Utrechts zang-prieeltjen
(1649)–Anoniem Utrechts zang-prieeltjen– AuteursrechtvrijOp de wijse: Ne vou in paschere Phillis.
F Loride so het wesen magh,
Ic com u doen een droef geklag
Van mijn verdrietig minnen,
Ik hebbet u o fiere maeght
Vry meer als eens gevraeght,
Maer noyt yet konnen winnen.
| |
[pagina 247]
| |
Floride.
2 Wat komt van klaghen als verdriet,
V klagen Damon gelter niet,
Noch al u listigh quelen,
'k Ben niet die ick eertijts was,
Doen ick in 't groene gras
Gingh onbekommert spelen.
Damon.
3 Floride wat is dit geseyt,
Is my so grooten druck bereyt,
Dat my dit sal gebeuren?
Ach, ach! doen ick eerst Thirsis sagh
Daer hy ontrent my lagh
Mocht ick met reden treuren.
Floride.
4 Ia Thyrsis vriendt dat is de man
Die my alleen vernoegen kan,
Hy is mijn eygen leven,
Ic hebbe laest mijn rechterhant
Hem tot een eeuwigh pant
Met vrienden raet gegeven.
Damon.
5 Ach, ach! wat voor een swaren druck,
Ach, ach! wat voor een ongeluc
Comt op mijn neder storten,
Och, och! of nu een snelle doot
In desen hogen noot
Mijn leven wou verkorten.
Floride.
6 Ey Damon weest so treurigh niet,
Dat u ghebeurt is meer gheschiet,
V druck sal haest versoeten,
Soo ghy maer eens een nieuwe maeght
Die uwe ziel behaeght,
| |
[pagina 248]
| |
Wt liefde gaen begroeten.
Damon.
7 Maer t'wijl dit also is geschiet,
En weert daerom ons herders niet:
Maer hoort ons liever spreken,
Misschien sal u een rustig quant,
Oock met een soeten brandt
Een liever vyer ontsteken.
Floride.
8 Neen dat en waer voor my geen eer,
Een bruydt en is geen Vryster meer,
Sy mach geen minnaers spreken
Als eens het ja-woort is geseyt
Dan is de knoop geleyt
Die noyt en is te breken.
Damon.
9 Maer offer nu een schoonder quam,
Of rijcker, of van hoogher stam,
Sout ghy hem niet ontfanghen,
Floride.
Ey! swijght ick heb mijns herten wensch
En my en sal geen mensch
Na beter doen verlangen.
10 Hem die ick eens mijn trouwe gaf
Dien blijf ic trou tot aen het graf
Dus stremt u loose treken,
Mijn oog en sal noyt elders gaen
En ick en wil voortaen
Geen linckers hooren spreken.
Damon.
11 Sijn wy nu linckers soete Maeght,
| |
[pagina 249]
| |
Ons praet heeft u wel eer behaegt
Waerom soo fits gesproocken?
Een woordt noch eer mijn herte sluyt.
Floride.
Neen, neen, ick ben de Bruyt,
V praet dient afgebroken.
12 Wanneer de liefd eens is geset,
En treet tot in het Echte bedt,
Mach't oog niet elders sweven,
De trouw dat is een reyn verbont
Hy staet in my gegront,
Voor al mijn gantsche leven.
13 En schoonder yemant anders komt,
Die al de werelt schoonder noemt,
Of anders wort gepresen.
De ware liefd is elders blindt,
Dewijl sy maer en mint
Haer eerst verkoren wesen.
14 Om my en dient niet meer gedocht,
't Vleys datje siet, dat is verkocht
Ten kan u niet gewerden,
Ghy voeght u daermen vryen mach,
En soeckt daer u bejach,
Voor my ick sal volherden.
J.C. |
|