|
|
|
| |
| | | |
Die meneer Hamelink!
Meneer Hamelink, we moeten eens ernstig praten. U bent een groot dichter, en dat weet u. U schonk ons onvergetelijke dichtbundels, waarin even onvergetelijke gedichten staan met zulke beginregels als:
Mijn god is een graankorrel, een zaadje
Toch iets heel anders, zegt u nu zelf, dan een beginregel van bij voorbeeld Bernlef:
aan de waslijn der verbeelding
nietwaar? U hebt dichtregels geschreven, wérkelijk waar, dat ik er nachten van wakker lag. Ook in dat tijdschrift Merlyn, weet u wel, dat verkeersreglemententijdschrift, waarin alles werd gemeten naar een als goddelijk gepresenteerde, maar intussen stiekem door Oversteegen uit oude onderdelen in elkaar gefabriekte maat, werd heel vaak gezegd hoe mooi uw gedichten waren. En uw proza ook. Want u schrijft ook mooi proza.
Nu hebt u wéér proza geschreven, een dik boek vol vaak prachtige verhalen, dat Afdalingen in de ingewanden heet.
Maar wat nu, meneer Hamelink? U noemt, elders, het proza een ‘stompzinnige kodenaam’ en zegt: ‘Het drong tot me door dat “proza” alleen nog mogelijk was als ik alle vroegere hulpmiddelen, ezelsbruggetjes en achterdeurtjes opdoekte. Het proza moest gezuiverd worden, het vuil moest eraf gekrabd. Het moest gesubjektiveerd worden, geresensibiliseerd.’
| | | |
Daar kijk ik van op. Het vuil van het proza krabben? Hoe doet u dat? Het proza resensibiliseren, dat wil ik ook graag. Maar hoe?
Dat ‘gezuiverde’ proza in uw nieuwe, dikke boek, waar u na zoveel jaren mee komt, is kinderlijk, licht, eenvoudig. Het valt, om zo te zeggen, vaak best te lezen. Waarom dan die kunstpraat?
Veel van uw verhalen over fantasie-wezens, zoals in Visioenen van de stad Glamorrhee, die er de dolste eigenschappen op nahouden, in een stad ‘in de vorm van een sieraad dat je in je oor kunt dragen en waardoor de hele wereld te horen is’, en uw korte beschrijvingen van Tleptepen, Eidolons van Zif, Ootrootsiks, kortom, wezens die trillingen, skulpturen, onsterfelijken, bliksemafleiders zijn of die dromend geld verdienen of razend wisselen van fortuin of achterstevoren leven, zijn aardige, sobere sprookjes voor de kleuters. Neem bij voorbeeld de geschiedenis van De muur van Sardalip.
‘Ik was in Sardalip, waar men de oude vrouwen met haren of baard aan een hekwerk dat de nederzetting omgeeft vastspijkert wanneer ze te oud worden. Geen wreedheid. De oude wijfjes zijn het er zelf van harte mee eens. Ze hebben nog een funktie in de gemeenschap op deze manier. Voor de aldus geketenden is de noodzaak om te sterven opgeheven. Ze zijn, zodra ze aan het hekwerk vastzitten, immuun voor ziekten en zo goed als onkwetsbaar.
Ze zien er voor wie Sardalip nadert vrij schrikwekkend uit, gebochelde hopen lorren, in de wind te drogen gehangen op de palissade. Een levende muur vol strakke ogen die je tussen de spijlen door zo onafgebroken spiedend gadeslaan dat je je zelfbeheersing zou kunnen verliezen. Nooit zou je ze los durven snijden: tussen de latten door steken ze hun zo goed als vleesloze handen en hun skeletachtige krukstokken naar je uit. Een nieuwsgierigheid, een verlangen naar kontakt dat niet verschilt van roofzucht.
Vooral honden hebben het niet op de geketenden begrepen, naar ik opmerkte. Zo gauw ze hen zien sluipen ze, de staart tussen de achterpoten, weg.
Verder is opmerkenswaard dat de enige gelukkige huwelijken in Sardalip die tussen broer en zuster zijn. De rest: ruzie, ellende, doffe berusting.
| | | |
Men heeft er de eigenaardige gewoonte staande te slapen en laat de kinderen bewaken door de vliegende kat en de schorpioen.’
Dit was Sardalip. Zo'n verhaal kún je toch aan je kinderen voorlezen? Ook uw verhalen over hersenfabrieken, met hun ontremkamers, ontdroomkamers, quarantainestations, eksekutieruimten en waankamers, ook uw geschiedenissen van de Hundulluns, een soort Marsmannetjes, zijn goed voor rode kinderoortjes.
Nu ja, meneer Hamelink, ik wentel me in het gelukkig besef dat binnen een straal van tien meter nog nooit een kind tot me is doorgedrongen, maar u begrijpt me wel: bij wijze van spreken.
Goochelkunsten zijn echt iets voor kinderen. En u goochelt (bij voorbeeld in uw Oefeningen in de gewichtloosheid) op heus buitengewone wijze.
Alleen uitdrukkingen als ‘de hominisatie van een euforie’ of ‘de radikale domestikatie van de utopie’ of het ‘parfum van een anomie’, daar schrikken kinderen van. Daar moet u wel iets aan doen! Maar verder is het zaakje puik. Uw boek is een niet onverdienstelijk sprookjesboek, vol gedrochten, griezels van de ziel, geheimzinnige spelonken, uit steeds wisselende standpunten geschreven, zonder zwaartillendheid opgedist.
Waarom zegt u dan zelf van uw boek: ‘De reikwijdte van het denkbare, het droombare werd beproefd’? En u vervolgt: ‘In de verschillende delen van Afdalingen in de ingewanden wordt de ontginning ondernomen van uitsluitend inwaarts liggende landstreken. Het boek is een verzameling cefalogrammen, psychogrammen, anathema's, rorschachtests, loogekstrakten, pijnprotokollen, hersenschimmen, koortsdromen, anatomische lessen.’ En: ‘Ik vlei me ermee de grondtrekken ontworpen te hebben van een hiëroglyfistiek die misschien enkele liefhebbers zal bevallen.’
Bent u bang dat de mensen zullen denken dat uw boek geen kunst is?
Of dat ze denken dat u schrijft in uw vrije tijd?
U herinnert me aan de lieden die het edelturnen dat zich ballet noemt beoefenen, en daar iets heel diepzinnigs van weten te maken, om vooral niet de indruk te wekken dat ze maar wat sierspringen en mooidansen.
Zo hoorde ik een heer Van Maanen (toen hem in een radio-
| | | | interview gevraagd werd wat hij ervan vond dat iemand hem ‘de grootste Nederlandse choreograaf’ genoemd had, antwoordde hij dat hij die uitspraak ‘erg moedig’ van die man vond; hij zei niet: ‘Is dat niet wat overdreven?’ nee, hij vond het erg moedig), ik hoorde een heer Van Maanen zeggen: ‘Ik probeer op het ogenblik in een ballet gestalte te geven aan de biseksualiteit. Daartoe laat ik op de Bühne een jongen eerst twee minuten hoppen met een jongen en vervolgens twee minuten wippen met een dame.’ Hij zei het wel niet precies zo, weet ik veel van ballet, ze gebruiken daar allerlei technische uitdrukkingen, maar het vormt inderdáád een verrassende verbeelding van biseksualiteit. Ook de generatiekloof kan bij Van Maanen dansend worden verbeeld: ‘Ik bouw daarvoor op de Bühne een leegte op, en dan laat ik aan weerszijden van de missing link een in leeftijd verschillende groep dansers optreden,’ enz. enz. - heel ingewikkelde verhalen over zowat niks.
Aan weerszijden van de missing link!
Waar mag dat weer liggen? Een gevoel van wanhoop bevangt je.
Kijk, meneer Hamelink, dat gevoel heb ik bij u soms ook. Zoals u over uw proza zegt: ‘De flarden muziek die hoorbaar worden tenderen naar het absolute,’ of: ‘Het (mijn) schrijven moest drastisch veranderen, maar ik wist niet hoe. Ik had geen handen om het steeds ondoenlijker lijkende werk aan te pakken.’
Waarom toch?
Afdalingen in de ingewanden is bij vlagen heus leesbaar, zei ik al, u hebt er talent en fantasie in geïnvesteerd. Maar u hebt het gewoon verzonnen en bij elkaar gestolen, en geen moment ‘het droombare beproefd’.
Je kan er best plezier aan beleven, o ja. Maar is het dan nodig dat u zich voordoet als een Tobbend Kunstenaar die zich afvraagt ‘of hij nog wel zinvol bezig is’, of de weg die het proza inslaat volgens hem de juiste is? Denkt u, meneer Hamelink, dat u zónder die schijndiepzinnigheid uw plaats in het Pantheon der Pennekluivers, in het Walhalla van de Ware Kunst met een Portee kwijtraakt?
Nee, u belemmert daar het zicht mee op uw werk, dat bepaald niet alleen kryptisch, gedepersonaliseerd, oer-achtig, autonoom en mythisch is, maar juist nogal zonder veel diepgang en vrijblij-
| | | | vend, gelukkig. Leuke verhalen voor het hele gezin. Weg met de kristallografie van de binnenwereld! Marsmannetjes mogen! Ook Merlyn is weg, dat wist u toch? |
|
|