|
|
|
| |
| | | |
Franse spreektaal buiten Frankrijk.
In aansluiting aan mijn artikel, in Taal en Letteren, XIV (1904) verschenen, over de Spreektaal en Schrijftaal in Frankrijk, wilde ik hier iets mededelen over de Franse spreektaal buiten Frankrijk, nl. in Algiers, in België en in Zwitserland. Prof. M.J. de Goeje had de vriendelikheid mij een boekje af te staan dat hij te Algiers op straat had gekocht, en dat heet Cagayous à la fête (A.). Cagayous is de naam van een Algierse straatslijper, die met zijn vrienden op de meest verschillende manieren een broodje trachten te verdienen (o.a. door zich te plaatsen daar waar het erg waait en waar er dus kans bestaat dat hoeden afwaaien, die hij voor een kleine vergoeding achterna loopt en terugbezorgt, door vreemdelingen de stad te laten zien, enz.). Het kleine geschrift (16 pag.) is een gesprek tussen deze illustre mannen, die zich uitdrukken in een zeer interessante taal. Voor de Belgiese, speciaal Brusselse, Franse spreektaal waren mijn bronnen de vermakelike romans van Léopold Courouble, gewijd aan de lotgevallen der familie Kaeckebroeck en hun vrienden, en zijn brochure Notre Langue (Brussel, 1900) (B.). Bovendien vond ik niet weinig in een anoniem boekje (de voorrede is getekend J.E.), getiteld Locutions et Prononciations vicieuses usitées en Belgique (Brussel, 1889, Librairie Moens frères et soeur) (B.). Voor het Frans in Zwitserland stond mij ten dienste een werkje uitgegeven onder het pseudoniem W. Plud'hun en getiteld Parlons français (Genève, 14e uitg.) (Zw.). Voor de kennis der Franse spreektaal buiten Frankrijk hebben deze werken en werkjes een zeer ongelijke
| | | | waarde. Terwijl in Cagayous de spreektaal der lagere volksklasse, naar het schijnt, met grote getrouwheid is weergegeven, bestuderen Courouble, J.E. en Plud'hun meer de omgangstaal der burgerij, die op school de Franse hogere omgangstaal altans enigszins heeft leren kennen en in haar spreken de invloed ervan blijft ondervinden. Bovendien, hun brochures bevatten, niet doorlopende gesprekken, maar lijsten van uitdrukkingen: voor de syntaxis zijn zij dus veel minder belangrijk dan Cagayous; alleen in de romans van Courouble vindt men enkele gehele zinnen van de Brusselse spreektaal. Trouwens, de bedoeling van de schrijver van Cagayous, die zich Musette noemt, is geheel anders dan die van Courouble en Plud'hun; hij heeft zijn Cagayous laten spreken, alleen voor het pleizier van de lezer; de beide andere schrijvers zien op de inheemse spreektaal uit de hoogte neer. Voor iemand die van de kernachtige volkstaal houdt, is er iets hinderliks in het poseren van Courouble en in de schoolmeesterachtigheid van Plud'hun.
Doch ik wil eerst de werkjes afzonderlik bespreken, vooral Cagayous, om met een enkel woord aan te geven wat zij - naast de eigenaardigheden der spreektaal waarom het ons vooral te doen is - nog voor belangrijks hebben.
De taal van Cagayous doet mij denken aan een soort haventaal of Creools; zij bevat naast Franse argotwoorden (bijv. marronner)1) niet weinig Arabiese en Spaanse elementen. Spaans zijn zeker cadène, capa, naz, pantcha, rabia, misschien à le, à les voor ‘au, aux’, dat echter ook als een eigenaardigheid der haventaal kan worden opgevat, en het verbinden van a aan het objekt, waarvan ik één voorbeeld aantrof, nl. promener à les étrangers. Arabiese woorden zijn, naar Prof. de Goeje mij zeide, oulad plaça (‘kinderen van de plaats’), taïba (‘goed’), mesloutes (‘arm’), ouetch (‘gezicht’) in salouetche (eigenlik ‘vuilbek’; het eerste deel is Frans),
| | | |
flouss (een kleine koperen munt). Er blijven echter vele woorden in die ik niet kan terecht brengen, o.a. osquinfe, smongnès, pastéra, baroufa, enz.
De taalverschijnselen die er in voorkomen, zijn voor een deel ook in het Franse argot aan te wijzen; andere zijn niet op een bepaalde wijze te verklaren, maar moeten op rekening worden gesteld van het feit dat Cagayous geen geboren Fransman is.
| |
Klankleer:
| 1. | Wisseling van onbetoonde é en i (ménuit, polétique, dihors1), siminaire). |
| 2. | ü wordt i: niméro, ti. |
| 3. | Voortonige o wordt ou: couffin, poulice. |
| 4. | Afval van de beginsyllabe: fant (enfant), çuilà, reusement, spèce, splique, tendant (attendant), venir (devenir)2), vec (avec). |
| 5. | r, l vallen weg vóór stomme e: aute, bougue, bouque (boucle), épingue, maigue, pourpe, prope, quate. |
| 6. | ch wordt s: sarge. |
| 7. | h aspiré wordt stom: fromage d'Hollande, lez haricots. |
| 8. | Metathesis: blansicheuse, chesser (sécher), sanche (change), sercher3), catredale, treate (théâtre). |
| 9. | Assimilatie: pantience. |
| 10. | Dissimilatie: filancière. |
| 11. | Hiatus opgeheven: qui z'ont vu, qui z'ont des diamants.4) |
De onder 1, 3, 4, 5, 7-11, vermelde eigenaardigheden komen in het Parijse argot voor; men behoeft slechts een verhaaltje in die taal te lezen, bijv. in ‘Le Rire’, om zich daarvan te overtuigen. Wat de verandering van ü in i betreft (No. 2), zo mag men daarin een Kreoolse trek zien,
| | | | waarover Dr. D.C. Hesseling heeft gehandeld in Het Negerhollands der Deense Antillen, p. 79. Ook de overgang van ch in s (No. 6) is te beschouwen als een aanpassing van een vreemde klank aan eigen uitspraak.
| |
Vormleer:
| 1. | Getal: cristaux (cristal), oeils (yeux). |
| 2. | Geslacht: le canote, la crachat, un illumination, le nation. |
| 3. | Werkwoord: assir (asseoir), s'assient, finites (finies), sont (sommes), a (ai). |
| 4. | Samenstelling: arregarder, endessiner, enranger, s'ensauver; dessez (chez), dessur (sur), du depuis. |
De rubrieken 1 en 2 moeten op rekening van het eigenaardig karakter ener haventaal worden gesteld; in 3 en 4 herkennen wij veel wat ook in de Franse lagere spreektaal voorkomt. Dessur bestaat ook in Zw., en B. kent en devant. Over assire, dat in de Parijse volkstaal bekend is, zie Meyer-Lübke, Gramm. des langues romanes, II, § 127. Finites is een analogiese vorm, die ik nergens anders heb aangetroffen.
| |
Woordeschat:
connaître (savoir), pourquoi (parce que), soisandisant (soi-disant), à cause à (à cause de), aousque (où que), ça que ça (ce qui).
Ousque is een argotvorm (eigenlik où est-ce que); de a is misschien de prepositie a (vgl. hierboven No. 4); ça que ça is een omschrijving van het relativum die ook in de lagere Franse spreektaal voorkomt; de overige vormen zou ik willen toeschrijven aan Cagayous' gebrekkige kennis van het Frans.
Wat nu betreft de studies van Courouble en van J.E. over de Belgiese spreektaal, die tonen ons dat er in het Brusselse Frans niet weinig germanismen, spec. batavismen, zijn. Ik noem er enige:
sur la rue, jouer le piano, on sait pas de chemin avec, cela ne sait pas dedans, jouer sur sa patte, je l' ai parlé, comment va-t-il avec lui, on ne sait pas là-contre, ça goûte bien, je ne peux pas de ma mère, est-ce que
| | | |
je veux les chauffer, cela ne vient pas à huit jours (dat komt er op geen acht dagen op aan).
Ook in Zw. vindt men er:
il brûle à N., faire des commissions, est-ce qu'on ose entrer, une masse d'enfants.
Men vindt zowel in B. als in Zw.:
il a marié une institutrice (Zw.), vgl. les parents voulaient qu'il mariât une fille comme il faut (B.). (Vergelijk het Naschrift.)
Behalve deze germanismen, vindt men in alle drie werkjes of in twee ervan uitdrukkingen die algemeen Frans zijn, bijv. je m'en rappelle (Cag., p. 12, 36, Cour., p. 36, Pl., p. 27), il s'est fait tirer en portrait (Cag., p. 13, Cour., p. 36).
En eindelik onderscheidt Plud'hun zich van de anderen hierdoor dat hij afkeurt zegswijzen en konstrukties die perfekt Frans zijn:
s'ennuyer après, il ne peut le sentir, partir en voyage, sur un journal, à louer de suite, il faudrait que j'aille, j'ai eu vu1).
Maar het is mij vooral te doen om de syntaktiese eigenaardigheden die ik in mijn vorig artikel over de Franse spreektaal in Frankrijk heb aangewezen. Er zijn er vele die men hier weervindt. Ik zal ze opnoemen in dezelfde volgorde als vroeger; de cijfers verwijzen dus naar Taal en Letteren, XIV, 6 en vlgg.
| 2. |
si dans l'Algérie y arrait des rivières (A.), les études qui faut (A.). |
| 3a. |
un berceau que toujours il est ouvert (A.), un homme que je le connais (A.), un homme que sa figure elle ressemble à un chien (A.), oilà un vieux qu' à peine y peut bouger (A.), toi que tu blagues tant (A.); c'est un que je mangerais une tartine sur sa tête (B.). |
| | | |
| b. |
dans chaque endroit qu'il a parti (d'où il est parti) (A.), des endroits qui faut qu'on marche vite (A.), y a des endroits qu'on va ȧ peu ȧ peu1) (A.), la casquette qu'on fait le voyage (A.), chaque endroit qui se posent un pied (A.), vec des mots qu'on vient fou (A.), à ta boîte qu'on crève de soif (A.). |
| 5. |
et ce n'est pas, maintenant, que je ne lui avais pas dit (B.). |
| 7. |
vous avez pas besoin (A.), c'est pas la peine (A.), il a pas honte (A.), je le remets pas (B.), il fait pas toujours froid la même chose (B.). |
| 8ȧ. |
reusement que la photographie elle met pas.... (A.), la boîte elle s'éclate (A.), un y me dit (A.), si le goût y vous vient (A.), ta langue elle est pas fatiguée (A.), aucune nation elle a le courage (A.). |
| b. |
comment qu'il est habillé (A.), çuila qui connaît pas ousqu'on couche tranquille (A.), quoi ce que vous en pensez (B.). |
| d. |
elle sort la photographie (d.i. la phot. sort) (A.), l'enfant qu'elle a fait ma soeur (A.), j'y dis ȧ La Calotte (A.), y dit çuilà (A.), je m'en rappelais plus quelle bouteille il faut commencer (A.). |
| e. |
puis ensuite (Zw.), si tellement (Zw.). |
| 10. |
c'est pas la peine que vous réclamez (A.), quand on li dit qui met des lampions (A.), pas besoin qu'on fait la monnaie (A.), pour que je fais l'examen (A.), dommage que Meoieu Edouard y te connaît pas (A.), avant qui vient ici (A.); et ce n'est pas que je ne lui avais pas dit (B.); quoique je l'eus prié (Zw.), malgré qu'il prétend (Zw.).
Daarnaast schijnt de subjunktivus van être en avoir meer weerstandsvermogen te hebben gehad: malheureux que Calcidone y soie parti (A.), dommage qui s'ayent pas tiré le feu d'artifice (A.)2). |
| | | |
| 13. |
je monte à bord le yatche à le roi des Anglais, et par force j'y fais voir chaque marabout (A.), j'y fouts une calbote à un salaouetche (A.), j'y fais voir (A.). |
| 18. |
comme si ça serait (A.), si je connaîtrais (A.), comme si ça serait été en hiver (A.); si mon père saurait ça (B.), si mon père devrait jamais savoir ça (B.). |
| 19. |
qui s'ont amenées (A.), s'ont annoncés (A.), s'a trempé (A.), s'a fait camarade (A.), serait été (A.); il s'a tiré (B.), il a s'agi (B.). |
| 20. |
venez-vous avec (Zw.), une boite où il y a des papiers dedans (Zw.). |
Dit zijn de syntaktiese eigenaardigheden, die ik reeds vroeger in de Franse spreektaal van Frankrijk had opgemerkt, en die wij dus buiten Frankrijk terugvinden. Dat A. een veel rijkere oogst heeft geleverd dan B. en Zw., is te verklaren door het verschil tussen mijn zegslieden, waarop ik hierboven opmerkzaam heb gemaakt. Al worden bij Courouble en Plud'hun de eigenaardigheden 7, 8a, 8b en 10 niet vermeld, toch is het zeker dat zij in de lagere spreektaal daar voorkomen.
Ik voeg bij de bovenstaande nog enige taalverschijnsels, die ik slechts in een of twee der drie genoemde werkjes aantrof en die toch ook als eigen aan de Franse spreektaal mogen worden beschouwd.
| 21a. |
Een subjektief werkwoord wordt wederkerig: vous vous pensez (A.), ils s'arregardent (A.), la maladetta s'avait tombé (A.), il se croit que les rois s'y habillent comme dans l'ancien temps (A.); l'enfant se vient bien (Zw.), il sait ce qu'il se veut (Zw.), il s'aide à vendanger (Zw.). |
| b. |
Een objektief werkwoord eveneens: on se mouille |
| | | |
| |
les rues (A.), je m'ai envoyé le truc (A.), qui s'a trempé les plaques (A.), Mecieu Edouard d'un doigt y s'aplatit la Bouzaria (A.). |
Wij herkennen hierin een biezonderheid van de Franse volkstaal in het algemeen, of liever van de Romaanse volkstalen. In het oude Provençaals konden de meeste subjektieve werkwoorden pronominaal gebruikt worden; in het Italiaans is dat eveneens zeer vaak het geval. In het Frans kwam, vóór de afscheiding van lagere en hogere spreektaal, dus tot in het begin der 17e eeuw, de pronominale vorm zeer dikwijls voor, zodat ook hier, als in vele vroeger door mij vermelde gevallen, de tegenwoordige gemeenzame taal de oude overlevering voortzet. Een pronominale vorm van objektieve werkwoorden trof ik nergens aan.
| 22. |
La robe que je me suis faite faire (Zw.). |
Ook dit is in de Franse gemeenzame taal de gewone vorm van het participium. Zie Darmesteter, p. 175.
| 23. |
Je vous saurai à dire (Zw.). Vgl. Il les pensoit tirer (Haase, § 154). |
Men weet dat de tegenwoordige schrijvers ervan houden het pronomen aldus vóór het hulpwerkwoord van wijze te zetten, hoewel de beschaafde spreektaal dat niet toelaat. Men zou daarin kunnen zien een dier archaïsmen, die men in de hedendaagse letterkunde zo vaak aantreft. Dat is de opvatting van Georges Pellissier, die, in een belangrijk artikel over ‘La déformation de la langue française par le journal’, in ‘La Revue’ van 1906, zegt: ‘De même la construction classique je l'ose faire, je me peux tromper, etc., au lieu de j'ose le faire, je peux me tromper. La scène se passe près des “fortifs”. Gueule-Noire, malandrin de profession, arrête au passage un brave bourgeois et lui dit: “Je te vais saigner” (Matin, 27 janv.). Si Bossuet, revenu parmi nous, était réduit par le malheur des temps à se faire “reporter”, lui-même n'écrirait plus, je pense, de cet air-là’. Ik geloof echter dat Pellissier zich hier bedriegt, en dat de konstruktie gebruikt door Gueule-Noire nog steeds in de lagere taal bestaat.
| | | |
| 24. |
Subjektieve werkwoorden met avoir vervoegd, die in de beschaafde Franse spreektaal être hebben: il a venu (A.), il a arrivé (A.), il a parti (A.); il a parti (B.), il a venu (B.), il a tombé (B.). |
Dat in het Frans zelf veel verscheidenheid bestaat en heeft bestaan in het gebruik der hulpwerkwoorden, is bekend (zie bijv. Körting, Formenlehre der Frz. Verbums, p. 359). Ook in het Nederlands is dat het geval (zie Mnl. Wk., III, kol. 201).
In de volgende gevallen hebben wij te doen met het voortleven van konstrukties die in het Frans van Frankrijk verouderd zijn:
c'est là où je vais (Zw. B.). Vgl. c'est à la cour où l'on en use le moins (Haase, § 36).
à quelle heure qu'il vienne (Zw.). Vgl. en quel lieu que ce soit (Haase, § 45).
nous allons promener, baigner (Zw. B.). Vgl. j'ai été promener (Haase, § 61).
à tous ceuss-là qui.... (A.). Vgl. un mari de ceux-là qu'on perd sans pleurer (Haase, § 24).
le portrait à le roi. (A.). Vgl. la fille au noble roi (Haase, § 121).
Daarentegen moeten wij de beide volgende eigenaardigheden misschien als vreemd aan het eigenlike Frans beschouwen.
| a. |
In A. komt herhaaldelik het bepalend lidwoord voor waar het Frans dit weglaat: combien des litres d'eau, un peu de l'eau, pas du vin, une foule des voitures, un peu du vinaigre, un peu de l'esprit du sel et un peu du savon blanc, une casserole du cristaux. |
Ter verklaring vergelijke men Fr. bien des hommes naast beaucoup d'hommes. Misschien zou men invloed van het Spaans kunnen aannemen, waarin geen partitief artikel voorkomt, zodat er, ten opzichte van het artikelgebruik, geen verschil bestaat tussen no tiene dinero en tiene dinero; die gelijkheid zou op het Frans kunnen zijn toegepast.
| | | |
| b. |
In A. en B. wordt de, in het Frans zo regelmatige, konstruktie soms vrij behandeld: la faute à la femme c'est (A.), une pièce de vingt francs y faisons (A.), noires elles sont venues (A.), trois francs à la mer j'ai jeté (A.); soif, ça j'ai, mais faim pas (B.). |
Wij mogen in B. invloed van de Germaanse buurtaal onderstellen; voor A. zie ik geen andere verklaring dan dat het een haventaal is.
| c. |
Weglating van het voorzetsel: cent sous je donne pas ma journée (A.), quelle bouteille il faut commencer (A.), ti as peur les taches (A.), si vous avez envie poser les lampions (A.), as-tu fini blaguer (A.); il a essayé tous les métiers (Zw.), toucher les fleurs (Zw.). |
De Zwitserse konstrukties zullen wel als germanismen te beschouwen zijn; die uit Algiers kunnen analogies gevormd zijn naar synonieme zinnen, bijv. tu as peur les taches naar tu crains l.t.
Ik wil uit bovenstaande opmerkingen alleen deze konkluzie trekken, dat veel van wat in het Frans buiten Frankrijk niet Frans schijnt te zijn, wel degelik Frans is.
J.J. SALVERDA DE GRAVE.
Leiden.
Naschrift. De heer G. Cohen uit Leipzig, die over het Belgiese Frans een groot werk voorbereidt, heeft op het kongres te Luik van 1905 een interessante mededeling gedaan, getiteld Le Parler belge. Voor het door ons behandelde onderwerp hebben zijn opmerkingen veel waarde. De heer Cohen ziet in marier voor épouser, niet een germanisme, maar eerder een archaïsme; dat is inderdaad zeer goed mogelik.
|
1)Misschien ook calbote, ‘oorveeg’, dat uit het pejoratieve prefix cal en Fr. botte kan zijn samengesteld.
1)Men weet dat dit woord met é wordt uitgesproken te Parijs.
2)Venir in de zin van ‘worden’ komt in het Frans tot in de 17e eeuw voor, en is ook in andere Romaanse talen bekend. Het is dus mogelik dat in de taal van Cagayous venir niet door apocope van devenir komt, doch oorspronkelik is.
3)Het is niet waarschijnlik dat dit de oude dialektiese vorm is.
4)Misschien moet men dit beschouwen als qu'ils ont vu (zie beneden No. 8 a).
1)Adieu voor ‘bonjour’ doet aan het Italiaans denken. Jouir d'une mauvaise santé (Pl.), il lui ressemble comme deux gouttes d'eau (Cour.) zijn stijlfouten die met de eigenaardigheden van het Zwitserse of Belgiese Frans niets te maken hebben.
1)Vgl. Ital. a poco a poco.
2)Prof. Speyer deelde mij het volgende mede: ‘In een opstel van Jules Bloch, La phrase nominale en Sanskrit ( Mémoires de la Soc. de Linguist., XIV, 36) staat: “Le subjonctif est une forme morte dans la prose épique. Nous n'y rencontrons que la 1e sg. du présent actif et pour deux racines seulement,  et kar”. Dit geldt voor het proza van het Mahābhārata, d.i. dat betrekkelijk zeer kleine deel van het reuzenepos, dat in proza is vervaardigd, maar op zich zelf vertegenwoordigt dit een stuk groot genoeg om mee te opereeren. Die 1e persoon is in het Skt. met den 2 en en 3 en p. van den imperatief vermengd en geldt voor het taalgevoel als deel van den imperatief. Maar ook buiten Bloch's statistiek staat het vast dat die 1e persoon van den Conj. imperatief, alvorens geheel in onbruik te geraken, nog bij een paar zeer gebruikelijke verba (ā “geven” en kr. “doen, maken”) stand hield’.
|
|