Uit het studentenleven en andere gedichten Julius Vuylsteke Dit bestand biedt, behoudens een aantal hierna te noemen ingrepen, een diplomatische weergave van Uit het studentenleven en andere gedichten van Julius Vuylsteke uit 1868. vuyl003uits01_01 DBNL-TEI 1 2016 dbnl exemplaar Koninklijke Bibliotheek Den Haag, signatuur: 9910 C 16, scans van Google Books Julius Vuylsteke, Uit het studentenleven en andere gedichten. J.W. Marchand en Co, Antwerpen / H.J. Van Kesteren, Amsterdam / Willem Rogghe, Gent 1868 Wijze van coderen: standaard Nederlands Uit het studentenleven en andere gedichten Julius Vuylsteke Uit het studentenleven en andere gedichten Julius Vuylsteke 2016-09-12 NdG colofon toegevoegd Verantwoording Dit tekstbestand is gebaseerd op een bestand van de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren (https://www.dbnl.org) Bron: Julius Vuylsteke, Uit het studentenleven en andere gedichten. J.W. Marchand en Co, Antwerpen / H.J. Van Kesteren, Amsterdam / Willem Rogghe, Gent 1868 Zie: https://www.dbnl.org/tekst/ques002lauw01_01/colofon.php In dit bestand zijn twee typen markeringen opgenomen: paginanummering en illustraties met onderschriften. Deze zijn te onderscheiden van de rest van de tekst door middel van accolades: {==13==} {>>pagina-aanduiding<<} {==Figuur. 1: Onderschrift van de afbeelding.==} {>>afbeelding<<} {==I==} {>>pagina-aanduiding<<} UIT HET STUDENTENLEVEN EN ANDERE GEDICHTEN door JULIUS VUYLSTEKE. Antwerpen, J.W. MARCHAND EN Co, UITGEVERS. AMSTERDAM, H.J. VAN KESTEREN. GENT, WILLEM ROGGHE. 1868. {==II==} {>>pagina-aanduiding<<} {==III==} {>>pagina-aanduiding<<} INHOUD. UIT HET STUDENTENLEVEN 1 Voorzang 3 I. Levenslust 7 Studentenlied 9 Onbezorgd 12 Toast 15 Herbergtafereel 19 Eerste kus 25 Vrouwenmond 27 Lentelied 31 {==IV==} {>>pagina-aanduiding<<} Na een bal 33 Wandeling 35 De kleine bronnen 37 II. Heilig vuur 39 Jeugdig zelfvertrouwen 41 Aan de dichters 44 Bemoediging 47 't Zal wel gaan 50 Aan het Belfort 53 De goede zaak 57 Op stap! 62 III. Studeeren! 65 Lente en examen 67 Tantaal 70 Wetenschap 71 Onverwacht bezoek 74 Na 't examen 76 Promotie-gelukwensch 78 IV. Donkere dagen 81 Johanna 83 De liefde is louter gevoelen 87 Avondschemering 89 {==V==} {>>pagina-aanduiding<<} Vriendentrouw 91 Mijn goede pijp 94 Wandel-indruk 96 Een hart te nemen of te laten 101 's Avonds 103 Vrouw, wijn en sigaar 104 Vertwijfeling 106 V. Onweder 109 Mijn meisje 111 Vastenavondbal 113 Droefheid en vertroosting 118 Heldenworsteling 120 Vaderlandsche roes 123 Oorlogsleeningen 132 Nachtelijke vervolging 134 VI. Inkeer 137 Voor- en keerzijde 139 Veteraansweemoed 143 Ontmoeting 146 Dageraad 147 Verlangen 150 Hulpeloos 152 Aanbidding 154 {==VI==} {>>pagina-aanduiding<<} De boom en de zon 156 Verstandig besluit 158 Nazang 160 DE ARTE AMANDI. Twee gesprekken 165 Eerste gesprek 167 Tweede gesprek 175 IAMBEN 191 De Jongen 193 In Sint-Baafs Abdij 199 Gewoonte en lafheid 207 {==1==} {>>pagina-aanduiding<<} Uit het studentenleven. {==2==} {>>pagina-aanduiding<<} {==3==} {>>pagina-aanduiding<<} Voorzang. Geluk, roem, macht en liefde beglansen 's jongelings hoofd: hij komt; hij denkt zich een roeping, een roeping waaraan hij gelooft. 't Verlangen baart hem schimmen, begoochling hitst zijn bloed; hij schept zich een wonderwereld, die hem als haar' heer begroet. Daarheen! hij ziet ze zoo helder! Geluk, roem, liefde, macht! Vooruit! naar die wonderwereld! Ziet, hoe zij hem tegenlacht! {==4==} {>>pagina-aanduiding<<} Hij grijpt den staf des pelgrims en spoedt vooruit, met een lied. - Doch, als hij later eens omkijkt, verschrikt hij bij 'tgeen hij ziet. Hoever is 't punt verwijderd, van waar hij zingend kwam! En 't doel blijft immer verre, waarheen hij den tocht ondernam. Vluchten de wonderbeelden terwijl hij nader klimt? Toch stapt hij weder voorwaarts, - - totdat een stemme schimpt: ‘Te hoog wilt gij klimmen, o dwaze! uw voeten weêrstreven die zucht; gij wilt de heemlen doorvliegen, uw wieken vangen geen lucht! Wat zijn die brandende driften waarvan uw harte kookt? wat wil die verterende vlamme, die ge in uw dwaasheid stookt? {==5==} {>>pagina-aanduiding<<} Wat is dat geluk en die liefde, wat is toch die roem en die macht, wat is heel die wonderwereld waarnaar gij ijlhoofdig smacht? Gij voelt iets, maar kunt niet eens zeggen, wat uwe borst doorwoelt; uw hoofd kan niet eens vatten, hetgeen uw hart gevoelt. Uw lip kan 't lied niet eens zingen dat steeds uw binnenst zong: gij kunt den kreet niet slaken die kleeft aan uwe tong. Waartoe dat vruchteloos pogen? Ziet gij nog niet dat het doel slechts leeft in uw dwaze verbeelding en in uw nog dwazer gevoel? Gij kunt het wezen niet vatten dat voor uwe oogen vliegt, - en kunt nu dien schijn niet meer scheuren, dien schijn die uwe oogen bedriegt! {==6==} {>>pagina-aanduiding<<} Die valsche schijn is uw meester; die zotte dwaze droom, hij groeide aaneen met uw ziele gelijk het klimop met den boom. Vooreerst was zijne omarming zoo streelend, niet waar? en zoo zacht; maar nu, nu voelt gij haar knellen, en hoe ze u allengs versmacht. En zie, zoo ge 't voort laat groeien, helaas! wat droevig lot! zoo wringt zich 't klimop in uw ziele, en nijpt en zuigt ze kapot. Of zoo ge 't weg wilt rukken, om 't even! Die ruk ontbloot een wonde diep en onheelbaar, en 't harteken bloedt zich dood.’ moraal. Zalig wie zich van kinds af aan 't alledaagsche gewent, eet, drinkt, vrijt, slaapt en vet wordt, en droomen noch eerzucht kent! {==7==} {>>pagina-aanduiding<<} I. Levenslust. {==8==} {>>pagina-aanduiding<<} {==9==} {>>pagina-aanduiding<<} Studentenlied. Waar treurige blokkers in hun cel voor 't schrikkelijk examen waken, en zich van 't zoete leven een hel, ja zich een helle van 't leven maken, wij, minnaars van het blijde lied, daar zijn wij niet! Maar klinkt aan ons oor een feestakkoord, een vreugdig en ongebonden zingen, een schaterlach, een geestig woord, een luid en prikkelend stopselenspringen, Studenten, vroolijk, jong en blij, daar zijn ook wij! {==10==} {>>pagina-aanduiding<<} Waar knorrige mannen koud en stijf van wijsheid en bedaardheid spreken aan alwie het dwanghemd om zijn lijf, de keten aan zijn hand - wil breken, wij, minnaars van het vrije lied, daar zijn wij niet! Maar komt tot ons een vrije stem, een stemme uit mannenborsten gesprongen, die roept met vasten, stouten klem: ‘Vooruit! het oude pleit voldongen!’ Studenten, moedig, jong en vrij, daar zijn ook wij! Waar uit den hoogen ‘waarheidstoel’ dweepzucht, bijgeloof en logen, als kwade dampen uit een' poel, over het aardrijk komen gevlogen, wij, minnaars van een eerlijk lied, daar zijn wij niet! Maar waar de Rede haar' rijken vloed uitstort in breede, heilzame plassen, waarin eenieder zijn' dorst voldoet en de oude smetten weg kan wasschen, Studenten, van vooroordeel vrij, daar zijn ook wij! {==11==} {>>pagina-aanduiding<<} Waar kindren van den vreemden trant eigen kracht en licht vernielen, en 't innig eergevoel van het land voor vreemde mode of macht doen knielen, wij, minnaars van het Vlaamsche lied, daar zijn wij niet! Maar ruischt de Vaderlandsche zang, en drukken handen andere handen, en wederklinkt de glazenklank op 't heil der oude Nederlanden, Studenten, jong, en Vlaamsch, en vrij, daar zijn ook wij! {==12==} {>>pagina-aanduiding<<} Onbezorgd. Op de stroomen van de vreugd onder 't zonnelicht der jeugd, zorgeloos en rustloos tevens, wiegt de boot des levens tusschen zang en glazenklank nooit te lang! Pijpen dampen, kelen zingen, lachen schatren rond: daar is leven in die kringen, rustloos, zorgloos, vrij, gezond. Pijpen dampen bij het zingen... - Maar de Toekomst?... Och, haar blik, zwanger steeds van angst en schrik, kan door al dien rook niet dringen. Op de stroomen van de vreugd, enz. {==13==} {>>pagina-aanduiding<<} Liedren galmen, lachen rollen; vroolijkheid en geest, die den ganschen omtrek vollen, melden rustloos, zorgloos feest. Lachen schatren, zangen stijgen... Maar - de Toekomst??... - Och, haar keel, knorrende anders maar te veel, moet meêzingen hier, of zwijgen! Op de stroomen van de vreugd, enz. Lachen schatren, bekers bruisen: vol van eedlen gloed, opent warme taal de sluizen van het brein en van 't gemoed. Maar de Toekomst?? - Och, weest zeker dat ze in 't goud en 't roze prijkt voor wie haar maar stout bekijkt door Bourgonje- of Rijnwijnbeker! Op de stroomen van de vreugd, enz. Zorglooze onrust, dubble blijheid! wie ze niet geniet, wijn en rook, zang, vriendschap, vrijheid, is een ezel, anders niet. - {==14==} {>>pagina-aanduiding<<} En gij, Toekomst! weg tot morgen! laat ons nu naar hartelust zorgloos leven zonder rust, rustloos leven zonder zorgen! Op de stroomen van de vreugd onder 't zonnelicht der jeugd, zorgeloos en rustloos tevens, wiegt de boot des levens tusschen zang en glazenklank nooit te lang! {==15==} {>>pagina-aanduiding<<} Toast. Een veteraan, een breed-gebaarde, recht zich op, en heft zijn glas omhoog, en zegt: Mijnheeren! 'k drink onze eigene gezondheid. Wat is student-zijn? Hoort mij! De student, dat is: het harte jong, het hoofd geestdriftig. Het harte jong! dat is het warm gevoel, de levendige drift, de oprechte liefde; - het hoofd geestdriftig! dat is 't koen verstand, het krachtig denken, 't roekloos grondbeginsel! - - {==16==} {>>pagina-aanduiding<<} Het harte jong: dat zijn de wettige haten, de stoute sympathieën, die zich toonen gansch naakt in hunne grootheid en hun schoonheid; - het hoofd geestdriftig: dat is 't kloek bevestigen van 't ware en 't rechte zonder om te zien naar 't dom vooroordeel en het laag belang. - - Het harte jong: dat is de ziel, ontluikend gelijk een bloem, haar geuren en haar glansen in 't ronde gietend zonder achterdocht, - de zonne minnend die haar streelt, - en haar verschroeien zal, - en de aarde die haar draagt en dikwijls niet eens waard is haar te dragen; - het hoofd geestdriftig: dat is 't helder brein dat redeneert en denkt, omdat 't de waarheid opzoekt en vindt, - en ook niet redeneert omdat het zijnen vond niet wil verduiken. - - Het harte jong, het hoofd geestdriftig, ja! dat is student-zijn: en zoo moet het zijn. Voorzichtigheid in woorden en in daden is huichlarij en lafheid. Wie niet durft hetgeen hij denkt en voelt, luidop te zeggen, verdooft de sprank der Godheid in zijn' boezem; wie de gevolgen steeds op voorhand weegt, die krimpt ineen waar 't geldt een man te zijn. Een vonklend hart, een ziedend brein, - volkanen {==17==} {>>pagina-aanduiding<<} die vrije woorden, koene daden braken, - dat is student-zijn. Hoerrah voor ons zelven! Wat is student-zijn nog? Hoort! De student, dat is de gekke zorgelooze blijdschap, de steeds vernieuwde, steeds luidruchtige vreugde. Student-zijn, dat is 't lied, het vroolijk lied, 't lied dat niet min een lofzang is des Scheppers dan de ernstige psallem of het stil gebed. Student-zijn, zegt gij licht, dat is ook leeren, en waarlijk 'k zal dat niet betwisten; maar wie in de kennis slechts zijn broodgewin ziet, studeert misschien, maar is toch geen student; - student-zijn is beminnen: - zeker; maar wie in de liefde op eenen bruidschat loert, kan jonkman zijn, maar is geen jonge man; - - en neen, geen broèr is hij, die in den wijn een lekkerbeksgenot, een lichaamswellust, een streeling van het mondverhemelte, in plaats van de eedle grootsche zielsbedwelming der goddelijke dronkenschap kan zoeken! Van ons de zulken! ver van ons, die proza! Wij storten ze uit als ballast, die den luchtbal, waar wij de sferen zalig meê doorvliegen, in zijne hooger vlucht maar tegenhoudt. {==18==} {>>pagina-aanduiding<<} En gij, studenten van het echte bloed, de handen samen, tot een trouw verbond in warme waarheidzucht en kloeke wilskracht en steeds blijmoedig opgewonden streven; en roept: heil ons! heil ons! en ledigt ras op een, twee, drie, de glazen tot den grond. Een luid gejuich gaat op uit ieders borst; en als het stilt, - heeft ieder weder dorst. {==19==} {>>pagina-aanduiding<<} Herberg-tafereel. Mietje, breng mij nog een glas! - Nog twee! - Ook voor mij! - Voor allen glazen, Mietje! - Mietje, breng een vat! - Een' stroom! - Een zee! - Gij daar, Jan, zing gij ons nu een liedje! - Zoo weêrgalmt het te allen kant met kracht, 't schalt en 't dreunt, en 't klingelt, 't klopt en 't klatert. Mietje brengt gezwind den verschen drank; Jan heft aan, met heeschen keleklank, ach! een meer dan liederlijk gezang, waar de heele zaal verrukt om schatert. Mietje die in geen gerucht verschiet, {==20==} {>>pagina-aanduiding<<} luistert lachend toe, en als, bij 't ende, elk, ter eer des zangers van het lied, zijnen vollen beker binnengiet, juicht zij blijde meê met heel de bende. En terstond loopt zij weder op en neder in het rond. ‘Hoe! dit is nog maar mijn twaalfde glas? En 't is reeds meer dan twaalf uren! Sa, vent!’ spreekt een drinker bij zich zelven, ‘ras! spoedig nu gedronken, want 't wordt avond!’ - En een achtbre veteraan roept luid: ‘'k Heb u nog geen' kus gegeven, Mietje!’ En hij pakt ze zonder veel fatsoen, plant op hare malsche kaak een' zoen, en, terwijl hem 't goede kind laat doen, vraagt hij: ‘Mietje, wat zegt gij van 't liedje?’ - En een andre, een half bezopen zwijn, zegt: ‘Ziet gij mij gaarne nu, zoete engel?’ - ‘Liever zie ik u dan blind te zijn,’ antwoordt 't looze Mietje, uitnemend fijn, immer lachend, aan dien lompen bengel. {==21==} {>>pagina-aanduiding<<} En terstond loopt zij weder op en neder in het rond. Maar een schuchtre nieuweling wil ook tegen Mietje iets zeggen: als een rietje beeft hij sprekend: ‘Och! wilt gij nu ook aan mijn glas uw lip eens steken, Mietje?’ En dan blijft hij stom een pooze, en dan stamert hij: ‘Och! allerliefste Mietje! zie, het doet mij spijt,... zie, dat gij hier leven moet in al dat woest getier, daaglijks zien dien toomeloozen zwier, daaglijks hooren menig smerig liedje...’ Mietje, kijkt verwonderd op hem neêr, denkend: wat is dat nu voor een' ezel? Van waar komt die sombere Meneer, zoo bezorgd, zoo nauwgezet, zoo teêr? Neemt hij mij somwijlen voor een kwezel? En meteen fladdert Mietje als een bietje verder heen. {==22==} {>>pagina-aanduiding<<} Doch Madam komt uit den toog vooruit: ‘Heeren! aangenaam is me uw presentie, maar 't is tijd dat ik mijn herberg sluit, anders ben ik weêr in contraventie.’ - ‘Hoe, Madamken!’ roept een drinkebroèr, ‘wilt gij ons van dorst dan zien bezwijken, net als visschen op het drooge zand? Zoo barbaarsch kunt gij niet zijn; 't waar' schand! Spoedig dan, geef ons te drinken; want, zoo ge toeft, vindt gij niets meer dan lijken.’ Mietje lacht, zij lacht maar altijd voort; moeder dreigt het gaslicht uit te draaien; maar haar stem wordt in 't rumoer gesmoord; allen saam, in vreeselijk akkoord, roepen, tieren, huilen, krijschen, kraaien: Toe gezwind, Mietje, Mietje, deugenietje, nog een pint! Moeder onderwerpt zich: versche drank laaft de kelen en verfrischt de longen, spoedig door het rooken en 't gezang weder drooggerookt en schorgezongen. {==23==} {>>pagina-aanduiding<<} En 't is waarlijk schoon om heel dien troep heldere gelaten, vrij van wrevel, vrij van zorg, rood, frisch, verheugd, gezond, met de lange pijpen in den mond, te zien glinstrend zwemmen in het rond midden in den dikken tabaksnevel. Mietje, intusschen, lacht en lonkt en praat, onvermoeibaar voor de drinkers zorgend... - En als reeds de zon in 't oosten staat, wenschen zij, al wagglend op de straat, ‘goeden nacht’ in plaats van ‘goeden morgend.’ Goeden nacht, Mietje, Mietje, deugenietje, die steeds lacht. En de schuchtre nieuwling, die zoo raar Mietje straks zijn diep gevoel verkondde, ligt nu ook te bed, half lam en zwaar; maar de zoete slaap ontwijkt zijn sponde. Och! hoe diep rampzalig hij zich voelt! Hij, die om zijn liefde te betoonen zóó veel pinten drinkt, zal hij dan toch, hij die 't wel meent, grofheid en bedrog {==24==} {>>pagina-aanduiding<<} Mietje steeds belagen zien; en, och! zal zij hem toch nooit verstaan, - beloonen? ‘Morgen,’ droomt hij, ‘ga ik vroeg bij haar, (morgen: hij vergeet dat 't reeds vandaag is) morgen, vóór al de andren ben ik daar; 'k vraag haar - heure liefde, kort en klaar, en een kus... o God! dat ware magisch! Mietje, sus toch mijn lijden met een blijden liefdekus.’ {==25==} {>>pagina-aanduiding<<} Eerste kus. de gelukkige zingt: Slechts een oogenblik rustte uwe borst op mijn hart; slechts een oogenblik drukte uwe lip op mijn' mond, en dat oogenblik stortte meer zoet op mijn smart dan ik immer in dwaze verstrooiingen vond. O! nog zweeft op mijn lip het satijn en de gloed van dat innige kussen, zoo vurig, zoo zoet; nog herzingt mij die klank in het oor als een zang; nog herbloost voor mijne oogen de blos uwer wang; nog herklopt mij uw boezem op 't hijgend gemoed. Ik was daar, niet meer ik: van mij zelv' onbewust, met mijn hand in uw hand en mijn ziel in uw ziel; {==26==} {>>pagina-aanduiding<<} ik weet slechts dat uw hart op mijn hart heeft gerust, ik voel slechts dat een deel van mijn leed is gesust, dat een drop van geluk in mijn binnenste viel. Gij hingt daar voor mijn oog als de maanschijf omhoog, wen haar blik d'Oceaan op en neder doet gaan: even zóó zag ik u door een' nevel slechts aan, en een traan kwam me in 't oog steeds zoo fletsch en zoo droog, en mijn harte, zoo hard en zoo koud, bij dat zicht hijgde en golfde als de borst van het slapende wicht. Vergeet gij het weldra wat dit uur is geweest, sterft en smelt die gedachte in uw' brandenden geest als een tengere beek in een' zwelgenden stroom, - ik vergeet het toch nooit. Immer blijft me als een droom het herdenken aan 't heil van die zalige stond, van die borst op mijn hart, van die lip op mijn' mond. Immer blijft het mij bij als een troost in 't verdriet, als een lachende lichtstraal door 't grauwe verschiet, als een zoetere teug in het bitter fenijn, als een blijdere toon in het klagende lied, als een geurige bloem in mijns levens woestijn, als het uur dat ik hebbe geleerd wat het hiet zalig te zijn. {==27==} {>>pagina-aanduiding<<} Vrouwenmond. Aangebeden vrouwenmond, wie verkondt uw bekoorlijkheden? Als een glimlach om uw boorden speelt, o, wie zegt hoe 't ziel en zinnen streelt? Lijk natuur, wanneer na 't winterlijden lauwe zonnestralen haar verblijden, zoo gevoelt het hart zijn smart geheeld, als een glimlach om uw boorden speelt. {==28==} {>>pagina-aanduiding<<} Aangebeden vrouwenmond, wie verkondt uw bekoorlijkheden? Als een woord, een lisplend liefdewoord uit uw diepten opspringt, half gesmoord, zooals roovers sluipend uit hun holen de arme reizers moorden die verdolen, zoo gevoelt zich 't hart gewond, doorboord door dat woord, dat lisplend liefdewoord. Aangebeden vrouwenmond, wie verkondt uw bekoorlijkheden? Als gij kwijnend openstaat en smacht, wie verklaart die wondre aantrekkingskracht, die de lip des mans, in 't woeligst streven, onweêrstaanbaar op uw lip doet kleven? Vrouwenmond, wie zegt van waar die kracht, als gij kwijnend openstaat en smacht? {==29==} {>>pagina-aanduiding<<} Aangebeden vrouwenmond, wie verkondt uw bekoorlijkheden? Als de lip des mans uw lippen drukt, o wie maalt hoe 't lijf en ziel verrukt? Tintelingen roeren spier en aderen; en wat balsem kan den balsem naderen, dien de man op uwe boorden plukt, als zijn lip uw heete lippen drukt? Aangebeden vrouwenmond, wie verkondt uw bekoorlijkheden? 't Zij gij lacht, of spreekt, of week verlangt, of de lip des minnaars driftig prangt, en dan zwijgt, van liefde en wellust dronken. - o, hoe voelt zich 't hart aan u geklonken, 't zij gij lacht, of spreekt, of week verlangt, of de lip des minnaars driftig prangt! {==30==} {>>pagina-aanduiding<<} Aangebeden vrouwenmond, wie verkondt uw bekoorlijkheden? Lach! maar zij de lach steeds rein en echt! Spreek! maar 't woord zij eerlijk en oprecht! Smacht! maar zij 't verlangen mild en teder! Kus! o kus, en kus hem telkens weder, hem dien ge in uw macht houdt als een' knecht... O, wees rein en teder en oprecht! Aangebeden vrouwenmond, wie verkondt uw bekoorlijkheden? {==31==} {>>pagina-aanduiding<<} Lentelied. Wie is er jong die niet zingt van vreugde? Vreugde ruischen de jonge bladeren, vreugde geuren de ontluikende bloemen, vreugde fluistren de stoeiende windekens, vreugde strooit de blonde Lente, vreugde op bloemen en bladren en windekens. Juicht, o Jonglingen! Maagdekens juicht! Wie is er jong die niet zingt van liefde? Liefde murmlen de kabblende beekjes, {==32==} {>>pagina-aanduiding<<} liefde kwelen de vogelenkooren, liefde roept de herlevende aarde, liefde glinstert de ontwolkte hemel; liefde, liefde, lispelt de luite der bloemige, lachende schepping. Mint, o Jonglingen! Maagdekens mint! Mijn liefste, hoort gij die stemmen alle, die om ons schateren? Hoort gij die stemmen? Kom: en strenglen we onze armen dooreen, en kleve er uw mond op den mijne. Minnen, minnen en juichen, lachen en kussen, kussen en lachen is 't erfdeel der Lente. Zie, 't mint alles omhoog en beneden, hoor, 't juicht alles beneên en omhoog, 't zingt alles van vreugde, van lust en van liefde... Haast u, Jonglingen, Maagdekens, haast u, juicht en bemint, bemint en juicht! {==33==} {>>pagina-aanduiding<<} Na een bal. Zacht als een beekje in wellustig akkoord rolde de wals hare golvingen voort, slepend, gelijk aan de schomlende zee, vroolijke drommen van danseren meê. Dát was een stonde van heil voor mijn' geest: Liefste, dan leunde op mijn' arm uwe leest, en wij vlogen te zaam in de verte. Dát was voor mij eene stond van geluk: zachtjes gevoelde ik den molligen druk uwer borst op mijn kloppende harte. {==34==} {>>pagina-aanduiding<<} En ik droomde, die leest, en die borst, en dat vuur dat uwe oogen doet stralen, zoo helder, zoo puur; en die donzige blos op uw wangen gestrooid; en die lach die uw rozige lippekens plooit; en die adem, die stoeide als een vlietje voorbij 'twelk al lisplend de kruiden verfrischt aan zijn' zoom: - o! dat alles dat sprak en dat leefde voor mij!... En mijn ziele smolt weg op dien zaligen droom, lijk een wolkje dat 't purper des hemels doorvliegt op de wagglende wieken der windjes gewiegd. 'k Luisterde: een hemelsch gezang trof mijn oor. 'k Keek: een oneindige, een hemelsche gloor vervulde en verrukte mijne oogen. Gij waart niet langer een meisje: o, gij waart Engel des hemels, en droegt mij van de aard. en droegt mij met u naar den Hoogen! Zoet is een droom van geluk hier beneên, stralend door neevlen der werklijkheid heen. Zalige droom, blijf gij immer mij bij,... Liefste, wees immer die engel voor mij! {==35==} {>>pagina-aanduiding<<} Wandeling. Naar buiten, sa, naar buiten!men stikt hier in de stad! gevold de kalabasflesch!den wandelstok gevat! verzaden we aan lucht en ruimteons zinnen, wel te moè! en waaie de frissche koelteaan 't hart nieuw leven toe! Hoe rusten de oogen lustigop 't groene grastapijt! hoe geurt en glinstert de boekweiten 't koolzaad wijd en zijd! hoe wiegt en ruischt de golvingvan 't blonde korenmeer! hoe zalvend gieten de boomenhun lange schaduwen neêr! De kronklende vonklende Schelde;de we, î die een weelde ontvouwt van witte en gele bloemen,van sterren van zilver en goud; de koeien die daar loeien,door 't malsche gras verspreid; en 't blij geschal der vooglen: -o, welk een zaligheid! {==36==} {>>pagina-aanduiding<<} En ginder, zie! verheft zichde lachende heuvelenkrans, wellustig zijn kruinen badendin gouden zonneglans; op elke kruin een torenvan witte huisjes omringd: - o, wie beschrijft dien luister?wie, die dien vrede bezingt? Hoe tiert hier alles op aarde!hoe siert de lente den grond! hoe vloeien de zangen der vooglen,hoe bloeien de bloemen in 't rond! hoe wiegelt de blonde Schelde,al murmlend, langs haar' zoom! hoe spiegelt de lachende zonnehaar stralend hoofd in den stroom! Hoe speelt het koeltje, hoe kweelt daarde leeuwrik die vliegt naar omhoog! hoe streelt 't wit madeliefjeop 't groene fluweel het oog! hoe pronken de dartele vlinders,hoe ronken de bieën alom! de schepping is één luister,één jubel, één feestgebrom! De harten omhoog, o vrienden!vol zachte poëzij! Hoe heerlijk toch is de vlakte!hoe schoon de heuvelenrij! En ach, hoe jammer dat er,te midden van al die pracht, ook vlaamsche boeren wassen,dat treurig kroost der nacht! {==37==} {>>pagina-aanduiding<<} De kleine bronnen. De kleine bronnen, die hier en daar den bodem ontspringen, zij zijn zoo rein, zij zijn zoo klaar, en hoort, hoe ze zingen. Een murmlend juichen is hun lied: zij stoeien zoo blijde, en dartlen met hun kleinen vliet langs 's heuvels zijde. Jochij! jochij! Zij zijn zoo jong, zij zijn zoo vrij! Zij huppelen over keitjes heen, en kussen en kozen de kleine bloemen, die, waar zij treên, welriekend blozen. 's Daags leven ze tusschen zonneglans en koele schaûwe, {==38==} {>>pagina-aanduiding<<} en spiegelen 's nachts den ethertrans, den hemelschblauwe. Jochij! jochij! Zij zijn zoo jong, zij zijn zoo vrij! Doch ziet, beneden in de beemd, den stroom reeds loeren, die, dra, de bronnen gevangen neemt, en meê zal voeren... O bronnekens, juicht maar! 't Einde uwer vreugd is in de nabijheid! O, dartelt en stoeit: zoo kort is de jeugd! zoo kort is de vrijheid! Jochij! jochij! Gij zijt nog jong, gij zijt nog vrij! Studenten, wij zwieren, het hart vol vuur, zoo vrij door de wereld; ons hoofd is als het hemelsch azuur met starren bepereld. Maar ziet, daar kruipt de vuile stroom der werklijkheden; wij nadren elken dag zijn' zoom met rassche schreden... Jochij! jochij! Wij zijn nog jong, wij zijn nog vrij! {==39==} {>>pagina-aanduiding<<} II. Heilig vuur. {==40==} {>>pagina-aanduiding<<} {==41==} {>>pagina-aanduiding<<} Jeugdig zelfvertrouwen. De wereld is krank, 't menschengeslacht gaat kreupel en mank; wie peilt en heelt zijne wonden? De tijd is slecht, de wereld veracht den plicht en 't recht; wie telt hare zonden? De tijd is slecht, de wereld is krank, - doch wij zijn nog gezond, Goddank! De wereld is oud, het menschdom koud; {==42==} {>>pagina-aanduiding<<} geen medegevoel met 's broeders lot; de heilige Liefde vlucht weêr tot God. En 't gouden kalf, ten troon geklommen, beheerscht de drommen die allen elkander benijden, en zich verblijden in 's naasten lijden... Oud is 't menschdom, koud zijn bloed; - maar wij - de Toekomst - zijn vol gloed! De tijd is vuig, de tijd is laf; trouw, deugd en eere wenden zich af van al die laffen en vuigen. De valschheid verheft zich op winst verhit, de valschheid regeert: de lafheid aanbidt, niet wetend hoe zich best te buigen. 't Werk geeft geen hrood aan zijne legioenen, 't genie moet vliên voor bluffend onverstand: - 't miljoen, gemest met slijk en schand, zwelt. barst, baart nieuwe miljoenen. Dom is 't menschdom, bitter 't ooft dat zijn waan en dwaasheid geven; vuig zijne inborst, valsch zijn hoofd, laf zijn hart, en laag zijn streven. {==43==} {>>pagina-aanduiding<<} Maar wij - de Toekomst! - zije niet bang! In doen en denken vrij en vrank! Wij brengen nieuw en krachtig leven! Wij eeren u niet, hoogmoedige eeuw! wij spotten met al uw verwaand geschreeuw. Moed, fierheid, waarde, waarheidzin, verheffing der kleinen en broedermin, treden met ons de wereld weêr in. Begroet de herleving, de Lente! zij tooit met hoopvol groen uw bergen en dalen, en strooit de aarde vol rozen, den hemel vol stralen!... Weeldrige lente, vruchtbare zomer! - En daarop ledigen we onzen roomer! {==44==} {>>pagina-aanduiding<<} Aan de dichters. De wereld slaapt. In schand'ge banden ligt 't menschelijk geslacht verdraaid. O Dichters! doet het vuur weêr branden, eer 't laatste vonkje is uitgewaaid. Terwijl 't gebroed der rijmelaren gedwee der meesters zolen lekt, zingt luid, gij stoute Harpenaren, gij moet de klok zijn die de wereld wekt. Dan zullen zij hunne oogen wrijven, rondtasten in de duistre nacht; zij voelen ijzers om hun lijven, waarin de nauwe borst versmacht. {==45==} {>>pagina-aanduiding<<} O dichters, slaat uw vrije snaren; bij uw gezang zal in één' aâm Noord, Zuid, en Oost en West vergâren: gij moet de klok zijn die ze roept te zaam. Dan zullen zij de hand zich geven in meer dan millioenental; dan zullen zij niet langer beven, dan rijzen hunne hoofden al. O Dichters, zingt! vooruit! geen vreezen! het menschdom is ten strijd bereid, het wil één broederleger wezen: gij moet de klok zijn die het leger leidt. Dan wordt de heil'ge strijd gestreden, een strijd zoo grootsch, zoo bang, zoo naar: de toekomst werpt zich op 't verleden, de strijders storten op elkaâr. Dan wordt de grijze burgt besprongen waar 't oud geweld zijn macht in schept; O Dichters, dondrend nu gezongen: gij moet de klok zijn die den storrem klept. {==46==} {>>pagina-aanduiding<<} Dan wordt een donker graf gedolven voor de overwonnen dwinglandij; en Noord en Zuid legt neêr de kolven, en jublend klinkt het: De aarde is vrij! O Dichters! slaat uw forsche snaren, en gallemt uw triomflied uit; heft aan den lof der martelaren; gij moet de klok zijn die den zege luidt. {==47==} {>>pagina-aanduiding<<} Bemoediging. Hoe stil, hoe doodstil is nu de aard waar 't woeligst volk eens leefde! hoe machteloos hangt nu het zwaard waarvoor de vreemde beefde! O wijdgeduchte vlaamsche leeuw, gij waart zoo groot in vroegere eeuw... De tijd sloeg 't al tot puinen neêr: de puinen zelven zijn niet meer. Mijn dierbaar, kwijnend vaderland, roem niet meer op 't verleden; ween op de rampen, op de schand van uw ondraagbaar heden. Niets blijft u van uwe oude macht: gij ligt verlamd, verslaafd, veracht... {==48==} {>>pagina-aanduiding<<} Waar is uw grootheid van weleer?... De puinen zelven zijn niet meer. Verlicht ons, tijden, ver van hier geweken met uw' luister; giet vonken van uw helder vier op 't hedendaagsche duister. Verdrijft dien nacht die ons omringt, die slaapzucht die ons nederdwingt, herwarmt dien uitgedroogden stam, bevlamt die borsten zonder vlam. Wie weet? wie weet, bij 't heerlijk zicht der deugden van de vaderen, zal 't weeke nageslacht wellicht zijn' moed, zijn kracht vergaderen. Wellicht komt weder voor den dag die stoutheid die daar nederlag; wellicht herbrandt in ieders borst die oude vurige vrijheidsdorst. Alzoo, wanneer de zonnegloed na storm en regenvlagen de korenairen weêr begroet die neêrgebogen lagen, - {==49==} {>>pagina-aanduiding<<} het blonde koren heft zich op en schudt den laatsten regendrop, - alzoo, na lange schande en smart zal ook weêr rijzen 't vlaamsche hart. Die hoop, hoe 't wezen moge, is mijn, - die zal ik steeds bewaren; die hoop moet onzer allen zijn, o vlaamsche volksminnaren! Wij, jonge harten, houden stand hoe 't storme, en treden hand aan hand met vasten stap en stout geluid de donkre toekomst in. - Vooruit! Vooruit! die schreeuw in onzen val moet onze zielen beuren. Vooruit! de klaarste zonne zal den dikken nevel scheuren. Vooruit! de dageraad breekt aan, de lange doodslaap is gedaan; vooruit! het oude vlaamsch gebouw rijst glansend weêr uit schande en rouw! Juni 1855. {==50==} {>>pagina-aanduiding<<} 't Zal wel gaan! Wij, Vrienden, die het stout gevecht nog jong beginnen voor het recht, wij zijn hier weêr te gâren: nu, schinkt mij bier en schinkt mij wijn; en laat ons weêr eens vroolijk zijn, laat ons geen liedjes sparen! De weg is lastig, krom en lang; een glasje wijn versterke ons lijf, en dat een vaderlandsch gezang ons vlaamsche zenuw stijv'! 't Zal wel gaan, 't moet wel gaan; want hart en hoofd en arm, bij ons is 't al nog warm. {==51==} {>>pagina-aanduiding<<} 't Is nacht al waar het oog zich keert; de Priester heerscht, de Waal regeert, de Vlaming blijft steeds slapen; het schoon geslacht, helaas! is fransch, en 't volk verandert langzaam gansch in uilen en in apen. ‘Wie eeuwig laag en klein wil zijn, verliez' den tijd met zulk een taal!’ zoo roept meest elk... maar ik herhaal toch troostvol mijn refrijn: 't Zal wel gaan, 't moet wel gaan, want hart en hoofd en arm bij ons is 't al nog warm. Het vlaamsche hart, bij 't voorgeslacht de zetelplaats van moed en kracht, is als een lamp gestorven; dat hart, die vruchtbre vlaamsche grond, waar roem en macht te groeien stond, is nu tot slijk bedorven... Beploegen wij dat vlaamsche slijk, een heldenoogst zal weêr ontstaan; ja, 't vlaamsche hart zal weêr, gelijk weleer, luid, krachtig slaan. {==52==} {>>pagina-aanduiding<<} 't Zal wel gaan, 't moet wel gaan; welaan! den ploeg in hand voor 't heil van 't vaderland! Help slechts u zelf, zoo helpt u God; bij scherpe slagen van het lot moet dat ons spreuke wezen. Wie nimmer viel, stond nimmer op; wij vielen van den hoogsten top; maar... wij zijn haast verrezen. En, zeker van de zegepraal, laat ons maar strijden hand aan hand voor 't heilig vlaamsche vaderland en voor de moedertaal. 't Zal wel gaan, 't moet wel gaan: en nu het glas in hand op 't heil van 't vaderland! {==53==} {>>pagina-aanduiding<<} Aan het Belfort. U brengen wij, o Belfort,den vaderlandschen groet, u, die ons aan de tijdender vadren denken doet; rond uwe voeten, Grijsaard,is 't jonge kroost geschaard, vertel ons van de tijdentoen ook gij jonger waart: hoe dan uw grove stemmede mannen samenriep, hoe bij die grove stemmehet volk te zamen liep; hoe dan voor 't recht eeniederten best gaf goed en bloed, hoe dan hun moed beloond werddoor weelde en overvloed; {==54==} {>>pagina-aanduiding<<} hoe dan uw grove stemmede zegezangen zong, daar met uw stem de stemmeder mannen samenklonk vertel ons van de tijdenvan 't groote voorgeslacht; gij, Grijsaard, draagt de sporender oude vlaamsche macht. - ‘Het spoor van Vlaandrens macht! Zoo klaar, zoo luisterrijk als 't eeuwig glorend licht der zon, zoo schriklijk als de orkaan, zoo fel, zoo sterk gelijk de wortelen van Libanon, had hier het voorgeslacht geprent zijn krachtig spoor in de aarde die het zelve schiep: dien grond door hen bemind, en waar zoo dikwijls voor hun heilig bloed bij stroomen liep, - dien grond dien Breydel in verrukking eens aanbad vóor Kortrijks muur terneêrgeknield, en van zijn kussen heet, en van zijn tranen nat, gekleefd op zijne lippen hield. - Zoo zuiver en zoo diep gelijk de onpeilbre grond van 't onbewolkte firmament, zoo diep, zoo zuiver was 't dat 't spoor der vadren stond in 't harte van hun teelt geprent; {==55==} {>>pagina-aanduiding<<} die teelt, die hadden zij op 't slagveld opgevoed; zij hadden haar in de open lucht hun God, hun taal geleerd, hun deugd, hun trouw, hun moed, hunne onweêrstaanbre vrijheidzucht. - Zoo plettrend en zoo zwaar als de ingestorte rots van andre rotsen losgerukt, zoo zwaar, zoo plettrend had hun wandelende knods ook op der vreemden ziel gedrukt; zoo toonde men hun spoor op 't zand van de woestijn als op het veld des Oceaans, zoo las men hunnen roem van d'oever van den Rijn tot op den oever des Jordaans; zoo was hun spoor!... en toch - de Tijd, de Tijd vervloog, de Tijd sloeg alles, alles neêr, en waar ik in deze eeuw mijn oog ook wend', mijn oog ontdekt géén spoor der vadren meer.’ Neen, Grijsaard, neen, wij zitten hier, wij koene Vlaamsche zonen, wij, op den naam van Vlaming fier, wij, fier in Gent te wonen. {==56==} {>>pagina-aanduiding<<} Wij, kindren van den nieuwen tijd, wij ook, wij hebben borsten aan recht en vrijheid toegewijd, die ook naar eere dorsten. Wij, kindren van den nieuwen tijd, wij ook, wij hebben handen gereed voor 't recht ten heil'gen strijd, en wars van vuige banden. Daar branden warme harten nu, als voortijds, aan uw voeten; en daarom, Grijsaard, brengen we u ons vaderlandsche groeten. Daar wenschen sterke vuisten nu, als voortijds, naar den degen; en daarom, Grijsaard, vragen we u uw' vaderlandschen zegen. En worde ook eens uit uwen mond van onze deugd en krachten de roem gezongen en verkond aan verre nageslachten! Mei 1856. {==57==} {>>pagina-aanduiding<<} De goede zaak. Wie niet met ons is, zal bij ons geen vriendschap vinden; wij zeggen: ‘Niets of al!’ als rechte vlaamschgezinden. Geen franskiljons hier bij die liberaal zich hieten; geen kindren der jezuieten die roepen: Vlaamsch zijn wij! Hij slechts, die brandt voor taal en land en trouw den voortgang dient, vrijgeest en tevens flamingant, slechts hij is onze vriend. {==58==} {>>pagina-aanduiding<<} Welaan! voor geen gevaar gevreesd, hoe ook het onweêr kraak'! Wij sleuren, door het zwaarst tempeest, de heil'ge goede zaak! Hij spreke zacht en zoet, die immer slaaf wil blijven; maar wij, wij hebben bloed en harten in ons lijven. Bij ons geen man die zingt van heil en dankgebeden, daar 't recht zich voelt vertreden en 't land zijn handen wringt; geen rijmer die aan Vorst of maan een treurig liedje schrijft, daar hij op 't vlaamsche dier moest slaan dat immer slapen blijft. Welaan! laat ons er dan op slaan, verdrijven wij dien vaak, en spannen wij den Vlaming aan de heil'ge goede zaak! {==59==} {>>pagina-aanduiding<<} En predike eendracht hij, die weigert, als voorhenen, van 's priesters heerschappij ons Vlaanderen te spenen. Bij ons geen man die praat van vaderlandsche rechten, en onder Rome's knechten mede aangeschreven staat; geen paap, die in zijn duisterheên des Vlamings geest begraaft, en zijnen kennisdorst alleen met Litanieën laaft. Welaan! wij schuiven hem ter zij, wat leven hij ook maak'; geen logendienaars dienen bij de heil'ge goede zaak! Ja, mannen willen wij met hair op hunne tanden, die papenfopperij en walendwang verbanden; wier oog den plicht slechts ziet, die eigen haat en veeten, {==60==} {>>pagina-aanduiding<<} belang en rust vergeten, wanneer de plicht gebiedt; wier mond durft zeggen wat de slag van hunne harten klopt: ‘Gij, Staatsmacht, zijt niet recht; en ach! gij, Volk, gij wordt gefopt!’ Welaan! zulk een is ieder hier, standvastig op de waak, belijdend, - op 't belijden fier, - de heil'ge goede zaak! Veracht, gehaat, gevloekt wie ooit zich zelf kan hoonen, en elders banden zoekt wanneer hij zelf moest troonen. Veracht wie zich miskent, gehaat wie zich vervuigen, gevloekt wie aan het buigen, aan 't kruipen zich gewent. Veracht, gehaat, gevloekt, wie ziet hoe diep het vaderland in 't slijk gezonken is, en niet met ons van woede brandt! {==61==} {>>pagina-aanduiding<<} Welaan! wie Vlaming is en man, komt, tot hij los geraak', meê stooten aan den wagen van de heil'ge goede zaak! Steeds was er in ons land een dijk om 't vreemd' te stuiten, een onverbroken band om 't Zuid aan 't Noord te sluiten. Wij ook, wij zullen fransch, noch duitsch, noch engelsch wezen, maar blijven, als voordezen, voor eeuwig nederlandsch. Wij willen wat is recht en goed, wat Artevelde eens vroeg; en, strijdend tegen storm en vloed, wij willen, - 't is genoeg. Welaan! wat geeft het ons hoe 't lot het ook al met ons maak'? Wij schutten tegen haat en spot de heil'ge goede zaak! {==62==} {>>pagina-aanduiding<<} Op stap! Op stap, jong volk, op stap, op stap, de Dood maakt breede schreden; welaan dan, gaan wij nog zoo rap, als wij het tot nu deden! Op stap, in dicht gelid, en doet de baan van 't lied weêrgalmen; - een krachtig lied geeft nieuwen moed, en de echo spelt ons palmen. Vooruit, op stap, al zijn wij kleen van krachten en getallen, {==63==} {>>pagina-aanduiding<<} al is er reeds zoo menigeen op weg ter neêr gevallen. Op stap, jong volk, en onvermoeid, en geen geduld verloren: - een enkel vlokje sneeuw, dat groeit al rollend tot een' toren. Op stap en haastig! - want de Dood komt sneller op ons hielen; ziet haar verwoesting aan, hoe groot! ziet toch haar al-vernielen! En spoeden we ons uit haar gebied naar gindsche wijde dreven, waar zij geen' toegang meer geniet: - het land van 't eeuwig leven! Die Dood is alles wat bestaat in d'aakligsten der tijden: heet dweepend priester of soldaat, ellende en schande en lijden; - en 't land, waar 't eeuwig leven gloort, het land van heil en vrede, is 't rijk, alwaar door 't vrije woord regeert de vrije Rede! {==64==} {>>pagina-aanduiding<<} Vooruit! op stap! - O poëzij, kom gij de trommels roeren, en zing een krachtig lied er bij om harten te vervoeren; en streven we allen als één man, door duizend hinderpalen, tot waar geen dwang meer heerschen kan, geen Dood ons meer kan halen. {==65==} {>>pagina-aanduiding<<} III. Studeeren! {==66==} {>>pagina-aanduiding<<} {==67==} {>>pagina-aanduiding<<} Lente en examen. Lente! Lente! Zonneglansen, voglenzangen, bloemengeuren, alle schepsels juichen, dansen... slechts mijn arem hart blijft treuren. Blauwe hemel, groenend veld, reine lucht, en lauwe winden!... Slechts den winter die mij kwelt, kan de zonne niet ontbinden! {==68==} {>>pagina-aanduiding<<} Weemoed overstelpt mijn zinnen. Alles roept mij toe: naar buiten! Neen, ik keer terug naar binnen, mij op mijne kamer sluiten. Heiligdom der Wetenschappen en der lange breede geeuwen... Wat het kost te leeren klappen voor de weezen en de weêuwen! Door de straten naar het land slentren domme Filistijnen. Schoone Mei! strooit dan uw hand al uw rozen voor die zwijnen? En mijn makkers, die weêr dorsten, gaan, van waar men laat naar huis koomt, waar de vreugd als bier de borst in-, en als lied de borst weêr uitstroomt. En wat zie 'k? ginds aan den hoek? Welk een' blik wierp zij naar boven! 'k Moet haar volgen, weten moet 'k 'tgeen ik half reeds durf gelooven.... {==69==} {>>pagina-aanduiding<<} Neen, terug houdt mij mijn keten: uitgaan ware tijdverlies! En 'k blijf aan mijn raam gezeten, kijk en mor, - en doe toch niets. Voglen, bloemen, scheppingjeugd, al wat andren mag verrukken, 'k haat u, Lente, want uw vreugd zal 't examen doen mislukken. En gij, boekenhoop, diktaten, kunst om 't zwarte wit te maken, 'k vloek u, want uw boeien laten mij de lentevreugd niet smaken! {==70==} {>>pagina-aanduiding<<} Tantaal. Tantaal is een gelukkig man! als ik zijn lijden stelle bij mijne hellesmart, dan is zijn Tartarus geen helle! Verschrikbre honger, heete dorst doorknaagt zijne ingewanden, maar 't koelend water vlugt zijn lip, en 't voedend ooft zijn handen. Zóó niet met mij! 't Genot is dáár; het strekt naar mij zijne armen; het vlucht niet; 't wil aan zijne borst mijn hoofd en hart verwarmen.., Maar 'k moet voor d'alsem dien mij 't recht van Rome en 't wetboek bieden, helaas! ik moet, onwillig, zelf de zoete omhelzing vlieden! {==71==} {>>pagina-aanduiding<<} Wetenschap. Wetenschap! licht zonder warmte! Onverkwikkend! Onverblijdend! Gloort steeds heller uwe toortse, in het hoofd werpt gij de koortse, 't harte maakt gij koud en lijdend. Ach! waarom moet elke stap dien het brein vooruitholt, op 't harte botsen als een schop, koude Wetenschap? {==72==} {>>pagina-aanduiding<<} O, 'k wil mij gaan koestren aan mildere stralen, mij baden in de eeuwige bronne die kracht giet en vreugde over bergen en dalen, de stralen der godlijke zonne! Wetenschap! maagd zonder liefde! Eigenzuchtig, nijdig, grillig! Die u liefheeft, plaagt en tergt gij: al zijn levenskrachten vergt gij, - en uw kussen zijn zoo killig. Ach! uw ooft is zonder sap, zonder geur uw bloezem; ach! stroef en spottend is uw lach, trotsche Wetenschap! O, 'k wil mij verkwikken aan betere kussen waar 'k wellust en laving in vinde, aan kussen die tevens verbranden en blusschen, de kussen der zoete beminde! Wetenschap! o wrange bronne! Gal en edik saamgebonden! Reikt de jeugd haar lippen smachtend, gij, dien eedlen dorst verachtend, edik giet gij in haar monden. {==73==} {>>pagina-aanduiding<<} Drinkt ook een met vollen nap moedig voort, de teug blijft zuur, maakt nooit dronken, schenkt geen vuur, bittre Wetenschap! O, laat mij aan smaaklijker vochten mij lesschen, die 't hart en de hersens doen gloeien. Kom, 't schuimende bier, dat het stroome uit de flesschen! de paarlende wijn, laat hem vloeien! {==74==} {>>pagina-aanduiding<<} Onverwacht bezoek. 'k Zat alleen op mijne kamer, beide handen steunden 't voorhoofd: ik studeerde Jus Romanum, 't geeuwen was mij dus geoorloofd. Voor de vierde maal herkauwde ik: ‘servitus in faciendo non consistit.’ Mijn verveling en mijn wanhoop ging crescendo. Ik vervloekte 't, en met woede sloeg ik vijftig, zestig blaân om: ach! 't was immer, immer 'tzelfde slaapreukwaasmend Jus Romanum. {==75==} {>>pagina-aanduiding<<} Moed toch! wie zich zelve helpt, biedt de lieve God zijn hulp ja! - en mijn wanhoop werd vertwijfling... dat was hier nu Hasses culpa. Zal dan niemand mij bezoeken? geeuwde ik. - Slechts door kracht van weêrstand bleef ik wakker, - toen de meid opkwam met een' brief uit Neêrland. Brief uit Holland, zoete redder: Heil vertwijfelingsbevrijder! Verre vrienden hebben toch nog medelijden met den lijder. Brief uit 't welbeminde Holland: raad eens of hij willekoom was. En wat zie ik? 't is geen brief slechts: 't is hij zelf, die beste Thomas! 't Is hij zelf: ziedaar zijn trekken, 't helder oog, de oprechte mond... Heil! mijn redder uit den doodstrijd! 'k Stierf reeds, en 'k ben weêr gezond! {==76==} {>>pagina-aanduiding<<} Na 't examen. Nunc est bibendum! 'k ben er door, ik die er dacht te verzinken; en dan nog wel met glans en gloor!... wie zou ooit?... Vrienden, zingt in koor: ‘Dáár moeten we eens ferm op drinken!’ Professor N.'s tronie glom van zalig welbehagen. Getrouw, - al waren zij nog zoo dom, - heb ik zijn meeningen met gebrom als orakels voorgedragen. {==77==} {>>pagina-aanduiding<<} Ze zaten er allen van verbaasd, doch X. verblijdde nog 't meest zich: ik had ook, waar ik kon, met haast zijn dood-versletenste uien geplaatst; hij vond ze zelf nog heel geestig. Maar zooveel kunde is toch een last, dien men niet lang kan dragen. Al wat ik in mijn hoofd heb getast, wil ik er op drie dagen vast geestdriftig weêr buitenvagen. En gij, schenk al de glazen vol, lief kind, en reik me uw lippen: de schoonheid moet betalen haar' tol aan al die geleerdheid, die mijn' bol alreeds begint te ontglippen. Een reuzenvreugde huppelt in mij... het hing ook aan een draadje. - Ik voel mij zoo verlicht en zoo vrij; maar 't maakt mij toch voornaamlijk blij voor vader en voor mamaatje. {==78==} {>>pagina-aanduiding<<} Promotie-gelukwensch. Proficiat! heil en geluk, mijn vriend, in uw doctorsleven! Dat heeft u mijn hart gezeid, vóór ik het nog had geschreven. Men zegt dat het, waar gij nu komt, heel anders gaat met de zaken, dan wij het zoo wel onder ons, terwijl wij student zijn, maken. {==79==} {>>pagina-aanduiding<<} Men zegt dat de mensch alras daar ouder wordt en ouder, de hersens al meer bedaard, en 't harte kouder en kouder. Men zegt dat het hoofd algauw daar grijzer wordt en grijzer, het bloed in de aderen lauw, de gedachten wijzer en wijzer. Doch, moet gij verkoelen uw hart bij positieve zorgen, kijk soms naar 't gisteren om, toen gij niet dacht aan morgen. En moet gij verdroogen uw' geest op drooge punten van rechten, denk steeds aan 't goede recht waarvoor wij, Vlamingen, vechten. En hebt gij ook jongens eens die niet houden van blokken of sparen, geef geld en vrijheid, mijn vriend, en denk aan uw jonge jaren. {==80==} {>>pagina-aanduiding<<} Hou steeds een hoekje in uw hoofd voor jeugd en jonge menschen... Ziedaar wat, bij voorspoed en eer, ik als 't meeste geluk u kan wenschen. Proficiat dan! mijn vriend, en heil in uw doctorsleven! Dat heeft u mijn hart gezeid, vóór ik het nog had geschreven. {==81==} {>>pagina-aanduiding<<} IV. Donkere dagen. {==82==} {>>pagina-aanduiding<<} {==83==} {>>pagina-aanduiding<<} Johanna. I Zoolang ik u nog maar in 't aanzicht staarde, en in uw hart geen' blik nog wagen dorst, dan was ik wel gelukkig als een vorst, wanneer mijn oog uw helder oog ontwaarde. Het scheen mij, in uw trekken openbaarde zich 't zacht gevoel der maagdelijke borst, doch van een' eedlen mannentrots omschorst, - en 'k noemde u stil: volschoone, aanbiddenswaarde! {==84==} {>>pagina-aanduiding<<} Gij waart mij niet genegen toen! Uw blik kwam nooit den mijnen te gemoet. Doch ik, ik zag u, zag uw schoonheid; zoude ik klagen? Wie, die den glans der warme zon geniet, zich in haar stralen koestren mag, zal vragen of zij hem gaarn die stralen geeft, of niet? II. Er is op eens verandering gekomen, zoodat geheel uw koelheid was verdreven; gij hebt mij toegeknikt, mijn hand genomen, en zelfs een' kus heeft mij uw mond gegeven. En meer en meer: 'k verzonk in wellustdroomen: daar heeft uw hand den sluier opgeheven uws harten, en ik keek, niet zonder schroomen, - en 'k zag daar 't woord; ‘'k bemin u,’ neêrgeschreven! En als mijn blik uw aanzicht thans ontmoet, zie, 'k voel dan mijne vreugde telkens vluchten, en vol van weemoed zoude ik bijna zuchten, en meenge twijfel rijst in mijn gemoed, en 'k vraag, en 't antwoord durf ik niet verstrekken, of wel uw hart zoo schoon is als uw trekken? {==85==} {>>pagina-aanduiding<<} III. 'k Bemin u, ach, gij wist niet dat dit woord als lava in des jonglings harte vloeit, dat zijne vlam door ziel en zinnen gloeit en in het brein als zonneglansen gloort. Gij wist niet dat, wanneer een man dat hoort, in zijne horst een nieuwe lente bloeit; gij zaagt niet in dat woord den eed die boeit, den band die bindt meer dan de sterkste koord. Helaas, ik heb het schoone woord geloofd. Wel moest mijn harte strijden met mijn hoofd; - mijn hoofd was ongeloovig lijk altijd; - doch, woest-vertrouwend sprong het hart omhoog, gezonde rede en wijs verstand vervloog, en 't harte, 't blinde harte won den strijd... IV. Later. En nu, 'k treur niet omdat gij weêr uwe oogen met koelen hoogmoed aan mijn' blik onttrekt, omdat de droom van heil, door u verwekt, op uwen adem weêr is heengevlogen. {==86==} {>>pagina-aanduiding<<} En 'k woed ook niet omdat ik werd bedrogen, omdat ik u tot speeltuig heb verstrekt; neen, neen, de wolk die mijn gelaat bedekt, is smart en toorn omdat gij hebt gelogen. Omdat ook gij, zoo schoon, zoo glansend schoon, gij, die op aarde in englenvormen wandelt, zoo wuft en valsch als de andre hebt gehandeld; omdat ook weêr bij u mij lag ten toon dat rampenvol verbond van 't laagste en 't grootste, van 't heiligst en het vuigst, van 't eêlste en 't snoodste. {==87==} {>>pagina-aanduiding<<} De liefde is louter gevoelen. De liefde is louter gevoelen, de liefde koopt men niet: ziehier een kleine historie, die waarlijk is geschied. Er was een beeldschoon meisje met rozerooden mond en groote glinsterende oogen waarin de wellust stond: - en meer dan een was gekomen met een bekoorlijke stem; en zij had zijn stem niet vernomen: zij luisterde niet naar hem. {==88==} {>>pagina-aanduiding<<} Daar kwam een kleine jongling en zong een' zachten zang: - haar oor werd niet getroffen door den liefdevollen klank. En luider werd zijn zingen, en hij bood zijn hart en zijn lied: - zij keek naar hem niet omme, zij luisterde naar hem niet. Daar kwam een man van jaren, een dik en deftig man: een' zak vol geld liet hij klinken; - dat klinken deed haar an. Hij vroeg heur ziel en heur lichaam, en zij, - zij knikte en loeg; - hoe kon het ook anders wezen? zij gaf hem al wat hij vroeg. Ziedaar die kleine historie, die duizendmaal is geschied: de liefde is louter gevoelen, de liefde koopt men niet. {==89==} {>>pagina-aanduiding<<} Avondschemering. Er is een stonde als het licht en het duister, de glansende gloed en de kille schaûw, elkander bestrijden in 't hemelsblauw: heel 't Oosten is reeds grijs en grauw, en 't Westen praalt nog in purperen luister. - Zoo komt er in 's jongelings leven een jaar: nog is de vreugde niet gansch verdwenen, nog heeft de liefde niet uitgeschenen, - maar reeds is twijfel en weemoed daar. {==90==} {>>pagina-aanduiding<<} Algauw is de strijd ten einde gestreden: de nacht blijft meester; het licht vervloog, als ware 't een schijn die de blikken bedroog. En spottend ontspringen de starren omhoog, en 't vluchtige dwaallicht spookt beneden. - De geest wordt somber; zijn vuur sterft uit; en door de schaduwen die hem omringen, daar komen al de oude herinneringen als door de scheuren eens floersen vooruit. De starren voeren haar vreugdige dansen: de dwaallichten spertlen in woesten draf; elk dwaallicht wijst hier beneên op een graf, - en het starregeglim steekt treurig af bij de ondergegane zonneglansen. - - De erinringen drukken den geest ter neêr en grijpen weemoedig en knellen het harte... herinnerde smarte is nog immer smarte, herinnerde vreugd is geen vreugde meer. {==91==} {>>pagina-aanduiding<<} Vriendentrouw. Waar zijn ze nu? waar zijn ze nu? Die trouwe vriendenschaar, die mij omringde, vlood ze reeds bij 't eerste schijngevaar? De laster heeft een woord gesist, en allen vlieden heen, en allen, hoort, herhalen 't woord, en tegen spreekt geen één. O wijn, aan u behoort voortaan geheel mijn hart en hoofd: gij blijft uw vrienden steeds getrouw, gij hebt ze steeds geloofd. {==92==} {>>pagina-aanduiding<<} Aan mij, o wijn! Een koude wind is door mijn ziel gegaan, en al haar vuur dat gloeide en joeg, is plotsling uitgegaan. Uw ziel is warm, o wijn, o wijn! de mijne werd tot ijs: verwarm mij; geef mij nieuwen gloed, schenk nieuwe levensspijs! O koude laster, vuige schand, gij drukt als lood op mij! gij volgt mij, waar ik ben en ga, gij zijt altoos nabij! Maar neen! hier is een warme vriend, die mij neemt aan zijn hart; u wacht, hoe machtig gij ook zijt, en u bespot en tart. Een warme vriend, een kloeke vent, die u beraden wacht, en die u verre vluchten doet, al hebt gij zulk een macht! {==93==} {>>pagina-aanduiding<<} O wijn! o goede warme vriend! O wijn! mijn toeverlaat! Wie boog nooit onder lastering? wie zag zich nooit versmaad? Wie die niet eens, na eer en lof, haat, nijd en laster kreeg? Wie zag nooit, als de laster sprak, zijn vriendenschaar die zweeg? Gij antwoordt, goede, warme vriend: ‘Slechts hij, mijn vriend, slechts hij die eenzaam door de wereld gaat met éénen vriend, - met mij!’ {==94==} {>>pagina-aanduiding<<} Mijn goede pijp. Mijn goede pijp, uw blauwe rook verjoeg zoo menig hatelijk spook, zoo menige smarte, die mij kwol, zoo menigen haat, zoo menigen grol, waar 't harte van zwol. Uit uwen helderen blauwen rook die kronkelend opwaart vloog, ontlook zoo menig heerlijk beeld voor mijn oog dat mijne gedachten weldadig bewoog en dreef naar omhoog. {==95==} {>>pagina-aanduiding<<} Mijn goede pijp mijn dierbare vriend, gij hebt mij steeds zoo trouw gediend. 'k Ben somber: vrouw en vriend verried uw' armen meester... och kom, en bied mij troost in 't verdriet. Kom met uw blauwen rook! Verdring verveling, kommer, herinnering; en toover voor mijn' moeden geest een fantazij van vreugd en feest die laaft en geneest. {==96==} {>>pagina-aanduiding<<} Wandel-indruk. 's Morgends in het stille bosch is het wandlen zoet: 't bloemtje riekt dan nog zoo goed; 't vogellied springt los; 't gras, het nietig kleine gras heft zich trotsch omhoog, als een mensch dien smarte boog, die rampzalig was; {==97==} {>>pagina-aanduiding<<} 't vliegje ronkt en dartelt blij in de pure lucht; 't leeuwerikje neemt zijn vlucht door den aether vrij; iedre boom staat fier, verguld door het zonnelicht, in den dauw die op hem ligt als in goud gehuld; an elk blad van elke plant drinkt de zon een' traan... - ik, ik zie dat rustig aan, 't pijpken in de hand. 'k Vraag aan bloem, en blad, en gras, aan den boom die pronkt, aan de vlieg die stoeiend ronkt, aan het voglenras: ‘Drukt er dan op u geen pijn. dat gij zijt zoo blij?’ - en zij toonen allen mij wat hun smarten zijn: {==98==} {>>pagina-aanduiding<<} 't vogeltje het boerenkind, 't vliegje 't net der kop, 't blad de rups, de boom 't klimop dat zich om hem windt, 't gras het kwade kruid dat krielt, heel rondom vergaârd, en de bloem den wespestaart die haar scherp ontzielt. En dan scheen mij ieders lot eene bron van weên, en de dauw een waar geween waar de zon meê spot. En 'k dacht op mij zelven wat en op ons geslacht... Niets dan smarten!... - En ik dacht: ‘Waarom is al dat??’ - - Toch gaat alles op zijn best op dees droevige aard; schepsels, eet en drinkt bedaard: God zorgt voor de rest; {==99==} {>>pagina-aanduiding<<} en valt ook dat restje zwaar, dat is al maar schijn; de aarde zou een Eden zijn, zagen wij eerst klaar; vraagt het liever aan die 't weet, aan den optimist: zoo als hij het zegt, zoo is 't, ja, hij heeft het beet. 't Was en 't is: 't moest dus zoo zijn; 't blijft ook zoo gewis; alles roept ons toe: Wat is, is maar slecht in schijn. Wenscht gij 't anders, 't helpt toch niet; 't wenschen waar' dus dom; 't helpt niet, ook al weent ge er om, als een Demokriet. Doe als bloem, en blad, en gras, als de boom die pronkt, als de vlieg die stoeiend ronkt, als het voglenras: {==100==} {>>pagina-aanduiding<<} denk aan niets! en laat het gaan, zooals 't immer ging... - En 'k hernam mijn wandeling, en stak 't pijpken aan. {==101==} {>>pagina-aanduiding<<} Een hart te nemen of te laten. Een hart te nemen of te laten! Wie wil er van? Wie wil het minnen en het haten, 't zij vrouw of man? Wie zal zich 't arme hart erbarmen dat kwijnend sneeft? Wie zal het neêrslaan, of 't verwarmen terwijl 't nog leeft? Ik vraag geen vreugde, maar verstrooiing; geen' steun of kruk alsof mijn ziele reeds geplooid ging door zwaren druk: {==102==} {>>pagina-aanduiding<<} beweging! wie mij dát kan geven, hij maakt mij sterk; ik vraag geen wellust, maar slechts leven, geen' roem, maar werk. Gerucht en hartstocht, rustloos woelen heb ik van nood; dat niets-doen en dat niets-gevoelen is me als een dood. Er ware een zalf om mij te heelen: kom, liefde of haat! ik vraag een hand die mij wil streelen of die mij slaat. En dat is de alledaagsche klachte die 'k immer klaag. O, zoo toch iemand mij dat brachte wat ik zóó vraag: een warmen vriend, of stouten vijand, wie hij ook zij; - een lief, mij kussend en mij vleijend, of een harpij! {==103==} {>>pagina-aanduiding<<} 's Avonds. Soms nog als de avond is gevallen en alles in stad reeds stil, draagt mij mijn voet voor 't huis waar zij woonde, ofschoon ik het zelf niet wil. O bloemeken van mijn eenzaam leven, mijn liefde, mijn lust, mijn vreugd! Een andre geniet nu uw geuren en kleuren, en doet zich deugd aan uw jeugd. Dan bersten de donkere erinringen open als hagelwolken, op mij; dan loop ik zoo haastig mooglijk schuilen in de herberg daar naastbij. {==104==} {>>pagina-aanduiding<<} Vrouw, wijn en sigaar. Drie makkers bij eene tafel zaten, en waren van alles zoo wat aan 't praten. ‘'k Bemin,’ zei de eerste, ‘de lustige Meid; haar oog spreekt Liefde en Teederheid.’ ‘'k Aanbid,’ zeî de tweede, ‘den Wijn, die lacht; het glas zegt Vreugde en Gekheid en Kracht.’ ‘De Sigaar,’ zeî de derde, ‘is wat meest mij behaagt; haar geurige rook naar den hemel mij draagt.’ {==105==} {>>pagina-aanduiding<<} En de eerste sprak weêr met klem en druk: ‘Bij de Vrouw alleen is het ware geluk. En ik laat de Sigaar; zij schijnt mij een spook, dat zegt als wij lachen: Alles is rook!’ En de tweede hernam en toonde zich boos: ‘De Vrouw was nimmer hetgeen ik verkoos. Ja, 'k hate de Vrouwe: wel zeem is haar mond, van haar ziel is toch valschheid en list de grond!...’ En de derde zweeg, en zoo moest het ook zijn, want wie had durven zeggen: ‘ik haat den Wijn’? {==106==} {>>pagina-aanduiding<<} Vertwijfeling. 'k Heb den Oceaan van mijn zielsverlangen vaak vertrouwensvol kwistig uitgegoten, en ik vond geen vat om den stroom te vangen, ziften slechts, waardoor hij is heengevloten. In mijn open hart kon eenieder lezen, 'k heb ook steeds mijn hart op mijn hand gedragen; en de wufte vrouw heeft het afgewezen, en de valsche vriend heeft het stukgeslagen. {==107==} {>>pagina-aanduiding<<} En 'k heb niet geweend, want ik ken geen hopen die in dwaas getraan hare ontgoochling klagen; maar ik heb mijn bloed kokend voelen loopen, want ik heb den smaad onverdiend gedragen. Kom, zeî dan de wijn, 'k zal uw harte dooden, dooden rusten zacht in des doodkleeds vouwen; vrees voortaan niet meer d'angel van de snooden... En die goede vriend heeft zijn woord gehoûen. 'k Ben genezen, zie! Dood is in mij 't harte! Ja, ik ben verminkt, maar 'k ben ongevoelig! Dood is 't hart in mij, dood is ook de smarte: hoerrah! dood is 't hart, eens zoo woest, zoo woelig! Nu, geen liefde meer! losse minnarijen, andere elken dag, vluchtig maar gesloten! en geen vriendschap meer! maar slechts kwastpartijen! en geen vrienden meer! maar slechts dischgenoten! Daaglijks nieuwe vreugd, andere genuchten; - en is ook de lach niet meer gul en helder, 't heet gewensch moest vlièn, 't zwaar herdenken vluchten voor dien eedlen vriend, die woont in den kelder! {==108==} {>>pagina-aanduiding<<} O! dat hij mij steeds, 't hoofd op hol, vervoere! 'k Drink 't bedwelmend vocht, 'k zuig de zoete vruchten, en de bittre schil en de zure moere werp ik zingend weg, vrij van zorg en zuchten. Zoekt een hand mijn hand, reikt me een mond zijn lippen, ras den kus geplukt, en geen hand versmeten! want de stond vliegt heen, 'k laat ze niet ontglippen: - - maar ook daadlijk weêr mond en hand - vergeten! {==109==} {>>pagina-aanduiding<<} V. Onweder. {==110==} {>>pagina-aanduiding<<} {==111==} {>>pagina-aanduiding<<} Mijn meisje. Mijn meisje is schoon, mijn meisje is goed; wat zou ik meer verlangen? Steeds pinkt een lachje in 't ooglijn zoet, en o! haar donzige wangen! En o! de tintlende blanke hals! en o! de gloed van haar mondje! En vroolijk als een vogellijn, en trouw gelijk een hondje! Als zij mij 's avonds binnenlaat, al bevend lijk een rietje, schijnt mij 't vuil grepje voor haar deur een kristallijnen vlietje. {==112==} {>>pagina-aanduiding<<} O minder wenscht de bie naar de bloem dan ik dorst naar haar kussen, - en 't beste is: nooit wensch ik vergeefs dat zij mijn dorst zal blusschen. Mijn meisje is dom en ongeleerd, doch dát is mij onverschillig; ze is toch zoo schoon, zoo goed, zoo zoet, zoo mollig en zoo gewillig. En zie, zij vraagt maar iets van mij, die beste en schoonste der meiden, dat is dat ik haar op Carnaval naar 't bal der komedie zal leiden. O meisje schoon, o meisje goe, ge ontlokt mij jubelzangen. Uw schoonheid en uw goedheid heeft mij als een' slaaf gevangen. Ook blijf ik u trouw, dat zweer ik luid, ja, 'k zal u beminnen en streelen, u kussen, en kozen, mijn hartelust!.... totdat het mij zal vervelen. {==113==} {>>pagina-aanduiding<<} Vastenavondbal. 't Gekras van de bas geeft een dreunend gerucht, 't trompettergeschetter doordavert de lucht, de horen laat hooren een toetend geluid: die mankende klanken beteeknen: vooruit! Het kwelen der veêlen, 't gelispel der fluit, 't geschrei der schalmei wederhalen 't vooruit! En 't brommen der trommen, 't geronk der timbaal bekrachtigt volmachtig 't bewegend signaal. {==114==} {>>pagina-aanduiding<<} De dans is begonnen: 't orkest doet zijn best, - de feestende geesten en zinnen, de rest. Wat leven! als dreev' hen elektrische kracht, zoo schuiven ze en stuiven ze in vliegende jacht. De Zotten! - Pierrotten, die spraakloos daar staan, Paljassen, volwassen in dwaasheid en waan, en Jonkers, belonkers van 't minlijk geslacht, en Ridders, aanbidders der schoonen-bij-nacht; en schoonen, die toonen wat anders niet past, de braaien zoo fraai, en het schouderalbast; en andre verdoken tot meerder gemak in 't zwarte of in 't rozene dominopak: - ze rollen als bollen nu allen dooreen, en tieren en gieren en zwieren wild heen, en hotsen en botsen en klotsen gepaard, en joelen en woelen in tuimlende vaart; - of dansen in kransen bevallig en zoet, of schrijen in rijen elkaâr te gemoet, en plooien en glooien als golven der zee, en springen en zingen geklemd twee aan twee. {==115==} {>>pagina-aanduiding<<} Ik ken er daar eene, gelijk aan de nacht; betoovrend, verovrend, vol pracht en vol macht; gelijk aan de nacht; ja, zoo zwart is haar kleed, maar zie haren gang eens, hoe plechtig, hoe breed! En luister, door 't duister, dien zilveren klank; lijk als men het malsch filomelengezang zijn toonen hoort plengen des nachts in 't verschiet, zoo klinkt achter 't masker haar stem als een lied. En zie, die twee oogen die stralen in 't hoofd, door 't masker getemperd, maar geenszins verdoofd; zij branden verlangend, - gelijk m'in de nacht, in 't donker, 't geflonker der starren betracht. Dit wandelend toonbeeld der plechtige nacht, die eene is de mijne! ze is gansch in mijn macht! zij danst maar met mij, en zij danst met zoo'n vuur! 't Is hemelsch, maar toch - het vermoeit op den duur... 't Is hemelsch! maar 't mag wel, het kost me ook ter deeg: mijn boeken verkocht, waar ik weinig voor kreeg, mijn uurwerk en keten ten pande gesteld: dus wil ik nu billik genot voor mijn geld. {==116==} {>>pagina-aanduiding<<} ‘O spreek toch, en breek nog de stilte, mijn kind! Zeg weder, hoe teder, hoe warm gij mij mint! Een zuchtje, geruchtje dat niemand hier stoort, herinnere uw' minnaar aan 't hart dat hem hoort! Dit feest waar' mijn' geest slechts een ijdel gegons, zoo niet van uwe armen het mollige dons zacht leunde op mijn' arrem, en zoo niet uw oog ontroerend, vervoerend mijn binnenst bewoog; en zoo 'k niet mocht voelen, van wellust ontsteld, 't verrukkende drukken uws boezems die zwelt; en zoo niet bij poozen mijn lip op uw' mond de rozen mocht kozen, zoo frisch, zoo gezond!’ Die woorden, akkoorden van 't warme gemoed, aanminnig, rechtzinnig vooral, doen haar goed. Ook geeft zij tot antwoord met hijgende borst: ‘Of ik u beminne! - doch 'k heb zulken dorst.’ ‘Perfekt, mijn lief kind! daar verwachtte ik mij aan: dien dorst zal een fleschken Champagne verslaan. Kom, laat ons nu rusten en drinken, - totdat wij vol zijn en dol zijn van 't geestgevend nat!’ {==117==} {>>pagina-aanduiding<<} .................... .................... De morgenstond naakt, het orkester verdwijnt - het bal is gedaan, - de politie verschijnt. Zij helpt de gesneuvelden weder te been, en, drijvende en wrijvende, jaagt zij ze heen. - {==118==} {>>pagina-aanduiding<<} Droefheid en vertroosting. Hoe, dood! gij zijt dood? sprak de troostlooze Steven; is 't mooglijk dat gij mij ontvielt?! Gij dood! gij de zalf, gij de troost van mijn leven, de dijk die mijn tranen weêrhield! Zoo is het!... Ἀυαγϰη... ze is niets dan een lijk meer... Ik gil mijne droefheid hier uit. Gij, tranen, vloeit vrij nu: gij hebt, ach! geen' dijk meer, geen' dijk die in 't stroomen u stuit. {==119==} {>>pagina-aanduiding<<} Wat zal er, o Hemel! van mij nu geworden? - Baas, geef mij algauw nog een pint. - De Rede zegt dat 'k mij met kracht moet omgorden, en zie, 'k ween bijna lijk een kind. De ontelbare wonden mijns harten genas ze; zij was het genezen nooit moè; - en was er een scheur in mijn broek of mijn' jasse, zij naaide 't zoo vriendelijk toe. O nimmer, mijn geest, nimmer zult gij vergeten hoe vurig zij mij heeft bemind! De helft mijner ziel is van de andre gereten... 't is ijselijk!... - Baas, nog een pint. - Daar zweeg voor een stonde de troostlooze Steven. en vroeg nog een pint aan den waard, en: Bah! sprak hij na nog zoo'n pint zes of zeven, er zijn er nog andere op aard! {==120==} {>>pagina-aanduiding<<} Heldenworsteling. Ach! een kamp van elken stond is ons daaglijksch leven; 't leger, dat gistren de vijand zond, is gansch op 't slagveld gebleven; maar zie! daar rijst een ander uit den grond, zóó sterk dat men er zou voor beven. Beven! - Neen toch: wij beven niet. Om 't getal zullen we ons niet storen. {==121==} {>>pagina-aanduiding<<} Geen levende Franschman op 't Vlaamsch gebied! dat hebben wij gezworen. Één tegen tien! dat 's goed: deze dag, dan, ziet een' nieuwen slag der Gulden Sporen. De volle flesschen zijn 't Fransche heer, en wij de Vlaamsche leeuwen. Schild en vriend! slaat dood! terwijl we als weleer ‘wat walsch is valsch is’ schreeuwen. Wij voelen in ons lijven waarlijk weêr zoo iets van 't bloed der heldeneeuwen. Iedere teug verhoogt onzen moed: de worstling wordt razernije. Hoe klopt ons 't hart! hoe gudst het bloed! en alles buigt voor ons heerschappije! En 't hoofd verheft zich in stralenden gloed op de ontstuimige vleuglen der fantazije. Gelijk we den vijand slaan die daar staat op tafel voor onze oogen, zoo is onze geest, die in wolken baadt, alreeds door tijden en ruimten gevlogen tot delging van andre, die, vroeg en laat, Vlaandren te dikwijls in 't aanzicht spogen. {==122==} {>>pagina-aanduiding<<} En wat we dan doen, wordt luid verkond - een roemrijke bladzijde in de historie - door Roeland, den bronzen vogel, wiens mond we een ronkend lied van glorie met volle longen hooren brommen in 't rond; - want 't is in Vlaandren victorie! {==123==} {>>pagina-aanduiding<<} Vaderlandsche roes. I. Ons hoofd is als een krater,van lava overkokend, ons wil gelijk een bliksem,door 's hemels ruimten spokend; de strijdlust veroneindigtons krachten, die hij zweept en jublend in triomftochtdoor de eeuwen medesleept. Door 't grauw verleden henen,de grijze toekomst binnen, zoo hollen wij, al vechtend,met duizelende zinnen: en Plicht heet onze veldheerin 't eeuwenlang gevecht voor volksbestaan en volksheil,voor vrijheid en voor recht. {==124==} {>>pagina-aanduiding<<} Hier stormen wij met RobrechtRichildes hoop in duigen en doen den Waalschen hoogmoedin 't stof terneder buigen; (1) en Willem van Normandië,die wuft- aan valschheid paart, voelt ook terstond de zwaartevan 't vrijheidwrekend zwaard. (2) En als de heil'ge Kerketer hulp komt der bedwingeren door op ons stoute hoofdenhaar bliksemtjes te slingeren, (3) en meent daarmede ons zielen,onze armen lam te slaan, dan schokken we eens de schoudrenen volgen onze baan. II. Maar hoort! Wat Walsch is valsch is!Heil, heerlijkste aller nachten! als wij in Brugges murende landsverdrukkers slachten; en, heerlijkste aller dagen!als Frankrijks riddermacht in 't slijk van Kortrijks beemdenverdelgd wordt en versmacht. (4) Weldra rukt list en martlingons 't zwaard weêr uit de scheede, en weêr strijdt met den vijandde heil'ge Kerke mede; {==125==} {>>pagina-aanduiding<<} doch met haar bliksems drijvenwe aan Pijckes zij den spot: (1) wij weten dat ons strevenwordt goedgekeurd door God! Door God, die in het harteder volkren heeft gedreven den drang van 't recht en de eere,den drift om vrij te leven; en vallen we ook te Kasselmet Zanneken verplet, (2) het vaderland roept wrake, -tot Artevelde 't redt! De vijanden van Vlaandren,ze steunen weêr elkander: de een naakt weêr met den banvloek,met ridderbenden de ander: de vreemde dwinglandije,de pauselijke macht... maar gene wordt verdreven,en deze wordt veracht! (3) Zoo hollen wij, al vechtend,met duizelende zinnen, door 't grauw verleden henen,de grijze toekomst binnen: {==126==} {>>pagina-aanduiding<<} de strijdlust veroneindigtons krachten, die hij zweept, en jublend in triomftochtdoor de eeuwen medesleept. III. Wij staan te Roosebeke (1)en hooren, opgewonden, 't bevel door Artevelde,den tweede, rondgezonden: ‘Den vreemden geen genade!het vaderland eischt bloed! gij spaart alleen den koning,hij weet niet wat hij doet. Wij voeren hem naar Gent meê,om hem ons taal te leeren!’ Doch 't lot bedriegt zijn hope:de vreemden triomfeeren, en 't land bezwijkt... maar 't rijst weêr, door Ackerman geleid, en stelt als overwinnaareen einde aan 't bloedig pleit. (2) En wordt de vlam te Gaververdoofd, (3) toch blijft zij blaken. En siddrend hoort Mariaons plotseling ontwaken, als onze stemme wederzich rondt tot een gebod en 't hoofd van haar ministersdoet rollen op 't schavot. (4) {==127==} {>>pagina-aanduiding<<} IV. Weêr nadren donkre dagen;een zoon van Gent, de wreede en koele keizer Karel,vertrapt zijn vaderstede. (1) Maar daadlijk weêr hervattenwij 't eeuwenoud gevecht voor volksbestaan en volksheil,voor vrijheid en voor recht. De vijanden van Vlaandren,ze steunen weêr elkander; de vreemdling-rechtsverkrachteris tevens ketterbrander; de vrijheid hijgt geketend,'t geweten kermt versmacht, en bloedige trofeëngetuigen 's vijands macht. Doch, hoe ze ook moorden, branden,de vijanden van Vlaandren, de bijl der trouwe Geuzenslaat al hun macht aan spaandren, totdat de Waalsche meineed (2)ons klinkt aan 't vreemd geboeft', en 't priesterlijke mondslotop onze zielen schroeft. Zoo hollen wij, al vechtend,met duizelende zinnen, door 't grauw verleden henen,de grijze toekomst binnen, en strooien, op ons bane,des lands geschiednisrol met glinsterende dadenen grootsche rampen vol! {==128==} {>>pagina-aanduiding<<} V. Op eens, wat wildernissespreidt voor den blik zich open, bezaaid met dorre beendrenrond puin- en vuilnishoopen! O God! is dit ons Vlaandren?O God! heeft dan uw hand zich afgewend voor eeuwigvan 't Vlaamsche vaderland? Wie is 't, die de eerezuilen,door ons gebouwd, vernielde! Wie, die dat volk, zoo krachtigvan geest en ziel, ontzielde Wie, die 't gedoode lichaamafknaagde tot op 't been? Noemt ons dien beul, en noemt onsdie nijdige hyeen! En hoort! de diepten slakeneen stemme: ‘Dat bestonden de vijanden van Vlaandrenin 't oud verbond verbonden: de vreemdeling, de leeljaartvoor eigen glorie doof, en 't zielverstompend dweepen,en 't vretend bijgeloof.’ Zelfs Waterloo slaakt vruchtloosde banden en de schanden: de vijanden van Vlaandrenslaan weêr ineen de handen; en achttien honderd dertig,gestookt door paap en Waal, spreekt grijnzend d'eeuw'gen doodsvloekop ons en onze taal! {==129==} {>>pagina-aanduiding<<} VI. Doch neen!... - Verdorde beendren,groeit weêr aaneen tot mannen! Dat pees en spier zich wederom uwe knoken spannen! en 't vleesch zich om u ronde!En gij, o Geest van God, blaas gij in deze dooden, en: Leeft! zij uw gebod! Zoo roepen we, als de Ziener (1)tot Israël voorhenen. En, wonder! ziet ze rijzen, -tot mannen zich hereenen, - een levend volk weêr wordenin al zijn jeugdgenot, en in wiens binnenst vonkeltde heil'ge geest van God! Van God die in het harteder volkren heeft gedreven den drang van 't recht en de eere,den drift om vrij te leven; van God, die, sluwen volksmoordof ruw geweld tot straf, den toorn der vrije Rede,- desnoods het ijzer - gaf! VII. Ons hoofd gloeit als een krater,van lava overkokend: ons wil is als een bliksem,door 's hemels ruimten spokend: {==130==} {>>pagina-aanduiding<<} de Plicht is onze veldheer,waar recht en roem ons sleept; de strijdlust veroneindigtons krachten, die hij zweept. Een storm doorwoelt ons harten,van koene daden zwanger; ons vuisten die zich ballen,zijn machteloos niet langer; wij zijn nog steeds dezelfden,steeds Clauwaart en steeds Geus; wij volgen 'tzelfde vaandel,wij voeren de eigne leus! Nog steeds vereert de haat onsder duisternisaanbidders, - de grimm'ge nijd der vreemden,der leeljaarts en der ridders; - nog steeds zijn wij den bliksemvan Romes priesters waard, - den spot van elken vuigedie zelve zich ontaardt! Ze gieten duisternissenen broeden bastaardije: hun waan bespeurt geen grens meeraan hunne heerschappije... Komt! woedend nu hernomenhet eeuwenoud gevecht voor volksbestaan en volksheil,voor vrijheid en voor recht! VIII. Wij zwaaien in de hoogtede fakkel der beschaving. Vooruitgang is ons vaandel,ons leuze zielsontslaving; en bij het plechtig dagenvan 't glorend Redelicht, ziet gij hoe 't nachtgebroedselvliedt, en voor eeuwig zwicht! {==131==} {>>pagina-aanduiding<<} Uit onze stadhuiszalenverjagen wij de bende, die, zich de handen wrijvend,reeds uitroept: ‘Vlaandrens ende!’ Uit leeraarstoel en rechtbank,- die recht en rede slaan... Ons vlag is onze tale,ons leuze is zélfbestaan! Wij vagen uit de Kamershen allen die ons haten: de dompers, taalverachters,en geldaristokraten, die daar 't vlaamsch volk verbeelden... -verbeelden! spotgedacht'! ja, als een troep gelubden het mannelijk geslacht! De schuldige ministers,de stoute lijk de laffe, treft, zooals Hugonet eens,de langverdaagde straffe. Den koning... Arteveldeheeft ons gezegd: ‘Gij moet den koning sparen, hem slechts!- hij weet niet wat hij doet.’ Hem voeren wij naar Gent meêom hem ons taal te leeren... - Waarachtig! ja, zoo gaat hetals 't nat ons 't hoofd doet keeren tot eenen laaien kraterwaar lava overkookt, den wil tot eenen bliksemdie door de ruimten spookt; en zoo drijft ons de strijdlust,met duizelende zinnen, door 't grauw verleden henende grijze toekomst binnen; en Vlaanderen verheft zichaan 't hoofd der volkrenrij weêr Vlaamsch en Geus voor eeuwig,voor eeuwig groot en vrij! {==132==} {>>pagina-aanduiding<<} Oorlogsleeningen. Zoo gaat het! En 't wordt luid verkond - een roemrijke bladzijde in de historie! - door Roeland, den bronzen vogel, wiens mond we een ronkend lied van glorie met volle longen hooren brommen in 't rond; - want 't is in Vlaandren victorie! Doch oorlog voeren kost veel geld, en zoo we ook roem behalen, {==133==} {>>pagina-aanduiding<<} hoe meerder de roem, des te meer ook zwelt de reekning: dat kan niet falen. Gelukkig wie 't zoo wel als Frankrijk stelt, steeds rijk genoeg om zijn' roem te betalen! Ons gaat het, lacy! niet zoo goed: veel moed ja, maar weinig duiten! Wij staken dus den krijg... - Maar hoe dan? Moet hun hoongelach ons in de ooren tuiten? Neen, nooit: we zullen liever weêr met spoed eene onereuze leening sluiten. {==134==} {>>pagina-aanduiding<<} Nachtelijke vervolging. Wie wandelt en wankelt zoo laat alleen door de donkere straat? Ach! onder den last dien hij torscht, hangt moedloos zijn hoofd op zijn borst. Zijn stap is onzeker, gejaagd: hij vlucht iets dat vreeslijk hem plaagt... Doch wat? Gij kijkt rond, en gij ziet zijn talrijke vijanden niet. {==135==} {>>pagina-aanduiding<<} Een leger daemonen bestookt onzichtbaar den weerlooze, en spookt zijn oor vol geronk en vol schrik, vol scheemring en afschuw zijn' blik. Zij juichen, de lafaards! De held, die steeds hun de wet heeft gesteld, is thans hun gevangene! O schand, hij werd door 't getal overmand. Zij sleuren zijn zwakheid, o schand, van d'eenen naar d'anderen kant, en slaan hem met spottend geluid vooruit en dan weêr achteruit. En 't loeit en het grijnst en het gonst, en 't stoot en het stormt en het bonst; heel 't leger heeft slechts ééne stem: wraak! wraak! geen genade voor hem! Reveille en taptoe dreunt verwoed: de trommelaars, klein maar vol gloed, de borrels des morgens zijn daar, de borrels des avonds zijn daar. {==136==} {>>pagina-aanduiding<<} Hier woelt, bruin van kleeding, en rond van lijf, en het schuim op den mond, het voetvolk der pinten: o wee, min dicht zijn de golven der zee. Genie dan zijn dranken, die traag doormijnen gezondheid en maag; geschut, dat zijn zij, die met spoed bres schieten in 't brein of in 't bloed. Dan, ruiters in wilden galop, de flesschen: versierd in hun kop met schakos in 't geel en in 't rood, of helmen van glinterend - lood. De ruiters beslissen den slag. Heel 't leger berst uit in een lach. De lafaards! zij hebben, o schand, den held door 't getal overmand. Zijne oogen verwildren, zijn voet hinkt waggelend, koud wordt zijn bloed; hij lost nog âmechtig een' vloek, en rolt als een lijk in een' hoek. {==137==} {>>pagina-aanduiding<<} VI. Inkeer. {==138==} {>>pagina-aanduiding<<} {==139==} {>>pagina-aanduiding<<} Voor- en keerzijde. Voorzijde. Wie niet bemint wijn, wijf en gezang, die blijft een dwaas zijn leven lang. Die spreuk heeft vader Luther gezegd - dezelfde die 't pausdom schier heeft geslecht. Sindsdien bestaan de Protestanten die de ware kerke tegenkanten; {==140==} {>>pagina-aanduiding<<} die ziende blinden en hoorende dooven, die aan God, maar niet aan den paus gelooven! Ook zullen zij eeuwig branden als kolen: zij leeren het anders, maar zij dolen. Doch, voordat Luther was ketter geworden, was hij monik van een heilig orden; en de spreuk hierboven is niet protestantsch, maar van 't eerste deel van 't leven des mans. Wijn en wijf! men riekt in die spreuk een' orthodoxen monikenreuk. Daarom ook scheen ze mij steeds zoo goed, en vereerde ik ze diep in mijn gemoed. En met woord en daad trachtte ik ze te volgen, al heeft het mijn' vader soms verbolgen; al voelde ik mij zelf, ja! wel eens bedroefd om rimpels te vroeg in 't gelaat gegroefd. {==141==} {>>pagina-aanduiding<<} Ik kon toch niet voor heel mijn leven mij aan de domheid overgeven... Keerzijde. Doch, wie bemint wijn, wijf en gezang, die blijft student zijn leven lang. Zoo dacht ik op een' droeven morgen; en 'k hield in beide handen verborgen mijn hoofd dat zoo vol was van liefde en zang en van den verkwikkenden nektardrank, dat ('k schat dier dingen gewicht niet te hoog) het wel driemaal meer dan in norma woog. En 'k dacht: wat is nu toch best op 't end, advokaat en dwaas zijn, of eeuwig student? Ik hield mij bij de eerste wijze van zien en viel aan 't blokken een' dag of tien. {==142==} {>>pagina-aanduiding<<} Ach! 'k voelde mij in domheid verzinken en smachtte naar kussen en zingen en drinken. Maar ‘halt!’ sprak 't examen, ‘gij zijt mijn slaaf: een tijd voor alles! gedraag u nu braaf. Voortaan moet zij platonisch blijven, uw liefde voor wijn, gezang en wijven...’ En, lijk voor Belsazars oog voorheen het mane-thekel-phares verscheen, zoo spookte mij immer voor het brein 't bedreigend, tergend wreed refrein: ‘dat wie bemint wijn, wijf en gezang, die blijft student zijn leven lang...’ {==143==} {>>pagina-aanduiding<<} Veteraansweemoed. Neen, ze is nog niet voorbij, mijn jeugd! Maar 'k voel mij daaglijks droever, moeder... Aan d' avonddisch der gekke vreugd ontbreekt alreeds zoo meen'ge broeder! Wat werden zij? - Verstrooid, verspreid, maar in ons harten onvervangen, schoon de open plaats ook in de rangen niet lang de jonger makkers heeft verbeid. {==144==} {>>pagina-aanduiding<<} De een, die hier luid den vrijheidzang uit 't vol gemoed liet overstroomen, verkocht reeds aan het laag belang zijne overtuiging en zijn droomen. Een ander, die in 't kloek verstand, de grootste ontwerpen moedig smeedde, zag door der onmacht arm alreede den zwaren domper op zijn toorts geplant. En andren stierven... God! zoo jong! Wij droegen 't lijk op onze schouders, en zagen, hoe 't in de aarde zonk, waar nog geen plaats was voor hunne ouders! En toch, wellicht verdient ze dank, de dood, die ze aan 't gevaar ontvoerde,... wellicht dat ook op hen reeds loerde de tergende onmacht, of het laf belang. O God! 't is nu slechts dat ik voel hoe vurig wij elkaâr beminden. 'k Aanzag ze als makkers in 't gewoel; zij waren meer: zij waren vrinden. En 'k mis hun woord, hunn' blik, de hand die in de hand eens trouwen gloeide; dat alles, ach! dat me aan hen boeide met sterken, ongevoelden vriendschapsband. {==145==} {>>pagina-aanduiding<<} Wij waren elken dag bijeen; en zalig vloten dan de stonden; daar rolde luim en errenst heen, het hart sprak uit de gulle monden. En, als de wolken warmen rook die uit ons lange pijpen kwamen, zoo smolten ook ons zielen samen, ook alle warm, en opwaartstrevende ook! Ik voelde 't toen niet! 'k Dankte 't lot slechts om het lied, en om de dranken! Maar dát was, ja! het echt genot dat ons doortintelde met spranken. Dát was de troost in 't loom verdriet; dát was de geestdrift in de vreugde! Ach! alwat toen zoo zeer verheugde, smaakt wrang, nu ik het zonder hen geniet. {==146==} {>>pagina-aanduiding<<} Ontmoeting. Een vreemd gevoel... mijne oogen stralen verlangend op haar oog gericht; in 't harte zingen nachtegalen, in 't hoofd ontspringt een helder licht. De dag spelt vreugden en gelukken! Reeds brandt mijn mond om op haar' mond den kus der liefde neêr te drukken. Helaas! daar slaat de scheidensstond. Geen treuren helpt: zij zal vertrekken; wat zeg ik haar tot afscheid thans? ‘Tot weêrziens’? - dat is 't woord der gekken; ‘Vaarwel!’ is 't woord eens wijzen mans. {==147==} {>>pagina-aanduiding<<} Dageraad. 1. Als ik haar zag, dan wist ik niet wat in mijn hart gebeurde: het was me alsof een somber floers in eens aan stukken scheurde. Een zwarte starrenlooze nacht verduisterde mijn leven; haar glimlach, heldre dageraad, had hem eensklaps verdreven; en als een zee, begon mijn ziel te golven en te zieden; 'k ontsnapte als uit een' winter, dien haar blik deed henenvlieden. {==148==} {>>pagina-aanduiding<<} En 't was of mijn verjongd gemoed ontwaakte in zaal'ge kringen; en in 't ontwaakt gemoed begon een zoet gepeins te zingen, gelijk in 't loover in de lent, als al de bloemen bloeien, een vroolijk nestje aan 't Morgenrood zijn juichend lied laat vloeien. Als ik haar zag, dan wist ik niet wat in mijn hart gebeurde: 't was of een dageraad in eens de duisternissen scheurde. 2. Wanneer zij mij bekeek, dan wist ik niet wat ik gevoelde, het was alsof een huivering door gansch mijn wezen woelde. Mijn vol gemoed, waar 't blij gezang alreeds zijn juichtoon plengde, verstomde, en smolt in mijmring, waar zich vrees en eerbied mengde. {==149==} {>>pagina-aanduiding<<} Hoe mij die blik, zoo plechtig kalm, elektrisch door elk lid ging! Het lied der blijdschap zweeg, en 'k zonk in goddelijke aanbidding. En in het hart, dat bevend sloeg en van vervoering trilde, ontlook een stem, die stil en vroom een hymne staamren wilde, - gelijk de zwervende Arabier, als 't licht de kim doet gloeien, voor 't Morgenrood in 't zand zich buigt, en 't stil gebed laat vloeien. Wanneer zij mij bekeek, dan wist ik niet wat ik gevoelde, het was alsof een huivering door gansch mijn wezen woelde. {==150==} {>>pagina-aanduiding<<} Verlangen. En sedert is 't een bestendig gekwel: o! dat de erinring snel verloope! Wel heeft de mond gezegd ‘Vaarwel’, ‘tot weêrziens’ droomt de hope. Haar beeld zweeft immer mij voor den geest, en 't harte wordt mij week van verlangen: zoo fier is haar blik, en zoo slank is haar leest, zoo blozende frisch zijn haar wangen! {==151==} {>>pagina-aanduiding<<} Aan haar woû ik wijden al wat ik bezit, - maar ach! dat is in waarheid niet vele! - 't gevoel dat mijn jonge borst verhit, en 't liedeken dat ik kwele. Wel heeft de mond ‘vaarwel’ gezeid, de hope blijft van weêrzien droomen... Och! ware zij nooit in heerlijkheid mijne oogen voorbijgekomen! {==152==} {>>pagina-aanduiding<<} Hulpeloos. Er zegt mij iets: ‘Zij mint u nooit, 't is weêr een vruchtloos hopen! Komaan! dien liefdedroom verstrooid! die liefdevlam - verzopen! Zij mint u nooit! zucht daarom niet: de zaak is klaar en zeker, maar dompel lustig uw verdriet als voortijds in den beker.’ {==153==} {>>pagina-aanduiding<<} Ik grijp dus 't glas op nieuw, en 'k vind 't vergeten op den bodem: zoo vaak ik u, o wijn, mijn vrind! dien troost verzocht, gij boodt hem... Maar neen: waar mag uw macht nu zijn, die alles kon verlammen? Is 't een verraad? gij zelf, o wijn, gij stookt de onzaal'ge vlammen! In plaats dat gij dien droom verjaagt, dat beeld, dat mij verovert, - dat beeld, hoe komt het toch, ik vraag 't, dat gij 't nog schooner toovert? Ach! zijn vermogen heeft, als mij, ook u dan overwonnen! Ook gij zijt nu zijn slaaf, ook gij! Helaas, wat nu begonnen? {==154==} {>>pagina-aanduiding<<} Aanbidding. In zangen wil ik haar vereeren; die schik ik als een krans te gaâr; dien krans leg ik dan voor haar voeten en knielend spreek ik dan tot haar: Gij, die der menschen stem een engel, die de englenschaar haar zuster noemt, wier zegevierend alvermogen door alle monden wordt geroemd; {==155==} {>>pagina-aanduiding<<} Gij, wier bevallighedenkrone als een gezegende aster lonkt; wier helder vuur der glansende oogen verlicht, verwarmt, verheft, verjongt; Ontvang dit oogstje van gezangen dat in een needrig brein ontlook: de vlamme, die gij hebt ontstoken, biedt u de schatting van haar' rook! Hij klimm' tot U, gelijk de wierook dien op 't altaar de priester brandt, en die tot aan de Godheid opklimt, als heil'ge, geurige offerand! {==156==} {>>pagina-aanduiding<<} De boom en de zon. De Boom is op de Zon verliefd; er is maar iets, ach! dat hem grieft: zoo hemelsch hoog is de Zon! Hij klaagt en ruischt en zingt en zucht, en steekt zijne armen in de lucht, of hij ze grijpen kon. En vol van moed en groeiend steeds, wast hij in kracht, en hoopt alreeds dat hij tot haar eens koom'; - op 't einde zinkt hij neêr vermoeid: hij heeft nu zoo lang, zoo lang gegroeid, toch bleef zijn wensch een droom!... {==157==} {>>pagina-aanduiding<<} Ik ben de Boom, de Zon is zij; haar aanblik warmt en koestert mij, 'k denk dat ook zij mij ziet. En in mijn brein, daar zingt het al, als in de kruin des Booms 't geschal van 't smachtende vogellied. En 'k hef mij van mijn zand met kracht, en streef naar roem, en smeek om macht. dat ik haar waardig word'. Vergeefs! de Zon blijft hoog en veer... De Boom groeit vruchtloos in grootheid en eer: het leven is te kort. {==158==} {>>pagina-aanduiding<<} Verstandig besluit. Mijn ziel ontwaakte, en wreef haar slaaprige oogen, en bleef verwonderd stil, en voelde zich weêr jong en opgetogen, en vormde een' kloeken wil. Zij, wier vermogens langzaam gansch verdorden, zij zag - - een levensdoel! Ik was, helaas! één zinlijkheid geworden, 'k word weder één gevoel. {==159==} {>>pagina-aanduiding<<} Dat doel, - ja, 'k grijp nu al mijn kracht te zamen, - ik wil en 'k zal er heen! - - En, óm dat doel, het vijfde en laatste examen nu spoedig doorgestreên! 't Examen eerst, ofschoon 't mij doet ontstellen, en dan met kloeken moed naar 't levensdoel!... Wie kan het ook voorspellen? Het lukt misschien nog goed? En lukt het slecht, wat meer in de natuur is, één' troost toch heb ik dan: dat ik als doctor utriusque juris mij eindlijk stellen kan. {==160==} {>>pagina-aanduiding<<} Nazang. aan k.v., in antwoord op zijnen berijmden gelukwensch. Wanneer uw bode met uwen wensch bij mij is aangekomen, daar heeft mijn Pegasus met vreugd zijn vluggen rid vernomen. Het arme beest, reeds lang op stal, begon te stampen en steigeren. Hij wilde eens uit, hij moest eens uit: 'k kon hem dat genoegen niet weigeren. {==161==} {>>pagina-aanduiding<<} Vriend Karel, ik wenschte met u vooruit de toekomst binnen te rijden: maar vruchtlooze moeite, mijn paard is maar te huis in vervlogene tijden. Terug dan naar de banken nog eens, zoo menige erinringen wenken... Hoe zoet, en helaas! hoe treurig ook de erinringen te overdenken! 'k Heb al de vreugden en al 't gejool van 't studentenleven genoten; en ach, ik heb mij soms vermaakt, maar 'k heb mij meest verdroten. Het lied weêrklonk uit ons kelen luid tot wij waren heesch gezongen, wij klopten op de tafels daarbij, dat de glazen omhooge sprongen. Laat bleven wij uit en gingen naar bed soms lachend en weltevreden. Laat stonden we op: hoe vaak heeft ons hoofd voor 't geluk van gistren geleden! {==162==} {>>pagina-aanduiding<<} Wij maakten schulden, helaas, die wij zeer moeilijk konden betalen; en 't was dan nog met geld, dat wij weêr bij anderen moesten halen. Ook eedler genoegens hadden wij: heil u, o Vlaamschgezindheid! mijn liefste warmste jongelingsdroom! de heilige waan mijner kindschheid! Voor taal en volk! het zal wel gaan! wie zou ons wederstreven? Zoo sprak wel meer dan éen, die laf de vaan reeds heeft begeven... Maar zie, na vier examens, daar kwam het vijfde en laatste examen, en werd ik eindlijk gepromoveerd tot doctor der rechten. Amen! Alzoo heeft alles zijnen tijd! Vriend Karel, een ander leven moet nu beginnen: hoe zal het zijn? Wie kan het antwoord geven? {==163==} {>>pagina-aanduiding<<} Ik niet; ik hoor alleen eene stem, die wedergalmt op de uwe: t zij mij de voorspoed tegenlach' of de onspoed tegengruwe, hoe 't ga, waar 't slechts te strijden geldt voor vaderland en vrijheid, voor Vlaandrens heil, voor Neêrlands eer, dáár vindt ge mij in de nabijheid! Steeds kloppe mij voor waarheid en recht krachtig het bloed in de aderen! Steeds gloeie mijn haat voor priesterdwang, voor valschaards en voor verraderen! Eén' meester wil ik dienen: den Plicht!... En mocht in 't glibberig leven mijn voet eens wankelen, zij mij dan der vriendschap steun gegeven! {==164==} {>>pagina-aanduiding<<} {==165==} {>>pagina-aanduiding<<} De arte amandi. Twee gesprekken. {==166==} {>>pagina-aanduiding<<} {==167==} {>>pagina-aanduiding<<} Eerste gesprek. Oud-student, jong-student. oud-student. Gij zijt naïef, mijn jongen! te naïef, bespottelijk naïef! Gij staat verwonderd dat andren lieven hebben en gij niet, gij die nogtans de meisjes zoo bemint, en, ver van haar, zelfs zoete versjes maakt waarin gij gloeiend haar uw liefde ontvouwt. Maar hebt gij u wel zelf eens ondervraagd? of denkt gij dat een man die in de vrouw {==168==} {>>pagina-aanduiding<<} een heiligdom der heiligdommen ziet, dat slechts, al biddend, mag genaderd worden, - een man die over plichten en geweten zoo'n scrupuleuse dwaze meening voedt, denkt gij dat zulk een man geluk kan hebben? Men moet de wereld nemen zooals ze is: ge spreekt een woord, waarop een antwoord komt: wilt gij het woord niet spreken, dan, natuurlijk, zal nooit een vriendlijk jawoord u verblijden. Is 't meisje moeilijk soms, - 't gebeurt wel eens! - dan moet ge groote middelen gebruiken en stout het huwelijk beloven. jong-student. Nooit! Gij zijt een slechte vent; gij hebt geen hart; uw taal verschrikt mij; 'k voel, als ik u hoor, een mengeling van walg en van bewondring; gij handelt slecht, en snoeft u slechter nog. Gij schaamt u niet het heiligste ter wereld, 't vertrouwen, de onschuld, de eere van een vrouw door list en logen af te troggelen! Ik weet niet hoe 't mij gaat sinds ik student ben; het is als een tooneelspel dat ik bijwoon: {==169==} {>>pagina-aanduiding<<} de vuile liederen zijn de ouverture van 't stuk; en onder 't blij gejuich der andren zie 'k iedren speler, trotsch, gerust, te vreden, oneedle daden doen, en luid verkonden! O! 't walgt mij. En nogtans, - uw uitzicht is in strijd met wat gij doet; gij ziet er uit zoo glansend van genoegen en zoo grootsch in de onbeschaamdheid waar gij u meê tooit, gij blijkt in uwe slechtheid zoo gelukkig, dat ik, onwillens, zelf bijna verlang in 't stuk een rol te spelen. oud-student. En dat zult ge! Maar hoor. Gij zegt dat gij niet huichlen kunt, dat gij nooit tot een vrouw die gij niet liefhebt zoudt kunnen liegen dat gij haar bemint; maar och! dat is geen logen; 't is een woord, van zuivere conventie, en gij zult het leeren bezigen... jong-student. Gij lastert mij... {==170==} {>>pagina-aanduiding<<} oud-student. Gij zegt dat gij geen huwelijk zoudt kunnen beloven aan een vrouw; aftroglarij van 't heiligste ter wereld, van 't vertrouwen, de eer, de onschuld eener maagd, et cetera, zoo noemt gij dat; en zegt dat zulk bestaan u tegen hart en hoofd stoot... jong-student. Ja, dat zeg ik. oud-student. Maar nogmaals, man, daar zit geen logen in; 't is niets, niets meer dan een banale pleegvorm, waar enkle nog aan houden, om in de oogen des minnaars, in hare eigene oogen zelfs, den misstap, dien zij graag doen, te verschoonen. jong-student. Van vrouwen als gij daar beschrijft, wensch ik in vollen ernst steeds ver te blijven. {==171==} {>>pagina-aanduiding<<} oud-student. Best! maar dan zult ge er voor u naar allen schijn opzetlijk laten bakken; want ik ken geene andre. - En onder haar, geloof mij vrij, mijn jongen, spreken al die engelen zoo lichtjes van de zaak als wij; ja, vinden niet min te lachen om degene die geen' minnaar heeft, dan wij om jonge sukkels als gij, die mij bekent geen lief te hebben. jong-student. 't Is haatlijk wat gij zegt. oud-student. Het is de wereld! Men moet in waarheid niet beminnen: - dát doen ook alleen de dichters - in hun verzen; - men hoeft het maar op zeekren toon te zeggen. En niemand wordt er aan bedrogen. Ja, 't gebeurt wel soms dat 't meisjen ons bemint met meer dan daaglijksch minnevuur. Maar toch, zij weet dat wij met haar niet blijven zullen, {==172==} {>>pagina-aanduiding<<} en vindt er een verfijnd genot in, 't lief te zijn van iemand boven haren stand; wat zal ik zeggen? 't is alsof het haar eene eere was hare eerste en warmste kussen niet te bewaren voor den ambachtsman die eens haar man zal zijn. jong-student. Gij maakt mij kwaad! Uw bijzijn vlekt. Maar neen, 'k geloof u niet! De sluwe dief die 's nachts met valsche sleutels een' koffer openbreekt, zou min verfoeilijk, zou hooger staan dan gij, gij vos, die met uw trouwelooze logens harten steelt... Hoe! zwijn, dat zich in 't slijk met wellust wentelt, zoo zoudt gij dan nog, schaamtevrij, de modder van uwe misdaad, klevend op uw vel, alom vertoonen. Neen, dat 's spotternij!... Hoe! slang, niet min dan vos en zwijn, gij zoudt op de bedroogne dan nog 't koud venijn van uw verachtlijke minachting spuwen! Hoor, dat 's onmooglijk: 'k kan u niet gelooven! Gij liegt, gij spot, gij bluft; maar zulke blague is naar mijn' zin een eerloos tijdverdrijf. {==173==} {>>pagina-aanduiding<<} oud-student. Zijt gij niet wel? wat krijgt gij dan? genoeg! 'k heb medelijden met uw jongheid, jongen. 'k Wilde u een' dienst bewijzen, u iets leeren; maar 'k merk dat uw verstand nog moet ontkiemen. Dom is een uil, de vogel van de wijsheid, maar wijze kindren zooals gij zijn dommer... jong-student. Als eerlijkheid, oprechtheid dom moet heeten... oud-student. Wie 't doel wil, moet de middels durven willen. jong-student. Uw durven is geen moed, maar schande en lafheid. oud-student. Al wat gij zegt, schijnt verontwaardiging en haat: maar wat gij denkt, is vast benijding. {==174==} {>>pagina-aanduiding<<} jong-student. Hoor! 'k spreek met u niet langer. Aan de galg van uwe schaamtlooze ondeugd hebt gij zelf uw eergevoel, al lachend, opgestropt. Het zij zoo: dooden wekken kan ik niet. oud-student. En gij, gij leeft nog niet: 'k verzeker 't u, gij zult zelf zeer verwonderd staan, den dag dat gij ter wereld komen zult. Tot weêrziens, o deugdzaam jongeling. jong-student. Vaarwel! Vaarwrel! {==175==} {>>pagina-aanduiding<<} Tweede gesprek. Walter, Jan, Herman, Karel. walter (binnenkomend). Dag, Jan! jan. Ha, Walter! gij zijt de eerste Kom, zit neêr. Maar laat me u toch eerst en vooral iets vragen: is het waarlijk ernstig waar, dat gij verliefd zijt, jongen? {==176==} {>>pagina-aanduiding<<} walter. Maar gij hebt het gistren wel gezien. jan. 't Is ongeloofbaar... Op zulk een meisje... gij, zoo geblaseerd... walter. Hoor, Jan: 'k was geblaseerd, - nu ben 'k verliefd; 'k heb lang, zeer lang gezocht, en 'k heb gevonden! Ik was de winter, koud en barsch en droog, 'k ben thans de lente weêr; - 'k was als een graf zoo kil; maar in de spleten van dit graf heeft vast een liefdrijke engel van omhoog een zaadje laten vallen, dat daar kiemt, door frisschen dauw en lauwe zon gevoed, - zijn wortels uitzet, - takjes schiet, - en zoo het gansche graf met groene lentehoop allengskens overgroeit. 'k Was koud en hard, ik dacht van staal te zijn, - 'k was maar van ijs; er schenen zonnestralen, - en, ziedaar, ik ben gesmolten... Dat is zeer eenvoudig! Wensch mij geluk. {==177==} {>>pagina-aanduiding<<} jan. Ja, over uw tirade: gij kunt ze in verzen steken; maar uw liefde, - daar kan 'k u geen geluk meê wenschen. walter. Hoe? jan. Vooreerst, hoe meent gij 't met de meid? walter. Gij kent mij voor een eerlijk man. jan. Ik meende u ook te kennen voor een ernstig man. Maar nu, laat mij eens ernstig zijn. Die nieuwe lente voorspelt mij weinig goeds. Op 't oogenblik dat gij in 't positieve leven treedt, gaat gij u weêr in de armen wentelen van al de dwaasste illusies van een kind {==178==} {>>pagina-aanduiding<<} van zestien jaar. Gij wilt in uwe borst weêr de ingeslapene oude driften stoken. Dat 's niet natuurlijk; 't is gemaaktheid. 'k Zie u weêr aan hoop en wanhoop offers brengen; vandage vroolijk als een Figaro, en morgen somber als een Hamlet. En met uw karakter, zult gij die komedie al spoedig zelf gelooven. Walter, neen, ik wensch u geen geluk. Uw zon, die u gesmolten heeft, die u herleven doet, die met haar gloed u weêr aan 't koken brengt, zal u verdroogen... walter. Is uw litanie haast uit. jan. En dan, als men die zon wel inzag, vrees ik dat meen'ge vlek... walter. Geen woord van haar! {==179==} {>>pagina-aanduiding<<} jan. Maar gij spot met u zelven, vriend, gij spot! herman (invallend). He, met wien spot men hier? jan. Ha, willekom! Wij spraken liefde. karel. Is 't met de liefde dat men spot? present! jan. Neen, maar vriend Walter is - verliefd. herman. Ja, op zijn Corpus Juris; hij zit er dag en nachten bij: 'k geloof zelfs dat hij er meê slaapt. {==180==} {>>pagina-aanduiding<<} jan. Neen, 't is een vrouw. karel. Waar hij meê slaapt? jan. Och, wie spreekt daarvan? walter (tot Karel). Gij zoudt beter zwijgen. herman. Jan, hebt gij ons niets te drinken: 'k heb een' dorst!... jan. Gij zult gelaafd zijn: de flesschen dobblen uitzet staan gereed; zie: schenk ons in. - Een vrouw dan, en wij waren... {==181==} {>>pagina-aanduiding<<} karel. Liqueur divine! Ha, Walter, gij bemint: geef me uwe hand daarop, 'k ben ook verliefd en 't doet mij eer, het met u eens te zijn. Mijn hart springt op, gelijk een zee des nachts: daarboven glansen millioenen starren, en millioenen golven springen op uit mijne zee, om elk een star te kussen. Zoovele starren, zooveel golven. Maar - 't is jammer, al de starren zijn te ver. jan. De star van Walter is zoo hoog niet. 't Is een lage star: hij moet zelfs stuipen om - walter. Eens en vooral, geen spotternij op haar. karel (tot Walter). Gij gaat ons doen gelooven dat het waar is. (tot Jan). Is 't soms die Emilie van gistren avond? {==182==} {>>pagina-aanduiding<<} jan. Dezelfde. karel. Duivel! 'k heb tien zulke liefden gehad, sinds ik studeer. jan. Blagueur! karel (op zijne vingers tellend). Hoe? De eerste was met een juffer uit een 'staminet; de tweede met een kindermeid die 's middags kwam wandlen op den Kouter; tertio met een modistje die 'k eens op een bal ontmoette (die is thans naar Brussel); dan... walter. En 't waren al, de vrouwen! karel. 't Waren vrouwen! {==183==} {>>pagina-aanduiding<<} walter. Comme il en faut. karel. Parbleu! is de uwe dan een rozemeisje? walter (met klem). Ja, puur, deugdzaam, trouw. herman (als verontwaardigd opstaande). Blasfeem! aan vrouwendeugd gelooven! jan. Hij gelooft aan alles. karel (lachend). Puur! hij wil ons doen gevoelen dat ze 't hem bewezen heeft. walter (kwaad). Dit gaat wat ver. {==184==} {>>pagina-aanduiding<<} karel. Tata, bedaard! en hoor: puur, zegt ge, en trouw; 'k heb daar een stelsel op: de Heilige Geschiednis zelve, die zoo heilig is, spreekt maar van ééne vrouw die puur bleef tot het eind, en 't was dan nog door Godes gratie, want zij had een kind; en onder 't opzicht van de trouw, aanzie ik 't hart der vrouw als een dier ouderwetsche horlogies met muziek: de wijzer draait altoos, altoos van 't een naar 't andere uur, en toch elk uur loopt weêr het deuntjen af en immer 'tzelfde, - alleen de wijzer is van plaats veranderd. walter. Bravo! is 't gedaan? herman. Neen, ik nu: deugd of geene deugd, en trouw of ontrouw, gij zult 't meisje toch niet trouwen. walter. En waarom niet dan? {==185==} {>>pagina-aanduiding<<} herman. Wel, omdat zich alles daartegen zal verzetten: eerst uw vader... walter. Mijn vader is wel oud, maar niet zoo oud als gij; hij zal nog beter rede en liefde verstaan. herman. De wereld dan, de convenances... walter. Daar lach ik meê, gij weet het. jan. Maar gij zelf, uw eigen goed gezond verstand zal opstaan! 'k Heb, ik, niets tegen zoo een liefdeken tot tijdverdrijf, of zelfs tot meer dan dat; ja, weef er bloemekens en bladren tusschen, en giet er ook wat platonieke soep, en wat essence van ideaal en geestdrift {==186==} {>>pagina-aanduiding<<} en poëzij en maneschijnen over, geloof aan deugd, aan puurheid, en aan trouw, en maak er verzen op, indien gij wilt; dat kan ik al begrijpen; - wat ontbreekt aan 't wezen, moet door droomen aangevuld. - Maar zeggen, 'k trouw met haar, dat is te gek. Uwe eigene gezonde rede, vriend! zal steigeren als een verstandig paard, als gij die meid in uwe levenskar zult willen nemen. Is dat ooit gehoord? Alleen uit nood wordt soms zulk iets gedaan. Een vrouwe zonder onderricht, die nooit u zal begrijpen, dan wanneer gij haar zult zeggen: ‘kus mij,’ of ‘gij moest een knop aan mijne weekbroek naaien’: gij zoudt daar uw leven meê doorbrengen, allons donc! Men kan zoo'n meid beminnen, maar men zal er niet meê trouwen, want het huwlijk is geen liefde meer. herman. 't Is wáár, dat. walter. Is 't gedaan. herman. Mij dunkt dat het genoeg is. {==187==} {>>pagina-aanduiding<<} walter. Luistert dan gij weet niet wat het is, in liefde zwemmen; gij kent er waarlijk niets van. Uwe jeugd is ouderdom. Hoe? twintig jaren oud, en reeds met iemand spotten die bemint! Ook maakt ge u slechter dan gij zijt. Indien 't geluk dat mij te beurt viel, uwe hoofden... karel. Hij noemt dat een geluk! walter. Uw stijve hoofden met zijne kussen warmde, 'k wed dat gij nog hooger zoudt vervoerd zijn dan ik ben. karel. Die wedding zoudt gij vast verliezen. walter. Nu ik wil u niet bekeeren: 't is mij 'tzelfde. De vrouw, 'k zie 't, is voor mij iets anders dan voor u: iets achtenswaardigs, ja iets godlijks. Ze is mij geen meer of minder kostbaar meubel, naarmate 't meer of min met goud bedekt is; {==188==} {>>pagina-aanduiding<<} 'k zie ook de vrouw niet aan als eene rente in geld en kinderen. Zij is mij niet een speculatieding of galavoorwerp, en minder nog een werktuig van vermaak, tot ons gebruik geschapen. Neen, neen, neen! 'k Zie in de vrouw, de vrouw; ik zie in haar het heerlijkst werk des grooten kunstenaars: verkleefdheid, goedheid, zachtheid, trouw - in schoonheid. Ja, heerlijk en weldadig als de zon, is zij de zon der ziel. - Waardeert gij 't niet, 't verheven en steeds nederig gevoel dat, als een bron, zich uitstort, en den man, van zorgen en verveling moè, weêr opwekt? De vrouw die mint, zoekt in 's beminden hart de wonde, en heeft tot heeling steeds gereed den balsem van een' kus, den straal eens glimlachs. De vlamme van den haard, dat is de vrouw; oasis voor den moeden blik, haar schoonheid; voor 't matte hart een manna, haar gevoel. karel. Goed! goed! Les femmes sont sur la terre Pour tout idéaliser; L'Univers est un mystère Que commente leur baiser. {==189==} {>>pagina-aanduiding<<} jan (met verwondering). Maar hebt ge in 't meisje, waarvan sprake was, dat ideaal gevonden, jongen? - Zeg? walter. Die twijfel is zeer zonderling. jan (glimlachend). Nog goed! Maar eischt gij dan van 't menschlijk wezen niets dan kussen? Gij, aanbidder der Gedachte, moet eene vrouw voor u niet kunnen denken? walter. O, de Gedachte; ik heb ze reeds; 'k omhels, 'k aanbid ze, dat is waar; maar de Gedachte is bitter koud, zij mint niet wie haar mint. En groot is zij, maar - schoon, dat is ze niet. 'k Aanbid ze, uit plicht, en niet uit liefde; zij behandelt hare aanbidders als haar slaven. In Emilie vond ik wat mij ontbrak: ook alles wat ik van een vrouw wil vergen: ze is schoon en vol gevoel, en zij bemint mij. (Gelach en schokschouderingen). {==190==} {>>pagina-aanduiding<<} herman. Genoeg! genoeg! proficiat! - karel. Als gij ze kendet zooals ik!... walter (zeer kwaad). Wat weet ge er van? karel. Och, gij zijt voor gezonde rede doof. walter. Gij houdt mij sinds een uur hier voor den gek. Vaartwel! jan. He, Walter, zeg... - Hij is reeds weg. herman. De man is zot! karel. Een onuitstaanbre vent. jan. 't Is jammer, zoo verstandig en zoo dwaas! {==191==} {>>pagina-aanduiding<<} Iamben. {==192==} {>>pagina-aanduiding<<} {==193==} {>>pagina-aanduiding<<} De jongen. Die Universiteit is de bron van onmeetbare onheilen geworden voor de jongekweekelingen... Zij ontmoeten er vergif. Ja, in die Universiteit ... zetelen eenige meesters, wier leering openlijk valsch, verderflijk, lasterend en kettersch is. Ludovicus-Josephus, Bisschop van Gent, herderlijke brief van 8 sept. 1856. Ce qui nuit aux études, ce ne sont pas les restrictions dont on se plaint, c'est l'immixtion des élèves dans des questions qu'ils ne sont pas appelés à traiter... P. de Decker, Minister van Binnenl. Zaken, Zitting van de Kamer der Volksvertegenwoordigers, van 22 november 1856. I. Zoodus, - de heer Minister kwam 't ook zeggen, - het kwaad is dat men 't jong gebroed die groote kwestiën durft openleggen waaraan het nog niet denken moet. Zoodus, omdat wij onze jonge vlerke niet rusten lieten als wat lood; {==194==} {>>pagina-aanduiding<<} omdat wij weten dat de heil'ge kerke gelijk een beul weleer gebood; omdat wij weten dat zij drukte en nóg drukt op 't menschdom, en dat onze hand het masker van 't gelaat van 't zwart bedrog rukt, dat heerscht op 't arme vaderland; omdat wij met die grove poetsen spotten waarvan de heil'ge winkel leeft, mirakels, aflaat, offerande, - en zotten voor wie dat spel nog waarde heeft; omdat wij al die fabels niet gelooven waarmeê ge op 't dwaas gemeen gebiedt, en ge onzen geest of wil niet kunt verdooven met duisternissen die gij giet; omdat wij Flip den Tweede een ondier noemen, niet beven voor het Vatikaan, en dat wij iedren dwingeland verdoemen en elke huichlarij verstaan; omdat we Oranje en Aldegond' vereeren, en hoog verheffen in ons ziel alwie het goede wreken dorst of leeren, al wie, vermoord, voor 't goede viel; omdat wij willen dat de mensch geen ding zij waar uwe hand zoo goed meê kaatst, en dat het leven geen gesloten ring zij {==195==} {>>pagina-aanduiding<<} waarin gij 't volk gevangen plaatst; omdat wij Rede en Recht en Waarheid minnen, door mannen aan die taak gewend, en dat ons brein reeds de verborgen zinnen van godsdienst en geschiednis kent: - daarom zijn wij een pest, die u doet vreezen voor 't lot der maatschappij!?... - Welnu! 't zij zoo, wij zullen 't dreigend onweêr wezen, wij zijn gevaarlijk - maar voor U! II. Voor u, vooroordeelsmeders, Jezuïeten, met lange of korte rokken aan, die d'edelen gedachtenstroom in 't vlieten, gelijk een dijk, wilt houden staan; die in 't verleden al de schellemstukken met uwen wierookwalm begroet, - aanbidders en beschermers aller jukken waaronder 't hoofd zich buigen moet; wier stijf Geloof geen Godheid kan beseffen die, goed en recht, de valschheid haat, den martlaar van 't geweten zal verheffen, den rede- en menschenmoorder slaat; wier Liefde wil dat m'aan de onterfde laten {==196==} {>>pagina-aanduiding<<} niets meer geev' dan het lichaamsbrood; die met uw bladeren, - die walmen laten den geur der kaars, bij dien der goot, - met uw gewijd vervalschen en verzwijgen, met leugens onder waarheids schijn, de wereld tot één lichaam zoekt te krijgen, waarvan gij 't éénig hoofd zoudt zijn; die, in uw diep gebenedijde hollen, de dweepzucht, 't bijgeloof bereidt, de lage driften opvoedt en leert grollen, en koestert de onverdraagzaamheid; die als weleer, - sloeg men uw heil'ge handen niet met een noeste zorge gâ, - het Inkwisitievuur weêr zoudt doen branden: - voor u zijn wij verderflijk, ja! Gij zegt ons: ‘Uwe monden die reeds spreken zijn nauwlijks met wat dons begroeid; uw hoofden die gij reeds omhoog durft steken, wijwater heeft ze niet besproeid; gij zijt zoo jong: rampzalig is uw streven; gij zijt zoo jong, wordt wijs als wij!...’ 't Is waar, wij vangen nauwlijks aan te leven, maar gij begint te sterven, gij! {==197==} {>>pagina-aanduiding<<} III. Ja, wij zijn jong: en in ons jonge hoofden gloort nog de hooge Plicht gerust, gelijk een zon, wier kleuren niet verdoofden, een duizendkantig prisma kust; en ieder van de goud-beglanste stralen die 't glinstrend prisma wederkaatst, wordt ons een veld waar wondre vruchten pralen, waarop de geest met wellust aast. Die stralen heeten Vaderland, Geweten, Recht, Vrijheid, Waarheid, Rede, Deugd, en Liefde, al wat door u wordt weggesmeten, en 't Wijnglas dat gij ook wel meugt. Ja, al die ijslijkheden zijn ons heilig, heel dat verfoeilijk heidendom is in ons hart, als in een' tempel, veilig voor vloek en schreeuwen van rondom. Mijnheeren! die daarover vindt te klagen, - ons inzicht is zoo voort te gaan, en mocht het, op ons bede, God behagen ons op die bane bij te staan, al wordt door u in duizend dichte webben de menschelijke geest gekneld, wij hebben Wil, en zullen Krachten hebben, om heen te gaan waar 't harte snelt. {==198==} {>>pagina-aanduiding<<} IV. Gelijk m'een dwaallicht ziet door 't duister booren, op 't somber kerkhof voortgebracht, en uit de nare koppeling geboren der doode beendren met de nacht: het glanst een poos voor de oogen van den bange, en baart hem angst, en schrikt hem af, en lekt de koude graven: - 't duurt niet lange of 't spertelt zelf terug in 't graf; - - zoo zijt ge ook maar een galm der oude tijden, spookachtig kind van dood en nacht, zoo zal ook ras uw val het oog verblijden van hen die beefden voor uw macht; en licht wordt dan op uw vergeten namen, daar zelfs de erinn'ring niet meer rouwt, door ons, bij 't juich-trompetten van de Famen, het rijk der toekomst opgebouwd. 1856. {==199==} {>>pagina-aanduiding<<} In Sint-Baafs abdij. I. Hier op uw puin, door mijmring weggedragen, o grijze abdij der oude stad! herroept mijn geest de lang vervlogen dagen toen gij nog jeugd en pracht bezat; en 'k zie in droom uw gangen zich herbouwen, uw zalen die vol munken zijn, uw biechtgestoelten vol van schoone vrouwen, uw kelders vol van zoeten wijn. 'k Min u, door 't streng geloof gestichte bogen, bewaard door onze zinlijkheid; een gansche wereld komt weêr voor mijne oogen in uw verlatene eenzaamheid: {==200==} {>>pagina-aanduiding<<} een wereld, zoo bontkleurig en zoo duister, met eigen geur en eigen glans, met eigen schande, en eigene eer en luister, met eigen levenskracht. - En thans: de krekel zingt waar eens de psalmen klonken, waar 't outer stond daar groeit het gras, waar eens de broeders knielden, baden, dronken, komt soms een haast'ge vreemdling ras met onverschillig oog voorbijgetreden... - O 'k min u, 'k min u; want ik haat de dwaasheid en de misdaân van 't verleden, maar 'k min de puinen die 't ons laat. II. Abdij! Waarom hebt ge ook die oude kwalen die nestelden in uwen schoot, niet met den val der sterkgewelfde zalen begraven in denzelfden dood? Waarom moet immer nog 't bebloed vooroordeel zijn scepter zwaaien over de aard? Waarom heeft 't ijzren bijgeloof zijn voordeel op licht en waarheid nog bewaard? Mirakel, aflaat, bedevaart en vasten, en boetekaars en offerblok, waarom vult gij nog immer 's priesters kasten? {==201==} {>>pagina-aanduiding<<} En waarom is de priesterrok nog steeds gelijk eene oorlogswapenrusting, waaronder valschheid, list, bedrog, door alle stormen van elke eeuw gerust ging als hooger macht? Waarom stelt nog het zwarte spook zijn grafontdolven wetten, en knellen zijne ketens hard, terwijl 't een' voet op 's menschen hoofd durft zetten en d'andren voet op 't menschlijk hart? Waarom zijn al die lieden nog in leven wier brein niet tot aan God geraakt, die God niet, maar den priester wierook geven, en aan de poppen die hij maakt? Waarom zijn ze immer nog in eer, die mannen die voor het glorend Liefderijk van Kristus, 't doek der duisternissen spannen, gelijk een doodkleed op een lijk? En dan, hun leven is van nacht omhangen, - en als 't geheim soms opengaat, dan wordt heel de omtrek door den reuk bevangen van eene ontzaglijke euveldaad!... Ik vraag 't aan u, Abdij! verstrooide steenen! waarom onze eeuw, op licht zoo trotsch, nog steeds die keten voortsleept aan haar schenen? of is ook 't kwaad een wet des lots? {==202==} {>>pagina-aanduiding<<} III. Het is zoo zoet op niets te moeten peinzen dan op het preevlen van een mis, doen wat men wil, en nauwlijks moeten veinzen dat men geen schurk, geen booswicht is; - wreed, zede- en redeloos, te mogen handelen, deugd, waarheid in het aanzicht slaan, en toch altoos de wereld door te wandelen als heilig man met eer belaân; - te zeggen: Vriend, ik geef u mijnen zegen, geef gij m'uw geld, 't is niet te veel! en zoo zich aat en drank als mannaregen te voelen vallen in de keel; - zich verder met geen kommernis te kwellen, vrij van het ondermaansch gewoel, en stillekens zijn buik te laten zwellen in eenen breeden leuningstoel: waar nooit een eedle drift het bloed deed zieden, maar dikwijls 't eedle glas Bourgond, en 's levens dagen smeltend henenvlieden als een klont suiker in den mond; - aan volksvermoorders vollen aflaat geven mits een gedeelte van hun macht, en vrouwen die boetvaardig voor u beven, {==203==} {>>pagina-aanduiding<<} genade schenken mits... - gij lacht? Ja, wellust, macht: hoe zoet! en zij die weten dat 't menschdom aan hunn' tand zich biedt gelijk de weide aan de ossen, - en dus eten zooveel zij kunnen, 'k laak ze niet! Maar gij, o Volk, gij droeve ellend'ge lieden, door hen gevreten en onteerd, gij die geboren zijt om te gebieden en voor hun voeten u verneêrt, waar hebt ge uw brein, uw krachten weggesmeten? Of is de koorde die u bindt niet rot genoeg? nog niet genoeg versleten het doek waarmeê m'uwe oogen blindt? Is 't noodig, omdat gij lang hebt gekropen, dat gij dan eeuwig kruipen zult? omdat zij onbeschaamd zich herders doopen, dat ge eeuwig 't lot van slachtvee duldt? Zoo is dan 't veld gemaakt voor gift'ge kruiden, voor rat en mol de korenmijt, de eik voor het nijpende klimop, uw huiden voor 't ongedierte dat uw bijt! IV. Thans is het zaak den Paus ter hulp te komen: die arme man wordt diep gehoond! {==204==} {>>pagina-aanduiding<<} Het ‘oproersdier’ heeft ook in 't heilig Roomen zijn vreeselijken kop getoond! Hoort, goede Kristnen! Pius' bange bede, hoort hoe hij thans in smarte leeft! De kruk zijns goddelijken rechts, waarmede hij zoolang voortgesukkeld heeft, is buiten dienst geraakt: hij sloeg ze aan stukken op 't rugbeen van zijn volk, o wee! Sa gauw dan, een paar nieuwe beetre krukken! 't Zijn bajonnetten nu, waarmeê de grijsaard zijn bouwvalligheid wil schooren: geld! mannen! haastig! geeft ze hem! En zie! daar stroomt het goud, ofschoon zij hooren, oud Rome! uw klagelijke stem; en zie! daar ijlen drommen dwaze sullen van bloeddorst heet; - en 't oud fornuis, waar uit mirakels, heiligmaking, bullen en anatheems in naam van 't kruis, dag in dag uit een reesem ijzren banden voor 't arem menschdom wordt gesmeed, krijgt nieuwe spijs; - en 't aaklig spook wiens handen, als klauwen beenig, scherp en breed, hef vrije denkbeeld in de hersens dooven en 't woord verwurgen in de keel, krijgt nieuwe macht en nieuwen glans; - - en, boven, {==205==} {>>pagina-aanduiding<<} wendt God zijne oogen van 't tafreel dat nu zich voordoet: plassen bloeds vergoten, waarin zich wentlen, schaamtevrij, en uit hun monden 't naar Te Deum stooten de dweepzucht en de tirannij! V. Op u de schande! op u de straf! o Priester, wiens heerschzucht daartoe de oorzaak gaf! Op u, die ze vergaârde, hitste, en bliest er den bloeddorst in, - op u de straf! Gij, Paal, wiens voeten 't laffe menschdom stelden het ‘verder niet!’, 't stilstandsbevel, en wiens vooruitgestokene armen meldden: Ginds is de hemel, dáár de hel; gij zijt geen Paal, neen! die aan de aard haar grenzen en 't pad naar 't ander leven leert: gij zijt een Galg, waar, aan bebloede trenzen, de lijken zwieren, nooit verteerd, van alles wat voorheen omhoog zich richtte, van al wat edel was en vrij... Reeds plooide uw rottige oudheid van 't gewichte en schudd'e bij den wind des tijds; maar nu, Goddank! verhaast ge uw nadrend einde! {==206==} {>>pagina-aanduiding<<} Met nieuwe lijken weêr bezwaard, zie 'k uwen val, dien 't recht reeds lange seinde, de vrijheid oopnen voor heel de aard. Itaaljes hoop, den heldenmoed der vromen, den volkswil, 't hart der eeuw dat klopt voor liefde en licht, en 't grootsch ontwakend Roomen, hebt gij bij de andere opgestropt. O Galg! zooveel kunt gij niet langer dragen, uw molmend hout schiet hier te kort; de stonde naakt, geteld zijn uwe dagen, dat gij in gruis omverre stort! {==207==} {>>pagina-aanduiding<<} Gewoonte en lafheid. Gewoonte en lafheid! 't menschdom eeuw'ge lompert, altoos benauwd alleen te gaan, laat zich door koning Zwaard en priester Domper den leiband onder de oksels slaan. Vergeefs zegt God: ‘Mensch, 'k heb u willen vormen naar mijne beeldtenis!’ Helaas, 't gebroed der lage vreetzieke aardewormen maakt van Gods evenbeeld zijn aas. Vergeefs zegt God: ‘Uw macht heeft geene perken, heel de aardbol diene u als een knecht!’ Zij hebben, zij, aan hun kwakzalverskerr'ken, den koning der natuur gelegd. Vergeefs zegt God: ‘Ga voorwaarts, nimmer moede, ga fier en vrij en 't hoofd omhoog, denk, spreek en handel, zoek en kies het goede, en duld het kwaad niet voor uw oog; gij moet in opstand leven, opwaarts streven, en triomfeeren!’ Zoo spreekt God. Zij zeggen: Gij moet kruipen, zwijgen, beven, {==208==} {>>pagina-aanduiding<<} ons slaaf te wezen is uw lot! Gewoonte en lafheid! hij aanvaardt hun keten, de mensch! hij siddert op hun stem; en voelt zijn nek ook hunne scherpe beten, en prikkelt ook zijne inborst hem om met zijn recht zijn waarde weêr te stelen. Gewoonte en Lafheid stillen 't bloed, - en ‘hoerrah!’ balken millioenen kelen den taaien meesters te gemoet. Op feesten buldert 't vreugdkanon den vorsten zijn warme luide kussen af, gemengd met menschenstemmen, losgeborsten in daverend triomfgeblaf. En voor den logenpaap, - dien andren eemer der nooit versleten zuigpomp, die het menschdom uitput, - valt het volksgewemel of dom of huichlend op den knie! Gewoonte en Lafheid! trouwe steunpilaren des troons, van waar 't onsterflijk kwaad, terwijl rondom de aanbidderen vergâren, recht, vrijheid, deugd en eere slaat: gij Lafheid, die het kwaad durft noodig noemen, Gewoonte, gij, die 't heilig maakt, op u zij eeuwig door 't vergramd geweten de vloek des vrijmans uitgebraakt! (1) Slag van Kassel, 1071. (2) 1128. (3) 1128, zie Kervyn, I, blz. 427. (4) 1302. (1) 1325. ‘Desquelles fulminations néantmoins lesdicts de Bruges & leurs adhérents monstrant faire bien peu de compte, poursuyvoyent toujours,’ enz. D'Oudegherst, II, p. 400. ‘Jacques Pyc excita ses compagnons à se moquer ouvertement de l'excommunication et de ceux qui l'avaient publiée. Il ne mit plus les pieds dans l'église, et poursuivit les pasteurs comme léliards... Les populaires l'adoraient après sa mort comme un saint.’ Lenz. Arch, Hist., I, p. 523. (2) 1328. (3) ‘Dont néantmoins ceux de Flandre fisrent bien peu d'estime.’ D'Oudegherst, II, p, 434. (1) 1382. (2) 1385. (3) 1452. (4) 1477. (1) 1540. (2) Verbond van Atrecht, 1579. ‘Une semblable trahison.’ Zie N. Considérant, Révolution du XVIe siècle, p. 218. (1) Ezechiël, XXXVII.