Taal en Letteren. Jaargang 5


auteur: [tijdschrift] Taal en Letteren


bron: Taal en Letteren. Jaargang 5. W.E.J. Tjeenk Willink, Zwolle 1895


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 37]

Uit de spraakleer.
B. Over naamvallen.

I

Zeg zo eens: in 't nederlands-van-nú zijn toch eigelik geen naamvallen; - dan werpen verscheidenen dadelik je tegen: en dan zij, hunner, hun, hen?!

Wijs er dan op dat honderde woorden zich presies gelijk blijven tegenover die enkelen die min-of-meer veranderen; ja, dat 't zelfde woord ettelike malen onveranderd voorkomt, tegen een enkele keer maar in gewijzigde vorm -: b.v. in zinnen als:

 
'n vader sloeg z'n zoon
 
'n zoon sloeg z'n vader,1) -

dan antwoorden ze: jawèl! dat ís zo! ‘vader’ heeft dezelfde vorm, jammer genoeg, en ‘z'n’ en 'n ook wel, maar je móest ook eigelik schrijven van ‘zijnen2), eenen’; dat -en laat de spreektaal wel weg, maar ‘ten onrechte’! - en al kun-je 't dan toch noch niet aan ‘vader’ zien, ge-

[p. 38]

lukkig, men kan 't dan toch ‘waarnemen’ aan ‘zijnen’; en aan ‘den’ - als dat er voor staat, toch immers altijd?! -

Maar ‘vader’ blijft.....1) Maar dan komen ze met een vervrolikt gezicht in-eens aandragen met: en ‘des vaders’ dan?! is dat dan geen naamval? en zouën-we in 't nederlands nu geen naamvallen hebben?! - -

Leg er dan tegen in: men zegt toch altijd: van de2) vader; en maar enkele keren, als men ouwerwets of in schrijftaal (s)preekt ‘des vaders’ - dan kéren-ze zich om met: ja-maar! maar schrijftaal is ook de taal!

 

Daar tékent zich hun systeem in.

Als régel nemen ze aan wat eksepsie is tegenover een massa ander; en schróeven ter wille van die uitzonderingen al dat andere in een kader.

En wát ze als regel stellen, is hier en daar noch over gebleven van wat algemeen was in vroeger tijd, eeuwen3) geleden.

 

Dan nemen ze de schrijftaal als norm.

Trouwens, dit hoort in 't systeem: ze zoeken natuurlik de eksepsies niet in de werkelik algeméne taal, maar in de eksepsionéle, in dichtertaal. -

 

Een mooi duidelik staaltje is dit.

 

Men zoekt bijëen:

staandsvoets (!), goedsmoeds, eenigszins (!),
ouder gewoonte, ouderwetsch, middelerwijl,
blootshoofds,
in arren moede, op heeter daad,

[p. 39]

met luider stem(me), ter bekwamer tijd, ter goeder trouw, van ganscher harte,
in levenden lijve, in goeden doen,
allerhande, allerwegen,
een goed vorst, een oud kasteel,

en dergelijke uitdrukkingen; en geeft dan als de sterke verbuiging van het adjektief in het nederlands van de XIXe eeuw, dit volledig stel vormen op:1)
1. hoog hooge hoog hooge
2. hoogs hooger hoogs hooger
3. hoogen hooger hoogen hoogen
4. hoog hooge hoog hooge.

Konsekwent schrijven sommigen er bij: ‘De bijvoeglijke naamwoorden worden op tweeërlei wijze verbogen, sterk en zwak, in dier voege dat hetzelfde adjektief beurtelings op de eene of andere wijze kan worden verbogen.’2)

En zo heeft dan 't nieuwnederlands naast de zwakke zogenoemd, weer een komplete sterke adjektief-verbuiging.

 

Waar men de uitzonderingen als regel neemt, daar moet men wel in een opmerking of zelfs wel in een aanmerking - systeemdwang! - 't vele afwijkende aangeven: zogenoemde omschrijvingen b.v. die algemeen zijn.

Zo wordt als genitief van ‘dit’ opgegeven: ‘dezes’, in 't verbuigingschema: natuurlik! - en in een opmerking:

‘de 2e nvl. onzijdig enk. komt bijna niet meer voor; in de spreektaal bezigt men altijd van dit: de breedte van dit kanaal’.3)

[p. 40]

Evenzo staat bij de pronomina personalia ‘mijns, zijns, huns; mijner, zijner, hunner’; en daar volgt weer op:

‘De tweede naamval dezer woorden komt echter zelden voor; en dan meest altijd in den vrouwelijken vorm, als: ontferm u zijner (etc.). De mannelijke vorm komt voor in sommige verouderde uitdrukkingen: mijns1) niet waardig... etc.2)

Enkelen voegen er bij dat de vormen op -er alleen in hogere stijl: ‘in gedichten, in gebeden, in gezangen nog gehoord’ worden3). Overigens wordt de tweede naamval vervangen door het bezittelijk voornaamwoord of omschreven door van4).

't Mooiste van dien aard is wel dit: in een spraakleer vindt men opgegeven als genitief van ‘het’: ‘zijns’, ‘zijner5); en daar volgt op:

‘de 2e nvl. enk. van ‘het’ wordt steeds door omschrijving uitgedrukt, nml. door er van6)!! -

Zo, in die trant, de een meer, d'ander minder, zijn al onze spraakkunsten nu nóch gemaakt. Die in-hun-gehéel bewijzen 't beste, hoe men om 't negentiend-eeuwse nederlands te beschrijven begint van wat eeuwen geleden algemeen was, en dàt als norm aanneemt.

Daardoor komt het dan ook dat in ‘de kerk is (noch) aan’, ‘aan’

[p. 41]

ellipties heet (voor ‘aangegaan’)1). Daarom dekretéren de meesten noch: ‘moois’, enz. in ‘wat moois’, enz. is een gen. partit; ‘mensen’ in ‘honderde, duizende mensen’ is een gen. plur.!2) Enkelen zijn quasivoorzichtig en drukken 't zó uit: ‘het meervoudig substantief ... moet dan gerekend worden in den tweeden naamval te staan; men kan voor bovenstaande uitdrukkingen lezen: honderdtallen (duizendtallen) van mens[ch]en’.3)

Maar zelfs als enkelen schrijven: ‘in dit geval beschouwt men 't zelfst. nw. als een (onechte) bijstelling van 't verzamelwoord’4), - dan wijst dat ‘onecht’ er op hoe men toch noch voortdurend de tegenwoordige taal beschrijft, uitgaande van ouder taalperiode.

Onechte bijstellingen, onechte indikatieven5), onechte s en f6) in ‘huis’ en ‘hof’, - maar evengoed en met name ook omschreven naamvallen, en omschreven werkwoordelike wijzen en verbaalvormen, kúnnen alleen zó genoemd, als men van vroeger úit naar 't nú gaat7).

Deze manier-van-doen blijft natuurlik niet bij de eigelik-gezeide Spraakleer.

Na ‘allerlei’ en ‘allerhande’8) verbieden velen om ‘soort’ te zeggen; ‘vlam’ achter ‘in lichte laaie’9), wordt om dezelfde reden veroordeeld; in ‘hij vroeg mij om dat te doen’, ‘wees zoo vrindelik om zelf even te komen’, ‘dat is aardig om te zien’, ‘ik vroeg hem hoe of 't hem ging’, ‘weet jij wie of 't worden zal’, is om presies 't zelfde om en of ongepermitteerd! -

Net zo zijn 't ook de kursieve woorden in: ik kan mij niet begrijpen; dat was je me wel de moeite waard; ze waren met z'n achten; om zeven uur ergens moeten komen; enigste zoon.10)

[p. 42]

‘Korte wetten met iets maken’; ‘een riem onder 't hart steken’; ‘van nul en gener waarde’1); ‘aan de kaak stellen’; ‘de duizend eerste2) intekenaars’; ‘eens zo oud als ik’3); ‘ten uwen gerieve’, ‘ter uwer verjaring’4), worden naar 't zelfde plan verbeterd.

Tegen ‘van-af’, ‘tot-en-met’, ‘driedubbel’, ‘voorradig’, ‘brekende waar’, ‘(on)roerend goed’5), wordt uit dezelfde oorzaak vurig gepreekt.

 

En - zo verder.

Ja, de studie van de nederlandse taal blijkt door velen op die manier opgevat en beoefend te worden!6)

 

Naar díe manier-van-doen beredeneert men ook dat het nederlands-van-nú vier naamvallen ‘rijk’ is! -

Dat gaat zó, - bijna van-zelfs:

‘Vier vormen vinden we ... mits we letten op de geslachten, de getallen, en de begeleidende woorden. Denken we alleen aan een lidw. met een vrouwelijk enkv. zelfst. naamw., we vinden maar twee vormen, het meervoud geeft ons een derde vorm te zien; het mannel. enkelv. wijst op een verschil, waar in het meerv. gelijkheid is (1e en 4e nv.), enz.; en - de combinatie van de verschillende gevallen leidt ons tot de overtuiging, dat we rekening moeten houden met vier vormen, met vier naamv llen. Kortom, wanneer men de vormen nagaat, die de naamwoorden in den ruimsten zin te aanschouwen geven als onderwerp, als bijvoeglijke bepaling van bezit zonder voorzetsel, als meewerkend- en als lijdend voorwerp, dan komt men tot verschillende vormen tot vier naamvallen’....7)

Kombinatie - ik herhaal 't - van de enkele vormen die uit vroeger tijd hier en daar noch zijn overgebleven, en daar naar alle woorden geschematiseerd!

[p. 43]

Om die vier naamvallen ten volle voor ons nederlands-van-nú te ‘bewijzen’, komt nu de een in zijn spraakleer aandragen met - schrik niet! - het goties

s. (1) dags, (2) dagis, (3) daga, (4) dag,
pl.   dagôs,   dagê,   dagam,   dagans1).

Een ander met

s. 1o. fisks, 2o. fiskis, 3o. fiska, 4o. fisk, 5o. fisk, 6o. (fiska)2).

[p. 44]

Een derde met

(1) hana, (2) hanins1). -

Of ze komen op de proppen met het oudhoogduitse

s. (1) visc, sunu, wort,
  (2) viskes, sunes, wortes,
  (3) visca, sunju, worta,
  (4) visc, sunu, wort. -
instr(umentalis) viscu, sunu, wortu2).

Of met het oudsaksiese

  1) fisk, hirdi (herder),
  2) fiscas, hirdeas,
  3) fisca, hirdea,
  4) fisc, hirdi.
instr. fiscu, hirdiu3)

Een enkele maar haalt er ook 't middelnederlands bij

Sterke Verbuiging. Zwakke Verbuiging.4)
Enkelvoud. Meervoud. Enkelvoud. Meervoud.

Mannelijk.

Nom. hont, dorper honde, dorpers here (hed. heer) heren
Gen. hondes, dorpers honde, dorpers heren heren
Dat. honde, dorpere honden, dorpers heren heren
Acc. hont, dorper honde, dorpers here heren.

[p. 45]

Vrouwelijk.

Nom. stat stede kerke kerken
Acc. stede stede kerken kerken
Gen. stede steden kerken kerken
Dat. stat stede kerke kerken.

Onzijdig.

Nom. paert, calf paerde, calver oghe (hed. oog) oghen
Gen. paerdes, calves paerde, calver oghen oghen
Dat. paerde, calve paerden, calver(en) oghen oghen
Acc. paert, calf paerde, calver oghe oghen.

Dat laatste is eigelik onvoorzichtig! Met dat middelnederlands begint het voor de vier naamvallen al dat ‘de taal tekortschiet in vormen’1)!!

 

En na al dat vertoon van geleerdheid is - lach nu niet asjeblieft! - bij allen de slotsom dat van al dit moois al bitter weinig meer over is dat er zelfs ook maar aan herinnert! Hoogstens noch een ietsje bij de pronomina. Maar dat doet niet af! Dat weinigje zal - als we beschrijven hoe 't nieuw-nederlands van de XIXe eeuw op 't einde, is - als regel gesteld. Wíj houën vier naamvallen - waarom geen zes? - voor 't nederlands van onze tijd aan! -

De oude taal hád zijn vormen, en die moeten en zullen er blíjven ook. Eigelik is dat de kwíntesens: op de vórmen komt het aan.

 

Merk-waardig is vooral dit:

in die oude taal komen sommigen van die verschillen, zoals die nú gedekreteerd worden, niet eens voor. Dat schijnt evenwel niet aftedoen. Trouwens dat hele beroep op de ouwere taal is maar om 't ouwe systeem een wetenschappelik uiterlik te geven. 't Is om de woordvormen te doen: hoe meer vormen, hoe meer vreugd! Onverschillig is 't ten slotte waar men ze vandaan haalt. En aan vormen - och - is wel te komen; makkelik.

Las men bij d'ene schrijver hun, bij een ander hen, omdat ze ieder verschillend dialekt schreven, - of omdat een schrijver beide dialektvormen, naar 't hem goed dacht, wisselde, -

dan dekreteerde men: voortaan ‘zij’ hen zogenoemd akkusatief en hun datief.

[p. 46]

Net zo is 't met het verschil tussen het bezittelik voornaamwoord hun en haar (voor bezitsters).

En is feitelik het onderscheiden van de en den als naamval niet 't dooreenmengen van verschillend dialekt om maar vormen te hebben?

Ouder taal, 't middelnederlands b.v.1), kende de verbuiging van 't lidwoord zoals die in de spraakkunsten van 't nú-nederlands noch opgegeven staat. Maar sedert de XVe eeuw, en sporadies al vroeger, komt de in deze en den in die streek voor zonder onderscheid in gebruik2).

Nú spreekt men in 't beschaafde nederlands voor beide geslachten (masc. en fem.) en in alle naamvallen de; dat vooral fries-nederlands is; terwijl in 't saksies-frankies gedeelte ook den gehoord wordt.

Toch hondt de ‘grammaire raisonnée’ noch de een voor subjektsvorm, d'ander voor objektsvorm aan; en - geeft-die ook hier niet een wetenschappelik waasje, door naar d'oude-manier-van-doen de ond-germaanse vormen als bewijs voor hun hedendaags leven er. bij te halen?

Maar - onze ‘schone moedertaal’ is daardoor weer immers een zeker aantal vormen rijker?! -3).

Ziehier een beknopt overzicht als bewijs.

hun, hen.

't Oudfries heeft de dat. hin, acc. hia, se.

't Oudsaksies de dat. im, acc. sia, sea, sie.

't Oudlimburgs - de Karolingiese Psalmen, vgl. Cosijn in Taal- en Letterbode IV, 176, III, 268. - kent im, hin als dat., sia als acc., vgl. aldaar III, 46.

't Middellimburgs voor beide hen, maar vooral ook se in de acc., vgl. Cosijn, ald. V, 179; en Kern, Limb. Sermoenen, blz. 118.

't Middelvlaams, en de noordeliker dialekten hem, en hen zonder verschil voor beide, vgl. van Helten, Mndl. Spr., § 336; of ook him en hin, vgl. ald. § 337, e. - [ook se, vgl. ald. § 340.]

Maerlant mengelt de dialekten, (vgl. Franck, Inleiding op Alexander, blz. LXXXIV;) en heeft in dit stuk passim hun voor beide; (: ook 4 keer him, hin); in Troye eens; - in de Brab. Yeesten een keer of vijf. - En zo komt ook hon in 't Middel-Limburgs wel voor, Maastr. Statuten (Dr. Kern, Limb.

[p. 47]

Serm., bl. 117), in Gewoonten St. Truyen een keer of vier; in een Herenthalser stuk (Belg. Mus.) een keer of drie.

(Zie van Helten, Mndl. Spr., blz. 439.) -

In de XVe eeuw en later is algemeen ‘haer’ - dat ook al voorkomt naast hun, hen in de Alexander enz., vgl. van Helten, blz. 439, k; en zijn Vondels taal, § 113, en blz. 179. -

Bij Vondel staat natuurlik haer; daarnaast ook hen als dat.! en hun als acc. - ‘hoe jonger de gedichten evenwel, zooveel meer verschijnt (haer voor 't fem. en) hun als 3de, hen als 4de nvl. - wel onder invloed van Hooft-z'n Waernemingh; zie verder beneden! -

Bij Bredero: haar, heur, naast hen, hun, voor beide. Ook eens se als objekt, en ook eens als dat. masc. - Vgl. Nauta, Taalk. Bred., blz. 57.

Nu een overzicht van wat de grammatici uitdachten.

Twespraeck (1584): hen, henluyden; alleen in ablativo: van hun, hunluyden.

Hooft's Waernemingh (1630?) XXXI: ‘my soude best duncken den Datijf te maken hun in (Plurali) om hem te onderscheiden van den Acc.’(!!), (in ten Kate, Aenleiding (1723) I, 723/4.) - Dat is anders als taalwetten moeten van achter gevonden! - En net zo:

Van Heule (1626) wil: hun als datief stellen naast hen, acc., maar ook van hun.

Zo ook Ampzing (1649), die evenwel als objekt ook opgeeft: ze ‘affixum hebraeorum.’ -

Leupenius (1653) heeft alleen: hun, en ze.

Daarentegen de Antwerper Bolognino (1657) alleen: hen.

L. ten Kate (1723) geeft hen of hun ad libitum. -

Alberthoma zegt: hen! want in 't enkelvoud is 't hem. Waaruit schijnt te volgen, dat men in 't meervoud ook gevoeglijkst schrijve... hen!! -

Zeydelaer (1772) antwoordt daarop: neen, 't moet hun wezen, men zegt ook hum voor hem... Bovendien: evenals nu ‘van hun’ verwandelt kan worden in hunner, zo moet van hen opleveren: henner, en dat is er niet. Dus! - Hij zegt verder dat ook ze mag gebruikt.

Bolhuys (1793) heeft hun dat. naast hen acc., maar van, aan hun. -

Daar de latere grammatici achter de voorzetsels de akkusatief dekreteerden, hebben ze natuurlik ook vastgesteld: van (etc.) hen. -

't Fem. was zo bij deze heren.

Twespraeck: haar, haerluyden; als objekt ook ze.

Van Heule: heur, heurlieden.

Kok (1649) voegt hierbij noch ze voor 't objekt, maar voor de datief geeft hij alleen hun.

Leupenius kent alleen weer heur ‘om dattet naerder bykomt met het mannelijke hunn als ook tot onderscheid van het byvoeuglyke dat wy schryven haar, en niet heur.’(!!) Als objekt ook ze.

[p. 48]

Ten Kate: haer, heur, ook wel in nadruk: haerlieden [ook bij 't masc.!]

Bolhuys alleen haer. - ‘“haar” en “heur” is maar een verschillende tongval’, daarom wil hij heur niet onderscheiden.

[En hen naast hun dan?! Maar dat wist hij mogelik niet, dat dit ook wisselvormen in verschillend dialekt waren.]

 

Men merkt 't: dit onderscheid - waar de beschaafde spreektaal niet van weet - ‘van hun en hen is van lateren tijd en vrij willekeurig, daar hun een dialektische bijvorm is van hen, evenals schulp van schelp1). Het is echter taalverrijking.’2)

Terecht schreef Cosijn3) - daarentegen - ‘zelfs noodlottige onderscheidingen als tussen hen en hun, het possessieve hun en haar handhaafde (de Vries) als van ouds bestaande taalregels, schoon ze zeer bepaaldelijk het werk waren der door hem (de Vries) in abstracto zoo gesmade grammatische betweterij.’

Het beschaafde nederlands kent algemeen alleen hun; en ze, en hier en daar 'er.

‘Een Hollander kan... hen... in 't dagelijksch leven zonder gemaaktheid niet gebruiken!’4)

hun, haar.

Ofr. hire, hiaere, hjar.

Osaks. ira, iro.

Oudlimb. iro.

Middellimb. har(e), here (Limb. Serm.); ho(i)r (Maastr. Stat.); vgl. Kern, Limb. Serm., blz. 118. -

Middelvlaams en noordeliker haere, hu(e)re, hoere, vgl. van Helten, Mndl. Spr., § 342.

In de XIVe eeuw al daarnaast (hen), hun, in Brabantse stukken; en in 't Limburgs, vgl. Taalk. Bijdr. I, 112. - Ook hon.

‘In de XVIe eeuw ontmoet men nagenoeg bij elken auteur zulk een hun naast haer, beide overal communis generis,’ van Helten, Vondels Taal I, § 118; vgl. Nauta, Taalk. Bred., blz. 58.

Bij Vondel naast hun, voor 't fem. ‘meestal’ haer; doch ook haer voor 't masc. en neutrum.

En nu de grammatici.

Van Heule: masc. en neutr. haer, en fem. heur: ‘zo kan men het onder-

[p. 49]

scheyt welk de Latijnen in die woorden maken ook mede bequamelic onderscheiden.’1) Dus: Haere Vader Patres eorum, Heure Vaders Patres Earum. -

Ampzing gaf er bij: hun voor 't masc. en neutr.: ‘so wordt van eenen man geseyd, het is syn vader, syne moeder: van velen, hun vader, hunne moeder: van eene vrouw, haer vader, haere moeder, van veele, heur vader, heure moeder. En noch: de Leeuwen loeren in hunne holen: de sonne steekt met haere stralen: de Koeijen scheren het gras met heure tanden.’

Leupenius alleen: haar.

Bolognino: ‘heuren boek oft heur boeken; ende alsmen spréckt van 't gene dat an veule toekomt, 'tzij vrouwen 'tzij mannen, salmen seggen, bij exempel hunnen boec oft hun boeken.’2)

Ten Kate: ‘hoe verkies-je(!) die pronomina te onderscheiden?’ - ‘hunne (te rng ziende op Masculina & Neutra), en hare of heure (omziende na Foemenina) in 't Hoog(dravenden) en Deft(igen), dog hare (zo wel wegens Masculina & Neutra als Foeminina) bij den Gemeenz(amen) Spreekstijl.’ -

Outhof, Hoogstraten-Kluyt, Bolhuys, e.a. geven hun naast haar ‘om te onderscheiden!’

Nu is in 't beschaafd nederlands hun algemeen; en 'er, d'r wat famieljaarder.

de, den.

Ik kan hier volstaan met optegeven wat de grammatici er over dekreteerden. - Zie verder hiervoor, blz. 47; en de daar opgenoemde literatuur.

Pontus de Heuyter (1581) heeft het of dat eynde des jaers, die oude zede, die eerste plaetse, den oude man, of d' oude man.

[den is vlaams-brabants, en toenmalig zuidhollands, vgl. Verwer (1707) en ten Kate.]

Twespraeck: ‘Een drucker stelt voor op zyn boeck: Den bibel. De Overicheyd doet de willekueren aflezen beghinnende Mynen heren de Borghemeesteren ghebieden dat’... Dit is verkeerd. - ‘Maer deze achteloosheyd komt uit oorzaack datmen de jeught (ja die al schoon latijn leren)3) gheen volkomen of bestandighe vervoeghing ofte buighing der woorden en namen in Duits voorhoudt.’

Van Heule: Eenige geleerden begeeren(!) dat men voor de woorden van het manlic geslacht, welke met eene H. ofte met eene klinkletter beginnen Den soude stellen, als Den outaer.... Deze manier wort bij de Grieken gebruykt4)... Daer zyn eenige welke achten dat men Den behoorde voor het Ledeken des mannelicken geslachts te houden, ende willen ook mede,

[p. 50]

dat alle Byvouglicke woorden van het manlic geslacht in En behooren te eyndigen als volcht:

Manl. Den, eenen, mijnen, zijnen, goeden, vroomen.

Vroul. De, eene, mijne, zijne, goede, vroome.

Gener(lei). Het, een, mijn, zijn, goed, vroom.

Ampzing: altijd de, ‘ook voor de klinkers en de letter (h).’

Leupenins: Hier staat te verbeeteren het gemeene misbruik door onbedachtsaamheid opgenoomen, als men zeggt, onsen vaader, uwen wille, daar men moet(!) seggen, onse vaader, uwe wille. -

Séwel (1708): ‘dusdaanig een wanspraak (is) zeer algemeen in zékere voornaame stad van Holland.’

[Hij doelt op Rotterdam.]

Als objektsvorm in de

Twespraeck: den, de (man) en de, den vrouw N.B.! -

Hooft, Waerneming: den, fem. de.

Ampzing: den, maar vooral als er een adjektief bijstaat, ‘valt het soeter de aenklager [en ofnemer] naer de wyze van den noemer uytgesproken. Maar niet te vaak1) “om den vasten regel niet te verbreken, tot noodig en zierlyk onderscheyd der gevallen.”’(!!)

Ten Kate: den, maar een! -

Kluyt (1759) noemt ‘de’ wantaal(!) die van alle noordnederlanders gehoord wordt; en bij vele noordnederlandse kluchtspelschrijvers voorkomt; en dan krijgt Jan Vos er van langs, die geen latijn ook kende! -

En zo schrijft men noch in de spraakkunsten de als subjektsvorm, en den als objektsvorm - tegen de algemeen beschaafdgesproken taal in.

 

Nu kan 't wezen dat een enkele beschaafde in zijn gewone spreektaal onderscheidt hun van hen, hun van haar, de van den, onder d'invloed van de schrijftaal en mogelik door jaren lang (ouwerwets) taalonderwijs. Maar dit doet aan 't algemeen gebruik van hun, en de niet af. Natuurlik, voor die hun en hen, enz. scheidt, voor die is 't een onderscheiding, met het volste recht: want alle taal is individueel.2)

Evenwel, bij de meesten die bewéren onderscheid te maken, komt dat idée vaak van slecht, onnauwkeurig waarnemen. Ze zeggen b.v.: ‘gá tùssen hŭn ínstàan’, en als men ze op dat ‘hun’ attent maakt, zeggen ze: ik heb duidelik gehoord dat ik ‘hen’ zei.

Dit bleek me meer-malen. En verscheidene germanisten die 'k er naar vroeg, deden dezelfde ondervinding op.

[p. 51]

Eerst langzamerhand kon men ze overtuigen, en dan - zeiën ze me vaak - zelfs taalkundigen - ‘nu zie-je eens hoe slordig we spreken. Ja daar staan we voor bekend.’ Dat zeiën dikwils mannen, die aannamen: ‘spreektaalwetten zijn natuurwetten.’

Of de ouwerwetse ‘grammaire-raisonnée’ ook nadélig werkt op goed waarnemen, en gezonde taalkundige begrippen onmogelik maakt!

 

Om de taal met vormen te verrijken ‘ter onderscheiding der gevallen’, mengden de heren taalmakers de verschillende schrijvers-dialekten.

Wel eigenaardig dóen voor lui die in hun stijl leer waarschuwden voor soloecismen en provincialismen en barbarismen; maar zíj verríjkten zo de algemene taal immers?! Dubbel eigenaardig dan, omdat feitelik dus niet de ‘spraeckmakende gemeente’ de taal maakt - al schreef en zei men dit wel meer dan eens met veel pathos en retoriese frase! - maar de taalbeoefenaar in zijn ‘studeercel’! -

 

Nu leerde men dit de jongelui op de scholen; als die dan later gingen schrijven, dan deden ze wel als hun onderwezen was.... zo vaak de natuur bij hun altans niet boven de leer ging.1) Maar triomférend roept dan nu dikwijls een grammaticus: ik kan hun en hen, en hun en haar enz. enz. uit tal van ‘schrijvers’ bewijzen.

Gelukkig voor zo-iemand: want - schrijftaal is Allah! - en de grammaticus is zijn profeet!

Maar 't systeem: uitzonderingen die niet de regel bewíjzen, maar als regel gesteld worden, is en kan daarmee niet gerechtvaardigd! -

 

't Kan niet ontkend of dit systeem heeft z'n bizonder gemak.

Men stuit bij schrijvers op ongewone woordvormen, dan onderzoekt men zelden: is dit ook iets individueels van de schrijver? is 't ook dialekties? is 't misschien archeïsties? is 't iets bizonders? of is 't wat gewoons, wat algemeens?

Men noteert 't. Ja, maakt er jacht op; hoe meer men er van vindt, hoe meer men onze taal kan ‘verrijken’.

En komt men zo-iemand met statistiek aan, dan is 't: arithmetick in de taal?! weg er mee!2).

Zo staat de optatief in plaats van de indikatief: wat d'een-of-andere

[p. 52]

taalwetenschappelikheid wel wou dat taal was, dekreteert-ie liefst als norm! 't Bleek uit 't vorenstaande.

 

Maar men kent immers allang wat beters als die dogmatiek-metode, men heeft allang juister inzicht in taal? -

Lambert ten Kate schreef voor 150 jaar al1) ‘dat men de Taelwetten of Taelgebruiken moet vinden en niet maken.’ En nu mag dit bij hem noch meer teoreties gezeid als prakties gedaan te vinden wezen; hij mag er zich lang niet overal2) aan gehouën hebben, - zijn prinsiepe en z'n streven was 't!

En Grimm had dezelfde ideeën; hij vooral3); en z'n meestanders: die velen, die studie van germaanse en indogermaanse filologie maken4).

Maar vooral en hoe langer hoe konsekwenter streven de zogenoemde ‘Neugrammatiker5) er naar, inzonderheid om deze wetenschappelike metode te volgen bij de studie van de eigen levende taal6).

 

Wat bleek nu daaromtrent in zake het nederlands?

Onze spraakkunsten lei ik open in 't hier vorenstaande; wat zou er noch aan de dag komen als men ook eens doorging de studieboeken, voor d'onderwijzers en de schooljeugd bepaaldelik?

Wel veel gepraat over ‘Taalwetten van achteren te vinden’, over ‘Levende taal’, over ‘Spraeckmakende gemeente en 't erkennen van derzelver rechten’7).

Maar aan hun praktijk zou men niet zeggen dat er een betere metode van taalstudie bestaat dan die 'k hiervoor karakteriseerde.

De meesten hutspotten toch heel gemoedelik resultaten van 't nieuwe in 't ouwe systeem8); zonder zelfs te merken hoe die ouwe taalbeschou-

[p. 53]

wing voor hun onmogelik wordt als de nieuwe resultaten, naar ze zelf erkennen, juist en waar zijn.

 

't Nederlands schijnt onder de klassieke vloek te liggen!

Hoe lang zal 't er noch onder blijven?

II

De nieuwe taalwetenschap heeft allereerst een andere metode: dezelfde die men ook volgt, tegenwoordig, in de natuurwetenschappen:

eerst 't grootst mogelike getal feiten konstatéren, vóór-en-aleer men gaat redenéren.

En men begint natuurlik met wát te konstatéren is, wat we kúnnen waarnemen: met het .

Van 't nu uit is 't alleen mogelik het vroegere te verduideliken1); daarom doet men wat Brugmann zo eigenaardig noemt: ‘die Projektion der Gegenwart auf die Vergangenheit’2).

't Nu, niet 't Verleden als norm. Waar, in welke wetenschap, stelt men toch de oudere toestand, als algemeen maatgévend, als norm, voor de tegenwoordige?3).

-doen maakt Taalstudie tot een wetenschap, naast de anderen; stelt zijn resultaten naast en gelijk met die van de natuurkundige wetenschappen4).

 

Men is dus de tegenwoordige levende talen en dialekten gaan waarnemen, zoveel men kon; heeft die onderling vergeleken; en met die van vroeger tijd. En dit over een groter oppervlak dan ooit tevoren: 't indogermaanse gebied over z'n hele uitgestrektheid.

En dit kreeg men tot uitkomst:

Alle taal is individueel: elk spreekt zijn eigen taal; en die verschilt van zijn buren in meerdere of mindere mate, naar de invloed die men op elkaar heeft.

[p. 54]

Paul heeft in zijn Prinzipien der Sprachgeschichte1) dit bijna in alle richtingen konsekwent uitgewerkt, en uiteengezet2).

 

Alle taal is individueel. Ook dichtertaal, evengoed als elke andere; zelfs bij uitstek is die individueel: de dichter denkt en zegt juister, mooier vooral ook: gedachten, die hij - en geen ander - zo uit.

Dichters zijn er niet velen. Maar elk heeft wat ‘dichterliks’ in zich, in d'een-of-andere tijd van 't leven. De eene vaker, d'andere zelden, vaak maar voor een enkel oogenblik. Elk kent zo'n moment, dan spreekt hij ‘dichtertaal’, artistiek. In zijn goeie oogenblikken, als hij in stemming is, dan zegt hij niet wat mooi is, hij uit 't mooie!

En naar elks individualiteit zal dat anders wezen, zich anders onderscheiden van 't overige.

 

Dichters zijn eksepsies - hoe is dan die individuéle dichtertaal de algemene? Is een mengelmoes, een ‘koes-moes’ van enige, van tientallen dichtertalen, van meer dan een eeuw, - de algemene? - Hoe kan nu ooit, wat min of meer bizondere mensen, die in hún taal zeien wat ze voelden, en in hun táal voelden wat ze zeien zoals geen 't nà kan doen, - hoe kan dat voor de algeméne gedekreteerd?!

Wat moet men dan houden voor de algeméne taal, over zeker oppervlak van land?

Met dezelfde wetenschappelike metode, niet natuurlik de taal van deze of gene dichter, niet de artistieke taal die éen spreekt in z'n beste ogenblikken, of die deze-en-gene ‘ten beste geeft’ op de kansel, voor de balie, bij een graf, of in een toast; noch minder een mengseltje van die enkel-taaltjes, van die eksepsie-taaltjes.

Maar de taal van allen, ontdaan van bizondere persoonlike eigenaardigheden: - het gemeensoortige dus - d.i. de spreektaal3), de

[p. 55]

gewone. Die dus ‘im grossen und ganzen’, algemeen is aan alle sprekers, die wonen over zekere oppervlak van grond.

Bij en dóór die-kunstenaar-is, kan déze taal ‘kunst’ worden, van-zelfs! Maar de taal van 't algemeen is geen kunst.

Hoe zou kunst: wat bizonder individueel is, algemeen kunnen wezen of worden?1) Dat raakt evenwel de ‘kunst’: waar ik niet op inga, hier.

 

Die algeméne taal is voor 't héle nederlandse volk het beschaafd gesproken nederlands.

 

Al scheelt 't heel weinig, niet overal is die taal gelijk; véél loopt 't niet uiteen: 't meest in uitspraak noch; heel-heel weinig in woorden.

Daarom verstaat een Zeeuw ook een Groninger, een Limburger een Noordhollander; een Utrechter een Fries, en een Brabander een Drenter.

Men kan er de invloed van de volkstalen, van 't fries en saksies en frankies in opmerken. Zo is er te onderscheiden een ietwat-fries klinkend nederlands, ietwat saksies klinkend, en ietwat frankies klinkend, al naar mate de spreker meer onder de invloed heeft gestaan of staat van de taal in Friesland-Holland, van Overijsel-Gelderland, of van Brabanten zuideliker.

Deze beschaafde nederlandse dialekten vormen allen samen het (zogenoemde) algemene nederlands naast de in beperkter gebied algemene volkstalen: het fries, saksies en frankies2).

 

Dit heel-in-'t-kort over methode, en algemene taal en beschaafde dialekten; voor deze behandeling van de ‘naamvallen’ dunkt me, vol-

[p. 56]

doende. Uitgewerkter hierover in 't Hoofdstuk: ‘Wat is taal, enz.’: zie 't Overzicht in van den Bosch, Pleidooi, Bijlage, blz. 70/1. -

III

Wat valt nu omtrent naamvallen in het algemeen-nederlands op te merken?

Dit.

Dat als we kategories de woorden bijeenzetten -: de mannelike, vrouwelike, onzijdige substantiva, de adjektiva, numeralia, lidwoorden pronomina, - verre, verreweg de meesten maar éen vorm hebben.

 

Zo de Substantiva, in 't enkelvoud als in 't meervoud1).

In een bizonder geval is er hoogstens een bijvorm: en wel bij een bepaalde soort van persoonsnamen, die òf eigennamen zijn òf 't karakter er van hebben. Hij komt voor bij mannelike en vrouwelike woorden in 't enkel- en meervoud2); - natuurlik niet bij onzijdige. -

Bovendien noch alleen als de bezittersnaam voorafgaat:

Jans pet, - Maries japon, - ('s) vaders knie, - 's konings verjaardag, - ('s) koningin(ne)s verjaardag, - ('s) moeders pappot, - moe's3) hoedje, - moe's3) arm, rijkelui's wens, - jongelui's partij, - armelui's kinderen, - de Ruyter's heldendaden, - m'n broers hoed, - je, uw moeders bijbel, - mijn ouwe tante's erfenis, - zijn vrouws moeder.
Opmerking 1. In de konstruksie achter wat, wat'n, veel, enz. zijn de woorden: goeds, moois, leliks, nuttigs, lekkers, fraais, grappigs, verkeerds, kortafs, enz. substantiva neutr. gen.; dit blijkt duidelik hieruit dat men zonder enig gemoedsbezwaar kan zeggen: het kortafs, degeliks enz. dat-ie in zijn doen en laten heeft, - nieuws is er niet, - beroerds is er in de wereld genoeg, - verkeerds kan men er niet in vinden, - wat kost dat moois, - soortgelijks noch, - enz. enz.

[p. 57]

Deze -s is een levend suffix om van adjectiva neutra-substantiva te maken.
Bij deze horen de substantieven zaaks, soeps, die men in zover onderscheiden moet van de voorgaande, als ze alleen voorkomen in een paar vaste kombinaties, na veel, weinig, en een paar dergelijke, als: niet veel zaaks, - weinig soeps, -
en de stereotiepe frases: uur gaans, - tot ziens, weerziens, - op beziens, - tot vervelens toe.
Dit alles hoort bij de woordvorming besproken; vgl. Taal en Letteren II, 316, vv.
Opmerking 2. Bijwoordelike uitdrukkingen zijn: 's nachts, - 's avends, - 's morgens, - 's jaars zoveel, - 's weeks vier gulden, - 's anderen daags, - 's zomers, - 's winters, - enz., dezer dagen, enz. - van ouds, - enz.
Deze horen onder de bijwoorden; bij de woordvorming moeten ze besproken.

Evenzo: ten bate, - ten gunste, - ten overvloede, - ten slotte, - van harte, - op straffe, - naar mate, - in gemoede.

Archeïstiese uitgangen zijn er noch bewaard in enkele kombinaties:

's lands wijs, 's lands eer, - 's mensen lust is 's mensen leven, - 's rijks belastingen. -
in den vreemde, - om den brode. -

Niet heel veel meer vindt men in de levende taal van deze soort.

 

De enige verandering bij adjectiva is dat ze soms op een -e(n) uitgaan.

Hierin stemmen de beschaafde dialekten - wat als van-zelf spreekt - niet met elkaar. Van Friezen hoort men vaak die zonder -e, in zuidelik-Nederland en Vlaanderen(?) daarentegen meer met -e(n)1).

Opmerking. ‘Ouwer gewoonte’, - ‘onverrichter zake’, en noch een paar van dergelijke uitdrukkingen horen onder de bijwoorden.

Van 't lidwoord komt in een paar vaststaande uitdrukkingen noch wel een vorm op s voor:

's konings, ('s) koningins verjaardag, - 's rijks belastingsstelsel, belastingen. -

[p. 58]

En in termen, spreekwoorden, enz., als:

's werelds loop, 's mensen lust is 's mensen leven, - 's levens zoet en zuur, - langs 's Heren straten boemelen, - 's lands wijs, 's lands eer, 's Lands welvaren. -
Opmerking. De 's in 's morgens, 's avends enz. is een adverbiaalteken.
Vgl. Dr. Hoogvliet, Kollewijns Taalbeweging, blz. 29, hoe die ook ontstaan kon wezen.
Ook hier blijkt 't nauwe verband tussen woordvorming en zogenoemde fleksie, waarover Taal en Letteren II, 314/5, 343, vv.

In enkele archeïsmen komt noch de vorm den voor, vooral in zuidelike streken: ook hierin stemmen de beschaafde dialekten niet met elkaar overeen.

Soms is 't ook een individuele eigenaardigheid van personen die veel boeketaal gewend zijn. Zo hoort men wel:

in den vreemde, - voor den dag, - aan den drank, - uit den aard, - den eerste Januari, - voor den duivel, - voor den donder, - onder den duim, - 't hek is van den dam. -

Dit schijnt vooral voortekomen als den voor een d-, of voor een klinker - ook voor een h? - staat. Vgl. Kalff, Gids, Jan. 1892, 132.

Opmerking. Ten en ter zijn natuurlik nevenvormen van te, als voorzetsels in bepaalde kombinaties. Vgl. Taal en Letteren II, 342.

De pronomina1) personalia hebben naast de subjektsvorm2) een andere:

ik, 'k: mij, me, - wij, we: ons, - enz.

Maar u en je staat alleen.

Bij deze pronomina hoort noch in een enkele verbinding een vorm op s, die te ‘vergelijken’ is met ‘Jans pet’:

mijns, zijns, uws, jouws, huns gelijke.

[p. 59]

Pronom. demonstr. hebben bij sommigen, hier en daar in enkele archeïsmen noch ouwe vormen:

mag ik je 't bij deze(n) geven.

Andere archeïsmen noch vindt men bewaard in oude spreekwoorden of spreekwijzen:

wiens brood men eet, diens (wiens) woord men spreekt.1)

Bij de Pronom. interrogativa komt een enkele maal ook noch de genoemde s voor.

wies hoed leit daar? - welke's? -

Daarnaast zeggen verscheidenen, maar voornamelik in Holland, ook ‘wiens’ in dit geval.

Beide schijnt hollands-nederlands te wezen.

Veel algemener is wie-z'n.

Pronom. relativa hebben maar een vorm, vgl. hiervoor, blz. 34.

Bij de Pronom. indefinita komt de boven (blz. 56) genoemde s noch wel voor, vooral als men bij de bezittersnaam andere woorden (adjectiva, of zo) koppelt. Anders is meest 't verband door z'n, enz. uitgedrukt, zie hiervoor, blz. 35.

zeker iemands handschoen had-ie in z'n borstzak, - in een anders portemonaie, - elk-en-een-ieders mening, - elks roeping is, - allemans gading, - op een andermans zeggen afgaan.

Ik geef hier een proeve, die niet volledig is. Maar elk kan die kompleteren, als hij nagaat in hoeverre wat hij hoort in zijn kring, overeenstemt en verschilt met 't hier meegedeelde.

En als nu ieder opgeeft wat hij opmerkt, krijgen we - maar ook zo alleen - een volledige spraakleer van de beschaafde nederlandse dialekten, d.i. van 't algemeen-levende-nederlands.

Elke bijdrage, die men me daarvoor wil sturen, zal welkom wezen.

[p. 60]

Alleen, er moet zuiver waargenomen. En scherp, zuiver waar-nemen is niet gemakkelik, bijna onmogelik zelfs als men noch vol zit van 't ouwe onderwijs in de schrijftaal en spraakkunsttaal: boven schreef ik er iets over.1) Maar ook dat aangewende gebrek is te verléren.

Ik hou me daarom ten slotte aanbevolen voor elke bijdrage, welke ook, en van wie ook.

 

Zo weinig vormen in 't nederlands - ondanks de spraakkunsten, en de heren grammatici. -

En nu 't gebruik van dat alles noch? - Ondanks de watervrees van velen voor 't arithmetiese, een klein statistiekje.

Die tegenstanders de mond wil stoppen, moet liefst meel van hun eigen molen hebben. Daarom koos ik dan ook een bladzij-of-wat uit een paar auteurs; natuurlik uit die zo veel mogelik de gewone beschaafde spreektaal schrijven.

Bij 't waardéren echter moet dit vooral in 't oog gehouën, dat die auteurs toch noch min-of-meer artistiek, d.i. kunstvol, - een enkel maal min of meer de ouwerwetse schrijftaal ook noch wel schreven.

Ik nam tien bladzijën van Weruméus Buning.2) En een zes-tal van Nicolaas Beets3); daaronder ook het ‘In Memoriam Abrahami Scholl van Egmond’ - dat wel geen spreek-nederlands is, maar zeker min of meer retories.

Wat van de algemene beschaafde spreektaal afwijkt, zullen we er dus af moeten rekenen.

Maar al doet men dit niet, dan zal toch voor die ogen heeft om te zien duidelik wezen, dat zelfs ook dáar - in die retoriese boeketaal - de zogenoemde verbogen vormen verreweg in de minderheid zijn.

 

Bij Weruméus Buning staan dan op tien bladzijën, in allerlei betrekkingen tot de andere omgevende woorden, onveranderd:

196 volgens de Vries-te Winkel zogenoemd mannelike.

Van Drummelen 1. - Klabberdos 16. - Hazelhoff 6. - Johannes 3. - Klankverloren 2. - sergeant (sersant) 27. - sergeant-schrijver 9. - bootsman

[p. 61]

25. - officier 2. - veldwachter 4. - diender 1. - meneer 8. - erfgenaam 3. - heer 7. - heere 1. - kerel 4. - stumper 1. - man 4. - dokter 1. - domenie 2. - secretaris 1. - notaris 7. - facteur 1. - brievenfacteur 1. - uitdrager 1. - koopvaardiman 1. -

voet 1. - hals 1. -

brief 5. - hoed 1. - zak 1. - omslagdoek 1. - stoel 2. - spiegel 1. - lessenaar 1. - almenak 1. - bladwijzer 1. -

wal 5. - weg 1. - zeedijk 1. -

tijd 3. - dag 9. - morgen 2. -

dronk 1. - drank 3. - borrel 2. - mist 1. -

kant 1. - naam 1. - schrik 1. - zin 1. - keer 6. - boel 2. - hekel 1. - 91 door hun als vrouwelik aangegevene:

tante 7. - vrouw 2. - juffrouw 1. - familie 1. - Tromp 2. -

hand 1. - stem 2. - taal 1. -

kamer 1. - plaats 4. - lucht 1. - negerij 1. - klok 1. -

ellende 1. - ziekte 2. - begrafenis 1. - vrees 1. - hoop 1. - erfenis 3. - zaak 2. - helft 1. - wet 1. - manier 1. - orde 1. - wereld 4. - natuur 6. - reis 2. - last 1. - grap 2. - drukte 1. - titelatuur 1. -

paraplu 1. - jas 2. - mouw 1. - pet 1. - karpoetsemuts 1. - kleeding 1. - kleedij 2. - burgerkleedij 1. -

parade 1. - comedie 1. -

gerechtigheid 4. - moeilijkheid 1. - geleerdheid 1. - ordentelijkheid 1. - fatsoendelijkheid 4. - waarheid 1. - kleinigheid 1. - zwartigheid 1. - rampzaligheid 1. - benauwdheid 1. -

administratie 1. - communicatie 1. -

beschrijving 1. - aanraking 1. - peiling 1. - beweging 1. -

En 104 neutra. -

mensch 3. - vrouwspersoon 1. - volk 2. - Amsterdam 1. -

lichaam 5. - hoofd 2. - hart 2. - oog 1. -

leven 1. - poosje 1. - uur 1. - sterfgeval 1. - overlijden 1. - uiteinde 2. - einde 2. - eind 1. - testament 3. - geld 4. -

huis 2. - heerenhuis 1. - gebouw 1. - kantoor 1. - magazijn 1. - dorp 1. - binnenland 1. - gras 1. -

oorlogschip 1. - boord 7. - anker 1. - touw 1. - driestrengs 1. - mes 1. -

kostuum 1. - doek 1. - fluweel 1. - zij 1. - stuk 1. - politiek 1. -

woord 1. - voorbeeld 1. - argument 1. - middel 1. - idée 2. - soort 4. - plezier 1. - werk 2. - rantsoen 1. - fatsoen 1. -

neefke 3. - jongetje 2. - meneertje 1. - schepseltje 1. -

woordje 1. - schepseltje 1. - spulletje 1. - beetje 1. -

gevoel 3. - gehuil 1. - gebrek 1. - geplooi 1. -

bericht 1. - begrip 1. -

verlof 3. - verzoek 1. - verband 1. -

tekort 1. - paar 1. -

[p. 62]

't sekure 1. - z'n positieve 1. -

41 meervouden.

burgers 1. - kerels 3. - kleermakers 2. - dames 1. - ouders 1. -

plunjes 1. - letters 2. - stippeltjes 1. -

menschen 3. - heeren 1. - advokaten 1. - vrienden 1.

oogen 2. - handen 2. -

spullen 2. - burgerkleeren 1. - handschoenen 1. - verlofpassen 1. - dingen 1. - zaken 1. -

jaren 1. - dagen 4. -

woorden 2. - complimenten 1. - kuren 1. -

begrafenissen 1. - kanten 1. - gaten 1. -

780 zogenoemde pronominale adjectiva, pronomina, articula, -

mijn 18. - m'n 4. -

zijn 9. - z'n 5. -

haar 7 -

ik 132. - 'k 1. - we 30. - jij 8. - u 10. - je 56. - jullie 2. -

hij 24. - zij 1. - ze 50. -

zelf 2. - elkaar 1. -

die 22. - dat 61. - wat 30. -

deze 2. - dit 4. - het 47. - 't 5. - de 103. - een 82. - geen 9. - zoo'n 16. -

men 5. - ieder 1. - iedereen 2. - ander 3. -

alles 3. - veel 4. - veul 1. - zooveel 1. - zooveul 1. - niets 1. - niks 4. -

beide 1. -

allerhande 1. -

beiden 2. -

59 adjektieve vormen op -e.

manhaftige 1. - eenigste 1. - voorste 1. - laatste 1. - onderste 1. - hooge 4. - weledele 1. - slepende 1. - verstopte 1. - japanneesche 1. - gladharige 1. - vlugge 1. - zachte 1. - dikke 1. - pleizierige 1. - kernachtige 1. - zoogenaamde 1. - politieke 1. - eigenlijke 1. - aardige 1. - eerste 3. - heesche 1. - fatsoenlijke 1. - groote 1. - kleine 1. - goeie 1. - beste 1. - onnozele 1. - zware 1. - magere 1. - witte 1. - zwarte 2. - blauwe 1. - ouwe 4. - heele 2. - innemende 1. -

enkele 1. - alle 1. - zulke 3. - andere 2. - eene 2. - zijne 2. - onze 1. -

67 adjectiva en participia en numeralia.

goed 6. - oprecht 1. - waar 1. - bang 3. - treurig 1. - dood 5. - dronken 1. - lang 1. - bijgenaamd 2. - aardig 1. - gunstig 1. - pleizierig 2. - opgewonden 1. - dik 1. - zwaar 1. - breed 1. - stijf 1. - blauw 1. - helder 1. - winderig 1. - noodig 2. - vreemd 1. - raar 1. - jammer 1. - warm 1. - deftig 1. - mooi 1. - klein 2. - arm 1. -

[p. 63]

rampzalig 2. - uitstekend 1. - juist 1. - precies 1. - bezig 1. - cellulair 1. - meer 1. - klaarder 1. - mooier 1. - zijden 1. -

gekleed 1. - gevangen 1. - gepolitoerd 1. - overleden 2. - eerst 2. - eigen 2. - genoeg 1. -

acht. - veertien. - twee. -

 

En daartegenover komen voor, geen enkel substantief in veranderde vorm, dan alleen: (van mijn) moeders kant.

14 adjektiefvormen op -(e)n.

weledelen 4. - vasten 1. - lastigen 1. - volgenden 1. - grooten 1. - laatsten 1. - mooien 1. - goeien 1. - ouwen 1. - duffelschen 1. - vriendschappelijken 1.

Dan noch 41:

den 31. - dezen 2. - dien 6. - iederen 1. - zekeren 1. -

Van de pronomina noch 68:

me 27. - mij 6. - ons 5. - hem 10. - 'em ('m) 4. - hen 1. - zich 3. - mezelf 6. - jezelf 1 - m'n eigen 1. - z'n eigen 2. - haar eigen 2. -

En: deszelfden 1. - deszelfs 1. -

 

Zodat S.E. & O. op 1474 woorden maar 126 verbogen vormen komen; daaronder: deszelfs, deszelfden, - wat natuurlik geen algemene spreektaal is - en 55 vormen op de welbekende en veelbesproken -n. -

Waarmee 't getal vermindert tot op 69.

Dan rekenen we nu maar niet de overtollige -e in 't femin.

 

En bij Beets staan zo op 6 bladzijën onveranderd:

127 mannelike volgens de Vries- en-te Winkel.

vriend 18. - broeder 2. - man 5. - kerel 2. - jongen 1. - jongeling 2. - vader 1. - voerman 1. - dokter 1. - Heiland 1. - examinandus 2. - prof 1. - pedel 4. - lijder 1. - ziekentrooster 1. - tuchtknaap 1. - gek 1. - satelliet 1. - toehoorder 1. - vleier 1. - vertrouweling 1. - leelijkerd 1. - zwartrok 1. - kwelgeest 1. - slachtoffer 3. - candidaat 10. - heer 1. - mijnheer 1. - menheer 1. - meheer 4. - stommeling 1. - getuige 1. - gedaagde 2. - kleine 2. - grootere 1. - brave 1. - geexamineerde 2. - kolonel 1. - Macquelin 1. - Broers 2: - Schreuder 1. - Possel 1. - Bram 1. -

mond 2. - voet 1. - arm 1. - traan 1. -

eten 1. - wijn 1. - toast 2. - triomf 1. -

vloer 1. - stoel 1. - weg 1. -

nachtegaal 1. -

morgen 1. - zondagmorgen 1. - dag 1. - leeftijd 1. -

tred 1. - pas 1. - graad 1. - naam 1. - dank 1. - stand 1. -

[p. 64]

blik 1. - raad 3. - lof 1. - glimlach 1. - ernst 1. - regeeringsvorm 1. -

Voerweg 1. - Deyl 2. - Februari 2. - April 1. -

101 vrouwelike volgens diezelfden:

dame 1. - dochter 1. - juffrouw 3. - hospita 2. -

duif 1. -

hand 1. -

strop 1. - das 2. -

natuur 1. - jeugd 1. - ure 1. -

stad 1. - poort 1. - kerk 1. - straat 1. - plaats 1. - kostschool 1. - societeit 2. - begrafenis 1. - groeve 1. - drowsky 1. - deur 4. - kamer 5. - fakulteitskamer 1. - trap 2. - bank 1. - pijnbank 1. - tafel 3. - bel 1. - examenbel 1. - thee 1. - druk 1. - uitgave 1. -

madera 1. - cantemerle 1. - flesch 2. -

schaar 1. - reeks 1. -

spraak 1. - moedertaal 1. - hartetaal 1. - uitspraak 2. - wijsbegeerte 1. -

denkwijze 1. - gedachte 1. - smart 1. - hoop 2. - vreugde 1. - angst 1. - liefde 2. - rust 1. - troost 1. -

betrekking 1. - stemming 1. - beweging 1. - ondervinding 1. - poging 1. - buiging 1. - vergelijking 1. - hoogachting 1. -

omstandigheid 1. - vlugheid 1. - gekheid 1. - geheimzinnigheid 1. - schrimpeljeuzigheid 1. - stommigheid 1. - opgewondenheid 1. - vroolijkheid 1. - verliefdheid 3. -

grootte 1. - stilte 1. - menigte 1. -

operatie 1. - harmonie 1. - kwitantie 1. - forducie 1. - illusie 1. - osteologie 1. - functie 1. -

Mei 1. -

En 116 neutra.

mensch 2. - kind 1. -

meisje 3. -

hoofd 3. - gelaat 2. - gezicht 2. - hart 5. - aangezicht 1. - uitzicht 1. - uiterlijk 1. -

jaar 2. - oogenblik 2. - kwartier 1. -

horloge 1. -

hôtel 1. - bed 1. - venster 1. - glas 1. -

terras 1. -

denkbeeld 1. - beeld 1. - woord 3. - boek 3. - boekdeel 1. - zegel 1. -

gild 1. - ding 1. - voorwerp 1. - punt 1. - nadeel 1. -

ziekbed 1. - sterfbed 1. - graf 4. - kerkhof 1. - gebed 1. - leven 1. - vaderland 1. -

verlies 1. - vonnis 1. - examen 4. - candidaats 1. - latijn 2. -

[p. 65]

college 1. - dictaat 1. - register 1. - georgel 1. - lied 1. - gezang 1. - licht 1. - werk 1. -

geluk 1. - gemak 2. - gebruik 1. - geweld 1. - genoegen 1. - gevoel 1. - verhaal 1. - vertrouwen 1. -

voetreisje 1. - buitentje 1. - plekje 1. - ankertje 1. - kamertje 1. - zweetkamertje 3. - oortjes doossie 1. - vrouwenportretje 1. - kleintje 1. -

Cicero'tje 1. - Gerritje 2. -

spreken 1. - vragen 1. - doorslaan 2. -

tweetal 1. - beetje 2. -

kwart 1. - paar 1. -

echte 1. - ergste 1. - hollandsch 2. -

Gelderland 1. - Nederland 3. - Ubbergen 2. -

82 meervouden.

medebroeders 1. - luidjes 1. - toehoorders 1. - meisjes 1. - oogjes 1. - buitentjes 1. - illusies 1. -

jongelui 1. -

menschen 3. - vrienden 6. - artsen 1. - beulen 1. - buitenpatiënten 1. - stervelingen 1. - personen 1. -

oogen 5. - bakkebaarden 1. -

tranen 1. - stemmen 1. - woorden 2. -

basterdnachtegalen 2. - paarden 2. - duiven 1. -

rijtuigen 1. - vensterramen 1. - trappen 1. - boeken 1. - bladen 1. -

droppelen 1. - champagneflesschen 1. - kurken 1. - sigaren 1. - jaren 3. - uren 4. - minuten 1. - zondagen 1. - dagen 3. - weken 1. -

vragen 1. - volzinnen 1. - dingen 1. -

faculteiten 1. - collegegelden 1. -

vertooningen 1. - werkelijkheden 1. - bewegingen 1. - gelukwenschen 1. - informatien 1. -

aanwezigen 1. - bedroefden 1. - echten 1. -

tweeën 2 -

512 zogenoemde pronominale adjectiva, pronomina, articula.

mijn 7. - me (= mijn) 1. - uw 7. - zijn 19. - haar 2. -

ik 35. - 'k 1. - jij 1. - je 29. - gij 6. - u 16. - hij 33. - wij 3. - we 1. - zij 2. - ze 4. -

die 30. - dat 28. - wat 5. - wie 1. - welk 1. - deze 3. - dit 7. - het 64. - 't 5. - de 103. - dezelfde 1. - een 60 - geen 9. - hetwelk 1. -

men 2. - niemand 2. -

ander 6. - zeker 1. - enkel 1. -

iets 1. - niets anders 1. - alles 3. - veel 1. - al 2. - allerlei 1. -

beiden 1. - weinigen 1. - anderen 1. - allen 1. - velen 2. -

87 adjectieve vormen op -e.

witte 4. - gedrukte 1. - gewone 1. - schoone 1. - bruine 1. - lieve 2. - goede 1. - beste 3. - zalige 1. - bekoorlijke 1. - kleine 2. -

[p. 66]

lange 3. - lichte 1. - geringe 1. - harde 1. - fijne 3. - dichte 1. - dikke 1. - heele 1. - geheele 1. - gansche 1. - medische 1. - nieuwe 1. - vroege 1. -

heimelijke 1. - trouwe 1. - hartelijke 1. - echte 1. - dierbare 1. - toomelooze 1. -

vroegste 1. - meeste 1. -

Kantsche 1. - Hegeliaansche 1. - Geldersche 1. - Fransche 1. - latijnsche 1. -

zenuwschokkende 1. - diepbewogene 1. - deelnemende 1. - geopende 1. -

eene 2. - welke 1. - elke 1. -

verscheidene 3. - alle 2. - vele 5. - eenige 1. - onze 4. - uwe 4. - zijne 2. - andere 4. -

eerste 2. - tweede 1. - derde 2. - vijfde 1. - zevende. 1. -

79 adjectiva en participia en numeralia.

waar 1. - schoon 2. - mooi 1. - goed 3. - vroolijk 2. - blij 1. - aardig 1. - bemind 1. - beminlijk 1. - dierbaar 1. - bedaard 1. - kalm 1. - bescheiden 2. - deftig 2. - gunstig 1. - ongunstig 1. - droevig 1. - melankerliek 1. - ongelukkig 1. - bedrukt 1. - weemoedig 1. - stil 1. - eenzaam 1. - verstrooid 1. - bang 1. - gerust 1. - nieuwsgierig 1. - klein 2. - krachtig 1. - droog 1. - diep 1. - stom 1. - knap 1. - onnoozel 1. - wakker 1. - verleden 1. - oud 1. - zwanger 1. - vol 1. - mogelijk 1. - vroeg 2. - open 2. - groen 1. - zoet 1. - wettig 1. - verliefd 1. - bekend 1. - eigen 1. -

welluidend 1. - onbelemmerd 1. - menschlievend 1. -

opgeschoven 1. - gepensioneerd 1. - gedecideerd 1. - geëngageerd 1. - deelnemend 1. -

meer 2. - minder 1. - aannemelijker 1. -

éen 2. - twee 3. - drie 2. - vier 2. - acht 1. - vierentwintig 1. -

 

En daartegenover staan van de substantieven:

vriends 1. - candidaats 1. - waters 1. -

ten grave 1. - ten gevolge? 1. - te uwer eere 1. -

15 adjektiefvormen op -(e)n.

schalken 1. - bedrukten 1. - zwarten 1. - huidigen 1. - redeloozen 1. - lieven 1. - luchtigen 1. - gladden 1. - genoegelijken 1. - echten 1. - anderen(daags) 1. - besten 1. - uwen 1. - tweeden 2. -

Dan noch 34:

den 25. - dezen 1. - dien 8. -

Van de pronomina noch 43:

mij 9. - me 2. - ons 2. - hem 19. - hun 1. - mekaar 1. - zich 9. - zijn zelvers 1. -

En ten slotte 12:

der 5. - mijner 2. - uwer 1. - zijner 1. - des 1. - zijns 1. - wiens 1. -

[p. 67]

Zodat ook hier S.E. & O. op 1214 woorden maar 110 verbogen vormen komen; daaronder 18 die wel nooit zó in de spreektaal gehoord worden; en 49 vormen op -(e)n. -

Waarmee hier 't vermindert tot op 43.

 

Zo blijkt allerduidelikst voor wie niet de klassieke staar op d'ogen heeft dat ons algemeen-nederlands deflektief is, op heel weinig uitzonderingen na. Natuurlik dat in enkele gevallen noch enige vormen voorkomen die van vroeger zijn overgebleven, maar toch ook al niet meer presies zo als vroeger. Dan gebruiken sommigen bij bizondere gelegenheden ook noch wel meer archeïsmen: dat staat in hun individuéle voorkeur hun vrij. Zulke min-of-meer-algeméne rudimenta van vroeger vindt men overal: maar in welke wetenschap-van-nú worden ze als dé-algeméne-toestand-aangévend geléraard?!1)

 

En dat onze taal er zó uitzag, kon allang álgemeen bekend wezen2).

Nu is grammatica: een taal beschreven zoals - die werkelik is. Was 't dan niet allang hoog tijd geweest dat de naamvallen daar niet in voorkwamen zoals nú noch 't geval is?

De nederlandse spraakleer, die dan ook teruggeeft de ware ‘Tatbestand’, zal een heel wat andere - en heel wat eenvoudiger - inhoud hebben als men nu noch goedvindt er in te drukken.

 

Naamvallen is het nederlands dus niet meer ‘rijk’! Ze zijn trouwens overbodig: uit de betékenis allereerst, uit de woordstelling, uit de kombinatie-woordjes blijkt het verband voldoende, beter als uit woordvormen zelf.

't Is er mee als met de uitgangen van de verba: de pronomina zijn die 't eerst gaan verduideliken, eindelik gaan vervangen, ze maakten de uitgangen overtollig3).

Zo ook de nomina-uitgangen: in overoude tijden al versterkt door preposities4), zo 't niet uit de hele omgeving voldoende bleek; lang-

[p. 68]

zamerhand bijna geheel er door vervangen; ten slotte verdwijnen de uitgangen. Men kan ze missen. Anders bleven ze.

Hoe kunnen nu noch ‘taalkundigen’ zelfs praten van: de taal verarmt als die vormen weggaan? Dit is wel een heel eigenaardige bewering van die aannemen dat in 't grootst getal synoniemen de rijkdom van een taal schuilt.

Nu, dan is ook de flexie-loosheid van 't nu-nederlands niet zijn armoe, maar zijn rijkdom1). Want daardoor juist hoeven zelfs die zo jeremiéren over dat weggaan van die buigingsvormen, variante betrekkingen niet uit te drukken in een klein getalletje woordvormen, maar hebben ze een macht van (zogenoemde omschrijvende) verbindingswoordjes tot hun dispositie: de nuanses kunnen ze dus weergeven.

Indien dus, zoals ze aannemen, taalrijkdom daarin bestaat, moesten ze jubelen! 't Tegendeel te doen is een inkonsekwentsie: trouwens 't ouwe systeem is van inkonsekwentsies vol. -

IV

't Spreekt: onder naamvallen verstaat men de onderscheiden vormen van een naamwoord die de betrekking er van tot andere uitdrukken.

Men kan ook naamval = de betrekking-zelf stellen: verkieselik is dit evenwel niet; men krijgt er dan te veel, en vooral ze zijn vaak niet definieerbaar, moeilik aanwijsbaar.

 

Nu zijn er, die zó redeneren: al heeft vader, b.v.2) dezelfde vorm, men kan dan toch aan ‘mijn(en)’ - of aan ‘den’ altijd - zien wat

[p. 69]

naamval 't is! Maar wat geeft dat - om allereerst dít maar te vragen - aan ‘vader’ te zien? Niemedal! -

Merkt men niet dat hier naamval = aandui-vorm, en naamval = de betrekking-zèlf door elkaar gehaald wordt, en verward?

In de meeste spraakkunsten1) gebeurt dit noch evenwel, zelfs in die van Kaakebeen2) en van Helten3).

Terwey schrijft dit:

Opmerking. De vraag, hoeveel naamvallen er in onze taal zijn, kan verschillend beantwoord worden. Houdt men zich streng aan het begrip ‘vorm’ dan komt men tot het besluit, dat de vrouwelijke substantieven eigenlijk geen naamval hebben; immers de vorm is in 't enkelvoud steeds moeder, meerv. moeders. De mannel. en onz. hebben in 't enkelvoud in deftigen stijl twee naamvallen: vader, vaders, gevaar, gevaars, in 't meerv. ontbreekt alle verschil van vorm: vaders, gevaren.
Let men echter op de verbuiging der overige woorden vooral van de lidwoorden en de voornaamwoorden, dan ziet men dat deze woorden soms drie of vier verschillende vormen hebben: de, des, den; mijne, mijner, mijnen; zij, hunner, hun, hen. En voegt men daar nog bij, dat enkele substantieven met het lidwoord, wanneer men ook ouderwetsche maar toch nog in zwang zijnde vormen daarbij insluit, nog vier verschillende vormen kunnen vertoonen: de dag, des daags, den dage (in ten dage), den dag, dan wordt het begrijpelijk, dat men tot nog toe voor het Nederlandsch vier naamvallen aanneemt.

Handig en presies uitgedrukt. Daar blijkt uit dat Terwey 't juiste inzicht had4).

 

Er zijn velen onder de grammatici ook die niet eens 't verschil schijnen optemerken tussen betrekking en aanduiding-er-van.

Hoe kunnen ze anders iets als dit schrijven?:

[p. 70]

De onderscheiding der naamvallen. Door naamvallen verstaat men de verschillende vormen, die de naamwoorden aannemen, om aan te duiden, in welke betrekking zij in de rede voorkomen. Onze taal heeft vier naamvallen, die als eerste, tweede, derde en vierde worden onderscheiden. Het aantal betrekkingen, waarin de naamwoorden in de rede optreden, is evenwel grooter dan dat der naamvallen, zoodat éen en dezelfde naamval verschillende betrekkingen uitdrukt. Zoo dient b.v. de eerste naamval: 1. als onderwerp van den zin; 2. als gezegde bij het koppelwoord, en 3. om den hoorder aan te spreken.
De naamvalsbuiging is bij de zelfstandige naamwoorden onvolledig; zoo is de vierde naamval, en doorgaans ook de derde, gelijk aan den eersten. Zij is vollediger bij de lidwoorden en de overige hierboven genoemde bepalende woorden, zoodat de naamvalsuitgangen van deze deels de naamvalsbuiging der zelfst. naamwoorden aanvullen. Waar de naamvallen (d.i. de vormen) ontbreken, worden zij, waar dit noodig is, door voorzetsels uitgedrukt.
De betrekkingen, die de naamvallen uitdrukken, zijn algemeener en menigvuldiger dan die, welke door voorzetsels worden uitgedrukt. Daarom mag het bezit van naamvalsbuiging een groot voordeel(!) voor eene taal heeten: de taal is er te rijker door.1)

of dit? - wat niet veel helderder is:
‘Betrekkingen die steeds denzelfden vorm eischen van het z.n.w. en de vergezellende woorden behooren tot dezelfde groep (tot denzelfden naamval.) Alle betrekkingen worden gebracht tot vier groepen; vandaar vier naamvallen.’2)

of als slotstuk: 't mooiste en 't helderste:
‘De aanspreking staat buiten de grens van den volzin, en omdat zij geen lid van den volzin is, is zij ook geen naamval. Men noemt haar vokatief.
[Opmerking. Omdat de onverbogen vorm van het zelfst. nw. dezelfde is als de eerste naamval, zegt men wel: De aanspreking is eerste naamval.’]3)

Dat kan er noch wel mee door! Maar brengt dat allemaal nu eens in verband met:

‘Een zelfstandig naamw. kan in den volzin verschillende diensten bewijzen... Ter aanduiding van deze diensten, d.i. van de rol, door het

[p. 71]

zelfst. nw. vervuld, bestaan vormen... De verschillende vormen van het zelfst. nw. waardoor de spreker of de schrijver kan aanwijzen, in welke betrekking het in den volzin voorkomt, heeten naamvallen.
Opm. De nederl. taal bezit thans voor elken dienst van het zelfst. nw. niet meer een afzonderlijken vorm; - menigvuldig zijn de verschillende betrekkingen, waarin de zelfst. nw. in de rede optreden; het juiste getal is moeielijk te bepalen.... wij (zullen) voorbeelden van de voornaamste funktien (rollen) geven......

En dan volgt 1o. de vocativus.1)

!

B.H.

(Wordt vervolgd.)