| |
| |
| |
[Mijn liefste prentenboek]
Ziet eens, het aardig haasje hier
Wat heerlijk tochtje maakt men hier;
Dat geeft Charlotte veel pleizier,
Vriend Frits komt met zijn auto voorbij.
Zwaait met zijn pet en roept hoezee!
| |
| |
O wee! hansworst verloor zijn kop,
Maar wij weten daar wel wat op:
Geef mij maar fluks den lijmpot aan,
Dan zal ik aan 't repareeren gaan.
Hij kan dan weer zijn grappen maken
En dan zal pop ook wel ontwaken.
| |
| |
Neef Frans heeft een eigen tuin
De mooiste rozen schenkt hij hier
Aan zijn nichtjes, die zijn het waard.
Heden verjaart onze grootmama,
Dat is een groote vreugd, o ja!
Bloemen en meer nog geven wij haar
En blijven den heelen dag dan daar.
Frits heeft in teekenen veel lust,
Hij gunt zich daarom weinig rust:
Direct na schooltijd begint hij al;
'k Denk, dat hij een baas
Vriend Carel met zijn kleine vriendin
Hebben zeker samen iets in den zin;
Na schooltijd praten ze lang met elkaar
En zeggen bij 't afscheid:
| |
| |
Greta las in haar sprookjesboek.
Toen bij 't wachthuisje om
Trad snel de wacht in het
Zij groet de soldaten, zooals
| |
| |
De jonge hondjes, dik en vet,
Nu kunnen ze aan 't smullen gaan
De mannetjes gans was op zoek in 't gras,
Of daar ook wat te vinden was:
Maar 't stoute beest heeft, veel misdaan:
Hij is over alle bloemen gegaan.
| |
| |
Greta en de lieve kleinen
Dansen samen om den boom:
Suze houdt veel van het schaapje.
Liefkoost het maar zonder schroom.
Het popje vind ik te beklagen.
Daar 't zoo alleen zit in den wagen.
| |
| |
Vogeltjes, weest op uw hoede!
Blijft de kat toch uit den weg:
Ziet, zij loert daar bij de heg.
Het hooge nest bleef maar steeds leeg;
Komen de ooievaars niet terug?
hoort, de kind'ren roepen hoera!
Het biggetje en het oude zwijn
Zien wel den groenen wagen staan,
Maar gaan uit vrees er toch niet in:
Ginder komt reeds de slager aan.
Ballen gooien, sleetje rijden,
Jongens, dat is ware pret!
Ziet, hoe de knapen zich vermaken:
Gedachte aan kou is opzij gezet
| |
| |
Heerlijk glijden ze langs de baan;
Wat is het glad! roept onze Daan.
Wat groote sneeuwpop hier, nietwaar?
Met hoed en bezem, kant en klaar.
| |
| |
Groote schoonmaak is 't vandaag.
Dat doen de vlijtige meisjes graag.
De keukenkast moet leeggehaald:
Vlug dus de trap op, niet gedraald.
Liesje is aan 't glazen lappen gegaan.
Zij moet daarvoor op de teenen staan.
| |
| |
En werpen fluks nu den hengel uit;
De duifjes kirren blijde,
Nu Koosje hun eten brengt;
Zij vullen vlug het kropje
Dra is een vischje ook gevangen.
Ziet het daar aan het haakje hangen
De schapen keeren naar den stal,
Waar de kudde 's nachts verblijven zal;
Het lieve lammetje is nog klein,
Wil daarom graag gedragen zijn.
| |
| |
Vlug den bok maar voorgespannen,
Dan kunnen wij uit rijden gaan;
Fritsje maakt alles goed in orde,
Daarbij geholpen door vriend Daan.
Deftig zit zus met pop op schoot.
Zij voelt zich nu als Moe, heel groot.
| |
| |
Popjelief, ben je al wakker?
Kom dan maar bij Moetje, schat!
'k Zal je kleeden dan en wasschen:
Popjelief, hoe vind je dat?
Jambroer zingt met zus Annet
Samen een heel mooi duet:
En onze zus, men ziet het hier,
Speelt daarbij ook op het klavier.
Hè, zoo'n stoel is naar mijn zin!
Kijk, mijn popje sliep al in
Broer, je moet mij nog maar schommelen,
Dan ga ik ook een beetje dommelen.
| |
| |
Ziet eens, hoe ijverig is men hier!
Die meisjes werken met pleizier.
Catotje brengt het water aan.
Dan kan Jo aan 't begieten gaan.
Heerlijk, alles in bloei te zien staan!
Annie zoekt de mooiste bloemen.
Daar maakt zij een ruiker van.
En wie, denkt ge, krijgt dien dan?
| |
| |
Het zoete deeg is bijna klaar.
Nog heel even roeren maar;
Dan bakken we koeken in de pan
En smullen er samen lekker van.
Met den hoed met roode veeren
Komt de kleine ruiter aan:
Ziet hem daar eens dapper gaan!
Jan blaast flink op de trompet;
Wat hebben onze jongens veel, pret!
Popjelief, zoo mooi gekleed,
Heeft vandaag toch waarlijk leed.
Want de kinderen spelen maar
En ach, - zij vergeten haar.
| |
| |
Tingeling gaat tante's bel:
Wat zegt ge van deez' kleinen wel,
Met groote taart en mooi bouquet?
't Is alles voor hun tante Jet.
Nu zult ge vragen: waarom toch?
Ziet, meerd're kind'ren komen nog.
Allen met bloemen en pakjes belaan,
Die zeker ook naar Tante gaan.
Ja, zij verjaart en voor groot en klein
Zal het een heerlijke feestdag zijn!
| |
| |
Ziet eens naar dezen kleinen man,
Hoe dapper hij al rijden kan
Ook is hij zorgzaam voor het dier
En laat het haver eten hier.
Een groote, mooie olifant
Werd hier gebracht uit 't verre land;
En op zijn rug, zeer elegant,
Zit Dora naast broer Ferdinand.
Luister, de phonograaf begint,
Hebt gij dat ook wel eens gehoord?
De jongens letten heel goed op
En zoo verstaan zij ieder woord.
Bij 't eerste woord kijkt poesje op
En keert naar 't toestel haren kop,
Waar let zoo'n poesje al niet op!
|
|