Yang. Jaargang 10(1974)– [tijdschrift] Yang– Auteursrechtelijk beschermd Vorige Volgende [pagina 20] [p. 20] Het landschap (voor Maurice Wijckaert) De aarde zakt, de bomen tuimelen en ook de luchtwortels vallen in het gat boven en buiten het waterzuchtige gras. Het oog beroert het land en de weide zwelt en de aarde zakt. Hier woont niemand, een huis is ergens anders, bevruchters en bewoners huizen elders in een streek die zich sluit voor de blik. Rafels van zon-en en het natte monster dat een woud is richt zich op en drinkt het licht in flarden en zinkt onverzadigd terug. Of zijn er toch stappen hoorbaar geweest daareven, gesuis waar een voet of een poot heeft getreden in het slijk? slingert een spoor zich daar, waar de padden wijken? Er is geen weg, maar er is een glooiing van water en slijm ontstaan van zaad en melk, en later worden dit de rivieren van het land, de golven van de grond. Regen: gras Modder: hagel en verscholen: de leeuw die slaapt, de wolf die gaapt. Wie dit gezien heeft zoekt zijn medemens niet meer, overweldigd herkent hij geen ruimte meer om in te draven, kleur besmeurt, en hij glijdt uit, hoe dan ook overal, onder het gekras van kraaien. [pagina 21] [p. 21] Het is voldoende dat wij dit zien en onder de wind en onder de sneeuw groeien er gaten in de aarde, scharlakenrood omrand en gevuld met (leeuwentand, wolvenkeel) dode mollen, gekwetste eksters, paddestoelen, en de mens vult de holten van de wereld met wensen en dromen, soms ontdaan van het kleffige van zijn hormonen. In het verdraagzaam wit is rood geen bloed maar bloei. En hier en daar graaft (als in het hout dat larven kweekt) zich een oponthoud tussen natuur en willekeur in de tekens van de kleur. Verder: het gehamer en genagel van de mens die hoe dan ook overal zijn palen in de weiden slaat. En van het spraakzaam grut is alleen te horen: het grazen van een mond. Laokoon, geveld met zijn zonen en zijn slangen, in een verstomd gekrijs. Ginder: een ladder tegen een appelaar. Verder nog: een vurige tong die daalt, of een windvlaag eerder die de omtrekken verstrooit en wegblaast de reden en de zin der dingen. Wat gezien wordt is (het ogenblik) getoond en gebeurd. Onderaan in het groen, steeds groener, van de takken. (Geen vergaan, er is geen schimmel, stof of kalk of wol of bladverf-en zeker niet het roestig water waarin de mens soms staat te beven om het gedaver in zijn gebeente) Er is geen gehaper in dit gras. (Soms een spiegel: een tweede land) Alhoewel de wereld grauwer is die door de gekleurde glazen van je bril verpoedert tot stof en trilling en verdikt tot de dazende dril die doet verdwazen, wandel je verblind door dit labyrint [pagina 22] [p. 22] (een mogelijk terrein, een groen, nog groener kamp waarover het zeven maal zeven keer gevlekte zaad van een god ligt gestort) en luister, het stierenjong kermt in de kelders. En je deint zonder maat, je danst in je vel, ademloos, omdat het gonzen van de stilte je bedreigt als je slikt. Er is geen rook in dit land, distels worden er niet verbrand, alom groeit nachtschadelijk het klaver. En steeds verder weg: een knetterende motor, een kat die zich kronkelt rond een stam, de jager op vrouwen met een verstiller op 't geweer, het onecht kind van het kasteel, de stalknecht die kwijlt in zijn bed tussen de paardenruiven, de man die hangt in zijn ijzeren kooi, een populier. Vergeten: tempel, arena en kerk - het gras gedijt - Voorbij: het puin van burcht en building - de aarde wast - De Zeer Rijke Uren van de Hertog zijn als schaduwen getrokken over het ongekwetste veld - de bomen winnen het veld - Zodat: de waarheid geen twist is maar een herkenning Zodat: het landschap, plat en bewogen en doorvlamd alleen gezien wordt door de valk. En jij nu, die het perspectief mint als de ogen van je lief, verlaat je donkere kamer, laat je lichtmeter liggen, en (langs de leeuw die slaapt, de wolf die gaapt) breng in je huis het rusteloos landschap binnen. HUGO CLAUS [pagina 23] [p. 23] MAURICE WIJCKAERT Vorige Volgende