De natuur. In twaalf afbeeldingen voor de jeugd
(ca. 1840-1850)–Anoniem De natuur. In twaalf afbeeldingen voor de jeugd–
[pagina 3]
| |
De Lente.Daar is de lieve Lente weèr
Met al haar vreugd en zegen!
Nu is 't, als had geheel natuur
't Bestaan op nieuw gekregen.
Het vee verlaat den muffen stal,
Het vooglenkoor wordt wakker,
De landman juicht bij 't eerste groen,
En werpt het zaad in 't schoonst saizoen
In d' omgeploegden akker.
| |
[pagina 4]
| |
![]() | |
De zomer.Het albezielend zonnevuur,
In dit saizoen zeer toegenomen,
Doet bloem en plant en loof en ooft,
In volle pracht te voorschijn komen.
Der boomen digte bladerdos
Biedt schaduw tegen 't zonnegloeijen
En, schoon de gloed soms onweêr teelt,
De mensch, door frisscher lucht gestreeld
Voelt zich het hart in dank ontgloeijen.
| |
[pagina 5]
| |
![]() | |
De herfst.Nu strooit Natuur met milde hand
Haar kostbre gaven allerwegen,
En wat in 't voorjaar is geplant,
Wordt nu den mensch ten rijken zegen.
De takken buigen onder 't ooft,
De manden worden vol geladen,
De seis snijdt door het rijpe graan,
De landman ziet zijn' wensch voldaan,
De steêling kan zich mild verzaden.
| |
[pagina 6]
| |
![]() | |
De winter.Al is de winter bar en guur,
Toch heeft hij zijn aantreklijkheden;
Gezeten bij het koestrend vuur,
Smaakt men den zoetsten zielevreden.
Het vloeijend nat, in ijs verkeerd,
Ziet op zijn vlak de schaatsen zweven,
En vóór de slede in snelle vaart
Loopt vlug en vrolijk 't rinklend paard,
En vreugde tooit de doodsche dreven.
| |
[pagina 7]
| |
![]() | |
De aarde.De landman werpt het zaad
In de opgeploegde voren,
Daar kiemt het zaadje dan
En schenkt ons 't voedzaam koren.
Maar wou de goede God
Niet aan het zaadje denken,
Geen regen, zon en wind
Aan de aarde daaglijks schenken,
Waar kreeg de landman 't graan,
De burger 't brood van daan?
| |
[pagina 8]
| |
![]() | |
Het vuur.Alvernielend is het vuur,
Als het, roekloos aangestoken,
Of door onbedachtzaamheid,
Dak en wanden heeft doorbroken.
Maar veel grooter is nog 't nut,
Ons in 't zelfde vuur geschonken:
Misten wij 't - och, alles lag
Als in doodslaap neêr gezonken.
Dank den Vader der Natuur,
Kindren, dank Hem ook voor 't vuur.
| |
[pagina 9]
| |
![]() | |
De lucht.Door 't element, hier afgebeeld,
Zijn we allerwegen steeds omgeven.
En zonder lucht kan mensch nog dier
Een enkel oogenblik zelfs leven.
En in die uiterst fijne stof,
Die 't scherpziendst oog niet kan ontwaren,
Weet toch de menschelijke kunst
Met een ballon om hoog te varen!
Wat is er, mensch, daar uw vernuft,
Uw vindingrijke geest voor suft?
| |
[pagina 10]
| |
![]() | |
Het water.Ja, wonderbaarlijk is de stof,
Die wij den naam van Water geven.
Als vloeistof vult het zee en stroom,
En voedt het dier- en plantenleven;
Door felle vorst gestold, verstijfd,
Draagt het als ijs de zwaarste vrachten;
Door vuur in damp of stoom verkeerd,
Ontwikkelt het de grootste krachten.
Voorwaar, geen andre stof op aard
Is meerder de bewondring waard.
| |
[pagina 11]
| |
![]() | |
De morgen.De zon is in het gloeijend oost
Nog naauwlijks aan de kim verschenen,
Of 't landvolk snelt met schop en spâ
En welgemoed naar d' akker henen.
Beschenen door den ochtend gloed
Gevoelt de mensch een hooger leven;
En zoudt gij dan, o lieve jeugd,
Dat uur den slaap ten offer geven!
Bedenk het toch: de morgenstond
Heeft goud en rozen in den mond.
| |
[pagina 12]
| |
![]() | |
De middag.Reeds sloeg de klok het middaguur;
De gasten zijn ten disch gezeten;
De beker gaat reeds lustig rond -
Daar komt de kok aan met het eten....
Gelukkig hij, die aan den disch
Zich zoo met 's Hemels goede gaven;
Die, ach, zoo menig mensch ontbeert,
Zich rijklijk voeden mag en laven.....
Maar wee hem, zoo hij Hem vergeet,
Die hem 't genot heeft toegereed!
| |
[pagina 13]
| |
![]() | |
De avond.De zon dook in het westen neêr,
De dagtaak is ten eind geloopen,
En wie haar heeft met lust volbragt,
Mag op 't genot der ruste hopen.
Ten huiselijken disch geschaard,
Smaakt ieder nu het zoetst genoegen,
En vindt bij vriendenkout of spel,
Het streelend loon voor 't ijvrig zwoegen.
Ja, hem, die 's daags zijn pligten doet,
Hem is het avonduur zoo zoet.
| |
[pagina 14]
| |
![]() | |
De nacht.Het uur der stille rust is daar!
Nu spreidt de nacht zijn vale vlerken,
En noodigt ieder mensch en dier,
Tot rust en slaap na vlijtig werken.
De maan schijnt door het wolkfloers heen
En licht den wandlaar op zijn wegen;
Elk zoekt zijn stille legersteê,
Maar bidt vooraf om 's Hemels zegen,
Opdat zijn liefde, trouw en magt
Hem moog beschermen in den nacht.
|
|