|
|
|
| |
| | | |
Reputaties
| | | |
Ida Gerhardt: geen mensch als andere menschen
De gedichten van Ida Gerhardt las ik steeds met genoegen, ook toen haar bundels nog de zolders deden kraken, ook voordat Johan Polak in een daad van eenvoudige rechtvaardigheid haar gedichten door heruitgaven opnieuw toegankelijk maakte. Zij was immers de ingehouden, maar toch verbeten dichteres van technisch voortreffelijke verzen als ‘Radiobericht’ en ‘Dodenherdenking’:
bij monde van de stormwind.
Dan: luister aan de palen.
Ik hoorde het eens vervaarlijk
te zwaar haast voor de masten
Ze leek een dichteres die ver van deze wereld leefde, voor wie innerlijke aristocratie en stilte levensvoorwaarden waren.
Maar met het verstrijken der jaren begon ik onaangename dingen in haar te ontdekken: hoe ze zichzelf de rol van profetes toebedeelde, naar wier stem Holland moest luisteren om gered te worden (altijd Holland, nooit Nederland); dat ze, wanneer Holland niet naar haar wóú luisteren, Holland de rug toekeerde, dan moest Holland het zelf maar weten of het de vernieling in wou: ‘Volk, ik ga zinken als mijn lied niet klinkt.’
| | | |
Maar bij knappe gedichten geef je je snel gewonnen en is de irritatie vlug voorbij: die thematiek beschouwde je als de meubeltjes van een dichterlijk huishouden, zoals bij Roland Holst de zeemeeuwen, Helena en Trojes stormluchten. Hoewel Ida Gerhardt Holland weinig hoop gaf, ik gaf er haar veel van.
Die hoop is nu hardhandig de bodem ingeslagen door het boekje De hand van de dichter van de hand van haar langjarige gezellin M.H. van der Zeyde, met wie zij ook samen de psalmen vertaalde. Het boekje is zeker goed bedoeld, en als vriendschapsbetuiging misschien waardevol: maar het was eerder op zijn plaats geweest als een Liber amicorum of in een uitgave voor een beperkte vriendenkring, zodat het niet blootgesteld hoefde te worden aan de hoon der wereld, want een béétje sarcast komt van deze volslagen kritiekloze ophemelarij en verongelijktheid niet meer bij. Het is een boekje zoals alleen aan het begin van deze eeuw nog kon verschijnen, iets als het verslag van André de Ridder van zijn bezoek aan Couperus: ‘Dit boekje wil niet zijn louter het relaas van een gesprek. Edoch, een kritische studie nog minder. Men ontvange het als de belijdenis van een trouw en liefdevol lezer van Couperus' werk en als het verslag van een aandachtigen interviewer, die den “maître charmeur” in zijn Haagsche woning dierf opzoeken, en niet verstooten werd...’
‘Ida’, zoals M.H. van der Zeyde haar noemt, blijkt nu inderdaad haar hele leven gebukt te zijn gegaan onder een gebrek aan erkenning, vindt inderdaad dat zij verantwoordelijk is voor het lot van haar volk. Dit land is altijd te klein geweest voor ‘een kunstenaarsschap van haar formaat’, en begrijp goed, wanneer Ida naar Ierland gaat is dat niet als vakantieganger, nee, als ‘balling’. Alles wat Ida eigenlijk zegt, gaat ‘Holland voortdurend te boven en te buiten’.
Je houdt het niet voor mogelijk. Wanneer M.H. van der Zeyde Ida's gedichten bespreekt scháámt ze zich haast wanneer het om wat minder hoogstaande ‘verzen’ gaat, gedichten waar eens een grapje in voorkomt, zoals in de bundel Sonnetten van een leraar. Want niemand ter wereld is zo groot als Ida en alles moet bij haar ánders worden verstaan: ‘Het is zonder meer duidelijk, dat Ida Gerhardt met een “moeilijke jeugd” onder de kunstenaars allerminst alleen staat. Zovelen - misschien wel de meesten! - leden als
| | | | kind onder onbegrip en tegenwerking, zovelen hebben zich moeten ontworstelen aan een milieu waarin voor hen geen plaats scheen te zijn. Men kan ze ook onder de schrijvers van onze eigen tijd en uit het recent verleden gemakkelijk opnoemen. Maar het bezigzijn met dat verleden blijft in de meeste gevallen steriel. Het blijft steken in steeds herhaalde klachten, of steeds herhaalde aanklachten, het wordt - onvriendelijk gezegd - “een gezeur”.
Ik vermoed wel dat Ida het heel wat zwaarder heeft gehad dan de meesten die boek na boek wijden aan het feit dat zij niet beter werden opgevangen.’
Zo, daar kunnen ze het dan mee doen! Al de boeren, al de stomme collega's, het godvergeten land dat er alleen maar op uit is Ida's zuiverheid aan te tasten: ‘Overal zijn te veel auto's, nieuwsberichten, hele en halve kennissen, futiele zorgen, ernstige zorgen, verplichting. Waarschijnlijk is er daarom ook weinig poëzie van zuiver gehalte.’
Dat mag zo zijn, en zal ook ongetwijfeld zo wezen. Maar meer dan een uitentreuren herhaalde gemeenplaats is het niet, en ook is Ida niet de enige die eronder lijdt, al lijkt het er hier verdomd wel op. (‘De gedachte dat je met Ida Gerhardt best gewoon en gezellig kunt omgaan, zonder er je het geringste van aan te trekken dat zij een dichter is, berust op een miskenning van de verhoudingen,’ écht, het stáát er.)
Alle dichters zijn tuig behalve Ida. ‘De mensen op wier oordeel zij de meeste prijs stelde - Roland Holst, Bloem, Nijhoff - lieten niet na haar privé te berichten dat zij haar poëzie hoog aansloegen. Maar niemand nam de moeite, ook niet wanneer zij unfair werd aangevallen, om in het openbaar één gezaghebbend woord voor haar te spreken.’
Jongens, foei!
Hadden we maar op tijd haar Kwatrijnen in opdracht gelezen, een profetische bundel, geschreven in een machtig taakbesef jegens ons volk: ‘En het past dan bij dat profetische, dat er eerst een jaar of twintig overheen moesten gaan, voordat anderen tot het besef kwamen van de gevaren die háár zo hadden verontrust. Dat soort gevaren, waar nu langzamerhand de kranten dagelijks vol van staan. [...] Wij zijn er nog niet zo lang achter, dat het
| | | | “landschap”, waarover Ida Gerhardt zich in 1948 druk maakte, ons “milieu” is: for better and worse.
Bewijsbaar is het niet, maar dat er een samenhang zou zijn tussen deze verarming van het milieu en de mensen zélf, in hun leven en hun wijze van denken, is toch ver van onwaarschijnlijk. Voor Ida is die samenhang nauwelijks betwijfelbaar. Is er niet bij de doorsnee-mensen een verlies aan toewijding, aan werkelijke belangstelling, aan toekomstverwachting, aan vreugde?’
O zeker, ik ben het er volkomen mee eens. Volkomen. Maar toch: kop dicht, meid, dicht nog eens wat.
Haar machtig kunstenaarschap moet per se onbegrepen zijn en op eenzame hoogten staan. Al is iedereen ergens tegen, alleen Ida is er werkelijk tegen.
M.H. van der Zeyde schrijft: ‘Misschien - dat hoop ik - heeft dit boek, zonder definities of geleerde betogen, [...] iets kunnen duidelijk maken van wát nu eigenlijk poëzie is; wat poëzie kán zijn, ook nog anno 1973 in deze door techniek beheerste Westerse civilisatie.’
Het antwoord luidt natuurlijk: de poëzie van Ida Gerhardt... (‘Eigenlijk vind ik in de Nederlandse poëzie niemand waar ik Ida “naast” zou kunnen zetten’). Laat ik het heel onvriendelijk zeggen: misschien is dit boekje een beetje te veel van het goeie? Voor mij is Ida Gerhardt niet iemand die ‘de opdracht van Holland in de wereld vertolkt’. Weg van mij, Satan: deze ietwat stinkende, rancuneuze attitude van een onbegrepen dichtervorstin belemmert voor mij het uitzicht op een paar heus wel aardige, wat zeg ik, verdraaid aardige gedichten. Maar arme ik: niemand kan haar en haar onsterfelijk werk eigenlijk begrijpen, weten we nu. Ida is Allah, en Marie is haar profeet.
Ze staat te hoog voor ons, stervelingen. Ze is de enige ‘gevoelige’ temidden van een zootje botteriken. Maar ook ik ben bij voorbeeld soms heel gevoelig, en acht me door mevrouw Van der Zeyde aangesproken, ja zelfs een beetje beledigd. |
|
|