De kostschool van meneer Beer
(ca. 1910-1920)–Louisa May Alcott–
[pagina 22]
| |
De zon scheen vroolijk in de eetkamer en alles zag er recht Zondagachtig uit; ook de jongens in hun nette pakjes. Ter eere van den feestdag kregen ze allen een kopje thee en kaas op de broodjes; in de week kregen ze maar gewone boterhammen en melk. Natuurlijk werd er weer druk gebabbeld en toen Hans al die praatjes en plannen aanhoorde, vond hij dat de dag zich al heel prettig liet aanzien. ‘Komaan jongens, eerst je morgenwerk afgedaan dan zullen we verder zien,’ riep vader Beer, toen het ontbijt afgeloopen was, en ieder ging lustig aan het werk, want Zondags hadden ze ook hun bezigheden. Een paar jongens vulden de turfmanden, een paar andere deden boodschappen in de buurt voor Mevrouw, andere weer gaven de bloemen water of zorgden dat de huisdieren te eten kregen, en nog andere kregen muziekles van Frans. Roosje mocht de kopjes afwasschen en Rolf mocht ze afdrogen, omdat de tweelingen zoo graag samen bleven. Ook kleine Eddie had zijn werk en trippelde heen en weer om de servetjes bij elkaar te leggen en de stoelen op hun plaatsen te schuiven. Een, half uur lang duurde die drukte, toen kwam er wat rust in huis, want Mr. Beer trok met de acht oudste jongens er op uit, om een groote wandeling te doen. Om zijn hoest bleef Hans maar thuis met de vier kleintjes en hij had er niets geen spijt van, want ze gingen gezellig op de kamer van Mevrouw zitten, die hun eerst allerlei mooie vertelseltjes vertelde en ze toen hielp met prentjes opplakken en kleuren. ‘Dit is mijn Zondagsche kast,’ zei Mevrouw en liet Hans een groote kast met speelgoed zien. ‘Ik vind het zoo plezierig, als de jongens zich verheugen kunnen op den Zondag, om naar hartelust te mogen spelen; want op die manier kunnen we ook iets leeren, dat niet op school onderwezen wordt. Begrijp je wat ik bedoel?’ vroeg ze aan Hans, die oplettend toeluisterde. | |
[pagina 23]
| |
‘U meent, dat we dan leeren om goed op te passen,’ zei hij, na zich een oogenblik bedacht te hebben. ‘Juist, om goed op te passen, en het pleizierig te vinden om braaf te wezen. Dat valt wel eens moeilijk; ik weet het wel, maar we doen ons best, om elkaar te helpen. Kijk eens hier; dit is een middel, waardoor ik mijn jongens een beetje voorthelp,’ en Mevrouw toonde hem een dik schrift, dat halfvol geschreven was, en sloeg een pagina op, waar bovenaan maar één woord geschreven stond. ‘Dat is mijn naam!’ riep de nieuwsgierige en verwonderde Hans. ‘Ja, ik heb een bladzijde voor elken jongen en daarop schrijf ik, hoe hij zich gedurende de week gedragen heeft; Zondagsavonds laat ik het hem zien Ik heb er vreeselijk verdriet van als ik soms nare dingen moet laten zien, maar ik ben er ook heel trotsch op, als ik iets goed heb kunnen neerschrijven. Doch hoe het ook zij, de jongens weten genoeg, dat ik het alleen doe om hen te helpen, en ze doen hun best, dat moet ik zeggen.’ ‘Dat wil ik wel gelooven!’ zei Hans, die toevallig den naam van Tom zag staan, en graag eens even wilde kijken, wat er onder stond. Maar Mevrouw sloeg gauw het boek dicht met de woorden: ‘Neen, neen, niemand behoeft te weten, wat er van een ander geschreven staat; we zullen den volgenden Zondag eens zien, wat er op deze pagina zal staan; ik denk wel, dat het nog al schikken zal.’ ‘Ik zal mijn best doen, mevrouw,’ zei Hans ernstig, want het denkbeeld, dat hij zou kunnen maken, dat zoo'n groote mevrouw trotsch kon zijn op zoo'n arm klein ventje als hij was, viel zeer in zijn smaak. Hij staarde haar een heele poos aan, alsof hij dacht: ‘Zoo iemand heb ik nog nooit in mijn leven gezien; ze vult de bordjes weer, voordat ze nog heelemaal leeg zijn; ze lacht om elke jongensgrap; ze wordt nooit boos, maar trekt de jongens nu en dan maar eens bij | |
[pagina 24]
| |
de ooren of klopt ze vriendelijk op de schouders. Dat is een heel vreemde dame!’ - ‘Vindt u het dan niet vervelend, zooveel jongens te hebben?’ vroeg hij eindelijk. ‘Wel, ik zou er geen een willen missen,’ was het vroolijke antwoord; ‘ik zou niet buiten dat wilde drukke troepje kunnen; is het wel, mijn kleine Eddie?’ En het was juist bijtijds, dat Mevrouw hem opnam om hem te mokkelen, want hij was op het punt om den grooten inktkoker in het zakje te stoppen, dat hij voor het eerst van zijn leven in zijn kieltje had. ‘Hoe zou je het vinden, als je nu eens naar de schoolkamer gingt om je te oefenen in de liedjes, die wij van avond zullen zingen?’ vroeg Mevrouw, die weer juist raadde waar hij 't meeste lust in had. En Hans sleet een paar heerlijke uurtjes alleen met zijn viool in een zonnig hoekje bij de vensterbank. Toen de wandelaars thuis kwamen, werden er brieven geschreven, boekjes gelezen, platen bekeken en zoo voorts, tot drie uur, toen het etenstijd was. Na tafel gingen ze allen weer in den tuin spelen, terwijl Mevrouw met haar twee zoontjes en Roosje bij Grootmama in de stad een visite gingen maken. Hans had beloofd, dat hij niet aan de wilde spelletjes van de andere jongens zou meedoen, omdat hij daar te zwak voor was, en Tom zei, dat hij wel zorgen zou dat de nieuweling zich niet verveelde. ‘Je hebt nu het huis gezien,’ zei hij, ‘ga nu eens mee naar den tuin en het schuurtje en onze menagerie.’ ‘Wat is je menagerie?’ vroeg Hans, toen ze buiten kwamen. ‘We hebben hier ieder onze lievelingsbeesten, en die wonen allemaal bij elkaar in de schuur. Hier zijn we er. Vindt je mijn egeltje niet prachtig?’ en Tom toonde hem een monsterachtig diertje. ‘Ik ken een jongen die er twaalf heeft en hij heeft mij er een beloofd, als ik plaats had om hem te bergen. Dat was wit met zwarte vlekken; zoo iets | |
[pagina 25]
| |
moois heb ik nog nooit gezien; misschien zal ik het voor jou vragen,’ zei Hans, die den vriendelijken Tom wel eens graag een pleiziertje wilde doen. ‘Dat zou ik wel willen hebben, dan krijg jij dit, en dan kunnen ze hier samen wonen, als ze maar niet vechten! Deze witte muizen behooren aan Rob, hij heeft ze van Frans gekregen. Die konijnen zijn van Frits en die dikke marmotten daar buiten van den Poffer. In deze kom zijn Rolf's goudvisschen; hij heeft er nu niet veel. Verleden jaar had hij er over de twintig; maar die heeft hij laten zwemmen. Een ervan heeft hij een draadje om den staart gebonden, in de hoop, dat hij hem later nog eens terug vinden zal. Hij heeft eens iets gelezen van een goudvisch, waar een teeken aan gemaakt was, en die na honderd jaar weer terug was gevonden. Rolf is zoo'n gekke jongen.’ ‘Wat is hier in dezen bloempot?’ vroeg Hans. ‘O, dat is de pierenwinkel van Jacob Tromp. Hij zoekt ze in den grond, bewaart ze hierin, en als we ze noodig hebben om te visschen, kunnen we ze van hem koopen. Dat is heel gemakkelijk voor ons; maar hij is zoo duur! De laatste maal dat ik ze van hem kocht, moest ik een stuiver voor de twaalf geven, en toen kreeg ik nog allemaal kleine ook! Ik was er heel kwaad om en heb hem ook gezegd, dat ik ze zelf zou gaan zoeken, als hij niet goedkooper werd. Wel, ik heb twee kippen, die twee grijze daar, 't zijn puike, en ik verkoop de eieren aan Mevrouw, maar vraag er nooit meer voor, dan twee en een halven cent het stuk. Ik zou het wel laten er meer voor te nemen!’ riep Tom met een verachtelijken blik op de wormen. ‘Van wien zijn die honden?’ vroeg Hans, die heel veel belang had gesteld in die handelszaken en meer en meer overtuigd werd, dat Tom Blommers een zeer gewichtig persoon was. ‘Die groote is van Emiel. Hij heet Christoffel | |
[pagina 26]
| |
Columbus,’ ging Tom voort, als een man, die ineen kermistent de beesten aanwijst. ‘Dat kleine witje is van Rob, en die gele van Eddie; de boer van hier naast wilde ze in den vijver gaan verdrinken, maar dat wilde vader Beer niet hebben; hij heeft ze dus gekocht, en ze zijn net geschikt voor die kleine baasjes; ik kan niet zeggen dat ik ze mooi vind. Ze heeten Castor en Pollux.’ ‘Het liefst van alles zou ik den ezel hebben, als ik kiezen mocht. Het is zoo heerlijk om te rijden en deze ziet er zoo goedig uit,’ zei Hans, denkende aan de lange tochten, die hij te voet had afgelegd. ‘Mr. Leo heeft hem aan Mevrouw gegeven, omdat ze dan Eddie niet meer op den arm behoeft te dragen, als we gaan wandelen. We houden allen ook veel van ons Tobiasje, het is een best ezeltje! Die duiven zijn van ons allemaal; we hebben er ieder onze lieveling onder en de jongen worden eerlijk verdeeld. Dat zijn ook heel aardige beestjes; jammer dat we er nu juist geen hebben. Klim de ladder eens op, dan kun je de oude goed zien; ik moet even kijken, of Kokkelekok en Kukeluku ook gelegd hebben.’ Hans deed zooals hem gezegd was, stak zijn hoofd door een zolderluik en vermaakte zich een heele poos met de kirrende, trekkebekkende duifjes, die daar zoo ruim en prettig op den hooizolder woonden. Enkele zaten in hun nestjes; andere waren bezig strootjes bijeen te zoeken; nog andere zaten voor de deur van hun hokken; de meeste vlogen heen en weer van het zonnige dak naar de groote plaats voor den stal, die met stroo was belegd, en waarop zes stevige koeien rustig hun voedsel lagen te herkauwen. ‘Iedereen schijnt hier het een of ander dier te hebben behalve ik,’ dacht Hans, toen hij al die schatten van de jongens zag. ‘Hoe kom je toch aan die beesten?’ vroeg hij aan Tom, terwijl hij van de ladder afkwam. | |
[pagina 27]
| |
‘Dat weet ik niet; we vinden ze, of koopen ze, of krijgen ze present. Ik heb ze van mijn vader gekregen; maar zoodra ik met mijn eieren geld genoeg verdiend heb, ga ik een paar eenden koopen. Ze kunnen net goed in dat vijvertje achter de schuur zwemmen en eendeneieren worden goed betaald, weet je! Het is ook zoo vreeselijk grappig die kleine eendjes te zien zwemmen,’ zei Tom, alsof hij ze al zag. Hans zuchtte: want hij had geen vader en geen geld; hij bezat niets in de heele wereld dan een oude, leege portemonnaie. Tom scheen zijn gedachten te raden, want na een oogenblik van diep nadenken riep hij opeens uit ‘Ik weet wat! Als jij voor mij de eieren wilt opzoeken - dat vind ik zoo'n vervelend werkje - zal ik je van elk dozijn, dat je vindt, er één present geven; dan bewaar jij ze tot je er twaalf bij elkaar hebt, en dan geeft Mevrouw je er ineens zes stuivers voor; daar kun je dan voor koopen wat je wilt; is dat niet goed?’ ‘Heerlijk!’ riep Hans, verrukt over dat schitterende plan. ‘wat ben je toch een goede kerel, Tom.’ ‘'t Is ook wat! Begin nu maar dadelijk de schuur door te zoeken, dan blijf ik hier op je wachten. Kokkelekok maakt zoo'n lawaai; ze heeft zeker hier of daar een ei gelegd,’ en Tom strekte zich behaaglijk in het hooi uit, met het prettige gevoel van iemand, die een goeden koop gesloten en meteen een weldaad bewezen heeft. Hans begon moedig zijn onderzoekingstocht en vond eindelijk twee mooie eieren, het eene verborgen achter een balk, en het andere in een havermaat, die aan mevrouw Kukeleku geschikt had toegeschenen om haar ei in te leggen. ‘Nu mag jij er al een en ik het andere hebben, dan heb ik net een dozijn vol en kunnen we morgen aan een nieuw beginnen. Schrijf nu je rekening maar op naast de mijne; hier heb je een stuk krijt.’ | |
[pagina 28]
| |
En de trotsche bezitter van één ei schreef een groote een op den muur, naast een lange onduidelijke rij cijfers, die Tom's rekening moest verbeelden. ‘Wacht,’ zei die jonge koopman, ‘'t is nog niet klaar,’ en hij zette er met reusachtige letters: ‘Tom Blommers en Co.’ boven. De arme Hans had er zoo'n plezier in, dat het hem aan het hart ging, zijn eerste bezitting in de provisiekast van Aal ter bewaring te moeten geven. Maar er was weer een nieuwe afleiding, want nadat ze kennis hadden gemaakt met de zes koeien, een kalf, drie varkens en twee paarden, nam Tom zijn nieuwen vriend mee naar zekeren wilgenboom, die bij een helder beekje stond. Nu was het heel gemakkelijk om met behulp van een oud stuk hek, dat er tegenaan stond, in den boom te klimmen, die in zijn breede kroon, bestaande uit drie dikke takken, waaruit jongere twijgen ontsproten, een paar alleraardigste zitjes aanbood. Daarenboven was er nog een holletje in, groot genoeg om twee boeken, een schuitje zonder zeilen of masten en een menigte half afgemaakte fluitjes van wilgentakken in te bergen. ‘Deze boom behoort nu alleen aan Rolf en mij, en niemand mag er inklimmen zonder onze permissie, behalve Roosje natuurlijk,’ zei Tom, en Hans zag vol verrukking naar het kabbelende, frissche water beneden en het groene priëel er boven. ‘O, wat is het hier mooi,’ riep hij. ‘Ik hoop toch, dat ik er eens weer in zal mogen zitten. Ik heb nog nooit zoo'n mooi plekje gezien. Ik wou dat ik een vogel was, dan kon ik hier mijn heele leven in wonen.’ ‘Ja, het is hier wel aardig. Als Rolf het goed vindt, mag je er wel meer in, en ik denk wel, dat hij 't zal willen hebben, want hij zei gisterenavond, dat hij je wel lijden mocht.’ ‘Heeft hij dat wezenlijk gezegd?’ vroeg Hans met een glimlach van genoegen op z'n gelaat: het | |
[pagina 29]
| |
kon hem veel schelen hoe Rolf over hem dacht. ‘Ja, Rolf houdt altijd het meest van stille jongens; als je nu ook maar net zooveel van lezen houdt als hij.’ Het gezicht van den armen Hans betrok en hij kreeg een kleur tot over de ooren, terwijl hij stamelde ‘Ik kan nog niet heel goed lezen; ik heb nooit gelegenheid gehad om het te leeren; ik moest altijd door maar vioolspelen.’ ‘Ik houd niet erg van lezen, maar ik kan het toch wel,’ zei Tom, met een verwonderden blik, alsof hij zeggen wilde: ‘Een jongen van twaalf jaar, die nog niet lezen kan.’ ‘Maar ik kan wel muziek lezen,’ hernam Hans, een beetje verdrietig. ‘Dat kan ik nu niet,’ antwoordde Tom op zulk een eerbiedigen toon, dat Hans moed kreeg om te zeggen: ‘Maar ik ben van plan om heel goed mijn best te doen, want ik moet van voren af aan beginnen; ik heb nog nooit iets geleerd. Geeft Mr. Beer moeielijke lessen?’ ‘Neen, en hij is nooit kwaad; hij legt je alles heel duidelijk uit en de moeilijkste plaatsen slaat hij over. Dat is anders dan mijn vorige meester! Als we een woord misten, pof, dan kreeg je een tik om je ooren,’ en Tom voelde eens naar die lichaamsdeelen, alsof zij nog tintelden van al de tikken, die hij gekregen had; het was dan ook de eenige herinnering, die hij van zijn ‘vorigen meester’ nog had. ‘Misschien kan ik dit toch wel lezen,’ zei Hans, die de boeken doorgebladerd had. ‘Probeer het eens, ik zal je wel helpen,’ hernam Tom op beschermenden toon. Hans ging aan den gang en las al hakkelend, met menige vriendelijke terechtwijzing van Tom, een heel blad door, zoodat zijn jonge leermeester hem verzekerde, dat het nog al schikken zou. | |
[pagina 30]
| |
Toen bleven ze gezellig over allerlei jongensbelangen praten, onder andere over de tuintjes, want Hans was nieuwsgierig te weten, wat daar beneden aan den anderen kant van de beek, op al die kleine vierkante stukjes land geplant was. ‘Dat zijn onze akkers,’ legde Tom uit: ‘we hebben ieder ons eigen lapje grond en we mogen er net op planten wat we willen, maar we moeten allen iets verschillends kiezen en mogen het niet veranderen voordat de oogst binnen is.’ ‘Joa, ziedege, ik had er nogal schik af om bonnen te planten, da geet nogal maklik.’ Hans kon zijn lachen niet houden, want Tom had zijn pet achterover geschoven, zijn handen in de broekzakken gestopt, sprak de woorden op zijn Geldersch uit en aapte dus precies in alles Simon na, den ouden boer, die het bestuur over den tuin had. ‘Nou, je hoeft er niet om te lachen, het is de zuivere waarheid, boonen groeien gemakkelijker dan boekweit of koren. Verleden jaar had ik meloenen gezaaid, maar die oude sukkels wilden niet groeien; ik geloof dat ze te vochtig stonden en ze konden niet tegen een beetje kou; ik heb er maar ééntje gehad, en die was de moeite niet waard.’ ‘Ik vind dat koren zoo mooi staat,’ zei Hans. ‘Ja, maar dat moet je er goed onder harken, en de boongin leg je er maar zoo met de hand in. Ik zal het eens probeeren; ze worden ook zoo gauw rijp. De Poffer had ze willen planten, maar ik had het al eerst gezegd; nu neemt hij erwten, en die moeten gedopt worden; dat kan hem geen kwaad, want hij eet er ook meer van dan een van allen.’ ‘Zou ik ook zoo'n tuintje krijgen?’ vroeg Hans, vol verlangen om zelf koren te gaan maaien. ‘Wel zeker,’ antwoordde een stem van beneden - en daar stond Mr. Beer, die niet wist waar de jongens gebleven waren, en ze hier kwam zoeken. De | |
[pagina 31]
| |
jongens klommen dadelijk uit hun zitje naar beneden en Tom kwam daarbij in het beekje terecht; maar hij was zoo'n geval gewoon, klauterde er bedaard weer uit en draafde naar huis om droge kleeren aan te trekken. Hans kuierde langzaam terug met Mr. Beer, die zijn hart stal, door hem ineens ook een lapje grond als zijn eigendom aan te wijzen, en er met hem over te praten, alsof de geheele familie haar groenten van dat akkertje moest krijgen. Mr. Beer scheen te begrijpen, dat dit een onderwerp was, waarin Hans belang stelde, ten minste, toen 's avonds de familie gezellig bij elkaar zat in de ‘mooie kamer,’ ter eere van den Zondag, bracht hij het weer te pas. Iederen Zondagavond namelijk bedacht Mr. Beer een of ander prettig vertelsel. De jongens zaten in een halven kring om de kachel, sommige op stoelen, andere op den grond, Rolf en Roosje ieder op een knie van oom Beer, en Rob had heel verstandig een zitplaatsje gezocht achter in den grooten stoel, waarop zijn moeder zat, opdat niemand het zou merken als hij soms in slaap mocht vallen. Zoo zaten ze dan in het geheel niet schoolachtig, maar heel huiselijk bij elkaar, vol verlangen dat Mr. Beer zijn vertelsel zou beginnen. ‘Er was dan eens,’ begon hij op de prettige ouderwetsche manier ‘een verbazend knappe tuinman, die een tuin had, zoo groot als men nog nooit had gezien! Hij had er bijzonder veel zorg voor en kweekte er allerlei nuttige en mooie zaken, zoodat het een plezier was, er in te komen. Maar onkruid groeit overal, ook in dezen mooien tuin groeide het; ook was op sommige plaatsen de grond onvruchtbaar en het zaad wilde er niet opschieten.’ ‘Is het wel een fabel?’ vroeg Rolf, die daar meer van hield dan van een vertelsel met zoo'n gewoon begin. ‘Luister maar eens; ik ben nieuwsgierig te weten | |
[pagina 32]
| |
of het er een worden zal,’ antwoordde Mevrouw, die er net zooveel belang in stelde als de jongens. ‘Die tuinman dan,’ ging Mr. Beer voort, ‘had een stuk of twaalf akkers, waarvan hij veel werk had gemaakt; ze waren van verschillenden vorm en grootte, sommige hadden een heel harden grond, andere waren weer heel vruchtbaar, maar alle vcreischten veel zorg, want in de goede aarde groeide het onkruid welig en in de slechte waren vele steenen.’ ‘Wat groeide er nog meer in, dan onkruid en steenen?’ vroeg Hans, heel en al vergetende, dat al die jongens om hem heen zaten, voor wie hij zoo verlegen was geweest. ‘Bloemen,’ antwoordde Mr. Beer, hem vriendelijk aanziende. ‘Zelfs op het meest verwaarloosde, steenachtigste perkje was nog een madeliefje of viooltje te vinden. Op een perkje groeiden doperwtjes, reseda's en roosjes,’ hier kneep de spreker even de kleine meid op zijn knie in de wangen. ‘Op een ander groeiden weer meer merkwaardige planten, zooals Japansche lelies, begonia's en zoo al meer; dat perk was dan ook goed bebouwd geweest.’ Bij dit gedeelte van de ‘fabel’ keek Rolf Mr. Beer eens onderzoekend aan, alsof hij iets vermoedde; maar zijn oom ging rustig door: ‘Zooals ik dan zeide, sommige van die perkjes waren heel gemakkelijk te onderhouden en andere kostten heel veel moeite. Dat was vooral het geval met één; het lag goed op de zon en het zou prachtige vruchten en groenten en bloemen hebben kunnen opleveren, maar 't wilde zelf maar niet meewerken, en eens, toen de tuinman - laat eens zien .... meloenen op dit perkje gezaaid had, mislukten ze heelemaal, omdat het perkje zichzelf geen moeite had willen geven. ‘De tuinman was er zeer verdrietig over en deed altijd weer zijn best; maar altijd mislukte de oogst weer opnieuw en het perkje zeide maar niet anders dan: ‘“Ik was 't heelemaal vergeten.”’ | |
[pagina 33]
| |
Hier ging een algemeen gelach op en allen keken Tom aan, die bij het woord ‘meloenen’ bijzonder oplettend had toegeluisterd, maar bij 't hooren van zijn gelief koosde uitvlucht het hoofd liet hangen. ‘Ik heb het wel begrepen,’ riep Rolf, in de handen klappend, ‘dat u ons bedoelde. U bent de tuinman en wij zijn de perkjes; is 't niet, oom?’ ‘Goed geraden. Nu moet ieder me eens vertellen, wat ik deze lente moet zaaien, zoodat ik in het najaar een rijken oogst op mijn twaalf - o neen dertien - perkjes kan hebben,’ zei Mr. Beer, terwijl hij Hans toeknikte. ‘Ik zou maar koren en boonen en erwten in ons zaaien; want hoe meer we daarvan eten, hoe dikker worden we,’ zei de Poffer, stralend van genoegen bij dat denkbeeld. ‘Dat soort van zaden bedoelt oom niet. Hij meent dingen om ons braaf te maken; het onkruid beteekent onze gebreken,’ riep Rolf, die thuis wel meer zulke gesprekken had hooren voeren door zijn Grootpapa, die dominé was. ‘Juist, laat ieder nu eens zeggen welk zaad hij het meest noodig heeft, en dan zal ik hem helpen het op te kweeken; maar ieder moet ook zijn best doen, want anders komt er - net als bij Tom's meloenen - niets dan blad zonder vruchten van hem terecht. Ik zal met de oudste beginnen en eerst aan moeder de vrouw vragen, wat zij in haar perkje wil gezaaid hebben,’ zeide vader Beer. ‘Ik wil niets dan Geduld er op hebben; want dat heb ik hoog noodig,’ antwoordde Mevrouw op zulk een ernstigen toon, dat de jongens in eens begonnen na te denken, om klaar te kunnen zijn met een antwoord, als het hun beurt zou zijn. Frans wilde het liefst IJver gezaaid hebben; Tom Ernst; Frits Tevredenheid; Roosje Netheid; Rolf ‘zooveel Geleerdheid als Grootpapa,’ en Hans zei heel bescheiden, dat Mr. Beer maar voor hem kiezen moest; | |
[pagina 34]
| |
want hij had alles noodig. De anderen kozen ook dergelijke zaden; Geduld, Tevredenheid en Vlijt schenen geliefkoosde gewassen te zijn. Een van de jongens wilde het zoo plezierig vinden om vroeg op te staan, maar wist geen naam voor dat soort van zaad te bedenken en de arme Poffer zuchtte: ‘Ik zou wel willen, dat ik evenveel van mijn lessen als van mijn eten hield; maar dat doe ik niet.’ ‘Dan zullen we Zelfbeheersching in je perkje zaaien, en het goed begieten en opharken; dan zal het zoo goed opgroeien, dat je den volgenden Sinterklaas onmogelijk weer ziek kunt worden van banket snoepen. Als je je geest maar oefent, George, dan zal die even hongerig worden als je maag, en dan zul je op het eind net zooveel van boeken gaan houden als mijn klein boekenwurmpje hier,’ zeide Mr. Beer, en voegde er bij, terwijl hij het haar van Rolf's hooge voorhoofd wegstreek: ‘Jij bent ook een gulzig klein ventje, en doet niets liever dan je hoofd met allerlei sprookjes en tooververtelsels volstoppen, net zoo graag als Georg zijn maag met suikergoed en koek. Allebei doe je verkeerd en je moet je best doen te veranderen. Ik weet wel, dat het veel pleizieriger is in de Duizend en één Nacht te lezen, dan te rekenen bijvoorbeeld; maar dat dien je toch ook te kennen, en nu heb je nog den tijd om te leeren; als je het nu niet doet, zul je er later verdriet van hebben.’ ‘Maar ik houd ook veel van de boeken van Andriessen en dat zijn toch geen tooververtelsels; daar komt heel veel geschiedenis in en ik lees ze toch wel graag,’ zei Rolf die zich gaarne verdedigen wilde. ‘Ja maar, ik zie je toch meer met de sprookjes van Andersen, dan met de boeken van Andriessen in handen, en ik geloof dat je duizendmaal meer van Sinbad den Zeeman dan van Prins Willem I houdt. Komt, laten we met ons drieën eens een afspraak maken; George zal driemaal op een dag eten, jij zult maar één sprookjesboek in de week lezen en ik zal je een nieuw | |
[pagina 35]
| |
crocketveld geven; maar dan moet je me ook beloven, dat je er in spelen zult,’ zei Mr. Beer heel slim; want hij wist wel dat de Poffer niet veel van zulke inspannende spelletjes hield en dat Rolf liefst zat te lezen in de vrije uren. ‘Maar wij houden niet van crocket,’ zei Rolf. ‘O, maar je kent het ook niet, anders zou je er wel van houden. En daarenboven: je zult de andere jongens, die er wèl van houden, toch wel plezier willen doen; het hangt maar van jullie af, of zij het nieuwe veld krijgen zullen of niet.’ Toen de twee jongens dat inzagen, namen ze het aanbod dadelijk aan, tot niet gering genoegen van de anderen. Zoo werd er nog een poosje voortgebabbeld en toen werd er wat muziek gemaakt door het orkest. Men kan denken hoe Hans genoot; want Mevrouw speelde op de piano, Frans op de fluit, Mr. Beer op een grooten bas en hijzelf op de viool. En nadat ze allen te zamen nog eens gezongen hadden, was het tijd om naar bed te gaan: ze gaven dus Mr. Beer de hand, en Mevrouw gaf ze ieder een zoen, van af den grooten Frans tot den kleinen Rob toe, die het tipje van zijn moeders neus voor zijn bijzondere kusjes bestemde. Toen ze boven kwamen, viel het licht van de lamp toevallig op een plaat, die tegenover het bed van Hans hing. Het was een buitengewoon mooie plaat en er stond een vaas met een grooten ruiker wilde bloemen onder; geen wonder dus dat Hans er aandachtig naar keek en nieuwsgierig lag te bedenken wat die plaat toch wel voorstelde. ‘Dat is mijn plaat,’ zei een stemmetje in de kamer en daar stond Rolf in zijn witten hanssop voor hem; hij was even Roosje goeden nacht gaan zeggen en moest door deze kamer om naar zijn eigen bed te komen. ‘Wat doet die man daar met die kinderen?’ vroeg Hans. | |
[pagina 36]
| |
‘Dat is Jezus, de goede man, die zoo vriendelijk met de kinderen spreekt. Heb je nooit van hem gehoord?’ vroeg Rolf verwonderd. ‘Niet dikwijls, maar ik zou graag meer van hem willen weten; hij ziet er zoo vriendelijk uit.’ ‘Ik ken zijn geschiedenis wel; het is een wezenlijk gebeurde,’ zei Rolf. ‘Wie heeft je dat verteld?’ ‘Wel Grootpapa; die weet alles en kan de mooiste verhalen vertellen, die je maar bedenken kunt. Toen ik klein was, speelde ik altijd met zijn groote boeken en maakte er spoorwagens en huizen en bruggen van.’ ‘Hoe oud ben je nu?’ vroeg Hans. ‘Haast tien.’ ‘Je weet heel veel dingen, is het niet?’ ‘Ja, zie je, ik heb nogal een groot hoofd en Grootpapa zegt, dat er een heeleboel in moet, voordat het vol is; daarom bewaar ik er alles maar in wat ik leer,’ antwoordde Rolf heel ernstig. Hans lachte hartelijk, en vroeg: ‘Toe vertel eens verder.’ Dat deed Rolf graag en zonder zich te bedenken, ging hij in éénen adem door: ‘Ik vond eens een heel mooi, dik boek en wilde er meê gaan spelen; maar Grootpapa zei dat het niet mocht en liet me toen de prentjes zien. Hij vertelde me er bij en ik vond het prachtige vertels, vooral van Jozef en zijn ondeugende broers, en van die kikvorschen die uit de zee kwamen en het biezen mandje; maar het verhaal van den Goeden Man vond ik toch het allermooist en Grootpapa heeft het mij zoo dikwijls verteld, dat ik het bijna van buiten kon; toen heeft hij mij deze plaat gegeven, om te maken dat ik niet vergeten zou, en eens, toen ik ziek was, heb ik gevraagd of ze die hier voor me wilden ophangen, en nu laat ik het maar zoo voor andere zieke jongens om er naar te kijken.’ ‘Waarom was hij zoo vriendelijk tegen de kinderen?’ vroeg Hans, die zich zeer aangetrokken voelde tot de groote figuur op de plaat. | |
[pagina 37]
| |
‘Omdat hij van ze hield.’ ‘Zijn het arme kinderen?’ vroeg Hans. ‘Ja, ik geloof het wel; zie maar, sommige hebben haast geen kleeren aan en de moeders zien er ook niet als deftige dames uit. Hij hield veel van arme menschen en was heel goed voor ze. Hij maakte ze beter, en hielp ze, en zei aan de rijke menschen, dat ze hen niet zoo onvriendelijk moesten behandelen, en ze hielden vreeselijk van hem!’ riep Rolf vol geestdrift. ‘Was hij rijk?’ ‘Neen! Hij is zelfs in een stal geboren, en was zoo arm toen hij groot was, dat hij niet eens een huis had om in te wonen en heel dikwijls geen ander eten, dan wat hij van de menschen kreeg; maar hij was altijd even vriendelijk, en ging rond om met de menschen te praten en ze goed te maken en te helpen, totdat de slechte menschen hem dood hebben gemaakt.’ ‘Waarom?’ vroeg Hans, en ging overeind zitten in zijn bed - zooveel belang stelde hij in dien Goeden Man, die zoo lief voor de armen was. ‘Wacht, ik zal je alles eens vertellen; tante zal het wel willen hebben,’ en Rolf ging bij Hans op het bed zitten en begon de geschiedenis van Jezus te vertellen. Heel lang hoorde men dat stemmetje nog in de kinderkamer klinken. Toen eindelijk Rolf naar zijn kamer gegaan was en Mevrouw het licht kwam weghalen, vond ze Hans met zijn gelaat naar die mooie plaat gekeerd in rustigen slaap verzonken. Maar het vertelsel van Rolf had hem zeker goed gestemd; dat kon ze aan zijn gelukkig, kalm gezichtje zien. |
|