. | |
[pagina 53]
| |
‘O, wat zal dat aardig zijn,’ zei Roosje; ‘wat moet ik nu eerst doen, Mevrouw?’ ‘Het eerst van alles moet je een muts opzetten en een schort voordoen, want ik houd er van, dat mijn keukenmeisje er netjes uitziet, begrijp je, Betje? Zoo zal ik je voortaan maar noemen.’ Betje deed vlug wat haar gezegd was, hoewel 't heel moeilijk was, al de krulletjes onder 't mutsje weg te stoppen. ‘Zie zoo, nu moet je beginnen met het nieuwe porselein eens om te wasschen en het oude ook; want mijn vroegere meid was niet heel netjes en liet den boel wel eens vuil staan, als er visite geweest was.’ Tante sprak heel ernstig, maar Roosje moest er toch om lachen; want ze had die vroegere slordige meid heel goed gekend. Ze ging nu ijverig aan 't werk, maar ze kon 't niet helpen dat ze een beetje treuzelde, toen ze dat ‘snoeperige sauskommetje’ of dat ‘doddige peperbusje’ in handen kreeg. ‘Kom Betje, neem nu het mandje en ga eens naar de markt; hier is een heele lijst van allerlei dingen, die ik voor 't eten noodig heb,’ zei tante Beer, toen de boel netjes in orde was. ‘Waar is de markt?’ vroeg Roosje. ‘Aal is de markt.’ Betje kon niet nalaten, onderweg eens even een praatje te maken riet Rolf, toen ze de schoolkamer voorbijging om hem te vertellen, ‘dat het zoo'n prachtig spelletje was. Daarop holde ze de keuken binnen, zoodat Aal wel reden had om zich te ergeren over een keukenmeid, die zoo wild was, dat de muts heelemaal scheef stond en 't dekseltje bij 't mandje hing. ‘Compliment van Mevrouw Tante, en of u me deze dingen geven wilt,’ en Aal legde er een appel, een aardappel, een beetje boter in een papiertje, een zakje met krenten, een kadetje en een paar beschuitjes in. Het vleesch was nog niet gekomen, zei ze, dat zou de slagersjongen straks wel aanreiken. | |
[pagina 54]
| |
‘Wie is de jongen?’ vroeg Roosje, met een stille hoop, dat het Rolf zou zijn. ‘Dat zul je wel zien,’ zei Aal, en Betje trok weer naar huis, terwijl men haar in de schoolkamer vroolijk hoorde zingen: ‘Er was eens een vrouw,
Die koekenbakken zou;
Maar de pot viel om
En de koeken waren krom.’
‘Zet nu alles in de provisiekamer,’ zei Mevrouw, toen de keukenmeid terug was. En wezenlijk, onder in de vensterbank was een kastje gemaakt! De ééne helft was om brandstof in te bewaren en de andere stond vol met kleine potjes rijst, en krenten, en suiker, en meel, en zout; ook stond er een klein eau de cologne fleschje in met bessenat, en een alleraardigst busje voor thee. ‘Waar zal ik nu mee beginnen?’ vroeg Roosje. ‘Natuurlijk met den podding,’ en op aanwijzing van Mevrouw waschte Betje eerst de krenten, weekte toen een stukje brood in wat melk en warm water, deed er de krenten, een stukje boter, een beetje kaneel en een heelen boel suiker doorheen, maakte het netjes glad met een lepeltje, zonder er ééns met de vingers aan te komen, en liet de mevrouw toen eens zien, of de podding er zoo niet heerlijk uitzag. Daarna zette ze hem in het kleine oventje. ‘O, nu heb ik nog vergeten eerst boter in het vormpje te smeren, om den podding gauw er uit te laten glijden; dat doet Aal altijd!’ ‘Dat is waar,’ zei Mevrouw, ‘ik zie dat je aanleg hebt, om een goede keukenmeid te worden, omdat je nu al weet wat je vergeten hebt. Het is gek, nu zal de podding er niet uitglijden; ik weet er niets anders op, dan dat we hem maar uit het schoteltje eten; het is misschien wel goed, dat er niet zooveel boter in is: dat zou de poppenmagen maar bezwaren.’ | |
[pagina 55]
| |
Daar konden ze wel tegen, dacht Betje, en ze legde er maar gauw nog een stukje boter op, uit angst, dat haar lievelingen te kort zouden komen. ‘Nu zal ik deze kruimeltjes er nog op strooien en er een R van maken,’ zei zij, ‘met allemaal krullen er omheen; dat zal mooi staan, als we hem gaan opeten.’ ‘En dan zou ik er maar niet verder aankomen,’ raadde Mevrouw aan, ‘anders moest hij eens vies worden. Ga nu den appel eens schillen en den aardappel ook.’ ‘Den aardappel heb ik geschild gekocht,’ zei Betje. ‘Dat is eerst een winkel! want ik zie dat hij al gekookt is ook! Maak hem dan maar eens fijn met een beetje melk en een stukje boter; neem nu een klein beetje zout uit dat pillendoosje en dan mag je met dat kleine raspje een beetje nootmuskaat raspen.’ Alle keukenmeiden hebben wel eens een ongeluk; toen dan Roosje het raspje een beetje hard op den rand van het schoteltje drukte, sloeg het om, en de aardappelpurée viel op den grond! Betje gilde, Mevrouw lachte en Eddie deed al zijn best om er naar toe te kruipen. Gelukkig liep het nogal goed af, want de handige keukenmeid raapte alles maar gauw op, om het weer in het schoteljte te doen. Of er al een beetje stof bij was gekomen, dat was nu nog zoo heel erg niet! In den oven kwam er toch een bruin korstje op. Nu werd de appel geschild, in stukjes gesneden en met een beetje water in een van die aardige ijzeren potjes op de kachel gezet. En juist toen ze daarmee klaar was, hoorde ze een gekrabbel aan de deur. ‘O, daar is de slagersjongen nog net bijtijds,’ riep Roosje en haastte zich de deur open te doen voor Castor, die met een goed gesloten mandje in den bek vroolijk de kamer binnen kwam hollen. Roosje nam hem gauw het mandje af, uit angst dat | |
[pagina 56]
| |
hij zou denken, dat het zijn eigen middagmaal was, dat hij daar boven gebracht had: Mr. Beer liet hem dat wel eens meer doen. Hij likte dan ook zijn bek al af, ging opzitten en doodliggen, maar niets hielp, en den heelen weg over blaffend van teleurstelling ging de slachtersjongen eindelijk maar weer terug naar de keuken. Roosje had het veel te druk om op hem te letten, want bij het uitpakken van dat mandje vond ze daarin, behalve de twee poppeponden biefstuk, een gebakken peer en een stukje koek in een papiertje, waarop Aal met potlood gekrabbeld had: ‘voor Betje, als ze eens honger mocht krijgen en het eten mislukt was.’ ‘Dank je hartelijk voor dien akeligen kost!’ riep Roosje diep verontwaardigd; ‘wat denkt ze wel, ik zal haar eens laten zien, hoe goed ik koken kan?’ ‘Nu, nu,’ zei Mevrouw, ‘ik zou het dan maar in de provisiekast bewaren; het is altijd goed voorraad te hebben.’ ‘Ik zoo honger’, kondigde Eddie aan, die dacht dat, als het nu tijd voor koken was, het ook tijd voor eten werd. Maar zijn moeder gaf hem maar gauw haar sleutelmandje om in te schommelen - het beste middel om hem rustig te houden - en ging door met de huishouding verder te bestieren. ‘Dek nu eerst de tafel en stook de kachel goed op, vóór we biefstuk gaan bakken.’ Wat een heerlijk ding was het, om die appels zoo te zien koken en die rijst (want die hadden ze ook nog opgezet, omdat Eddie daar zoo van hield) en dan den oven elk oogenblik open en dicht doen, om te zien of de appels al bruin werden, de warmte van den kachel te voelen en met een vorkje in den biefstuk te prikken, die in een alleraardigst klein pannetje lag te sissen. Maar het was haast te veel werk in eens, want ze had nu waarlijk geen tijd gehad om aan den podding | |
[pagina 57]
| |
te denken, die achter in den oven geschoven was. Toen ze hem eindelijk voor den dag haalde, was er niets meer van over, dan een heel zwarte klomp, net als van een huis dat afgebrand is. ‘O mijn podding! die lekkere, lekkere podding! hij is heelemaal bedorven!’ riep de arme Betje, terwijl ze hare vuile handjes in elkaar sloeg. ‘Ik heb vergeten te zeggen, dat je hem eruit moest nemen; het is mijn schuld,’ zei tante Beer, om haar te troosten; ‘schrei maar niet, mijn lieve kind, we zullen het na den eten eens overdoen.’ Eén dikke traan van Betje viel op de treurige overblijfsels van den podding, en misschien zou het niet bij één gebleven zijn, als de biefstuk op dit oogenblik niet zoo'n lawaai was gaan maken, dat de keukenmeid al haar aandacht daaraan moest geven. Gelukkig liep het verder zonder ongelukken af, en toen het eten in de aardige schaaltjes opgedaan was, zag het er heerlijk uit. Onder aan de tafel zat Eddie, die als een ordentelijk huisvader alles opat, wat hem voorgezet werd; bovenaan Betje, puffend van de warmte, en aan elken kant drie poppen. Het was een wonderlijk gezicht; want éen pop had een baljurkje aan, en een ander een nachtjaponnetje; Jaapje, de wollen jongen, droeg zijn winterpakje, en Amalia, de jongejuffrouw zonder neus, was al heel luchtig aan tafel verschenen: ze had heelemaal niets aan! De biefstuk was wel een beetje taai; maar misschien was het mesje, waarmee ze hem sneden, wat bot; de appels smaakten wat waterachtig, en het aardappelschoteltje was een beetje klein uitgevallen; maar de vriendelijke gastjes maakten in 't geheel geen aanmerking, en de Mijnheer en Mevrouw zorgden wel dat de bordjes goed leeg werden gegeten. Het stukje koek, dat Aal gezonden had, diende nog als dessert, en Roosje had wel gelijk toen ze uitriep, terwijl ze de overgebleven kruimeltjes oppikte: ‘Ik heb nog nooit | |
[pagina 58]
| |
in mijn leven zoo lekker gegeten! Mag ik nu elken dag mijn eigen eten koken?’ voegde zij er bij. ‘Neen, neen, geen denken aan,’ zei Mevrouw. ‘We zullen het nu en dan maar eens doen; maar omdat het vandaag nu de eerste keer is, mag je van middag bij de thee nog wel eens iets maken.’ ‘O, mag ik dan eens pannekoekjes bakken voor Rolf? daar houdt hij zooveel van! en 't is zoo aardig ze om te keeren,’ riep Roosje en meteen veegde ze een vuile streep van 't aangezicht van Amalia, die den appel maar volstrekt niet naar binnen had kunnen krijgen, hoe ze hem ook tegen haar gebroken neus had aangedrukt. ‘Maar als je Rolf zoo tracteert, zullen de andere jongens ook wat willen hebben.’ ‘Mag Rolf dan dezen éénen keer niet eens alleen bij mij komen theedrinken? dan zal ik later voor de andere jongens eens wat maken; tenminste als ze het verdienen,’ zei Roosje heel verstandig. ‘Goed dan; en ze zullen hun best wel doen, want er is niets wat groote en kleine jongens zoo prettig vinden als getrakteerd te worden.’ Nauwelijks had Mevrouw deze woorden gezegd, of de deur ging open en alle jongens, met Mr. Beer aan het hoofd, stormden binnen. De school was uit en de reuk van den biefstuk had ze naar boven gelokt. Vol trots toonde nu de keukenprinses haar schatten en vertelde ze wat hun te wachten stond. Een paar knapen lachten hartelijk om het denkbeeld, dat Roosje iets zou kunnen koken, dat goed was om te eten; maar de Poffer zei dat hij er de proef wel eens van wilde nemen. Hans en Rolf stelden ook het grootste vertrouwen in haar knapheid, en de anderen zeiden dat ze het eerst moesten zien, voor ze het gelooven konden. De keuken en het kacheltje wekten echter ieders belangstelling op. Rolf vroeg dadelijk of hij het waterketeltje mocht hebben, om er een stoommachine van te maken, en Frits zei, dat hij stellig dat ijzeren potje | |
[pagina 59]
| |
eens te leen zou vragen, om looden kanonskogels te smelten. Roosje keek zoo verschrikt bij die praatjes, dat Mevrouw ineens verklaarde, dat geen van de jongens aan het heiligdom mocht raken of zelfs er naar mocht kijken, zonder verlof van de eigenares, op straffe van nooit te zullen gevraagd worden op een van de dineetjes, die er op gekookt zouden worden. Op dit oogenblik luidde de etensbel en de heele bevolking trok naar beneden. Roosje had natuurlijk niet veel honger, maar ze had het druk genoeg met het hooren, opnoemen van al de lievelingskostjes, die de jongens haar vroegen om te koken, zooals erwtensoep, roomtaart, hutspot enz. Ze beloofde maar alles, hoewel ze niet wist hoe ze het zou klaarmaken, want het scheen haar alles heel moeilijk toe. Ze had wel dadelijk na den eten weer willen beginnen; maar tante vond het beter dat ze eerst wat in den tuin ging spelen. Om zes uur mocht ze dan weer boven komen. Iedereen was dien middag even vriendelijk voor haar. Tom beloofde haar de eerste vruchten uit zijn tuintje; waarin nog niets dan onkruid te zien was; Hans bood aan, haar voor niets van brandhout te voorzien; Frits ging dadelijk aan het werk, om een klein glazenspuitje voor haar keuken te knutselen, en Rolf hield trouw hett oog op de klok, want hij zou immers mee naar boven gaan. Eindelijk sloeg het zes uur. Hij mocht helpen het beslag te maken, omdat hij zoo hard roeren kon, en hij klutste met den lepel, dat hooren en zien vergingen. 't Was niet voor niets geweest; want nadat de eerste natuurlijk mislukt was, omdat Roosje vergeten had boter in de pan te doen, ging het bakken voortreffelijk, en in een oogenblik waren er zes keurige pannekoekjes gereed. ‘Me dunkt, dat stroop er nog lekkerder op zal smaken dan suiker,’ zei Rolf, die alvast, met een vorkje vóór zich, aan 't tafeltje zat. | |
[pagina 60]
| |
‘Ga dan maar gauw een beetje aan Aal vragen,’ antwoordde Roosje, ‘terwijl ik mijn handen aan 't fonteintje wasch.’ Toen nu de beide kinderen weg waren, gebeurde er iets vreeselijks. Castor was namelijk den geheelen dag kwaad geweest, omdat hij geen belooning had gehad, toen hij het vleesch zoo braaf naar boven gebracht had. Het was nu juist geen nare hond; maar toen, hij toevallig de kinderkamer binnenkwam en die lekkere pannekoekjes zag staan, kon hij zich niet bedwingen en slokte ze in één hap alle zes naar binnen. Eigenlijk ben ik blij, er bij te kunnen vertellen, dat ze erg warm waren, en hij er zich zoo geducht aan brandde, dat hij 't even uitgilde. Dat hoorde Roosje; ze vloog naar binnen, maar zag helaas niets dan een leeg schoteltje en een bruine staart, die onder de canapé wegkroop. Zonder iets te zeggen, pakte ze dien staart beet, trok den dief er uit, schudde hem een paar keeren heen en weer, nam hem vierkant op en bracht hem naar beneden naar het kolenhok, waar hij verder den heelen avond over zijn gedrag kon nadenken. Gelukkig droeg Rolf de teleurstelling met het grootste geduld en begon dapper een nieuw beslag te maken. De koekjes lukten nu ook nog beter dan den eersten keer, en oom Beer, aan wien ze er één gebracht hadden om te proeven, verklaarde, dat Aal ze niet half zoo lekker bakken kon. Het behoeft niet gezegd te worden, dat alle jongens Rolf benijdden. Hij zat daar dan ook heerlijk. Roosje schonk thee uit het aardige serviesje en het melkkannetje viel maar ééns om. De pannekoekjes dreven in de stroop en Rolf vergat zijn heele fatsoen en zat te schrokken als een menscheneter. ‘Nu, kindertjes, heb je nogal plezier gehad?’ vroeg Mevrouw toen ze met Eddie op haar rug weer boven kwam. | |
[pagina 61]
| |
‘O, heel veel,’ verzekerde Rolf, ‘ik zal gauw eens weerkomen.’ ‘Je hebt toch niet te veel gegeten? alles is zoo op?’ ‘Wel neen, ik heb er maar vijftien gehad,’ zei Rolf, die toch niet had kunnen bedanken, als Roosje zoo vriendelijk was hem te bedienen. ‘Ze zullen hem geen kwaad doen, ik heb ze niet te vet gemaakt,’ zei Roosje, met moederlijke bezorgdheid. ‘Nu, het nieuwe spelletje schijnt nogal in den smaak te vallen,’ hernam Mevrouw glimlachend. ‘Ik vind het héél aardig,’ verklaarde Rolf. ‘En ik vind het zóó aardig, dat ik wel zou willen, dat alle kindertjes in de wereld zoo'n spelletje hadden,’ voegde Roosje er bij. |
|