Skiplinks

  • Tekst
  • Verantwoording en downloads
  • Doorverwijzing en noten
DBNL Logo
DBNL Logo

Hoofdmenu

  • Literatuur & Taal
    • Auteurs
    • Beschikbare titels
    • Literatuur
    • Taal
    • Limburgse literatuur
    • Friese literatuur
    • Surinaamse literatuur
    • Zuid-Afrikaanse literatuur
  • Selecties
    • Onze kinderboeken
    • Basisbibliotheek
    • Tijdschriften/jaarboeken
    • Naslagwerken
    • E-books
    • Publiek Domein
    • Calendarium
    • Atlas
  • Gebruiksvoorwaarden
    • Hergebruik
    • Disclaimer
    • Informatie voor rechthebbenden
  • Over DBNL
    • Over DBNL
    • Contact
    • Veelgestelde vragen
    • Privacy
    • Toegankelijkheid
  • Verantwoording
  • Inhoudsopgave

Downloads

ebook (11,06 MB)






Editeur
Nicoline van der Sijs



Genre
non-fictie

Subgenre
vertaling
non-fictie/theologie
bijbel / bijbeltekst(en)


© zie Auteursrecht en gebruiksvoorwaarden.

 

Biblia, dat is: De gantsche H. Schrifture, vervattende alle de canonijcke Boecken des Ouden en des Nieuwen Testaments (Statenvertaling 1637)

(2008)–anoniem Statenbijbel

Vorige Volgende

Het Eerste Capittel.

1 De inleydinge deses Send-briefs, waer in verklaert wort, wie de Schrijver is des selven, N. Paulus, die sijn ampt, beroepinge, ende leere van den persoon Christi kortelick aenwijst. 6 de persoonen, aen welcke hy schrijft, met eene prijsinge van haer geloove. 9 De genegentheydt die hy heeft om tot haer te komen, om haer soo wel als anderen het Euangelium te prediken, haer te verstercken, ende van haer versterckt te worden. 16 Daer na stelt hy voor de ware leere van de Rechtveerdigh-makinge des menschen voor Godt, door het geloove: ende bewijst het selve met een plaetse der heylige Schrift. 18 Hy wederleght het verkeert gevoelen van andere, ende bewijst dat de Heydenen door het licht der natuere niet en konnen gerechtveerdight worden voor Godt. 19 overmits sy dat licht onderdrucken, ende de kennisse die sy van Godt hebben misbruycken tot afgoderye, 24 waer over sy in eenen verkeerden sin overgegeven zijn. 29 ende vol zijn van alle grouwelen in haer leven, die hy met een langh register verhaelt.

1

1 PAULUS een dienstknecht JESU CHRISTI, 2 een gheroepen Apostel, a 3 af-gesondert 4 tot het Euangelium Godts,

2

(Het welck hy te voren b belooft hadde door sijne Propheten, inde heylige 5 Schriften.)

3

Van sijnen Sone (die 6 geworden is c uyt den 7 zade Davids, 8 na den vleesche:

4

Die 9 crachtelijck 10 bewesen is te zijn d de Sone Godts, 11 na den Geest der 12 heylighmakinge, 13 uyt de opstandinge der dooden) [namelick] Iesu Christo onsen Heere:

5

(Door welcken wy hebben ontfangen 14 genade, ende het Apostelschap, 15 tot gehoorsaemheyt des geloofs onder alle de Heydenen, 16 voor sijnen name.

6

17 Onder welcke ghy oock zijt, 18 geroepene Iesu Christi)

7

Allen die te Roomen zijt, geliefde 19 Godts, ende e geroepene heylige: 20 genade zy u ende vrede van Godt onsen Vader, ende den Heere Iesu Christo.

8

Eerstelijck dancke ick mijnen Godt door Iesum Christum over u allen, dat uw’ geloove 21 verkondight wort in de geheele werelt.

9

Want f Godt is mijn getuyge,

[fol. 77r]

g welcken ick diene 22 in mijnen geest, 23 in het Euangelium sijns Soons, hoe ick sonder nalaten uwer gedencke,

10

h Alle-tijdt in mijne gebeden biddende, 24 of mogelijck my noch t’ eeniger tijdt goede gelegentheyt gegeven wierde 25 door den wille Godts om tot u-lieden te komen.

11

i Want ick verlange om u te sien, k op dat ick u eenighe geestelijcke gave mochte mede deylen, ten eynde ghy versterckt soudet worden:

12

Dat is, om mede 26 vertroost te worden onder u, door het onderlinge geloove, soo het uwe als het mijne.

13

Doch ick en wil niet dat u onbekent zy, Broeders, l dat ick menichmael voorgenomen hebbe tot u te comen (ende ben tot noch toe 27 verhindert geweest) op dat ick oock onder u 28 eenige vrucht soude hebben, gelijck als oock onder de andere Heydenen.

14

m Beyde 29 Griecken ende Barbaren, beyde wijsen ende onwijsen 30 ben ick een schuldenaer.

15

Also 31 ’t gene in my is, dat is volveerdigh om u oock die te Roomen zijt, het Euangelium te verkondigen.

16

n Want 32 ick en schame my des Euangeliums Christi niet: o Want het is 33 een kracht Godts tot salicheyt een yegelijck die gelooft, 34 eerst den Iode, ende oock den Grieck.

17

p Want 35 de rechtveerdicheyt Godts wort in ’t selve geopenbaert 36 uyt geloove tot geloove: gelijck geschreven is, q Maer de 37 rechtveerdige sal uyt den geloove leven.

18

Want 38 de toorne Godts wort geopenbaert van den hemel over alle 39 godloosheyt ende 40 ongerechticheyt der menschen, [als] die 41 de waerheyt 42 in ongerechticheyt 43 t’onder houden.

19

r Overmits 44 het gene van Godt kennelijck is in 45 haer openbaer is: want Godt 46 heeft het haer geopenbaert.

20

s Want sijne 47 onsienelijcke dingen worden van de scheppinge der werelt aen, uyt de 48 schepselen verstaen ende doorsien, beyde 49 sijne eeuwige kracht ende 50 Goddelickheyt, op dat sy 51 niet te verontschuldigen en souden zijn.

21

Om dat sy 52 Godt kennende, [hem] 53 als Godt niet en hebben verheerlickt ofte gedanckt: t maer zijn 54 verydelt geworden in hare overleggingen, ende haer onverstandigh herte is verduystert geworden.

22

Haer uytgevende 55 voor wijse, zijn sy dwaes geworden.

23

v Ende hebben de heerlickheyt 56 des onverderflijcken Godts 57 verandert in de gelijckenisse eenes beelts van een verderflijck mensche, ende van gevogelte, ende van viervoetige, ende cruypende [gedierten].

24

58 Daerom heeft’se Godt oock 59 over-gegeven 60 in de begeerlijckheden harer herten tot onreynicheydt, om hare lichaemen 61 onder malkanderen te onteeren.

25

[Als] die 62 de waerheydt Godts 63 verandert hebben in de leugen, ende het schepsel ge-eert ende gedient hebben 64 boven den Schepper, die te prijsen is in der eeuwicheyt, Amen.

26

Daerom heeft’se Godt overgegeven x tot 65 oneerlijcke bewegingen. Want oock hare vrouwen hebben het natuerlijck gebruyck verandert in het [gebruyck] tegen nature.

27

Ende insgelijcks oock de mannen nalatende het natuerlijck gebruyck der vrouwe, zijn verhittet geworden in haren lust tegen malcanderen, mannen met mannen schandelickheyt bedrijvende, ende 66 de vergeldinge van hare dwalinge, die [daer toe] behoorde, in haer selven ontfangende.

28

Ende gelijck het haer niet goedt gedacht en heeft Godt 67 in erkentenisse 68 te houden, so heeft’se Godt overgegeven 69 in eenen verkeerden sin, om te doen dingen die niet en betamen.

29

Vervult zijnde met alle 70 ongerechticheyt, hoererie, 71 boosheyt, giericheyt, quaetheyt: vol van nydicheyt, moort, twist, bedrogh, 72 quaetaerdicheyt:

30

Oorblasers, 73 achterclappers, 74 haters Godts, 75 smaders, hooveerdige, 76 laetdunckige, vinders van quade dingen, den ouderen ongehoorsaem,

31

Onverstandige, verbont-brekers, 77 sonder natuerlijcke liefde, onversoenlijcke, onbarmhertige.

32

Dewelcke 78 daer sy het recht Godts

[fol. 77v]

weten ([namelijck], dat de gene die sulcke dingen doen, des doods weerdigh zijn) niet alleen deselve en doen, y maer oock mede 79 een welgevallen hebben in de gene die’se doen.

1
Waerom Paulus, die te voren Saulus hiet, den namen Pauli in alle sijne Sendtbrieven heeft gehouden, daer van siet de reden in de aenteeck. op Actor. 13.9.
2
Ofte, geroepen tot een Apostel: welcken tijtel hy hem selven hier geeft, om terstont inden begin aen te wijsen, dat de vermaningen die hy in desen brief den Romeynen doet, nae eysch van sijne beroepinge geschieden. siet Actor. 9.15. 2.Cor. 5. versen 14, 20.
a
Actor. 9.15. ende 13.2. Galath. 1.15.
3
Namel. van moeders lichaem aen in Godts voornemen. Galat. 1.15. ende daer nae in der daet door het bevel des Heyligen Geests, om het Euangelium onder de Heydenen te verkondigen. Act. 13.2.
4
Namel. om het selve te prediken.

b
Genes. 3.15. ende 22.18 ende 26.4. ende 49.10. Deuter. 18.15. 2.Sam. 7.12. Psal. 132.11 Iesai. 4.2. ende 7.14. ende 9.6. ende 40.10. Ier. 23.5. ende 33.14. Ezech. 34.23. ende 37.24. Dan. 9.24. Mich. 7.20.
5
Namel. des Ouden Testaments.

6
Ofte, geboren: gelijck Galat. 4.4.
c
Matth. 1.1. Luc. 1.32. Actor. 2.30. ende 13.23. 2.Timot. 2.8.
7
D. naekomelingen.
8
D. nae sijne menschelicke natuere. Ioan. 1.14. 1.Tim. 3.16.

9
Gr. in kracht, ofte, met kracht.
10
Ofte, verklaert. Gr. bepaelt.
d
Iesai. 9.5. ende 44.6. ende 54.5. Ioan. 2.19. Rom. 9.5. 1.Ioan. 5.20.
11
D. na sijne Goddelicke natuere, die oock eenen eeuwigen Geest genaemt wort. Hebr. 9.14. Siet oock 1.Timot. 3.16. ende 1.Petr. cap. 3. vers 18.
12
Ofte, der heyligheyt. dat is, die in hem selven heyligh is, ende door sijne verdienste ende kracht ons heyligh maeckt. Hebr. 2.11.
13
Dat is, door dien hy hem selven uyt den dooden heeft opgeweckt. Ioan. 2. versen 19, 21 ende 10.18.

14
D. de genade des Apostelschaps: ofte de genade tot bekeeringe, ende boven dien tot het Apostelschap.
15
D. om de Heydenen te brengen tot gehoorsaemheyt Christi ende tot het geloove. Actor. 26.16.
16
D. op dat Christi name haer bekent ende van haer verheerlickt soude worden. Ofte, in, uyt sijnen name. 2.Cor 5.20.

17
Gr. in.
18
D. die niet alleen door het woordt uyterlick, maer oock door de kracht des Geests Christi inwendelick tot de gemeenschap Christi zijt geroepen ende gekomen. Waerom hy haer oock in’t volgende vers geloovige, heylige, ende geliefde Godts noemt. Siet Rom. 8. vers 28. 1.Corinth. 1.2. Want hoe wel oock in dese tijt in’t begin sijner brieven nae den eysch der liefde van het beste deel onder haer.

19
Ofte, van Godt. 1.Ioan. 4. versen 10, 19.
e
1.Corinth. 1.2. Ephes. 1.1.
20
Onder dese twee woorden wordt, na de wijse van spreken der Hebreen, begrepen alle geestelicke ende lichamelicke welstant: ende wort door het woordt genade verstaen de oorspronck ofte fonteyne van alle weldaden Godts over ons, ende door het woordt vrede de vruchten ende het gevoelen van dien. Siet Psal. 63.4. Ioan. 16.33. Rom. 5.1. Phil. 4.7.

21
D. ruchtbaer ende bekent gemaeckt wort, in de Gemeynten van de geheele wereldt: een figuerlicke manier van spreken, die alhier nochtans gegront is, overmits’er uyt alle gewesten van de werelt tot Roomen quamen, die sulcks elck in sijn lant konden verhalen.

f
Rom 9.1. 2.Cor. 1.23. ende 11.31. Galat. 1.20. Philip. 1.8. 1.Thess. 2.5.
g
2.Timot. 1.3.
22
Ofte, met mijnen geest. dat is, van gantscher herten.
23
D. in’t verkondigen des Euangeliums: gelijck vers 1.

h
Rom. 15.23, 32.
24
Ofte, indien my noch t’eeniger tijdt een voorspoedige reyse gegeven wierde door den wille Godts, dat ick tot u mach komen.
25
Gr. in den wille Godts. Dit doet hy daer by, om dat hy in het verbreyden des Euangeliums de ordre volghde, die hem Godt door sijnen Geest voor-schrèèef. Actor. 16.7, 9, 10.

i
1.Thess. 3.10.
k
Rom. 15.29.

26
Ofte, vermaent: want het Gr. woort beteeckent beyde, ende beyde kan op Paulum gepast worden, alsoo selve oock de Engelen door de Gemeynte Godts naerder kennisse ende ervaringe krijgen van de menigerley wijsheyt Godts. Ephes. 3.10. 1.Pet. 1.12.

l
1.Thess. 2.18.
27
Nam. ofte door voorvallende swarigheden, ofte door Godts bevel, gelijck Actor. 16.7.
28
Namel. van mijnen dienst, ende beroepinge tot een Apostel Christi onder de Heydenen, om haer tot Christum te bekeeren, ofte ten minsten in haer geloove meer ende meer te bevestigen.

m
1.Corinth. 9.16.
29
Onder dese twee eerste worden alle soorten van Heydenen verstaen. Actor. 28.2. ende door wijse ende onwijse allerley menschen in’t bysonder onder de Griecken ofte Barbaren: ende ’t schijnt dat Paulus haer mede de gunste der Romeynen wil verwecken, om dat sy haer selven de kloeckste ende wijste van alle menschen hielden.
30
D. ben ick gehouden, uyt kracht van mijn beroep, het Euangelium te prediken.

31
Ofte, wat my aengaet, ick ben volveerdigh.

n
Psal. 40.10. 2.Timot.1.8.
32
Ofte, ick en schrome niet. dat is, ick en soecke my niet te ontslaen, ofte te ontrecken van het verkondighen des Euangeliums, gelijck men doet van saecken daer men hem over schaemt.
o
1.Corinth. 1.18. ende 15.2.
33
D. een krachtigh middel van Godt daer toe verordineert, gelijck 1.Corinth. 1.18.
34
Want het Euangelium moest eerst den Ioden ende daer nae den Heydenen verkondight worden. Actor. 13.46.

p
Rom. 3.21. Philip. 3.9.
35
D. de rechtveerdigheydt waer door wy voor het gerichte Godts konnen bestaen, welcke is alleen de rechtveerdigheydt Christi, die ons van Godt wordt geschoncken, ende door het geloove toegherekent.
36
D. tot dagelicksche toe-neminge ende versterckinge in het geloove. Siet diergelicke 2.Corinth. 3.18.
q
Abac. 2.4. Galat. 3.11. Hebr. 10.38. Ioan. 3.36.
37
Ofte, de rechtveerdige uyt den geloove sal leven: het welck met den Hebreeuschen text Abac. 2.4. ende met het oogh-merck Pauli alhier, oock wel over een komt.

38
Dat is, de straffen die Godt uyt den Hemel sendt, gelijck versen 24, 26, ende 28. naerder wort uyt-gedruckt, welcke niet dan over onrechtveerdige worden gesonden.
39
Daer door worden verstaen alle sonden strijdende tegen de eerste Tafel, die herhaelt worden in eenige volgende verssen.
40
Hierdoor worden verstaen de sonden tegen de tweede Tafel, die van het 29 vers aen verhaelt worden.
41
Dat is, de kenisse van Godt ende sijne eere, die hy den menschen selfs door de natuere heeft geopenbaert, gelijck blijckt uyt de volgende versen.
42
D. tegen alle recht ende billickheydt, welcke vereyscht dat men Gode geeft dat hem toekomt.
43
D. onderdrucken, hare eygene gemoederen gewelt doende, de wijle sy beter weten dan sy doen.

r
Actor. 14.17.
44
Namel. soo veel als een mensche sonder Godts woordt uyt de natuere van Godt weten kan.
45
Dat is, in het binnenste van haer gemoet: ofte, onder haer. dat is, onder hare wijse ende geleerde, die hier van seer vele klare ende wijse spreucken ende redenen in hare schriften hebben naegelaten, hoe wel sy selve daer tegen gedaen hebben.
46
Namel. eensdeels door de Wet der natuere, in hare conscientien. Ioan.1.9. anderdeels door het aenschouwen der schepselen Godts, waer door sijne eygenschappen gelijck als getast worden. Psal. 19.2. ende 148.4, 5, 6. Actor. 14.15. ende 17.24, etc.

s
Psal.19.2.
47
Dat is, goddelicke eygenschappen.
48
Gr. maeckselen, ofte, gemaeckte dingen.
49
Daer door verstaen wordt de eygenschap Godts, waer door alle dingen zijn geschapen ende haer beginsel hebben, welcke daerom, gelijck oock sijn wesen, moet eeuwigh zijn, om dat’se door alle dingen is, ende een oorsake van alles.
50
Hier door verstaet hy de andere eygenschappen der Majesteyt Godts, welcker voetstappen ende beeldenissen in Godts schepselen blijckelick zijn, als sijne goetheyt, wijsheyt, gerechtigheyt, etc.
51
Gr. onverontschuldelick: ofte, alsoo dat sy niet te verontschuldigen zijn: Namel. voor Godts rechtveerdigh oordeel, als of sy niet geweten en hadden, wat sy schuldig waren te doen.

52
N. op sulcke wijse als te voren verklaert is.
53
D. als het sijne Goddelicke Majesteyt toebehoorde, selfs nae de kennisse die sy van hem hadden.
t
Deut. 28.28.
54
D. sy zijn door hare overleggingen vervallen tot ydele bedenckingen van Godt, ende van sijnen dienst, ende hebben die gericht, niet nae de kenisse die sy van Godt hadden, maer nae de genegentheyt van hare verdorvene sinnen, in het uyt-vinden van ydele Godtsdiensten, ende in het versieren van vele fabeleuse ende ydele Goden, waer door de kennisse Godts meer ende meer onder haer is verduystert.

55
Dit seght hy van hare geleerde ofte Philosophen, die eenen schijn wilden hebben van wijsheyt ende somwijlen wel beter schenen te gevoelen ende te spreken, maer nochtans de verkeertheyt ende ydelheyt van andere in der daet dwaselick navolghden, 2.Reg. 17.29.

v
2.Reg. 17.29
56
D. die niet alleen in wesen, maer oock in eygenschappen onveranderlick is.
57
Ofte, verwisselt voor de gelijckenisse. D. voor een beelt dat na de gelijckenisse van een sterflick mensche gemaeckt is, ja oock van gevogelten, etc. Siet Levit. 27.10. Psal. 106.20 Ier. 2. vers 11. want dat alle dese soorten van afgoderye onder de Heydenen gebruycklick zijn geweest, is openbaer uyt hare schriften. Siet oock Deuter. 4.15, etc. Actor. 17.29, etc.

58
Namel. om dese afgedorie, ende onteeringe die sy Gode daer mede aendeden. Siet Psal. 106.20. Iesai. 40. versen 17, 18.
59
Dat is, heeft hare quade begeerten niet in-getoomt, maer haren ganck laten hebben. Psal. 81.13. Act. 14.16. ende haer door sijn rechtveerdigh oordeel van sijne gaven, die sy verachteden ende misbruyckten, meer ende meer ontblootet, Matth. 25.28. ende haer verlatende den Satan overgegeven, die haer tot alle boosheydt versoeckt ende verleydt. 1.Sam. 16.15 Matth. 6.13.
60
Vers 26 wordt het selve geseght, tot oneerlicke bewegingen: niet dat Godt sulcke oneerlicke begeerlickheden ofte bewegingen werckt, want die en zijn uyt Godt niet. Iac. 1.13. 1.Ioan. 2.16. Siet hier van breeder de voorgaende 59 aenteeckeninge.
61
Ofte, in haer selven.

62
D. de kennisse die sy van Godt hadden. Siet vers 18.
63
Ofte, verwisselt voor leugenachtige versierselen van ydele Goden ende Godts-diensten.
64
Dat is, meer dan den Schepper selve, die sy nevens hare afgoden wel somwijlen, maer weynigh hebben gedient. Actor. 17.23. ofte oock den Schepper voor-by gaende, dien het meerder-deel van haer noch en hebben gekent noch gedient. Galat. 4.8.

x
Levit. 18. versen 22, 23.
65
Gr. Bewegingen der oneere. D. oneerlicke ofte schandelicke bewegingen. Want gelijck 1.Thess. 4.4, 5. wy vermaent worden ons vat te besitten in eere, dat is, onse lichamen te onthouden van onkuyscheydt, also degene die haer tot onkuyscheyt begeven die onteeren haer selven ende hare lichamen. 1.Cor. 6.18 voornamelick die sulcke stomme sonden doe bedreven, het zy dat’se sulcks deden, ofte leden.

66
D. de rechtveerdige straffe van haren afgoden-dienst ofte den rechten loon. want de afgoden-dienst, die geestelicke hoererye is, wort gemeenlick van Godt gestraft met lichamelicke, gelijck men die twee sonden gemeynlick by malkanderen siet regneren. Siet. Num. 25.1, 2. Apoc. 17.1, 2, etc.

67
N. die sy uyt de Wet der Natuere, ende het aenschouwen der geschapene dingen hadden ontfangen. vers 20.
68
Gr. te hebben.
69
Gr. tot eenen sin sonder recht oordeel, ofte, eenen verworpelicken sin: dat is, die het goet van het quaet, het eerlicke van het oneerlicke niet en beproeft, noch en onderscheyt.

70
Hier beginnen verhaelt te worden de sonden die onder de Heydenen heerschappye hadden, tegen de tweede tafel der Wet: waer van de ongerechtigheyt de fonteyne is, uyt welcke de andere als beken vloeyen.
71
Ofte, ercheyt.
72
Dat is, verkeertheyt van sinnen, als men alles ten quaetsten duydt.

73
Ofte, tegen-sprekers.
74
Ofte, van Godt gehatet. Doch alsoo hier gesproken wordt van de heerschende sonden der Heydenen, soo wordt het beter in desen sin genomen: gelijck Rom. 8.7. de wijsheyt des vleesch vyandtschap Godts geseght wordt. Want die worden met recht geseght Godt te haten, die lief hebben het gene Godt haet, ende haten het gene Godt gebiedt. Exod. 20.6.
75
Dat is, die smaetheyt ofte onghelijck anderen aen doen met woorden ofte wercken.
76
Ofte, roem-gierge, pocchers.

77
Het Griecks woordt beteeckent de affectie ofte liefde die daer is tusschen Ouders ende Kinderen. Dese sonde regneerde oock onder de Heydenen, die hare kinderen den afgoden op-offerden, tot vondelingen leyden, ombrachten, sonder tegen de wetten te misdoen.

78
D. daer hun een onderscheyt tusschen goet ende quaet van Godt in de nature is ingeplant, ende een gevoelen vande straffe die Godt over het quaet wilt oeffenen. Rom. 2. versen 14, 15.
y
Hos. 7.3.
79
Dit is den oppersten trap der boosheyt, het quaet niet alleen te doen, maer oock een vermaken daer in te hebben dat andere het selve doen.

Vorige Volgende