|
|
|
| |
| | | |
Vijfde hoofdstuk De woord-Gestalt als aanschouwelikheid
| |
Samenstelling van het hoofdstuk.
Dit hoofdstuk moet ons licht verschaffen over de woord-Gestalt. Ten opzichte
van het vigerende linguistiese begrips-apparaat betekent dit, dat we ons
rekenschap hebben te geven van het begrip: woord-voorstelling. We sluiten
daarbij aan op de linguistiese onderzoekingen waarin dat vraagstuk aan de
orde is, op de onderzoekingen der phonologie. De paragraaf ‘Het
phoneem’ ontwikkelt kort het phoneem-begrip als
ervarings-constante tegenover zijn veranderlike realisaties. Men kan de
phonologie het verwijt maken, dat zij zich tot nog toe niet geheel
rekenschap gaf van haar uitgangspunt: wat neemt de taal-gebruiker waar,
klanken of phonemen? De vraag is essentiëel. Wordt zij onjuist
beantwoord dan gaat de taalkunde ook hier weer in psychologie op. Men kan
hoogstens zeggen, dat de verschillende phonologiese opvattingen, op dit punt
vergeleken, zeer onduidelik zijn. In ‘Klank of
phoneem?’ tonen we aan dat we met klank-waarneming te maken hebben en dat derhalve het phoneem
noodzakelik op het vormelik typiese betrokken is, dat het 'n eenheid legt
tussen het waarneembare en de waarneming. De paragraaf
‘Herkenningselementen’ is niets anders dan een
uitbreiding van dit pas-gewonnen inzicht: in de
phonemen kennen wij op aanschouwelike wijze de klank; we kennen in woord-gebruik dus geen phonemen, doch wij kennen in phonemen; we wapenen ons zo tegen metaphysieke
ontsporingen of tegen het verwijt van ‘platoniseren met 'n
achterstand van twintig eeuwen.’ Dat het eerste juiste inzicht in
de aard van het klank-karakter der taal al aanstonds in 'n ontsporing
eindigde, waarvan zich de gevolgen nog steeds in de linguistiek doen
gevoelen, tonen we aan in, ‘Gestalt en phoneem als positieve
grootheden’. Het phoneem is wel degelik een positief
aanschouwelik ervarings-moment en niet enkel een gekend
onderscheid. Al voortgaande blijkt ons steeds
duideliker, dat de linguistiek met haar gebruikelik voorstellingsbegrip, de
vragen die zich voordoen niet zal oplossen. Dan komt in
‘Voorstelling’ Witold Doroszewski
aan het woord, die zijn moeilikheden met klem en uiterst scherp stelde.
Phonologiese onderzoekingen die zíjn
voorstellings-begrip | | | | accepteren, plaatst hij voor onoplosbare
problemen.
Op verschillende wijze is tegen deze moeilikheden stelling genomen. Men zocht
de oplossing in de onaanschouwelikheid als moment der woord-eenheid, en daar
ligt zij ook. Doch hoe? Bühler heeft de zeer
grote verdienste hier licht te hebben gebracht, door het princiep der
abstractieve relevantie in te voeren. Wij kunnen nu het phoneem determineren
als 'n relevant moment der kennende aanschouwelikheid.1)
Bühlers woorden waren nog niet koud, of de
linguisten, nog altijd onder de ban van 'n psychologisties voor-oordeel,
legden een scheiding tussen klank en phoneem, alsof het phoneem zichzelf zou
kunnen verantwoorden zonder te worden beschouwd in z'n essentiële
betrekking tot de klank. We behandelen dit in ‘Phonologie en
Phonetica’. De daaropvolgende paragraaf ‘Phoneem en
woord-Gestalt’ determineert het phoneem als 'n relevant moment
der woord-Gestalt, dat alleen bepaal-baar is als onderscheiding in de woord-eenheid. We stuiten op het woord, waarin de
Gestalt als aanschouwelik moment fungeert op grond van zijn kenmerkende
geheel-verschijning. Een geheel-verschijning veronderstelt
geheel-kwaliteiten, komplex-kwaliteiten zeggen we hier. De studie is nog te
weinig gevorderd om daarover meer te kunnen beweren dan dat deze
komplex-kwaliteiten de phonemen veronderstellen. Dit sluit aan op onze
beschouwingen der melodie in het vorige hoofdstuk. Binnen bepaalde grenzen
zijn de Gestalt-momenten veranderlik, zonder dat de kenmerkende
geheel-verschijning te loor gaat. Waar liggen die grenzen? We zullen dat
experimenteel hebben uit te maken. - Verklaarden wij de Gestalt als ervarings-moment? Neen. Verklaarden wij hoe de Gestalt
functioneren kan zoals zij doet? Neen. Wij maken in de volgende paragraaf
met een poging tot verklaring 'n aanvang: ‘Historica’
geeft zeer in 't kort het voorstellings-begrip dat wij zullen moeten
corrigeren. ‘De woord-voorstelling moment van
woord-beschouwing’ poneert de noodzakelikheid, te onderscheiden
tussen waarnemings-beeld, voorstelling en omdachte aanschouwelikheid. Welnu,
in taalgebruik is de woord-Gestalt nooit voorstelling, doch altijd omdachte
aanschouwelikheid. Zij is evenmin waarnemings-beeld zonder meer, al berust
haar actuering bij de hoorder wel degelik op 'n waarneming der typiese
geluiden. In de drie verschillende verschijnings-wijzen fungeert niettemin
de Gestalt altijd op dezelfde wijze tegenover de betekenis, waarvan zij het
aanschouwelik | | | | diakritiese moment uitmaakt. En niet alleen dat
zij op dezelfde wijze fungeert, zij vertoont ook in haar drie
verschijnings-wijzen dezelfde structuur. Deze structuur, die op productie berust, bestuderen wij in
‘Synergie en Gestalt’, waarin we aantonen dat het
woord een biezondere blijvende synthese van onderscheiden menselike
activiteitswijzen uitmaakt; het deel dezer synthese dat aan de
onaanschouwelikheid geopponeerd is noemen wij de synergie,
waarvan de Gestalt het ken-aspect uitmaakt. Die synergie is een
sensories-motories coöperatie-geheel, dat onder het primaat van
een denk-act in de woord-eenheid wordt geconstitueerd als blijvend
organies-psychies geheel, moment van het grotere handelings-geheel: woord. ‘De eenheid der
activiteitswijzen’ in dit handelingsgeheel geeft 'n verklaring
hoe 't mogelik is, dat de eenheid in stand blijft ondanks de veranderlikheid
der Gestalt-momenten. De functie van de Gestalt als geheel in deze grotere
eenheid, verklaart op haar beurt de disjunctieve relevantheid der phonemen.
De Gestalt blijkt een ervaringsmoment te zijn, waarvan Meyerson zegt dat het ‘à mi-route de la
pensée’ is. De Gestalt, in eenheid verbonden met de
organiese momenten der synergie, maakt het begrijpelik hoe 'n aanschouwelik
ken-moment schijnbaar inadaequaat gerealiseerd kan worden; dé
grote, moeilikheid van Doroszewski tegen het phoneem is
daarmee opgelost; de eenheid der organiese momenten en der aanschouwelike en
onaanschouwelike ken-momenten van het woord, verklaren tenslotte de
mogelikheid van absolute gelijktijdigheid van beweging en denken; zij
elimineert de noodzakelikheid der prae-determinerende
aanschouwelikheid.
In de volgende paragrafen komen we op deze summier gegeven oplossingen terug
om ze aan het taal-gebeuren als zodanig te demonstreren. ‘Het
phoneem disjunctief relevant’ werkt op die wijze, het
verschijnsel in de titel genoemd uit. De paragraaf ‘Prae en
post?’ omvat de studie der tijds-verhoudingen tussen denken,
Gestalt en beweging, in het licht der blijvende handelings-eenheid. We
ontwikkelen daarin uitvoerig hetgeen we op het slot der paragraaf
‘De eenheid der activiteitswijzen’ als 'n gevolg van
dit feit aanwezen. ‘De veranderlikheid der
articulatie’ tenslotte behandelt de gevallen die de facto in het
taal-gebruik een verklaring vragen: de synergie is 'n geheel, hoe is 't mogelik dat zij slechts gedeeltelik reageert? Omdat zij
geen zuiver ‘mechanies’ reagerend geheel is. Ook de
invloed van het feit, dat de woordvorm, door opeenvolging van
spreekbewegingen, in de tijd gerealiseerd moet worden, wordt behandeld. -
Als we sluiten, kunnen we over het woord aanmerkelik meer zeggen dan de
subsumptie van de woord-aanschouwelikheid onder het Gestalt-begrip, in den
aanvang misschien kon doen vermoeden.
| |
| | | |
Het phoneem.
Wij hebben de woord-Gestalt te verduideliken en wij
beginnen bij een studie omtrent ‘klanken of phoneem?’
Is dat niet het paard achter de wagen? Er zijn methodiese bezwaren tegen
deze werkwijze, maar zij heeft 't voordeel dat wij bij het bekende kunnen
aansluiten, en dat heeft voor de schrijver - bij de behandeling van deze
stof - de doorslag gegeven.
Als ergens, dan doet zich hier de antinomie voor: hoe is 't mogelik dat 'n
ervarings-constante, 'n k laten we zeggen of 'n o, op verschillende wijze gerealiseerd wordt? En dat 'n
bepaalde acoustiese ervarings-constante op verschillende wijze gerealiseerd wordt, is het uitgangspunt geweest
van de phonologie.2) We
kunnen de k van k-oe, k-i-p, k-ie-r als 't ware vooruit voelen wandelen in
onze mond, we kunnen zonder moeite de o van t-o-l horen wegdoffen in de o
van d-o-m, en toch. ervaren wij in taalgebruik die k's en die o's als
identiek. En, nu zijn de nederlandse voorbeelden nog maar kinderspel, als we
ze vergelijken met wat er in andere talen voor óns te beluisteren
valt. De ervarings-constante die tegenover de variërende realisaties in de articulatie, en
consequenter in het geluid, staat, is, gelijk bekend, phoneem gedoopt. En om nog eenmaal 'n overbekende zin van Trubetzkoy te citeren: ‘Das adhygische Phonem, das N.
Jakovlev durch “a” bezeichnet, hat nach Palatalen den
objektiv-phonetischen Lautwert eines i, nach oder vor
gerundeten Velaren - den eines u, zwischen zwei Labialen -
den eines ü, nach Dentalen - den eines y usw.’ (Travaux I blz. 41, 42) Dat wil zeggen,
dat voor'n spreker van het adygies i, u ü, en y identiek blijven
in hun verschillend gebruik, zoals voor ons de o1 of
o2.3) Het betekent natuurlik niet, dat een
vervanging van de ene klinker door de andere, niet zou worden opgemerkt, maar wel, dat 'n woord door 'n dergelike
ver- | | | | vanging niet in een ander woord wordt veranderd,
evenmin als 'n met o1 gearticuleerd dom, 'n ander woord zou worden dan het met o2
gearticuleerde. De gewone mens zou opmerken: wat spreekt die man raar.4) Of we de
ervaringconstante nu zó of anders verklaren, het feit is er.
Doch wat ervaren we als constant? Het zal toch wel nodig
zijn, eerst dit uitgangspunt zuiver te stellen, voor we verder kunnen. Sapir zelfs, de bij uitstek heldere en scherpzinnige, is
hierover vaag. Hij schrijft: ‘dans la parole, seule l'observation
attentive peut abstraire les positions phonétiques exactes et
cela souvent au depens de nos intuitions phonétiques exactes,
phonémiques devrions-nous dire. Dans le monde physique, le sujet
parlant et l'auditeur peu instruits émettent des sons et les perçoivent, mais ce qu'eux-mêmes sentent lorsqu'ils parlent ou entendent, ce sont des
phonèmes.’ (curs. v.d. schr.)5) En op de
volgende pagina lezen we: ‘le sujet parlant peu instruit n'entend
pas des éléments phonétiques, mais des
phonèmes.’ Dat is percevoir, sentir
en entendre door elkaar. En deze begrippen verschillen!
Neemt de taal-gebruiker ‘sons’
waar? We herinneren ons uit het vorige hoofdstuk dat
hij weliswaar geluiden waarneemt, doch dat hij in die waarneming gericht is
op wat er aan die geluiden typies is. Hoort hij phonemen? Het wil ons voorkomen dat dit een lapsus
calami is, een uitgegleden pen in de ijver van de vaart naar het
nieuw-ontdekte: hij hoort, als taalgebruiker, typiese geluiden; als
taalbeschouwer-phoneticus eventueel: ook deze typiese geluiden of bepaalde
vormelike geluidsgehelen. En dat ‘sentir’? Inderdaad hij merkt iets van ‘phonemen’; zij zijn
ervarings-moment. Doch hoe?
| |
Klank of phoneem?
Laten we deze vraag voorlopig rusten, trachten we alleen ons uitgangspunt
eens en voor al zuiver te krijgen. Voor- en tegenstanders van het
phoneem-begrip, Doroszewski6)
zowel als Trubetzkoy7) verstaan onder ‘klank’: een waarnemings-moment dat afhankelik is van de
stimulerende geluidsgolven; onder ‘klank’ derhalve
verstaan zij een ervarings-moment. Dit is een alinguisties
standpunt dat zich aan beiden wreekt: in het taalgebruik nemen wij klanken waar, d.w.z.
plaatsen wij klanken als | | | | 'n verschijnsel buiten ons en, hoe we
dit nu ook straks zullen willen verklaren, het is een volslagen
psychologisme, klanken tot ervarings-moment te
verklaren: in de ervaring projecteren we de zo straks
bedoelde k's buiten ons; en al is het volkomen juist,
dat het begrip klank een essentiële
betrekking insluit tot de waarneming, tot het psychiese, dan is het niet
minder juist, dat de klank zich aan ons als van ons
gescheiden openbaart. Voor- en tegenstanders van het phoneem waren
beiden nog bevangen in psychologisme, zij lieten na, een juiste
phaenomenologie van hun uitgangsverschijnsel te leveren.
Als moment van het taal-gebeuren derhalve, voor zover dat zich afspeelt in de
psyche der taal-gebruikers, bestaan er geen ‘klanken’
(wel bestaan er in taal-beschouwing klank-voorstellingen eventueel); er bestaan als taal-moment
alleen phonemen.
Doroszewski nu meent, dat 't tot verwarring moet leiden,
boven de ‘klank’ als ‘psychies’
aequivalent van de luchttrillingen, weer, zoals Baudouin de
Courtenay deed - en de phonologen doen - een ‘équivalent psychique du son’ aan
te nemen; en daarin heeft hij gelijk. Trubetzkoy bewandelt
gevaarlike wegen als hij schrijft: ‘Ainsi, bien que l'impression acoustique immédiate et la représentation ou l'image
acoustique soient toutes deux des phénomènes
psychiques, elles n'en sont pas moins des phénomènes
essentiellement différents.’ (l.c.) Hij geraakt op
deze wijze volslagen buiten de kwestie, want er is in de geluidswaarneming
bij taalgebruik geen gewaarwording
(‘impression’) die ervarings-moment daarvan zou uitmaken, om vervolgens in 'n
‘image’ nóg eens te worden ervaren. Doroszewski heeft gelijk, dat er in de ervaring geen
doublure van een waargenomen taal-klank bestaat, die dan phoneem zou zijn; de waargenomen taal-klank is zelf phoneem.
M.a.w. in de taal-ervaring is de waargenomen klank tot phoneem
‘gestaltet’. Het verschijnsel
‘klank’ in de betekenis van: psychies aequivalent van
luchttrillingen, bestaat als moment van 'n taal-ervaring, niet. In een
taal-ervaring nemen we in een phoneem bepaalde geluidsmomenten als typies
waar, en op dié geluids-momenten zijn we in de taal-ervaring,
zover deze waarneming is, gericht. Die typiese geluidsmomenten nu, noemen we
de klanken. Ook het phoneem derhalve nemen
we niet waar, doch in het phoneem, in een
bepaalde psychiese aanschouwelikheid, kennen we het
geluid, en in zoverre is het phoneem als onderscheiding in onze ervaring
aanwezig. Dat dit phoneem ‘waargenomen
klank’ is, ervaren we niet, daartoe concluderen we uit een
analyse der taal-ervaring. De gewaarwording ‘geluid’
derhalve, is van 'n taal-ervaring geen moment. De gewaarwording
‘geluid’ kan alleen moment zijn van een ervaring die
we taal- | | | |
beschouwing noemden. Doroszewski meent ten onrechte, dat de
‘ervaring’ uit ‘gewaarwordingen’
wordt ‘opgebouwd’, terwijl integendeel uit de ervaring
‘gewaarwordingen’ kunnen worden geanalyseerd.
‘Gewaarwording’ is geen ervarings-moment dat deel uitmaakt van elke
ervaring.
Het is niets verwonderliks, dat een prikkel-complex, het stimulerende geluid
in ons geval, niet als complex tot bewustzijn komt; ook de oude
psychophysiek wist dit; doch zij overzag het verschijnsel prakties, omdat
zij voortdurend experimenteerde met ervaringen, die we
‘prikkel-beschouwingen’ of
‘gewaarwordings-beschouwingen’ zouden moeten noemen.
Het is deze atomistiese psychophysiek, die Doroszewski als
‘de’ psychologie beschouwt. Trubetzkoy heeft wel groot gelijk, dat wij geen
‘klank’, doch ‘phonemen’ als
ervarings-moment in taal-gebruik beleven, maar hij gaf op Doroszewski's moeilikheid geen antwoord.
Het spraakgebruik heeft een gelukkige zet gedaan, door met klank, als het over taal handelt, het waarneembare geluid te bedoelen. Wij wijken van dat spraakgebruik niet af, en
verstaan onder klank wat Trubetzkoy
noemt ‘les facteurs matériels des sons de la parole
humaine: ... les vibrations de l'air qui leur correspondent.’
(Journal, blz. 231)
Welnu, aan het phoneem - dat zagen we - beantwoorden de facto onderscheiden
klanken, die niettemin, voor de taalgebruiker, zich als identiek voordoen.
De russiese taal-kunde bestudeerde deze verschijnselen
vóór zij in West-Europa de algemene aandacht trokken:
‘Scerba glaubt, dass diese Variabilität in der
konkreten Verwirklichung der Phoneme für das Phonem wesentlich
ist. Das Phonem ist seiner Meinung nach, “der Vorstellungs-Typus,
welchem verschiedenartige Aussprachen
entsprechen”.’8) Dat is definiëring van 'n Gestalt-verschijnsel, en
ook Scerba begreep dus reeds, dat we met het gewone
voorstellings-begrip niet uitkomen.9) Want niet alleen,
dat deze ‘voorstellingen’ verschillend gerealiseerd
kunnen worden, maar ze zijn eigenlik helemaal geen
‘voorstellingen’ die zich als ervaringsmoment
openbaren: het zijn ‘voorstellingen’ die er
‘als voorstelling’ niet zijn!
‘Die Lautvorstellungen, die ‘Phoneme’ sind
nach der Lehre der ‘psychologischen Schule’ keine
wirklich gegebenen Vorstellungen. Scerba gibt zu, dass normalerweise, in
einem durchschnittlichen Bewusstsein die Lautvorstellungen in klarer und
gegliederter Form gar nicht vorhanden sind. Sie sollen erst ‘zum
| | | | Bewusstsein gebracht werden.’ (Cyzevskyj blz. 9) En, dit alles geldt gelijkerwijze voor het
woord: ‘Bei Menschen, die eine Sprache vollkommen beherrschen,
können die Vorstellungen des [Wort]-Sinnes mit irgendeiner
Lautvorstellung eines Wortes, mit einem lautlichen Worttypus verbunden
werden, welchem verschiedene Aussprachen entsprechen, wobei die Amplitude
der Variationen zuweilen sehr gross sein kann.’ (Scerba bij Cyzevskyj blz. 17) Voegen we daarbij
dat die: ‘irgendeine Lautvorstellung eines Wortes’,
gewoonlik niet alleen niet helder en geleed, maar zelfs helemaal niet aanwezig is, dan staan we weer voor de vraag: is
de kennende aanschouwelikheid, woord-Gestalt, phoneem of wat dan ook, in het
taal-gebruik wel een voorstelling?
We stellen de beantwoording van deze vraag nog maar steeds uit, en zullen
haar nog enige paragrafen lang moeten uitstellen, want de vraag blijkt
steeds meer aspecten te vertonen. Vatten wij nog 'n ogenblik samen wat deze
paragraaf ons aan inzicht bracht: het aanschouwelik moment in taal-gebruik,
dat ons de betreffende klanken doet kennen, het phoneem, is ervarings-moment; d.w.z. we merken het phoneem als onderscheiding
waarin we een bepaalde aanschouwelikheid kennen; het stelt zich als geleding
in een groter geheel waarin het functioneert; het
phoneem derhalve is niet het aanschouwelik gekende, het
is het aanschouwelik kennende, dat zich in het gebruik alleen als betrokken op het typiese geluid, op het
aanschouwelik kenbare openbaart. Het vormelik typiese derhalve, dat we in
het phoneem aanschouwelik kennen, is voor het phoneem essentieel.
| |
Herkenningselementen.
Het verwijt dat Langeveld de nederlandse grammatica terecht
maakt: de probleem-armoede, kan de phonologie bezwaarlik worden verweten.
Prof. de Groot brengt op de voorafgaande beschouwingen nog
'n correctie aan: zijn het phoneem en de woord-Gestalt wel voldoende
getypeerd als ken-moment, zijn het geen herkennings-momenten? En inderdaad, het zijn herkennings-momenten. Zij delen in het gebruiks-karakter dat geheel de
taal eigen is; zij zijn afhankelik van het gebruik der gemeenschap; zij
moeten worden ‘gemaakt’ aan aanschouwelike
ervarings-momenten die in het gebruik der gemeenschap functioneel zijn. In
phoneem en woord-Gestalt functioneert de gekende aanschouwelikheid der klank
als mede-constituent van de teken-eenheid; doch opdat de klanken, in de
Gestalt gekend, kunnen functioneren, moeten zij her-kend zijn, d.w.z. moet er aan haar onderscheiden zijn wat
functioneel typies is. De Groot
rekent zo de phonemen en de woord-Gestalt tot de herkennings-elementen,
respectievelik niet-betekenis-dragende of symbool-kenmerken, betekenis- | | | | dragende of symbolen.10) Doch - en dit scherp gesteld te
hebben is nog steeds de grote verdienste van Doroszewski's
oppositie - er moet iets
‘herkend’ worden. En wat herkennen we? Het is uit het
voorafgaande duidelik: geen phonemen, geen woord-Gestalten. We zijn in
taalgebruik niet op een of andere wijze betrokken op phonemen of
woord-Gestalten, doch in phonemen, in woord-Gestalten, als momenten der ervarings-eenheid woord, herkennen we de typiese momenten van de geluidsstroom. Doroszewski zou 't recht krijgen om de
Groots pogingen, om de eigenschappen van phonemen aan kenmerken van het
klinker-geluid (N.T. XXV blz. 233, 234; Travaux IV
blz. 140-147) te demonstreren, tot ongerijmdheid te verklaren, als we
phonemen of woord-Gestalten zouden ‘herkennen’ en niet
geluiden (en) of eventueel articulatie-bewegingen. De
Groot zegt: ‘Für die phonologische Funktion der
Klangelemente kommt es darauf an. dass sie wiedererkennbar sind und
nötigenfalls voneinander unterschieden werden können.
Das wesentliche ist aber die Wiedererkennbarkeit, weil Unterscheidung ohne
Wiedererkennung für die Sprache keinen Wert hat.’
(Travaux IV blz. 116) Doch, die ‘Wiedererkennbarkeit’
is 'n eigenschap van de momenten van de klankstroom die functioneel niet onderscheiden zijn. In het phoneem, in de
woord-Gestalt, worden aan de gekende vorm de typiese momenten onderscheiden, en wel uitdrukkelik onderscheiden van
andere momenten van diezelfde vorm, van diezelfde geluidstroom. Het poneren
dezer onderscheidingen geschiedt in de woordmaking, waarin nu eo ipso de
typiese momenten van de vorm herkenbaar gemaakt zijn in
functie van de blijvende woord-eenheid. Gebruik van
deze eenheid is nu her-kennen van de typiese
geluidsmomenten. ‘Wiedererkennbarkeit’ veronderstelt
dus onderscheiding, al is het volkomen juist dat onderscheiding zonder
herkenbaarheid voor de taal geen nut heeft, doch de her-kenning is 'n aspect van taal-gebruik.
De moeilikheid hier de distincties zuiver te treffen, heeft twee oorzaken: de
gangbare linguistiek vertoont nog bijna altijd psychologistiese neigingen;
en dan wordt vergeten, dat we in communicatief taal-gebruik altijd te maken
hebben met waarnemings-verschijnselen die van de denk-ervaring, die het
taal-gebruik uitmaakt, moment zijn. En in die waarnemings-momenten stellen
wij het waargenomene buiten ons. Van moderne taal-philosophie als die van
Pos ten onzent, kan de linguistiek | | | | nog
steeds een juiste phaenomenologie leren. Een tweede oorzaak is gelegen in
het door Bühler zeer duidelik gesignaleerde
feit, dat de typologie en statistiek van het geluidsmateriaal, opgesteld
zonder de taal-ervaring te veronderstellen, zonder
m.a.w. uit te gaan van de phonologiese verschijnselen, zich niet dekt met
het phonologies type aan de klank onderscheiden, met die momenten dus, die
in de ervaring als typies zijn geponeerd.11)
Uit het voorafgaande blijkt dat de definitie die de Groot
in de ‘Suppléments’ (Travaux IV blz. 311)
van een phoneem geeft: ‘kürzestes,
selbständig wiedererkennbares (curs. v.d.
schr.) Wortmerkmal, zu dessen Merkmalen ein (mehr oder weniger) bestimmtes
Timbre gehört,’ misschien beter zou kunnen
luiden:‘kürzestes selbständig
wiedererkennendes etc....’ De term
‘wiedererkennbares’ levert gevaar op, dat de lezer 't
phoneem weer tot ‘klank’ maakt. De klank is herkenbaar, het phoneem is het kenmerkende woord-moment,
waarin de klank herkend wordt. Bühler
formuleert dan ook juister: ‘Die Phoneme sind die
natürlichen ‘Male’
(Kennzeichen), woran im Lautstrom der Rede die semantisch entscheidenden
Einheiten dieses Lautstroms erkannt und auseinander gehalten
werden.’ (Axiomatik blz. 32, 33) En, de ‘semantisch
entscheidenden Einheiten dieses Lautstroms’ zijn de
klankmomenten, die Gemelli typies verklaart en waarvan hij
het type bij observatie vastlegde. Slechts geringe momenten vaak in de
klankstroom zijn typies; het grootste deel van de klank-vorm is a-typies,
én door combinatoriese invloeden én door semantiese
irrelevante invloeden als leeftijd of stemtimbre, of situatie-invloeden als
afstand, storende bijgeluiden, ongeschikte middenstof (telephoon).12) Taal-Gestalt zonder vorm en daaraan
onderscheiden vorm-typiek, is echter onbegrijpelik. En, dit te bedenken is
een voortreffelik antidotum tegen metaphysieke ontsporingen.
| |
Gestalt en phoneem als positieve grootheden.
Al is taal een denk-verschijnsel, toch veronderstelt zij niet alleen
‘gestaltend’ denken, zij veronderstelt ook een
positieve aanschouwelike grootheid, en de taal blijft alleen bruikbaar,
zolang er aan die aanschouwelikheid functioneel typiese momenten zijn. Zowel
de Gestalt als de vorm veronderstellen bepaalde
aanschouwelike momenten, die weliswaar per se in oppositie tot andere
aanschouwelike momenten staan die in de taal gebruikt worden, doch wier
functie wel degelik afhangt van hun eigen vorm. De Saussure had aan de linguistiek menig kwaad uur
bespaard, als hij dat was blijven bedenken. Al is zijn grondbeginsel, dat
| | | | een bepaald phoneem zijn functie vervult op grond van een
systematiese ordening,12*) volmaakt juist, dan is het toch
onjuist te zeggen, zoals de Saussure doet, dat de
phoneem-functie alléén in het herkennen van de verschillen tussen de
‘klank-voorstellingen’ bestaat. Op deze wijze heeft
hij de grondslag onder zijn systeem weggeschoven, want rust de
phoneem-functie op geen, op welke wijze dan ook, constante positieve
aanschouwelikheid, dan valt ook de woord-Gestalt, en daarmee het
aanschouwelike moment van het signe en consequenter het
gehele signe als taal-moment, en blijft alleen het
onaanschouwelike over.
De Saussure leert: ‘Le signifiant
linguistique,.... dans son essence, n'est aucunement phonique, il est
incorporel, constitué, non par sa substance
matérielle, mais uniquement (curs. v.d. schr.)
par les différences qui séparent son image acoustique
de toutes les autres.’ (blz. 164) En verder: ‘Tout ce
qui précède revient à dire que dans la langue il n'y a que des différences. Bien plus:
une difference suppose en général des termes positifs
entre lesquels elle s'établit; mais dans la langue il n'y a que
des différences sans termes positifs.... Mais
dire que tout est négatif dans la langue, cela n'est vrai que du
signifié (de betekenis) et du signifiant (de Gestalt) pris
séparément: des que l'on considère le signe
dans sa totalité, on se trouve en présence d'une chose
positive dans son ordre.’ (blz. 166) De
‘betekenis’ en de Gestalt beschouwd
‘séparément’, d.w.z. zonder een
wezens-betrekking op elkander, zijn geen taal-moment meer, geen
woord-Gestalt en geen betekenis; en, in die betrekking zijn beiden
‘positief’ of .... zij zijn als
taalmoment niet. S. Karcevskij constateert terecht dat de Saussure's princiep tot het absurde leidt.13) En
het is even absurd, taal in denken als taal in klank te laten opgaan.
Steeds verder dringen we in het probleem der woord-aanschouwelikheden door,
en wij leerden ze kennen als positieve aanschouwelike grootheden, waarin wij
de klanken aanschouwelik kennend onderscheiden, en waarin we, als zij
optreden als gebruiks-momenten, diezelfde klank | | | | herkennen.
Maar steeds strakker draait zich ook de schroef aan, die ons
voorstellings-begrip klemt: wat moeten positieve aanschouwelike grootheden
die verschillend zouden kunnen gerealiseerd worden, die zouden kunnen
veranderen of wegvallen, of zelfs in het geheel geen ervarings-moment
schijnen uit te maken? Doroszewski had waarlik enige
voortreffelike pijlen op zijn boog.
| |
Voorstelling?
Op het Internationale Congres voor Phonetiese Wetenschappen te Amsterdam,
sprak prof. Witold Doroszewski de volgende,
begrijpelikerwijze een geanimeerd debat inleidende, woorden:
‘Tout élément réel du langage
doit être perceptible par les sens. Les caractères
physiologiques et acoustiques d'un son constituent l'essence même
de ce son, ce sans quoi il ne serait plus identique à
lui-même. Faire abstraction des qualités audibles d'un
son, considérer comme éléments essentiels
du langage des “représentations”, des
“intentions”, des
“idées” de sons, c'est entrer de plain pied
dans le domaine du mythe et c'est “platoniser” avec
vingt-quatre siècles de retard.’14) En de
situatie was niet geheel vrij van humoristiese momenten toen, in de
onmiddellik aansluitende voordracht, Prof. Pos' tekst de
volgende woorden bevatte: ‘Mais, a-t-on objecté, ces
éléments dont la phonologie fait cas, ne sont que des
constructions ou des abstractions. Nouveau malentendu: ils le sont si peu
qu'il importe de souligner que ce sont des faits d'expérience,
qui se manifestent dans la réalité où nous
vivons et qui sont expérimentales à plus juste titre
que les prétendus sons objectivement perçus, lesquels
personne ne perçoit à moins de se décider
à devenir phonéticien.’ (Proceedings, blz.
137.) Bedriegt m'n geheugen mij niet, dan formuleerde Doroszewski in het debat nog eens scherper, wat hij in zijn
voordracht reeds gezegd had, met de woorden: ‘Ce qui
caractérise un p français, anglais,
polonais, ce qui le distingue des autres p, c'est la
façon dont le p donné est
réalisé. Et la réalisation du son ressortit
entièrement au domaine de
l'expérience.’15) In dat debat nl. nam hij
veronderstellenderwijze een ogenblik de positie zijner tegenstanders over,
en argumenteerde toen als volgt: geen enkele normale spreekhandeling is
mogelik, die niet door een adaequate spreekhandelingsvoorstelling wordt
bepaald; welnu, elk verschil in de voortgebrachte klanken is dus ook een
voorstellingsverschil en een, op welke wijze dan | | | | ook
gerealiseerd, phoneem, veronderstelt altijd een concrete klank- of
articulatie-voorstelling, het ‘phoneem’ is derhalve
even concreet als de ‘klank’. Een phoneem kan dus
misschien wel een vertegenwoordiger van een hele familie van klanken16) worden genoemd, maar een zeer
reële vertegenwoordiger, even concreet bepaald als zijn
vertegenwoordigde zusjes en broertjes. Meningen als van de phonologen, dat
er een ‘voorstelling’ zou kunnen zijn waaraan
verschillende realisaties beantwoorden, zijn contradictories.17) Reeds vóór dit congres had Doroszewski deze sententie scherp en ondubbelzinnig geformuleerd
in een controverse met Tytus Benni. De laatste schreef
‘Haben wir es in dem ersten Fall, Kiel, Kuh,
Kopf, mit einem oder mit drei k-Lauten zu tun?. Zur
Feststellung von drei verschiedenen Lauten gelangen wir erst durch eine
exakte physiologische Analyse, als psychologische Lautvorstellung existiert
in allen drei Fällen dasselbe k. Wir
müssen das psychologische Moment, die Absicht ein k auszusprechen, und das physiologische Moment, die
Ausführung, in Betracht ziehen. Je nach der Lautnachbarschaft
erhalten wir drei nichtbeabsichtigte Abarten der
Ausführung, welche normalerweise unterbewusst sind und erst durch
absichtliche Analyse zum Bewusstsein gelangen.’18)
Doroszewski antwoordt, dat 't best mogelik is dat,
vergeleken met de realisering van een geïsoleerde klank (een
geïsoleerde k b.v.), de occasionele varianten
van diezelfde klank in de subconscientie van de spreker automaties verbonden
worden, en zich in het bewustzijn van de sprekers dan ook als verbonden
openbaren. Maar dat verbonden-zijn, dié
‘eenheid’, beantwoordt nu juist niet precies aan 't
geen Tytus Benni ‘Absicht’ noemt:
‘Mais cette unité ne correspond pas
précisément à ce que M. Benni appelle
‘intention phonétique’ (Absicht) et elle ne
peut être opposée au ‘son’ en ce
sens que ‘son’ serait un élément
‘physiologique’ et l'‘intention’
- l'‘équivalent’ psychique du son. Car,
pour dire Kiel, il faut bien avoir l'intention de dire Kiel et non autre chose, et de le dire comme on le dit
couramment et non d'une autre façon, c'est-à-dire avec
un k initial palatalisé.’ En dan
volgt de passage, waarin hij de theorie formuleert, die gemeengoed | | | | is van vrijwel alle taalkundigen, en die toch een oplossing
van de Gestalt-vraagstukken in taal-gebruik onmogelik maakt:
‘Pour qu'il y ait des réalisations
phonétiques, il faut qu'il y ait préalablement des représentations
phonétiques (curs. v.d. schr.) auxquelles est soumis le
fonctionnement des organes de la parole. Toute coordination des muscles
articulatoires serait impossible, si ces muscles, dans leur
activité, n'obéissaient pas fidèlement aux
impulsions partant des centres nerveux. Ces impulsions ne sont autre chose
que des représentations motrices des sons et ce sont elles
justement qui font qu'un son est articulé d'une certaine
façon. Une articulation traduit une représentation
motrice...’ (Travaux IV blz. 68) Het is dus vlakaf onmogelik, dat
een ‘voorgestelde’ eenheid, die niet deze concrete klank-voorstelling zou zijn, de uitvoering van een
concrete articulatie, en daarmee 't voortbrengen van een concrete klank, zou
kunnen bepalen.19) Een ‘phoneem’ derhalve in de zin van Trubetzkoy, bestaat niet. Aldus Doroszewski.
Zolang de phonologen met hun, niet nader gedetermineerd, voorstellings-begrip
opereren, zijn deze moeilikheden onweerlegbaar: een bepaalde waarneembare
handeling veronderstelt een bepaalde determinant. Als phonemen
‘voorstellingen’ moeten zijn, heeft Doroszewski gelijk. Al ontkent Trubetzkoy
energiek, dat hij met zijn phoneem een voorstellings-doublure bedoelt, en
constateert hij terecht, dat phonemen ervarings-momenten zijn, wat voor 'n
‘Gebilde’ dan wel 'n phoneem is, verklaart hij niet.
Hoe 't mogelik is dat 'n phoneem in verschillende klanken gerealiseerd
wordt, blijft 'n raadsel. En, raadselachtiger nog is - Doroszewski had dit met nog meer succes kunnen urgeren, als hij
niet zelf 'n voorstellings-notie die onjuist is, voor ogen had - hoe 'n
phoneem gerealiseerd kan worden dat helemaal geen
determinerend ervarings-moment uitmaakt, hoe we m.a.w. spreken kunnen zonder ‘voorstellingen’ van
klanken.
Ter verdediging der phoneem-notie, kan men met Trubetzkoy's
eigen bepalingen van dit begrip al 'n bitter klein beetje aanvangen.20) In de ‘Polabische Studien’ spreekt
hij van phonemen als ‘Lautvorstellungen oder akustisch motorische
Absichten’ (blz. 6, Cyzevskyj, blz. 8); in
‘Zur allgemeinen Theorie der phonologischen
Vokalsysteme’ (Travaux I, blz. 39, 40) komt niet de term Absicht voor, overigens blijft de omschrijving dezelfde.
‘Les idées acoustico-motrices, significatives dans une
langue donnée, les plus simples...’ heten ze in
‘Sur la “Morphonologie”’
(Travaux I blz. 85), terwijl in de ‘Thèses’
van de ‘Cercle linguistique | | | | de Prague’,
waarvoor Trubetzkoy mede verantwoordelik is, ze weer
‘images acoustico-motrices subjectives’ worden genoemd
van een systeem, waarin zij: ‘une fonction
différenciatrice de significations’ vervullen.
(Travaux I blz. 10) Tenslotte - en dat werkt hij in zijn artikel
‘La phonologie actuelle’ (Journal blz. 232, 233) breed
uit - is 'n phoneem ‘ce qu'on s'imagine prononcer.’
Al deze formuleringen, en hun verantwoording bovendien, ontzenuwen de kern
van Doroszewski's moeilikheid niet: ofwel het phoneem is
geen ‘voorstelling’, ofwel het phoneem bestaat niet,
en ‘phonologie’ heeft geen zin.
| |
Het phoneem als relevant aanschouwelik moment.
Anderen dan Trubetzkoy hebben een oplossing trachten te
geven. Van Ginneken beschrijft de verschijnselen die ons
in de eerste paragraaf bezig hielden, en besluit dan: ‘Maar
hieruit wordt het nu voor elken kenner van wat elementaire psychologie toch
duidelijk als de dag, dat we hier niet met concrete klank- of
articulatie-voorstellingen te doen hebben; maar met universeele abstracte
klank- of articulatie-begrippen; die van de bijkomstige eigenaardigheden
dier combinatorische klankvariaties afzien en alleen de allen
gemeenschappelijke ideëele comprehensie
bevatten’.21) Zo bestaat er in de
psyche een klank-begrips-systeem, een
‘ideeën-instrument’, dat wij sprekend
bespelen: door het aanslaan van de phoneem-toetsen reageert de articulatie,
en wij spreken; in de ‘akoustieke waarneming’ van die
articulaties herkennen wij de representanten van die phonemen, en wij zijn
hoorder. Hoe is 't mogelik, dat zo'n klank-begrip in verschillende klanken gerealiseerd wordt? Het lijkt me, dat Prof.
van Ginneken dit terugvoert op combinatoriese
invloeden en de invloeden der verschillende psychiese milieu's waarin het
systeem bestaat. (Vgl. blz. 12-15) De ‘vaste ideale
klank’ ondergaat hiervan de invloed.
Bij van Ginneken vervangen nu de klank-begrippen, de klank-voorstellingen. De moeilikheden echter, die
tegen de klank-voorstelling gemaakt werden, gelden ook voor het begrip: er
is, in talloze gevallen van taal-gebruik, van niets prae-determinerends dat
klank-momenten vertoont, sprake. We merken verder
op: als het phoneem een klank-begrip uitmaakt, dan
maakt ook de woord-Gestalt een woord-begrip uit, want alles wat van het phoneem gezegd kan worden
omtrent zijn veranderlikheid en constantheid, geldt a priori van de
inwendige woord-vorm. Op deze wijze zouden we de taal-ervaring van alle
aanschouwelike momenten ontdoen en bleef naast 't begrip alleen de - in | | | | deze veronderstelling in het taal-gebruik zélf niet
aanschouwelik gekende - articulatie over. Bovendien, we kunnen 't phoneem
waarneembaar maken; heel de kwestie berust hier juist op; en 'n begrip is op geen enkele wijze waarneembaar te maken.
Terecht niettemin zocht van Ginneken in de richting der
onaanschouwelikheid, waarin hem Bühler was
voorgegaan. Op de ‘Réunion phonologique internationale
tenue à Prague’ (18-21 XII 1930) hield Bühler zijn principiële voordracht Phonetik und Phonologie. (Travaux IV blz. 22 vlg.) Zijn
Axiomatik geeft van het in zijn voordracht
behandelde nog aanvullende verduidelikingen.
Bühler verwerpt Trubetzkoy's
‘Lautvorstellungen’ en ‘psychologische
Ausdrucksweise’ (Travaux IV blz. 26) en poneert de
noodzakelikheid ‘der Einführung eines eigenartigen Relevanzprinzips in die Lautlehre.’ We
verduideliken dit aan z'n vocaal-beschouwingen: alle vocalen, elk
vocaal-geluid heeft vijf grondeigenschappen: ‘Er hat einen
bestimmten Platz in dem Vokaldreieck nach der Helligkeit und
Sättigung des Klanges, die ihm eigen sind, es hat eine bestimmte
Intensität, eine Dauer und einen Melodieverlauf.’
Welnu van die vijf grondeigenschappen van het geluid,
‘gebruikt’ de taal alleen enige bepaalde als
‘kenmerk’ om het ‘woord’ te
signeren. Alleen dié eigenschappen zijn dan in het teken ‘relevant’ gemaakt: in het adygies
is alleen de ‘Sättigung’ relevant, en wel
in drie duidelik onderscheiden graden, die men de a-, e-, en
ə-groep kan noemen.22)
Dit ‘gebruik’ van slechts enkele grond-eigenschappen
van het geluid op een bepaalde wijze, veronderstelt
‘abstractie’, en ‘abstractie’
veronderstelt, hoe dan ook, denken.22*)
Bühler spreekt nu van het Prinzip
der abstraktiven Relevanz: ‘Mit den Zeichen, die eine
Bedeutung tragen, ist es also so bestellt, dass das Sinnending, dies
wahrnehmbare Etwas hic et nunc nicht mit der ganzen Fülle seiner
konkreten Eigenschaften in die semantische Funktion eingehen muss. Vielmehr
kann es sein, dass nur dies oder jenes abstrakte Moment für
seinen Beruf, als Zeichen zu fungieren relevant wird. Das
ist in einfache Worte gefasst das Prinzip der abstraktiven
Relevanz.’ (blz. 38. vgl. nog Axiomatik blz.
56-58) Bühler spreekt nu van ‘das
Ver- | | | | hältnis des ideellen
‘Phonems’ zur Lautmaterie’ (Axiomatik blz.
57) en, volgens Doroszewski ‘platoniserend met
een achterstand van 24 eeuwen,’ (Proceedings, blz. 134) ziet hij
in het phoneem een wetenschappelik bepaalbaar εἶδος, een
‘beeld’, een ‘ideëel’
beeld. Hij zegt niet, dat het phoneem een ‘gedachte’
is, een ‘begrip’, een ‘idee’;
hij wil aan zijn bepaling geen preciese ontologiese betekenis gehecht
zien.23) Hij wil
alleen het verschil naar voren brengen tussen het waarneembare gebeuren,
articulatie en klank-vorm, en het determinerend relevante. Wel concretiseert
hij zijn opvatting verder, en subsumeert het phoneem-begrip onder de
teken-notie. Het phoneem is een ‘Diakritikon’, een
‘Unterscheidungszeichen’ (Travaux IV blz. 40), waarmee
een klank-geheel tegenover een ander klank-geheel kan worden gesteld: slip-slap, i en a zijn diakritika.24) Dit
diakritikon - Bühler onderscheidt hier
begrijpelikerwijze niet zuiver, zijn definitie (vgl. blz. 189
hiervóór) distingueert geen typiese van relevante momenten, de ene als vorm-,
de andere als Gestalt-momenten - is het ervaringsmoment, waarin aan de waargenomen geluidstroom de typiese momenten worden
onderscheiden. Men bedenke wel: dit onderscheiden
geschiedt in de ervaring; de geluidstroom zelf vertoont alleen vanuit de
ervaring de typiek die in het phoneem ‘semanties’
functioneert. Hierdoor wordt van het waargenomen geluid
een aanmerkelik gedeelte der verschillen, die zich hierin openbaren, semanties irrelevant en consequenter - zoals Gemelli aantoonde - in de waarneembare vorm a-typies.
Waarom kan | | | | de een bóbbel zeggen,
de ander bòbbel zonder dat dit voor 't
begrijpen storend werkt? Omdat het verschil tussen deze
twee klanken niet functioneert en bepaalde overeenkomsten wel. Zo laat de taal de grote massa
zelfs der vorm-momenten voor wat ze zijn, maakt ze niet
‘relevant’.25). We kunnen besluiten: het phoneem is een relevant
moment der kennende-aanschouwelikheid.
| |
Phonologie en phonetica.
Doch, de gekende vorm is gekend geluid, en hoe achterhalen wij wat er in een phoneem relevant gemaakt is? Alleen in
phonetiese studie, in de studie van dat geluid.
De phonologie leert, op grond van haar phoneem-notie, van welke momenten van een klankstroom de typiek gezocht moet worden,
van welke momenten de phonetica dus de vormelik typiese
eigenschappen experimenteel moet vaststellen en beschrijven; de typiek zelf
is geen voorwerp van onderzoek van de phonologie: de eigenschappen van het
gekende geluid zijn alleen aan dat geluid afleesbaar,
omdat wij in taalgebruik wel het geluid waarnemen, doch niet het phoneem. De
phonetiek is niet de Assepoester die de phonologie er van schijnt te willen
maken. Alleen aan het geluid zijn de opzichten, waaronder in
het phoneem dat geluid, als aanschouwelik gekende
vorm, relevant gemaakt is, te bepalen.
Dat het adygies drie ‘openingsgraden’ kent weten we uit
phoneties en niet uit phonologies onderzoek; dat we
het vocaalsysteem moesten ordenen in drie groepen 'n a-, 'n e-, en 'n
ə-groep leert de phonologie.26)
Aan de phonologie wordt daarmee niet te kort gedaan. Haar taak is nog
omvattend genoeg. Geheel de leer der phoneem- | | | | combinaties en hun
verhoudingen valt binnen haar studie-materiaal bovendien. Zij alleen kan de
werkelik gebruikte combinaties in een bepaalde taal aanwijzen en
verantwoorden. Zij ontwikkelt de phoneem-systematiek ener bepaalde taal. Uit
de permutatie van de gebruikte phonemen in het woord kat
b.v., blijkt haar, dat in het geïsoleerde woord in het nederlands
de combinatie atk, kta en tka
ongebruikelik zijn, uit hoofde van de ongebruikelikheid der
medeklinker-combinaties kt en tk in
‘Anlaut’ en tk in
‘Auslaut’. De phonetica neemt de taak over, als moet
worden uitgemaakt, wat er in het phoneem relevant is:
de klanken en hun combinatie-mogelikheden levert haar de phonologie; de
phonetica maakt, uit het experimenteel geconstateerde gemeenschappelike in
de verschillende combinaties der klanken vergeleken met de
geïsoleerde vorm, de typiek op, en concludeert zo tot hetgeen er
in het phoneem relevant is.27) De o is 'n
nederlands phoneem; maar is 't nu de o-klank van bóbbel of van bòbbel, die
typies is? Noch de o van bóbbel, noch die van
bòbbel, maar alleen zekere
gemeenschappelike eigenschappen van beide. De verschillen die de phoneticus
aan hen constateert, kan hij als a-typies kenmerken, omdat 't woord bobbel met beide herkenbaar blijft. Phonologie en
phonetica komen tot hun resultaten niet op grond van psychologiese analyse
of beschrijving, doch op grond van de taalervaring die het studie-object
uitmaakt der linguistiek.28)
| |
Phoneem en woord-Gestalt.
We hebben in de voorafgaande paragrafen voortdurend vanuit een vrijwel
verzwegen veronderstelling geredeneerd: alleen op grond van het woord is het phoneem te bepalen. We weten dat in man, de phonemen m, a en n voorkomen, omdat het woord man met deze phonemen ‘lautgestaltlich
identifizierbar’ is (Bühler, Travaux
IV blz. 45), en niet met m, a en l b.v.
Alleen aan een woord, alleen op grond van de
‘lautgestaltliche Identifizierbarkeit’ van de
woord-Gestalt, is het mogelik uit te maken wat er aan die Gestalt relevant
is. Het woord-geheel is het noodzakelike uitgangspunt voor de | | | |
bepaling van de functionaliteit van z'n delen, zoals het woord omgekeerd ook
uitgangspunt is voor elke bouw van een groter taal-geheel. In het woord
centreren alle taal-verschijnselen.
Het is onmogelik van 'n meerwoordengeheel of van 'n lettergreep uit te gaan,
om het phoneem te vinden, omdat het phoneem hierin slechts onrechtstreeks
functioneert, nl. via de woord-Gestalt en het woord.29) Ook in de studie der phonologie, blijkt de
centrerende positie van het woord in geheel het taal-gebeuren. Wat is
namelik het geval? De woord-Gestalt, gevormd uit de in de opeenvolging van
de tijd tot eenheid gebrachte gekende klank-momenten,30) onderscheidt zich van andere woord-Gestalten niet
primair aan de relevante leden dier Gestalt, doch aan haar kenmerkende geheel-verschijning: ‘Wenn wir im Deutschen
Saat - satt, Beet - Bett usw. mit dem Ohre
unterscheiden, dan sind da komplexe Diakritika im Spiele. Denn der
hörbare Unterschied erstreckt sich nachweisbar nicht nur auf die
Vokale, sondern kurz und bündig auf das Ganze des Silbenklanges.’ (Bühler, Travaux IV blz. 41)
Aan de woord-Gestalt onderscheiden zich leden, die de komplex-kwaliteit van
dit geheel mede tot uiting brengen, doch deze relevante momenten zijn alleen
disjunctief relevant, d.w.z. niet alle relevante momenten samen zijn nodig om de Gestalt te doen functioneren, doch zij
volstaan, hetzij het ene of het andere, of althans slechts met enkele samen
tegenover de andere. We herinneren ons het verschijnsel uit de paragraaf
‘de Gestalt’, waar wij het aan 'n kubus
demonstreerden. Echter veel verder dan in dit voorbeeld, strekt zich de
veranderingsmogelikheid | | | | van de woord-Gestalt uit. Een
begroetings-formule ‘Morgen!’ of ‘Besjour!’ kan in 't gebruik
verminkingen vertonen waardoor van de vijf phonemen er twee overblijven, en
wat er bij 'n meerwoorden-geheel gebeuren kan, zagen we reeds in de eerste
paragraaf van ons vorige hoofdstuk zeer duidelik! Onbegrijpelik is dit
alles, wanneer niet de Gestalt een, haar kenmerkende, geheel-verschijning
vertoonde, die onder deze veranderingen der leden bewaard blijft. De kenmerkende geheel-verschijning berust op
komplex-kwaliteiten waarvan de phonologie nog slechts enkele met moeite
tracht vast te stellen. Een zeer belangrijke bijdrage tot de studie van dit
vraagstuk leverde Fritz Röttger.30*) Hij bewijst afdoende, dat de Gestalt als geheel fungeert:
‘Entscheidend sind nicht, wie bisher fälschlich
angenommen wurde, qualitative oder quantitative Unterschiede der sog.
Aufmerksamkeit, die da isolierte Sonder-prozesse vereinzelter
Lautvorstellungen bewirke; sondern spezifisch
gefärbte Ganzqualititäten bewirken und bestimmen
Werden und Gestalt.’ (blz. 214)
‘Der Primat des Ganzen vor den Teilen’ is het tweede
feit dat uit zijn onderzoekingen onmiskenbaar naar voren treedt. Verder
blijkt niet alleen het primaat van het betreffende geheel over de delen,
maar ook de ervarings-eenheid openbaart zich duidelik.
Ten vierde: ‘Endlich gestattete unser begrenzter Ausschnitt aus
dem Leben der Sprache, den genetischen Primat des
psychischen Ganzen - in jeder der von F. Krueger und seiner Schule
unterschiedene Bedeutungen - weiter zu erhellen,’ (blz. 215) Hij
bewijst, al gebruikt hij die term niet, dat de
‘Gestalt’ niet gevormd wordt uit bestaande
‘phonemen’; om het traditioneel te zeggen: dat het
woord-beeld niet wordt opgebouwd uit klanken; hij bewijst aan de hand der
feiten omstandig, dat de differentiëring van
het aanschouwelike geheel, die wij in ons derde hoofdstuk bespraken, slechts
geleidelik de kennis der Gestalt-momenten oplevert. Hij
bewijst volstrekt niet - dat zou trouwens buiten het bestek van zijn studie
vallen - dat in elk psychies geheel van het ogenblik álle onderscheidingen áltijd alleen uit dat geheel te
verklaren zijn; hij bewijst alleen, dat de woord-Gestalt altijd als geheel
| | | |
fungeert, en dat haar momenten, in
hun worden, uit dát geheel te verklaren zijn. We merken nog eens op: dit is iets anders
dan te menen, dat elk moment altijd uit elk bepaald geheel van het ogenblik
zou ontstaan. Dat heeft Röttger ook van zijn woord-Gestalt-momenten niet bewezen.
Wij toonden in ons derde hoofdstuk aan, dat elk woord
bij zijn making, in zijn worden, altijd volkomen uit het ervarings-geheel
dient te worden verklaard. Evenmin als de Gestalt uit háar
momenten, wordt het woord uit zíjn momenten, Gestalt en
betekenis, opgebouwd. Met het phoneem heeft het woord verder nog gemeen, dat
het ook alleen in 'n geheel bestaan kan, dat het
noodzakelik ervarings-moment is. Het woord als
ervarings-moment verschilt van het phoneem in dit
essentiële punt, dat het om te kunnen bestaan, geen bepaald geheel veronderstelt. Het vertoont een vorm van
autonomie die aan het phoneem volkomen vreemd is. Het is juist de aard van
het woord van geheel ongelijksoortige gehelen moment te kunnen zijn. Het
phoneem kan als phoneem alleen bestaan in het grotere
woord-Gestalt-geheel; het woord veronderstelt, om
te kunnen bestaan, volstrekt niet een meerwoordengeheel; het kan als woord tegelijkertijd gebruiks-eenheid: zin zijn. Opnieuw stoten we op het fundamentele
verschil tussen functionele taal-momenten en autonome
taal-momenten: het phoneem is 'n functioneel
aanschouwelik teken-moment, het woord is simpliciter
teken.
In de woord-aanschouwelikheid vonden wij de wederzijdse functie van de
Gestalt-behoudende momenten op zeer markante wijze uitgedrukt: enerzijds
onderscheiden zich daarin de phonemen als diakritiese momenten van het
geheel, en anderzijds poneert zij zichzelf op die momenten de bepalende
komplex-kwaliteiten. Op beide berust haar kenmerkende geheel-verschijning:
‘Dass es in jeder Sprache eine abzählbare Anzahl, ein
System... elementarer notae (de phonemen) gibt, ist eine der Grundthesen der
Phonologie. Was ich hinzu behaupte, ist: es muss ihr sofort eine zweite
Grundthese an die Seite gestellt werden. Eine These des Inhaltes, dass diese
notae genau dort, wo sie vorgefunden werden und fungieren, im Lautcharakter
des Wortes, ihre Partner, Berufsgenossen und Gegenspieler haben in den
genannten Komplexcharakteren. Sollte dagegen noch irgend ein Zweifel
aufkommen, so wäre, wie ich glaube, schon der Hinweis auf die
Tatsache, dass die bestimmte einsinnige Reihenfolge der Laute im Worte ein
noli me tangere im Gesamtgepräge ist, geeignet, ihn zu
entkräften.’ (Bühler,
Travaux IV blz. 47) De Gestalt fungeert niet alleen in haar verenigde
phonemen, zij fungeert als geheel, en moet ook altijd als geheel fungeren, omdat
zij als | | | | zodanig in de eenheid van het taal-teken is
geponeerd.30**)
Zelfs de tot 'n enkele klank gereduceerde uitwendige woordvorm kennen we in
de woord-Gestalt, want de diakrise, die wij in het
gebruik voltrekken, is er ene waarin wij het ‘woord’ ervaren: als m-o-r-g-e-n, m-o-ə
wordt, kan deze laatste vorm, waargenomen, de Gestalt uitmaken van morgen, omdat, op welke wijze dan ook, aan de vorm een
moment overbleef dat de diakrise mogelik maakt.
Hoe ver kan het verlies der geledingen gaan, zonder dat de eenheid blijkt te
zijn opgeheven?30***)
Wij weten het niet; maar wél weten we dit ene: altijd moet een aanschouwelik moment dat, gekend, als
Gestalt-moment relevant is, aanwezig zijn. En is dat moment aanwezig, dan
herkennen we in de Gestalt als geheel de vorm, omdat de
Gestalt alleen als geheel functioneert in de
teken-eenheid woord. We komen hierop uitvoeriger terug.
Terecht bestudeert Bühler de ‘Situationsindizien und Kontexthilfen’ die bij de totstandkoming der diakrise
functioneren, doch zij veronderstellen toch altijd 'n
relevant Gestalt-moment om de woord-ervaring mogelik te maken, en in
communicatie een typies vorm-moment bovendien.30****) Het woord derhalve als gebruikt
taal-moment, wordt ervaren aan een Gestalt, die als eenheid onafhankelik is van elke situatie, doch
alleen afhankelik van het taal-systeem dat in woorden en hun gebruik is
uitgebouwd.
Uit deze paragraaf resulteert ons de wetenschap, dat het phoneem een relevant
woord-Gestaltmoment is, waarin we een bepaalde klank kennen, en de
woord-Gestalt: een aanschouwelike ken-eenheid, waarvan de kenmerkende
geheel-verschijning berust op de wederzijdse functionaliteit van phonemen en
komplex-kwaliteiten, van welke laatste de in de | | | | tijd bepaalde
opeenvolging der phonemen er ene is. De Gestalt-momenten zijn disjunctief
relevant en alleen bepaalbaar ten opzichte van de woord-eenheid; de Gestalt
als ervaringsmoment veronderstelt derhalve slechts enkele relevante
aanschouwelike momenten. En ook hierin weer toont zich het verschil tussen
de vrije synthese tot het gebruiks-geheel zin, en de
blijvende eenheid die we in het woord gemaakt hebben.
De woord-Gestalt veronderstelt tot volkomen begrip geen interpolatie der
ontbrekende relevante momenten tot een ‘volledige’
Gestalt-realisatie; de zin, om als deze zin begrepen te
worden, veronderstelt wel de interpolatie van de ontbrekende woorden. Vertoont een zin-schema een open plaats, dan moet een hoorder completeren, interpoleren. Dat kan
uiterst eenvoudig zijn en bijna onopgemerkt verlopen, maar het veronderstelt
niettemin een ogenblik van taalbeschouwing. De toevoeging móet
geschieden, wil de hoorder het bedoelde geheel kunnen vormen. ‘De zin altijd begrijpelik’ is volgens de
nederlandse taalgewoonten onbegrijpelik als de hoorder of lezer niet,
minstens in de denk-act waarin hij dit geheel, ook in een zeer bepaalde
situatie, plaatst, vervolledigt met is. De Gestalt r in ‘'keprgisterenochezien!’ eist geen
aanvulling, geen interpolatie van welk phoneem of ander functioneel moment
ook, tot haar, omdat de kenmerkende geheel-verschijning
der Gestalt h-aa-r, die in dit geheel tot onderscheiding
van het woord haar nodig is, is gebleven. Wel kan in de
zin de melodiese bouw, ondanks het uitvallen van woorden, volledig
herkenbaar blijven en het geheel nog als zin herkend
worden, doch het kan niet als deze bedoelde zin worden
begrepen, zonder dat er op een of andere wijze geïnterpoleerd
wordt zó, dat het geïnterpoleerde woord, of altans de onaanschouwelike aanvulling, nu ook ervarings-moment uitmaakt; en van dit laatste is bij
relevante momenten der woord-Gestalt geen sprake. Het waargenomen r fungeert
in r als h-aa-r omdat het met de
onaanschouwelike betekenis een, vóór elk gebruik
bestaande, blijvende eenheid uitmaakt, die als
gebruiks-mogelikheid een dynamiese potentie van de taal-gebruiker is.
Zijn we waar we wezen moeten? Volstrekt niet. We deden niet meer dan, na in
het vorige hoofdstuk de verschijnselen onder het Gestalt-begrip te hebben
gesubsumeerd, nu aan de Gestalt-verschijnselen een begripssysteem
ontwikkelen, dat die verschijnselen zonder tegenspraak in onderling verband
samenbrengt. Verklaarden wij de Gestalt zelf als ervarings-moment,
verklaarden wij hoé zij functioneren kan als zij doet? Neen. Alle
moeilikheden, die aan het voorstellings-begrip eigen zijn, blijven dwingend
als te voren. Het is het woord als ervarings-gegeven dat ons in deze studie
bezig houdt; het is dan ook de Gestalt als ervarings-moment, die wij nog steeds onverklaard lieten.
| |
| | | |
Historica.
Toen de taalkunde zich psychologies oriënteerde,31)
waren het de woord-voorstellingen, die het eerst en ten volle de aandacht
trokken. Wundt ging voor; van Ginneken
opende met een beschouwing over dit psychiese verschijnsel zijn
‘Principes’. Hij had, in die dagen, iets anders te
bewijzen dan wij nu: hij had aan te tonen dat de voorstelling niet met de
‘gedachte’ samenviel, en hij bewees 't aan de feiten.
Ondertussen is zijn standpunt, in de linguistiek evengoed als in de
tekenleer, algemeen geworden. Ook zelfs Ogden &
Richards, voor wie denken en aanschouwelikheid wèl
samenvallen, wijzen toch de ‘voorstelling’ als
denk-vorm af. Doch wat verstonden de onderzoekers onder
‘woord-voorstelling’? Een ervarings-moment dat, zoals
we reeds vaak zeiden, de psychiese prae-determinant moest zijn van het
gesproken, gehoorde, gelezen en geschreven woord. (Principes §
1-8) De articulatie werd beheerst door een motoriese
articulatie-voorstelling; 't schrijven door 'n motoriese
schrijf-voorstelling; het horen was mogelik door 'n auditieve voorstelling;
't lezen door een visuele. Die voorstellingen waren onderling verbonden,
doch de band kon losser of vaster zijn. Ontbrak in een individu een
dergelike voorstelling, dan trad een der vormen van
‘aphasie’ op. Het was duidelik, dat de voorstellingen
zeer complex moesten zijn (§ 25 blz. 20), want de voorstelling
werd gedacht als het noodzakelik adaequate kennis-correlaat van de
gewaarwordingen, en de noodzakelik adaequate, gekende determinant van de
bewegingen. De ‘voorstellingen’ - een ‘résidu’ veronderstellend -
ontstaan uit voorafgaande uitgevoerde bewegingen of klank-waarnemingen, die
men dan bewegings- of gehoor-beeld noemde, dat weer tot
actuele voorstelling kon worden. Voor elke gewilde
beweging werd een bewegings- of kinaesthetische voorstelling noodzakelik geacht.32) Zowel gehoorbeeld als
bewegingsbeeld werden in de spraakhandeling duidelik als aktueel
voorgestelde determinanten der articulatie aangewezen.
Dat de volwassene van dit alles zo weinig merkte - alleen soms als hij b.v.
'n woord niet vinden kon of 'n beter zocht - kwam door de automatisering;
het ging allemaal zo gauw - en niet langer reflex doch automaties - dat we
het verloop in de ervaring niet langer volgden.
De denk-onderzoekingen van de laatste twintig jaar, en het parallel
voortgezette onderzoek der voorstellings-verschijnselen, maakten dat deze
| | | | verklaring niet langer houdbaar blijkt. Al deze voorstellings-processen werden bij het kind
‘verondersteld’ als verklarings-mogelikheden. De
veronderstelling is overbodig; ze hoeven evenmin voor 't kind te worden
‘aangenomen’ als ze bij de volwassenen bestaan.
| |
De woord-voorstelling moment van woord-beschouwing.
Overgaande tot de bewijsvoering, dat de Gestalt inderdaad de verklaring biedt van de verschijnselen die we daaraan
constateerden, staan we voor de moeilikheid, dat we uit de psychologie
begrippen als leenwaarheden zouden moeten kunnen gebruiken, die helaas
diezelfde psychologie ons nog niet aan de hand doet. We zullen ons daarom 'n
ogenblik zelf moeten helpen.33)
Wij moeten beginnen ons vrij te maken van de mening, dat de
aan-schouwelikheid in haar structuur of in haar functie zou veranderen, naarmate zij moment is van 'n
waarnemings-ervaring, 'n voor-stellings-, of 'n denk-ervaring. Meyerson, Delacroix en vele anderen (Meyerson
noemt Willwoll en Bühler)
constateren aan het ‘image’ een zeer eigen-aardige
structuur: ‘sous quelque forme qu'elle se présente,
elle est déjà vision intellectuelle; elle
présente à l'esprit des choses
déjà élaborées, vues d'un
certain point de vue, avec une schématisation correspondante,
avec une accentuation de certains traits, un grossissement de certains
caractères; elle est toujours un peu comme le croquis de
l'artiste, qui exprime sa façon de voir le site.’ (Delacroix blz. 404) Zó echter kennen we in de
waarneming ook de aanschouwelikheid der
waarneembare ‘dingen’. De levendigheid, de volheid,
het bewustzijn de ‘lijfelike’ tegenwoordigheid van het
waargenomen aanschouwelike, het sluit aan op de actuele stimulering die het
waarnemend subject mede doorleeft; wat hij echter van het
‘ding’ denkt, is in de
waargenomen aanschouwelikheid
‘élaboré’,
‘verwerkt’, het is... gestaltet. We herinneren ons de
kubus. In de voorstellings-ervaring, als tegengesteld
aan de waarnemings-ervaring, beleeft ons ik dat
‘image’, die aanschouwelikheid, op een andere wijze
dan in de waarneming: het is zich bewust van de subjectieve aard van het in
deze aanschouwelikheid gekende: doch deze
aanschouwelikheid zelf, is niet van een andere structuur dan de
aanschouwelikheid waardoorheen we in de waarneming de dingen buiten ons
denken. In de twee gevallen beleven wij het aanschouwelik gekende in een
verschillende verhouding tegenover ons ik, | | | | doch de structuur
van dat kennen zelf als aanschouwelik moment der
ken-eenheid, waarin wij óf waargenomen óf voorgestelde
dingen denken, vertoont in wezen geen onderscheid. In het voorstellen,
duideliker nog dan in het waarnemen, vertoont zich het Gestalt-karakter. Het
is niet anders in een denk-ervaring. Ook
daár de schematisering der aanschouwelikheid, de accentuering van
bepaalde momenten, de vergroting van bepaalde trekken, het fragmentariese
van de ‘schets’. De feiten zijn
psychologies gemeengoed. Het is de houding van ons ik, in het denken: de
richting op het onaanschouwelike, die, schijnbaar, de functie der
aanschouwelikheid en, feitelik, de helderheid van het aanschouwelike als
ervarings-moment, doet terugtreden. Ook in het denken fungeert de
aanschouwelikheid op dezelfde wijze en met dezelfde structuur als in
voorstellen en waarnemen. Zoals de mens slechts één
denken denkt, dat zich in verschillende phasen van betrokken-zijn
manifesteert, zo aanschouwt hij ook slechts in één
aanschouwelikheid, die zich in de phasen van het waargenomene, het
voorgestelde en het om-dachte uit. En de macht der beide polen:
aanschouwelikheid-onaanschouwelikheid, is omgekeerd evenredig met de functie
der subjectiviteit; is deze subjectiviteit alleen eenheidgevend gestaltend,
dan overweldigt ons de aanschouwelikheid: wij nemen
waar; is zij eenheidgevend gestaltend en bewust aanschouwelikheid actuerend werkzaam, dan verliest die aanschouwelikheid
het kenmerk der noodzakelikheid, dan schijnen wij haar te beheersen: wij stellen voor; schept ons ik, vergelijkend scheidend of
vergelijkend verenigend, nieuwe eenheden, dan kon het zelfs schijnen of de
aanschouwelikheid als ervarings-moment verdween: wij denken. De Würzburger Schule meende een ogenblik
‘anschauungs-loses Denken’ te vinden; zij heeft deze
sententie laten vallen. Niet alleen dat deze sententie de eenheid van het
menselike wezen onbegrijpelik zou maken, zij bleek ook bij voortgezette
observatie onhoudbaar. Delacroix mag zeggen:
‘Ce que nous trouvons dans toutes les observations qui
prétendent révéler une telle
pensée pure, c'est le sentiment d'un savoir et d'un pouvoir, qui,
si l'on y regarde de près, s'accompagne toujours
d'opérations commençantes et au moins partiellement
formulées.’ (blz. 406)
Deze veraanschouweliking is een noodzakelike voorwaarde voor het denken.
Immers de gedachte bestaat alleen als moment der
aanschouwelik-onaanschouwelike ken-eenheid, waarvan het
‘image’ het aanschouwelike lid uitmaakt; en het is
derhalve onmogelik een ken-act te voltrekken, zonder het aanschouwelike lid
dier eenheid te stellen of mede te reproduceren; de eenheid bestaat niet
zonder de aanschouwelikheid. Op grond der geobserveerde feiten constateert
Delacroix nog eens: ‘Il semble donc | | | | que, dans tous les cas, la pensée opère
sur une donnée, sur quelque chose, sur un schéma, sur
un signe. Nous n'apercevons jamais la virtualité pure sans un
commencement de réalisation, le pur pouvoir sans un commencement
d'exercice, la force sans le mouvement. Il est vrai que la puissance
d'abréviation de la pensée est extraordinaire, et
qu'un rien suffit souvent. Nous arrivons à faire tenir des
développements entiers dans un mot.’ (blz. 411)
In al deze gevallen functioneert de Gestalt tegenover de gedachte als de
inwendige vorm van een teken34): want in de eenheid
die beiden uitmaken om te kunnen bestaan, zijn wij altijd op de zaak gericht, stellen wij altijd 'n niet-ik tegenover
ons: ‘Bref, aucune image n'est une “simple”
image, la fonction cognitive (c'est-à-dire la relation
à la chose qu'elle signifie) est essentielle à son
existence même.’ Meyerson (blz. 576)
citeert deze woorden van Hoernlé en poneert
daarmee het princiep der ‘Gestaltung’: de structuur
der aanschouwelikheid is alleen uit haar functie in het tekengeheel te
verklaren.35) De gedachte bepaalt haar
structuur; zij is, inzover zij deze dient. Dit geeft haar geheel
eigensoortige kwaliteiten, haar variabiliteit in constantheid b.v., die ons
reeds zo lang bezig houdt: ‘l'image est à mi-route de
la pensée, elle est du sensible transformé de la
pensée’ (blz. 595),36) en zij is dat in alle | | | | vormen
waarin zij zich openbaart, en in alle ervaringswijzen van ons ik: in de
waarneming betrekt het denken het in haar gekende op het waarneembare, in de
voorstelling op het in ons geproduceerde waarneembaar maak-bare; in het
denken, als om-dachte aanschouwelikheid, als aanschouwelik moment t.o.v. de
denk-eenheid heeft de aanschouwelikheid geen ‘zakelik’
betrokken ‘inhoud’ meer, doch steeds vertoont zij
dezelfde Gestalt-verschijnselen. Meyerson hoeft niet,
twijfelend, een ‘différence de nature’
tussen om-dachte aanschouwelikheid en het waarnemings-beeld te
veronderstellen, zij zijn van dezelfde natuur, doch worden in een
anders-soortige ervaring gebruikt.
Voor de aanschouwelike momenten der waarneming gebruiken we verder de term
waarnemings-beeld, voor die der voorstelling: voorstelling en voor die ener denk-ervaring omdachte aanschouwelikheid. En evenmin als hun structuur en
functie als aanschouwelikheid door dit verschillend
gebruik verandert, evenmin verandert de aard der aanschouwelikheid door re-productie.
Elk aanschouwelik ervaringsgeheel is ge-produceerd; we
hebben dat aan de feiten bewezen: het is uit het complex der prikkels niet
te verklaren. We zagen verder, dat deze productie
verklaard moet worden uit zijn functie in een ken-geheel. Die functie,
waartoe het onaanschouwelik moment van een ken-geheel het aanschouwelike
determineert, blijft de aanschouwelikheid in al z'n gebruiks-wijzen bij. Re-productie verandert daar niets aan. Ook het
waarnemings-beeld, dat, eenmaal gevormd, tot potentieel ervarings-moment
terugtreedt, wordt, bij hernieuwde stimulering, mede ge-re-produceerd; hierin verschilt het niet van de
voorstelling of de omdachte aanschouwelikheid. Het voorstellings-karakter is evenmin een kwestie van het ge-re-produceerd zijn; het voorstellings-karakter is 'n
kwestie van de houding van ons ik tegenover een niet-ik; daarin verschilt de
voorstelling van waarnemings-beeld en omdachte aanschouwelikheid.
Voorstelling en gereproduceerde aanschouwelikheid zijn dus niet zonder meer
hetzelfde: voorstelling is ge-re-produceerde
aanschouwelikheid in een voorstellings-ervaring. En daarmee zijn we aan de
conclusie, die voor onze kwestie van zeer groot belang is: er bestaan geen
woord-voorstellingen in taal-gebruik; woord-voorstellingen bestaan alleen
in bepaalde gevallen van woord-beschouwing, in die
gevallen nl. waarin deze beschouwing gericht is op de woord-Gestalt. Heel het voorstellings-begrip waarmee de linguistiek
pleegt te werken, is 'n begrip dat tot 'n andere ervaringscategorie hoort,
dan die van het taal-gebruik, dat 'n denk-ervaring is,
en wel 'n ervaring waarin we gericht zijn op de zaken
waarvoor we het woord gebruiken. Heel de woord-voorstellings-theorie | | | | kwam uit de
studeer-kamer van taal-beschouwers, niet uit de
vakkundige observatie van het werkelike taal-gebeuren. Consequent kwamen de
vroegere onderzoekers tot de eis van prae-determinerende voorstellingen, want
inderdaad moest volgens hun theorie - al kenden zij de hier gebruikte
distinctie niet - van de beschouwing tot het gebruik worden overgegaan.
| |
Synergie en Gestalt.
De aanschouwelikheid waarmee wij in taal-gebruik te maken hebben, is omdachte
aanschouwelikheid, geen voorstelling dus, en geen waarnemings-beeld. Dit
laatste eist enige verklaring; want 't is toch een onomstotelik feit, dat we
in communicatie typiese geluiden waarnemen. Inderdaad
maakt 'n dergelik waarnemings-moment deel uit van elke communicatie in taal,
doch dit waarnemings-moment is functioneel volkomen betrokken op de denk-act
zelf. Het aanschouwelik moment van 'n waarneming of 'n
voorstellings-ervaring echter betrekken wij in die ervaringen op de zaak die we in de denk-act, waarvan die
aanschouwelikheid moment uitmaakt, kennen: het bruin is
de kleur van het paard. Dit is in
taal-gebruik niet het geval; de typiese geluiden hebben geen
‘zakelik’ karakter: p-aa-r-d is niet het geluid van 'n
paard, maar in de Gestalt p-aa-r-d geactueerd aan de
waargenomen vorm p-aa-r-d, denken wij het paard.37) De woord-aanschouwelikheid als waarnemings-beeld bestaat
alleen in de ervaring van de phoneticus, en wat de woord-voorstelling
aangaat, daarover passim meer.
Nu wij zo de woord-Gestalt geplaatst hebben, kunnen wij - en dat is het
volgende stadium van ons onderzoek - zijn verhouding tot de synergie, die de voorwaarde voor het bestaan der Gestalt als
ervarings-moment uitmaakt, bestuderen.
Alle ervaring is alleen begrijpelik als 'n activiteits-wijze van het gehele
individu, als de activiteits-wijze van een organies-psychies geheel, een organies-psychiese eenheid. Spreken van welk ervarings-moment ook, is tevens altijd impliceren van
organiese processen die geen ervarings-moment uitmaken. Met de
aanschouwelike en onaanschouwelike ervarings-momenten vormen deze processen
de menselike handelings-eenheden, en het niet onaanschouwelike deel van deze
handelings-eenheden noemen wij 'n synergie, 'n
sensories-motories coöperatie-geheel.
| | | |
Dat deze synergie per se motories is, en niet alleen
sensories, blijkt uit het feit der productie. Het
geheel der organiese processen is niet uit sensoriese stimulering
begrijpelik; het veronderstelt een structurering die ook het motoriese
omvat. Doch deze sensories-motoriese synergieën vertonen een zeer
bepaalde functionaliteit ten opzichte van het kennen: zij worden
geconstitueerd, een bepaalde ken-act in het organies-psychies menselik
individu mogelik makend. Het is in deze ken-act dat de synergie met haar
functionele eenheid en structuur ontstaat. Niet alleen dus het sensoriese,
doch ook het motoriese, vindt mede in de functionaliteit van de synergie ten
opzichte van het onaanschouwelike, zijn verklaring. Kennend worden, onder
het primaat van een denk-act, de sensories-motoriese processen opgenomen in
een synthese, die een blijvend menselik
handelingsgeheel kan uitmaken. Alles wat in deze synthesen, blijvende of
niet-blijvende, moment is, deelt in de eigenschappen
van het geheel. Momenten van een dergelik geheel, die
in vorm volkomen gelijken op momenten die niet in dit
geheel zijn opgenomen, verschillen dus per se
functioneel: zij zijn niet dezelfde. Zelfs organies kan hun structuur niet
dezelfde zijn, als de structuur van een organies gegeven dat niet in dit
geheel is opgenomen.38)
Een dergelike handelings-eenheid kan blijvend zijn of
alleen momenteel. Alle enkel ogenblikkelike, alle niet blijvende
handelings-gehelen omvatten mede bewuste streefmomenten. Dit moment, uit
zijn aard richtend in de momentele
situatie, kan derhalve geen deel uitmaken van een blijvend geheel, doch wel worden blijvende gehelen onder de invloed
van het momentele streven tot het vrije momentele handelings-geheel
gedetermineerd. Zo maakt van elk ervaren enkel
ogenblikkelik handelings-geheel, waarvan blijvende handelings-gehelen altijd
moment zijn, ook een streefmoment noodzakelik deel uit.
Dwelshauvers zegt nu dat het ‘image’
niets anders is, dan ‘la notation consciente, d'une
synthèse fonctionnelle’ (blz. 360), en
‘L'image se construit en même temps que les synergies
fonctionnelles s'organisent dans le système nerveux.’
(blz. 384) En tenslotte, even verder: ‘Les images ne sont autre
chose que l'inscription consciente de mécanismes
régulateurs qui servent d'intermédiaires
entre l'organisme et la conscience.’ (blz. 385) En omdat de
synthese geconstitueerd wordt in een denk-act, is er
één ogenblik waarop het relevant aanschouwelike als
zodanig kennend
| | | | geconstitueerd wordt, één ogenblik
waarop elk ‘image’, elke ken-aanschouwelikheid ons
bewust is, dat is het ogenblik van haar vorming.38*) In het gebruik kan de synergie nu
verder functioneren zonder dat alle momenten, die in de
kenmerkende geheel-verschijning relevant kunnen zijn, opnieuw tot
ervarings-moment worden. Wat men gewoonlik ‘Gestalt’
noemt, is het ken-aspect van de zo juist geschetste synergie. Het ken-proces
als menselike handeling is dus met het ervarings-moment
niet uitgeput; het veronderstelt de werking der gehele synergie, ook van de
organiese processen die geen ervarings-moment uitmaken. De mogelikheden die
in het ken-aspect liggen, behoeven in het gebruik niet
alle geactueerd te worden om deze synergie te doen functioneren; het is
voldoende dat alleen zoveel der relevante momenten ons bewust wordt als
nodig is om de kenmerkende geheel-verschijning te veraanschouweliken. En,
welke momenten relevant blijken, is nog maar zeer weinig bekend. En zolang
de Gestalt slechts middel is in een handelings-geheel
van het individu, heeft zij evenmin zijn aandacht, als de hamer van de
timmerman die 'n spijker in de muur wil slaan: ook die bekijkt niet bij elke
klop de hamer. Hij bedient er zich van op een wijze dat we geneigd zijn te
zeggen: hij grijpt ‘automaties’ toe; 't gaat om de
spijker in de muur. Dat is ook de toestand van de aanschouwelikheid in het
taalgebruik. Zij is middel, zoals het hele taal-teken
middel is; wij kunnen van haar geen voorstelling maken,
zonder het taal-gebruik als ervarings-wijze op te
heffen.
| |
De eenheid der activiteitswijzen.
Het is van het allerhoogste belang, voortdurend in het oog te houden, dat de
menselike bewuste activiteit een eenheid uitmaakt van
de verschillende menselike activiteitswijzen. Daaruit zijn vele feiten te
verklaren. De Gestalt is dus ook niet alleen de door het denken
gestructureerde aanschouwelikheid, de Gestalt is met dat denken één. Wel is zij van dat denken
onderscheiden, doch hypotheties onverbrekelik zijn beide samengevat in de
ken-eenheid. Wel heeft het denken de kracht nieuwe
eenheden te stichten, wel kan in pathologiese toestanden de eenheid worden
verbroken, wel is het mogelik de momenten afzonderlik te beschouwen, doch altijd gaat dit ten koste van de betreffende éénheid, die daarin wordt
opgeheven.
In de blijvende handelings-eenheden neemt de Gestalt een dubbelzijdige
functie waar: zij is ‘inscription consciente des
mécanismes régulateurs’ tussen het
organisme en het denken; zij is voor dat denken tevens omdachte aanschouwelikheid: zonder veraanschouweliking in | | | | 'n Gestalt bestaat het denken niet; zij functioneert ook
tegenover het handelen als geopponeerd aan denken. Zij is figureel
veranderlik, maar denk-functioneel constant; zij is veranderlik binnen de
grenzen waarin de ken-eenheid, waarvan zij het aanschouwelik moment
uitmaakt, bestaanbaar is; en deze ken-eenheid is bestaanbaar, zolang zij
zich ook aanschouwelik onderscheidt, zolang m.a.w. de Gestalt haar
kenmerkende geheel-verschijning behoudt.39) Haar momenten zijn om dezelfde reden slechts disjunctief
relevant: de Gestalt als ervarings-moment bestaat om de
aanschouwelike diakrise mogelik te maken; en deze diakrise is mogelik aan
het geheel; haar momenten zijn
alleen secundair diakrities, d.w.z. diakrities binnen een systeem van
onderscheidings-ken-merken, die verschillende Gestalten
mogelik maken tegenover de verschillende gedachten, die
door 'n Gestalt tot uitdrukking kunnen worden gebracht. Ik bedoel dit: als
wij maar tien gedachten te veraanschouweliken hadden, die nooit verenigd
zouden kunnen optreden, zouden wij met tien volslagen onderscheiden
aanschouwelike gehelen toe kunnen; de onbeperkte denk-mogelikheden echter
eisen in de aanschouwelikheid, zoals de phonologen ten opzichte van de
woord-Gestalt zo duidelik aantonen, een systeem om niet
het absurde van menselike mnemotechniek te vragen.40) Het denken schept zich in de Gestalt een middel tot deze
diakrise, en schept zich in diezelfde Gestalt nu een ervarings-moment, dat
in zoverre in de natuur van het denken zelf deelt, dat de Gestalt, zoals Meyerson dat noemt,
‘gedeparticulariseerd’ is (blz. 594). Zij is nooit deze ‘vorm’: ‘L'image
est sur le chemin de l'abstraction et de la
généralisation; elle est sur le chemin de la
pensée.’ (blz. 594) ‘L'image est
à mi-route de la pensée, elle est du sensible
transformé par la pensée.’ (blz. 595) Zij
vertoont deze departicularisatie omdat zij in haar veranderingen dezelfde blijft. Toepasselik is
zij niet; zij is | | | | niet onaanschouwelik, omdat zij in elke harer
verschijningen waarneembaar gemaakt kan worden: ‘elle est
à mi-route de la pensée,’ zij is
‘intelligibel’, zij is niet
‘intellectueel’.40*) Dit over haar functie ten opzichte van het denken. Nu
haar functie ten opzichte van de andere activiteitswijzen.
De Gestalt is in het bewust handelen vaak de schakel tussen het denken en de
uit te voeren bewegingen. De Gestalt is mede organies bepaald; zij is nog
‘materieel’, al is zij gedeparticulariseerd; zij maakt
moment uit van de synergie waarin zij organies gebonden
is. Geen enkel moment echter van de synergie dat niet waarneembaar is, kan
een moment van de Gestalt uitmaken; in de Gestalt kennen we dus niets dat
aan de waarneming, waarin wij de Gestalt constitueren, is onttrokken. Dit
lijkt 'n waarheid als 'n koe, toch is zij verschillende decenniën
over 't hoofd gezien. De organiese activiteit zelf, en de neurologiese
processen daarin, vormen niet de kennende
aanschouwelikheid. Al eist een beweging een zeer ingewikkelde organiese
structuur om te kunnen worden uitgevoerd, geen enkel moment dier structuur
kan moment worden van een Gestalt. Een ‘voorstelling’
uit een complex van al deze processen te doen bestaan, is chimaeries.
Aanschouwelik gekend wordt van de structuur van een ken-geheel alleen
datgene, wat de waarnemer tijdens die ken-act bij zichzelf of bij een ander
van de bewegingen kan waarnemen. Een motoriese
‘voorstelling’, kan dus geen voorstelling van
zenuwprocessen zijn, doch alleen 'n voorstelling van waarneembare bewegingen
of posities. Doch wél is de Gestalt moment van de
synergie, omdat zij daarin organies is gebonden. En zo kan zij, in haar verschillende verschijnings-vormen, de gehele synergie actueren, in werking stellen, en de
uitvoering van ‘bewegingen’ bewerken, die in het
geheel geen ervarings-moment uitmaken vóór zij worden
uitgevoerd; en zo kan een spreker volmaakt 'n woord articuleren, zonder dat
een complete Gestalt ervarings-moment bij hem uitmaakt. Zo kan iemand - en
dit tegen Doroszewski - een zeer bepaalde k uitspreken
zonder die bepaalde k ‘bedoeld’ te hebben. Doch er is
meer nog, dat uit de eenheid der menselike activiteitswijzen volgt: het feit
dat de synergie deel uitmaakt van een handelings-synthese, impliceert de
mogelikheid van absolute gelijktijdigheid van kennen en handelen, van
uitvoering b.v. der spreekbewegingen; de eenheid impliceert de mogelikheid der absolute
gelijktijdigheid; de eenheid impliceert zelfs de | | | | mogelikheid
van het kennen ná het begin van uitvoering
der bewegingen: vooruitlopende en zoveel mogelik
complete Gestalten zijn, én voor het denken én voor
het ‘handelen’, gewoonlik een luxe. Meer nog: aan
denken of handelen voorafgaande voorstellingen zijn
vaak 'n bewijs van momentele intellectuele onmacht. Meyerson wijst hierop zeer uitdrukkelik.41) Zijn constatering is voor het taal-gebruik van volle
toepassing, ook al beschouwt hij het ‘image’ alleen in
zijn functie tegenover het denken. En dat brengt ons tot een laatste
distinctie: het probleem der voorafgaande aanschouwelikheid is er niet enkel
een van de verhouding Gestalt: beweging, doch ook van Gestalt: denken, en in
beide gevallen behoeft er van geen prae sprake te zijn
en is er zelfs een post mogelik. En wanneer wij dan
tenslotte de Gestalt in het voorstellen nog een ogenblik beschouwen, dan
blijkt uit het voorafgaande te volgen, dat aan het handelen voorafgaande ‘voorstellingen’ alleen
noodzakelik kunnen zijn om een storing in het verloop ener reactie te
corrigeren, of een aanpassing van dat handelen aan een nieuwe situatie
mogelik te maken. En, afgezien van 't feit of we met waarnemings-beeld,
voorstelling of omdachte aanschouwelikheid te maken hebben, de rijkdom aan
aanschouwelike momenten is in talrijke gevallen een bewijs van
ogenblikkelike onmacht of een luxe, die bij de toestand van het individu op
dit ogenblik, past. Toch kan het, na deze constatering, wel erg nuttig zijn,
op te merken dat de Gestalt als luxe, het aanschouwelike moment is van de
hoogste luxe die de volledig levende menselike natuur zich kan veroorloven:
de kunst-schouwing.
In de drie voorafgaande paragrafen vonden de Gestalt-vragen, die ons bezig
houden, hun oplossing; het zal niettemin goed zijn die oplossing nog op
sommige verschijnselen der woord-Gestalt uitdrukkelik toe te passen.
| |
Het phoneem disjunctief relevant.
Wij verklaarden in de vorige paragraaf, hoe 't mogelik is, dat de
Gestalt-momenten slechts disjunctief relevant zijn: omdat de Gestalt als geheel tegenover de onaanschouwelikheid fungeert.
Gechargeerd zouden we kunnen zeggen: wij ervaren de woord-Gestalt niet aan
z'n phonemen, maar wij ervaren de phonemen aan de Gestalt. De juiste
formulering is, dat wij de phonemen in de Gestalt ervaren, terwijl de
Gestalt slechts tot zover bestaanbaarheid houdt, als zij nog 'n
onderscheidend phoneem omsluit. Het is | | | | dat geheel wat t.o.v. de betekenis functioneert; het is dat geheel,
dat wij in de act der woord-making poneren. We begrijpen nu hoe fundamenteel
onjuist de opvatting was, dat het kind, die kleine taal-student, het
articuleren van afzonderlike klanken zou inoefenen om later die afzonderlike
klanken te bezigen bij het articuleren van woorden. Het
leert gehelen gebruiken, naar de kenmerkende geheel-verschijning die deze
gehelen hebben. Met dat geheel is de betekenis
één; zij is niet op de moménten van dat
geheel betrokken. Het is, zoals wij op blz. 123 zagen, het geheel der gekende spreekbewegingen die het kind als moment der
teken-eenheid poneert. Dit gaat zo ver, dat het kind zelfs nog niet in staat
is de momenten van zijn woord te isoleren: het kan niet S-i-n-t-e-r-k-l-aa-s
leren, maar het leert Sinterklaas; zondert het - ter - b.v. af, dan verbreekt het de eenheid van z'n
handelen en gaat de functie van dat - ter - volslagen
te loor, wordt het zin-loos. De pogingen die het kind aanwendt om z.g. z'n
‘klanken’ aan te passen, zijn inderdaad pogingen om
het geheel op de meest effectieve wijze te doen functioneren, d.w.z. om het
geheel aan te passen, aan de onder volwassenen gangbare gehelen. De
adaptatie is er ene van sociale aard; eerst deze aanpassing maakt zijn
spreekhandeling tegenover zijn ‘Umwelt’ volkomen
vruchtbaar. Articulatie en klank-geving neemt het kind bij zichzelf en
anderen waar; het leren spreken en leren luisteren is een
aanpassingsverschijnsel aan de voortgaande waarneming dier beide
handelings-gehelen. Per se is dus geen bepaald relevant moment noodzakelik om de Gestalt mede
te constitueren; de noodzakelikheid ook dat in de vorm bepaalde typiese momenten van 'n typies geheel moeten worden voortgebracht, is niet per
se aan die bepaalde momenten gebonden, doch enkel
per accidens, inzover nl. als door het ontbreken van dit of dat bepaalde
moment, de waarneembaarheid van de vorm te veel zou inboeten. Zonder twijfel
zijn de vocalen van meer belang onder dit opzicht dan de consonanten.42) Maar toch kan 'n a van p-aa-l geheel z'n typiek verliezen
zonder dat de vorm p-ə-l b.v. in een zeer concrete situatie z'n
waarneembaarheid als p-aa-l-type zou hoeven te verliezen: denken we maar aan
zinnen als: 'keprgistrenochezien. Functioneert 'n
Gestalt-moment nog anders dan alleen als Gestalt-moment, heeft het ook 'n
‘categoriale’ functie, zoals 'n meervoudsuitgang in
tantes, dan is natuurlik uit anderen hoofde dit
Gestalt-moment | | | | in bepaalde gevallen noodzakelik. We komen
hierop in het achtste hoofdstuk terug. Op het ogenblik is het belangrijkste,
dat we kunnen besluiten: de variabiliteit der phonemen van 'n zelfde
woord-Gestalt, de veranderlikheid van de typiese vorm-momenten ook, vinden
haar verklaring in de functie die de Gestalt als geheel
tegenover de met haar verenigde onaanschouwelikheid vervult: het phoneem is
slechts disjunctief relevant, omdat het geheel der
Gestalt als aanschouwelik tegenspeler der onaanschouwelikheid fungeert; het
phoneem is niettemin noodzakelik, zoals we in de vorige paragraaf
aanduidden, om de veraanschouweliking der onbeperkte denk-mogelikheden tot
stand te kunnen brengen.43)
| |
Prae en post?
Met het vraagstuk der tijd-verhoudingen tussen beweging, Gestalt en denken,
komen we op het gebied der verhouding tussen het denken en zijn formulering
in de ons ten dienste staande taalmiddelen, het oude probleem van Paul en Wundt.
De verschijnselen zijn velerlei. Delacroix (blz. 425)
onderscheidt twee grote groepen, de ene waarin ‘la formule
verbale se présente toute faite, en vertu de l'habitude, de
l'élection affective, et d'une construction
extrèmement rapide; ces différents
éléments pouvant du reste se mêler plus ou
moins. Alors nous allons directement de la pensée à la
parole et même de l'occasion qui déclenche la parole
à la parole même. La pensée n'est ici que
la conscience de la parole. Nous apprenons que nous pensons en nous
entendant parier.’ Een tweede groep maken de gevallen uit waar:
‘le trajet est moins direct de la pensée à
l'expression, et alors nous cherchons, nous esquissons mentalement, nous
préparons notre formule qui ne se présente pas toute
faite, ou qui, toute faite, ne répondrait pas à ce que
nous voulons. Ici le parleur se comporte a peu près comme
l'écrivain qui travaille.’44) De
laatste groep verschijnselen levert na het voorafgaande geen enkele
moeilikheid: de aanschouwelikheid is hier altijd voorafgaand aan het
articuleren. Hier ligt het gebied der woord-voorstellingen, maar, hier zijn
we ook buiten het taal-gebruik, in taal-beschouwing; hier zijn we in de voorstellingservaring of in het
denken dat zijn formulering praepareert. En, al wijzen de schrijvers daar
niet uitdrukkelik op, hier kan ook de voorstelling, | | | | de
opduikende woord-Gestalt, het denken soms verder voeren, omdat deze
opduikende aanschouwelikheid de beschouwer aan 'n woord, en daarmee aan 'n gedachte helpt. Ook de taal-gebruiker wordt,
terwijl hij met spreken bezig is, op deze wijze telkens taal-beschouwer; hij
onderbreekt dan een moment zijn gebruik om beschouwer te zijn, om een
geschikt woord of een geschikte formulering te zoeken of, achteraf, zijn
gebruikte taal-momenten te toetsen.44*) De
minnaar van het woord, de dichter, de redenaar en allen die aan het
woord-gebruik biezondere eisen stellen, zij vooral doen dit, en dit is het
gebied van de woord-voorstelling; in die ogenblikken
wordt de aanschouwelikheid in de vorm van voorstelling gezocht en wordt zij
vaak leiding-gevend. Problemen biedt zij ons na de vorige paragrafen niet:
zij kan voor en na de gedachte zijn; zij is vóór de
articulatie, terwijl we 'n ogenblik wegdromend en sprekend, in ons eigen
gehoorde woord de term vinden die wij zoeken. De problemen liggen in de
eerste groep verschijnselen waarvan Delacroix spreekt.
Delacroix onderscheidt hier niet scherp; want het is heel
iets anders of in een ‘construction extrèmement
rapide’ omdachte aanschouwelikheid, al zullen wij haar vaak
nauweliks onderscheiden, inderdaad de uitvoering der spreekbewegingen
determineert, en wij ons dan daarna ten volle van onze formulering bewust
worden aan ons eigen woord, of dat de omstandigheid ‘qui
déclenche la parole’ ons, in de waarneming van ons
eigen spreken, tot de kennis van hetgeen we denken brengt. Hij verwaarloost
het zeer frequente geval, dat wij, zonder prae-determinerende
woord-Gestalten, maar met voorafgaande kennis, onze waarnemingen b.v., in
woorden formuleren; hij verwaarloost ook - en voor zíjn doel hier
terecht - het geval dat wij pas na de waarneming van
ons eigen spreken, tot het bewustzijn komen van wat wij zeiden.
Zijn eerste geval levert weer geen moeilikheden; de andere gevallen tonen
aan, dat er drie verhoudingen moeten worden onderscheiden: 1o gedachten zonder woord-Gestalt vóór
articulatie (ons waarnemings-geval), 2o denken
gelijktijdig met articulatie, 3o denken na articulatie.
De absolute eenheid van denkend, aanschouwelik kennend, en handelend - in
casu articulerend - subject, verklaart de feiten, als wij daarbij bedenken,
dat de handelings-synthese ook weer gesteld wordt in een ervarings-geheel,
of in een geheel van ervarings-mogelikheden, waarin | | | | alles met
alles verbonden is, al is niet alles met alles in eigen-soortige synthesen
samengevat.
Wie, als er iemand bij hem binnen komt, ‘Morgen!’ zegt, en niet enkel met 'n
handbeweging groet, doet dat tengevolge van de houding die hij, bewust of
uit gewoonte, tegenover deze situatie inneemt; hij richt zich op
formulering. Zijn morgen-synergie wordt geactiveerd op
grond van zijn morgen-ervaring: de morgen-kennis die hij in deze situatie
had, een morgen-kennis waaraan in talloze ervaringen ‘Morgen!’
geassociëerd werd. Door het associatief
verbonden zijn der morgen-synergie met de
synergieën der aanschouwelike ken-momenten die zijn
morgen-ervaring mede constitueren, wordt deze synergie ge-activeerd, en in
zijn eigen ‘Morgen!’ kent hij zijn
gedachte.
Wie, sprekend over 'n probleem, z'n gedachten al sprekende vormt, activeert
de synergie omdat hij, zich in de situatie actief richtend op formulering
der gedachten, te voren in eenheid verbonden met de synergie, die gedachten
vormt aan de ervarings-momenten die hem hiertoe uitgangspunt zijn: gegeven
eenmaal dat hij formuleren wil, is denken hier spreken en spreken denken,
omdat zij één zijn in de synthese. Richt hij zich niet
op de zaken, doch krijgt de formulering zelf zijn aandacht, of richt hij
zich anderzijds niet langer op formulering, doch op de te vormen gedachten
alleen, dan stokt de articulatie, ofwel het denken stokt, en consequenter
houdt de articulatie op.
En tenslotte, wordt hij zich van zijn woorden bewust ná de
articulatie, dan kunnen wij niet langer zeggen, dat hij toen
hij articuleerde taal-gebruiker was; dan ré-ageerde hij
alleen sensories-motories met spreekbewegingen op
een situatie die hij op dat moment onder een ander opzicht ervoer. Hier re-ageerde de synergie enkel associatief en zinloos,
en niet, zoals in ons eerste geval, wél
‘automaties’ doch adaequaat aan de momentele
ervarings-richting en adaequaat aan de situatie.
Overzien wij nog eenmaal onze gevallen, dan constateren we opnieuw dat de
woord-Gestalt in taal-gebruik nooit als voorstelling wordt ervaren, en dat
in ‘communicatie’ de Gestalt omdachte
aanschouwelikheid is, wier verschijning bij de hoorder per se op prae-determinerende waarneming der klanken berust. Bij
de spreker echter kan de Gestalt zowel vóór, als
absoluut gelijktijdig met de articulatie optreden. De Gestalt is dus
noodzakelik van alle taal-gebruik ervarings-moment, omdat het denken zonder
zijn omdachte aanschouwelikheid onbestaanbaar is. Omtrent het
‘denken in taal’ treden we niet in biezonderheden,
omdat de verhouding Gestalt: articulatie hier geen problemen biedt, en de
verhouding Gestalt: denken hier noodzakelik eo ipso het taalgebruik mede
constitueert.
| | | |
Het kan nuttig zijn de vele verhoudingen, die het taal-gebruik in de
verschillende ervarings-structuren kan innemen, onder het gezichtspunt der
tijdsverhoudingen tussen denken, Gestalt en articulatie, te beschouwen, doch
het is voor ons overbodig. We hoefden alleen aan te tonen, hoe gelijktijdige articulatie, Gestalt-ervaring en denken
mogelik zijn. Hierin is ook de laatste Gestalt-moeilikheid opgelost. Dat,
waar wij spreken van gelijktijdige Gestalt-waarneming
en denken, natuurlik steeds stilzwijgend verondersteld
werd, dat de waarneembare vorm moest zijn ontwikkeld tot die volheid waaraan
de kenmerkende geheel-verschijning ervaar-baar is, behoeft geen betoog. Gelijktijdigheid betekent in communicatie, waar de
realisatie der typiek aan opeenvolging in de tijd gebonden is, dus altijd:
voldoende gerealiseerde typiek.
| |
De veranderlikheid der articulatie.
De eenheid van Gestalt en betekenis van het woord, maakt
het zonder meer duidelik, dat de hoorder 'n gemutileerde vorm, als 'n
komplex-kwaliteit op enigerlei wijze bewaard blijft, verstaat. Het feit, dat
'n spreker zichzelf verstaat aan 'n vaag aanschouwelik moment, ligt er
eveneens in opgesloten. Het feit dat zo'n vaag aanschouwelik moment een
volledige articulatie, en daarmee 'n compleet typiese vorm, kan bepalen,
behandelden wij in de paragraaf: ‘De eenheid der
activiteitsbewijzen’; wij wijzen er hier alleen nog even op, dat
het woord, als gebruiks-teken, in geheel het menselike wezen is gefundeerd,
dat in zijn woord de gehele mens mee-ageert,45) en dat het woord dus zeer
veel meer is dan wij er op een bepaald moment van ervaren. Zo verwekt de taal van de kunstenaar dat uiterst gevoelige en
al-omvattende evenwicht, waarin wij het schone aanschouwen. Reeds op het
ogenblik der woordmaking bestond er, door associatie, de sensories-motoriese
organisatie, die in haar ken-aspect als index van het handelings-doel
fungeerde; doch, pas in de woord-making wordt aan deze organisatie, zijn
bepaalde structuur en functie gegeven in het gevormde
woord. Nu beschikt de
taal-gebruiker naar zijn welgevallen over een organisatie, wier beheersing hem te voren ontging; nu bezit hij een
middel om zichzelf, in de ander en in zichzelf, uit te bouwen op een wijze
zoals geen andere systematiese organisatie van zijn wezen het hem toelaat.
Men zou kunnen vragen: maar hoe is 't nu mogelik dat de activering der
synergie slechts in een veranderlike, onvolledige articulatie resulteert?
Het feit is er, maar op welke wijze hebben we het te componeren met het
synergie-begrip, dat weliswaar in zijn ken-aspect een variabiliteit bezit
die we verantwoordden, doch waarvan we de variabiliteit der be- | | | | wegings-momenten nog volstrekt niet aannemelik maakten? We spreken van haar, we spreken ook van r, hoe kan dat,
als de synergie een organisatie is, die weliswaar in haar ken-aspect
variabiliteit binnen de constante kenmerkende geheel-verschijning vertoont,
doch die anderzijds een sensories-motories geheel
uitmaakt. Men spreekt van spaarzaamheid in energie-gebruik en slordigheid;
men spreekt van affectieve factoren die hier van invloed zouden zijn, en er
valt niet aan te twijfelen dat zij zich doen gevoelen, doch hoe hebben we
hun invloed te denken? Wanneer we zouden menen, dat de eenmaal op enige
wijze geactiveerde synergie nu verder ‘mechanies’
werkt, dan zou het verschijnsel aan 'n uitleg moeilikheden geven die niet
gemakkelik zijn op te lossen. Doch in die veronderstelling zijn we buiten de
kwestie. Heel de werking der synergie geschiedt in de eenheid van het zich
bewuste wezen, dat elk ogenblik de richting van zijn bewuste activiteit
beïnvloeden kan, dat z'n articulatie kan afsluiten, kan laten
voortgaan terwijl het z'n aandacht reeds op iets anders richt, doch ook z'n
richting zo totaal aan dit bepaalde gebeuren kan
onttrekken, dat het niet door-re-ageren kan, omdat er een andere actie de
plaats van inneemt: zo begroeten we iemand met ons slordige Moə! terwijl we zitten te schrijven. Er zijn organiese
processen te over die geheel buiten onze directe beheersing omgaan; de
processen betrokken bij de synergieën die deel uitmaken van een
groter blijvend handelings-geheel, vertonen dat mechaniese karakter niet;
zij hangen af van het zich richtende denken. De onvolledigheden in de
articulatie en de beperkingen der vorm-typiek, die 'n gevolg zijn van deze
beschikkings-mogelikheid van de agerende mens over dit soort
synergieën, zouden we ‘toevallige’
articulatie- of vorm-veranderingen kunnen noemen; er zijn ook
‘noodzakelike’ veranderingen. Daarover nu.
Ten eerste: de woord-vorm moet gerealiseerd worden in de tijd door een
opeenvolging van de spreekbewegingen. De organen waarmee de spreekbewegingen
worden uitgevoerd, vertonen de inertie van al het physiese, en derhalve
kunnen die, achter elkaar uit te voeren, spreekbewegingen elkaar
determineren op een wijze waardoor veranderingen aan de woord-vorm optreden,
die voor de gebruiker irrelevant zijn; spreker en hoorder merken ze niet
eens als veranderingen op. Klimben kon klimmen worden, zonder dat het nodig is te veronderstellen, dat de
spreker, bij wie zich deze verandering voltrok, of de groep van hoorders
waartoe hij behoorde, zich daarvan rekenschap had gegeven; het is de
schrijver die in een bepaalde taal-gemeenschap dit probleem voortdurend aan de orde stelt. Wanneer wordt de verandering
noodzakelik gemerkt? Op het ogenblik dat een woord als
klimben, veranderd tot *klim
bijvoorbeeld, samen zou vallen met een bestaand woord klim,
| | | | waar de functionaliteit van de aanschouwelikheid een ander is,
omdat dít woord een andere betekenis heeft dan 't eerste *klim.
Wanneer is in de reeks der onderscheiden realisaties van klimben, de Gestalt wezenlik veranderd, m.a.w. wanneer is er een
ander ‘woord’ ontstaan? Wanneer een taal-gebruiker de
realisatie van de volledige Gestalt klimben niet meer in
het gebruik zelf herkent. Het is deze veranderlikheid der woord-Gestalt, die
de Saussure er toe bracht, deze Gestalt alleen in
‘différences’ te doen opgaan. Dit was
onjuist, doch juist was het, te veronderstellen dat deze veranderingen
alleen door de systematiese samenhang der gebruikte
Gestalten worden beperkt. Het woord kans kan met
genasaleerde a worden uitgesproken zonder dat 't ophoudt kans te zijn - dat kunnen wij in Holland horen -; het kan niet de
nasalering verliezen bovendien en kas worden, zonder dat
dit als een taal-verandering wordt opgemerkt, omdat kas in
een andere betekenis naast die nieuw ontstane kas bestaat.
Ten tweede: een andere groep verschijnselen berust, evenals de vorige, op de
realisering der Gestalt in de aan tijd en ruimte gebonden bewegingen, en wel
op de realisering van de woord-Gestalt als moment van een woord-groep. De
veranderingen die daarbij optreden, zijn van geen andere aard dan de
hiervoor besprokene, doch zij betreffen allereerst de raak-vlakken der
gebruikte woord-Gestalten. Wij bespraken enkele gevallen in het vorige
hoofdstuk. Het typiese vorm-geheel wordt nu erkend ondanks gemeenschappelike
momenten der opeenvolgende woorden, en ondanks verlies van typiese momenten.
De syntagmatiese vorm-verschijnselen berusten primair op toevallige
wederzijdse beïnvloeding in het meerledig geheel, en dat is hun
verschil met de veranderingen binnen de vorm die op blijvende
beïnvloeding berusten. Zij vinden hun verklaring in de
samenwerking van onderscheiden synergieën die, hetzij momenteel,
hetzij - door de gewoonte der combinatie - meer blijvend, in functioneel
verband zijn gekomen, waardoor de sensories-motoriese structuur van het
groter geheel, waarin zij tans functioneren, kan veranderen, zonder dat de
kenmerkende geheel-verschijning te loor gaat. Opnieuw, de grenzen zijn
alleen phonologies te bepalen; wij weten hieromtrent nog vrijwel niets. Wij
weten alleen, dat wij de herkenbaarheid der vormen in de verschijnselen die
wij op het oog hebben, b.v. de sanddhi-verschijnselen, de lotgevallen van
enclitica, proclitica en partikels, als het woordje not,
op de wetten der Gestalt zullen hebben terug te voeren. Dat hierbij de
‘Situationsindizien’ van Bühler een rol spelen, is onmiskenbaar, maar even
onmiskenbaar is 't feit, dat wij die verminkte woordvorm herkennen en dat dus in de vorm zelf een
bepaald type moet zijn bewaard.
| | | |
Nemen wij nu nog eens op, wat wij aan het slot der paragraaf ‘Het
phoneem disjunctief relevant’ zeiden, dan kunnen we het
woord-begrip opnieuw nader preciseren: het woord is het, op de wijze der
taal gevormde, de betrokken activiteitswijzen in een blijvende
handelings-eenheid omvattende, gebruiksteken, waarvan de Gestalt het
omdachte aanschouwelike moment uitmaakt, waarin wij een typies klankgeheel
kennen en bepaal-baar maken. De Gestalt vervult in haar kenmerkende
geheel-verschijning haar diakritiese functie tegenover de met haar verenigde
onaanschouwelikheid; de in de Gestalt onderscheiden, disjunctief relevante,
phonemen, als momenten van een systeem van oppositioneel gebruikte positieve
grootheden45*)
waaraan in het woord de komplex-kwaliteiten der Gestalt zijn gebonden, maken
de veraanschouweliking der onbeperkte denk-mogelikheden in de verschillende
woord-Gestalten bestaanbaar. De structuur van geheel de sensories-motoriese
synergie, waarvan de Gestalt het ken-aspect uitmaakt, wordt bepaald door de,
daarmee in eenheid geponeerde, onaanschouwelikheid. Het is de absolute
eenheid tussen de organiese structuren en de aanschouwelike en
onaanschouwelike ken-momenten als delen van het éne
gebruiks-teken, die de verhoudingen tussen articulatie, Gestalt en denken in
het taal-gebruik verklaren.
Wij namen in het voorafgaande de woord-Gestalt als gegeven. Welke aanschouwelike eenheden echter woord-Gestalt zijn is, ut
patet, alleen aan de onaanschouwelikheid, aan de
‘betekenis’, bepaalbaar. Volgt derhalve de studie van
het onaanschouwelike woord-moment.
|
1)Wanneer wij spreken van kennende
aanschouwelikheid, bedoelen wij enkel aan te geven, dat wij de
aanschouwelike ervaringsmomenten dan beschouwen als activiteitswijzen
van het kennend individu; spreken we van gekende
aanschouwelikheid dan beschouwen we het volslagen identieke verschijnsel in zijn betrekking tot het kenbare.
2)Het was Sapir
die, nadat hij reeds in zijn ‘Language’ (blz. 57
en 58) gewezen had op het onmiskenbare feit van het bestaan van 'n
‘phonetic pattern’ in zijn artikel
‘Sound Patterns in Language’ in Language. Journal of the Linguistic society of America. Vol.
I, Chicago 1925 blz. 37 vlg., het begrip van dit ‘phonetic
pattern’ aan de variaties in de
phonetiese realisatie van dit patroon ontwikkelde. Dit artikel is voor
de phoneem-theorie fundamenteel; zij verifiëert zich hier als
zuiver aan de observatie der taal-gedragingen ontwikkeld.
3)Vgl. nog D. Cyzevskyj. Phonologie und Psychologie:
‘Interessant sind die Beispiele der sprachlichen Variationen
eines Phonems. Ich möchte nur einige Beispiele
anführen: In der Ainu-Sprache gibt es keinen Unterschied
zwischen stimmhaften und stimmlosen Dentalen, so dass z.B. ein Wort
gleich “kotan” oder “kodan”
ausgesprochen werden kann - es wird als “dasselbe
Wort” von den Mitgliedern dieser
Sprachgémeinschaft gehört und erkannt. In der
Südamerikanischen Indianersprache spielt die Lage des velum
palati keine Rolle, darum sind in dieser Sprache solche Dubletten
möglich (die van einander gar nicht unterschieden werden),
wie etwa nene-dede, da die Paare n/d oder b/m zu je einem Phonem gehören.’
(Travaux IV blz. 18)
4)Over dit punt is meer te zeggen, doch het gaat ons
niet direct aan. Daniel Jones in ‘The
theory of Phonemes and its importance in Practical
Linguistics.’ (Proceedings blz. 23, 24) heeft in z'n
distincties: phoneme, variphone en diaphone, hiermee al 'n begin gemaakt.
5)E. Sapir. La réalité
psychologigue des phonèmes. Journal blz. 248.
6)Witold Doroszewki. Autour du
‘Phonème’. Travaux IV blz. 64.
7)N. Trubetzkoy. La phonologie actuelle. Journal blz. 229 noot
3.
8)Scerba geciteerd bij Cyzevskyj blz.
17.
9)Cyzevskyj behandelt de strijd van de eerste russiese
phonologen met dit begrip, en geeft een eigen oplossing, die wij hier
niet verder zullen behandelen, ofschoon zij enkele zeer goede momenten
bevat. Een volledige verklaring biedt zij niet.
10)A.W. de Groot. De Wetten der Phonologie
en hun betekenis voor de studie van het Nederlands. Nieuwe Taalgids XXV
blz. 228; Phonologie und Phonetik als Funktionswissenschaften. Travaux
IV blz. 116 en 124; Zum phonologischen System des
Nordniederländischen. Donum Natalicium Schrijnen.
Nijmegen-Utrecht 1929, blz. 549.
11)Vgl. Karl Bühler. Phonetik und Phonologie.
Travaux IV blz. 32-36.
12)Vgl. nog Bühler,
Travaux IV blz. 30 noot 4.
12*)In de
‘Sprachtheorie’ wordt het phoneem-systeem tans
vergeleken met ‘Detektoren’:
‘Man muss solche Systeme als Detektoren
eingesetzt denken, sonst werden Zeichen im Weltgeschenen nicht
manifest.’ (blz. 273)
13)Du dualisme asymétrique du signe
linguistique. Travaux I blz. 89, 90: ‘Il est devenu
lieu commun d'affirmer que les valeurs linguistiques n'existent qu'en
vertu de leur opposition entre elles. Sous cette forme. cette
idée conduit a une absurdité: un arbre est un
arbre parce qu il n'est ni maison, ni cheval, ni rivière...
L'opposition pure et simple conduit nécessairement
à un chaos et ne peut servir de base à un système. La vraie
différenciation suppose une ressemblance et une
différence simultanées. Les faits
pensées forment des séries fondées sur
un élément commun et ne s'opposent qu'à
l'intérieur de ces séries...’
14)Quelques remarques sur le rapport de la
phonétique expérimentale aux autres branches
de la linguistique. (Proceedings blz. 134)
15)We zien
verder af van een critiek op dit standpunt in zover het ‘le
domaine de l'expérience’ beperkt tot waarneming en
alle andere ervaringsvormen theoreties(!) negeert. Vgl. R.
Jakobson, Proceedings blz. 135.
16)Vgl. Prof. Dr. Jac. van Ginneken.
Grondbeginselen van de schrijfwijze der Nederlandsche Taal. Hilversum
1931. blz. 12; Daniel Jones. On Phonemes. Travaux IV
blz. 74 en Proceedings blz. 23.
17)De phonoloog H. Ulaszyn heeft onder
invloed van deze moeilikheid, zijn phoneembegrip als volgt
gedefiniëerd: ‘Für mich ist ein Phonema
ein psychisches Äquivalent eines “empirischen
Lautes” und zwar eines Lautes, der als Typus empfunden wird,
der sich aber unter gewissen Bedingungen ändert.’
( Laut, Phonema, Morphonema. Travaux IV blz.
61)
18)Tytus Benni. Zur neueren Entwicklung des
Phonembegriffs. Donum Natalicium Schrijnen. Nijmegen-Utrecht 1929, blz.
35.
19)In ‘La phonologie
actuelle’ tracht Trubetzkoy, m.i. met
weinig succes, zichzelf en Benni tegen Doroszewski's critiek te verdedigen. (Journal blz. 229,
230)
20)Vgl. Cyzevskyj, Travaux IV blz.
8, 9.
21)Grondbeginselen, blz. 11, 12.
22)Vgl. voor een
overzichtelike en brede uiteenzetting dezer feiten: van
Ginneken. De ontwikkelingsgeschiedenis etc. blz. 5-11.
22*)Het verschijnsel, dat hier bedoeld wordt, vertoont
overeenkomst met de vorm van abstractie, die de
logica definiëert als: ‘actus, quo mens, ex duobus
vel pluribus natura sua conjunctis, unum sine altero
considerat.’ Toch is het verschijnsel dat Bühler bedoelt, geen logiese
abstractie (Vgl. blz. 281 vlg. hierachter); we zouden beter van een
bepaalde vorm van ‘ departicularisatie’ spreken. (Vgl. blz. 212 en 213)
23)‘Sucht er (de
taal-onderzoeker), um ein Beispiel zu nennen, ein Wort für
das Verhältnis des ideellen “Phonems”
zur Lautmaterie, die hic et nunc von einem Sprecher produziert wird, so
kann ihm kein anderes Begriffssystem ein besseres zur
Verfügung stellen als das, was er faktisch oder dem Sinne
nach immer wieder gebraucht. Das Phonem, so drückt er sich
aus, wird realisiert im Produkt des konkreten
Sprechaktes. Da gibt es also ein wissenschaftlich bestimmbares εἶδος,
nach dem Konkretes gebildet wird im psychophysischen System des
Sprechers; dann wird es umgekehrt vom Hörer aus dem
Hörbaren wieder “aufgenommen”. Dies
Aufnehmen ist ein Abstrahere, ein Herauslesen. Man schiebe alles
Ontologische darüber getrost beiseite und
überlasse es dem zu sagen, der es sich zutraut. Die einfache
Deskription sieht und bestimmt hier ein Verhältnis, das
Platon μέτεχειν
und (umgekehrt) ἀϕαιρεῖν
genannt hat, und das ist eine sachgemässe Beschreibung. Mehr
behaupte ich nicht.’ (Axiomatik blz. 57)
24)Omdat Bühler, zoals we
vroeger zagen, het waarneembaar aanschouwelike tot
‘teken’ maakt, vertoont zijn beschouwing een
onhelderheid: het is volgens zijn princiepen niet geheel duidelik, waar
we het ‘relevante’ te zoeken hebben, in het
materiaal of in het teken: ‘Die Phonologie.... sucht
systematisch aus dem unerschöpflichen Reichtum von lautlichen
Besonderheiten, die das impressionistisch geschulte Ohr der Phonetiker
entdeckt hat, jene aus, die von den einzelnen Sprachen zum Range von
diakritischen Zeichen erhoben worden sind. Man nennt sie die Phoneme.’ (Travaux IV blz. 44) Ondertussen
ontdoet hij zich, met 'n gelukkige inconsequentie, van de moeilikheid en
spreekt van ‘das ideelle Phonem.’
25)‘Irrelevant bedeutet hier.... keineswegs, dass sie... aus
Gründen des Nicht-beachtetwerdens z.B., im Sprechverkehr
einfach unter den Tisch fallen; denn das passiert ihnen ja gar nicht. Ob
ein Mann, eine Frau, ein Kind spricht, erfasse ich als Hörer
sofort und mit den Diakritika, die dafür massgebend sind,
noch eine Menge von anderen Eigentümlichkeiten der
gehörten Laute, Eigentümlichkeiten, auf die mein
Ohr aufs feinste geschult ist, weil sie für den normalen
Sprechverkehr von entscheidender Bedeutung sein können. Nein,
irrelevant bedeutet nur, dass diese Differenzen aus guten
Gründen in den Kapiteln der linguistischen Sprachbestimmung
keinen Platz haben; sie kommen nicht in der Lautlehre, nicht im Lexikon,
auch nicht in der Wortbildungslehre oder in der Syntax vor. Aus guten
Gründen, der Linguist ist volkommen im Recht dieser
Ausschluss durch die Regel zu krönen: Quod nan est in actis
non est in mundo. Er meint damit: meine Welt ist
einer und nur der eine von den grossen Aspekten, unter denen man die
Sprachtatsachen betrachten kann und betrachten muss, und im Rahmen
dieser selbstgewählten Beschränkung werde ich mein
Geschäft so rein und so vollstandig als möglich
erledigen.’ (Travaux IV blz. 48, 49) Meesterlik behandelt Bühler deze hele kwestie in zijn paragraaf
6 uit de Travaux IV (blz. 44 vlg.) en zijn afdeling C der Axiomatik
(blz. 60 vlg.)
26)van Ginneken. Ontwikkelingsgeschiedenis blz. 5.
27)Prof. de
Groot gaf te veel toe, toen hij in ‘Phonologie en
Phonetiek’ (N.T. XXV blz. 298) accoord ging met de mening:
‘dat men nooit met behulp van instrumenten
kan uitmaken of een eigenschap van een phoneem (b.v. het lip-karakter
van de p en b; of de helderheid,
spanning of stemloosheid van p, t en k enz.) kenmerk van dat phoneem is of
niet’, en daarin prakties zijn artikel ‘De wetten
der phonologie en hun betekenis voor de studie van het
nederlands’ verloochende. Integendeel wat precies kenmerk van een phoneem is leert alleen phonetiese, d.w.z. geluids-beschouwing van de tegenover
het phoneem als ‘vorm’ fungerende,
geluidsmomenten, door de phonologie aangewezen. De kwestie of daarbij
‘instrumenten’ nodig zijn is secundair. Zij zijn in feite nodig, omdat de precisie der
‘zelf-waarneming’ van de articulatie-bewegingen,
we denken aan bóbbel en bòbbel, niet toereikend is.
28)Bühler, Travaux IV, blz. 36, 39 en 44.
29)Bühler (Travaux IV passim) en
Karcevskij schijnen soms het phoneem met behulp
van de syllabe te willen bepalen, doch dit is inderdaad schijn; want zij
veronderstellen om tot de syllabe te geraken, in hun phonologie, het
woord. Karcevskij schrijft: ‘La notion de
phonème repose sur la division de la
chaîne phonique en unités qualitativement différentes, qui sont les
oppositions de timbre.’ (blz. 194) Doch het
phoneem kan ‘linguistiquement parlant’ alleen
gerealiseerd worden ‘dans la syllabe
considérée en tant que partie d'une
unité de sens;’ (curs. v.d. schr.) en dus
is de syllabe alleen ten opzichte van die eenheid, het woord,
bepaalbaar.
30)‘Nun ist ein Wort gewöhnlich obwohl
nicht immer, aus mehreren dieser Laute zusammengesetzt (so muss es die analytische Betrachtung auffassen, das ist aber nur eine reflexive
Betrachtung), die eine bestimmte Reihenfolge in der Zeit einnehmen. Als
Wort ist es aber eben eine Laut einheit, d.h. etwas mehr als Ablauf einer Lautreihe. Denn
wollte man mit dem zeitlichen Verlauf wirklich Ernst machen, so
könnte nur von Aufeinanderfolge die Rede sein und die Einheit
fiele in willkürlich kleine, diskrete Teile auseinander. Es
ist dann auch unmöglich, das Wort rein lautlich zu verstehen.
Es ist das Einheit-setzende, Form-gebende Bewusstsein, das auch
für die sinnliche Wahrnehmung, also für den
Hörenden dem Lautkomplex “Wort” seine
Einheit, d.h. seine Form verleiht.’ ( Pos.
blz. 62, 63.)
30*)Phonetische Gestaltbildung bei jungen
Kindern. München 1931. Het is zeer jammer, dat deze
onderzoekingen niet gecombineerd zijn met een onderzoek omtrent de
invloed van de articulatie-basis der kinderen op de geconstateerde
veranderingen. De nieuwe theorieën van van
Ginneken over de biologiese grondslagen der taal-veranderingen,
zouden daarin 'n uiterst belangrijk criterium hebben kunnen vinden;
zouden zij hier niet van toepassing blijken, dan is het onnodig in deze
richting verder te zoeken, blijken ze wel van toepassing, dan is het
bewijs voor hun juistheid met één slag
geleverd.
30**)We vinden in de
‘Sprachtheorie’ nu: ‘Erst wenn das
Klangganze eines Wortes gegeben und genügend eindeutig
charakterisiert ist, kann jenes “Aufspringen”
seiner Bedeutung stattfinden, das indische Sprachtheoretiker schon
erwähnen und mit dem Sichöffnen einer Blume
poetisch vergleichen; sie nennen es den “Sphota”,
das Aufplatzen.’ (blz. 283) Men zij voorzichtig met de term
‘das Klangganze’: het gaat enkel om de kenmerkende
geheel- verschijning. De betekenis-ervaring
wordt niet geconditioneerd door het geheel in deze
zin, dat in elk biezonder geval dat geheel al zijn mogelike
onderscheidingen zou moeten vertonen, dat m.a.w. de Gestalt altijd
‘gecompleteerd’ zou moeten worden, dat al die
onderscheidingen ‘er bíj voorgesteld’
zouden moeten worden, vóór zij kan functioneren.
Dat is allerminst het geval, en dat bedoelt Bühler ook niet. (vgl. blz. 285) Het is juist de
karakteristiek van de Gestalt dat zij als eenheid bewaard blijft en haar
kenmerkende geheel-verschijning vertoont ondanks 't feit dat haar
geledingen in verschillend gebruik kunnen variëren.
30****)Over de ‘Situationsindizien’ vinden we in de
‘Sprachtheorie’ aanmerkelik meer. Vgl. blz. 94
vlg. en blz. 286 vlg.
31)Een overzichtelike samenvatting der psychologie, of liever
der pathologieën waaruit de linguisten op het eind der vorige
en 't begin dezer eeuw putten, geeft André
Ombredane: Le langage. Nouveau traité de
psychologie. Tome troisième. Paris 1933. blz. 378 vlg.
32)Zeer helder
uiteengezet, kan men bij Rombouts (blz. 18-25) de hier
behandelde sententie nalezen.
33)Het image-begrip van de franse psychologie is voor ons zeer
vruchtbaar. We noemden reeds Meyerson en Dwelshauvers als auteurs die hieromtrent belangrijks te zeggen
hebben. Een heldere, ofschoon zoals uit het vervolg nog zal blijken,
niet volledige, samenvattende beschouwing der voor ons van onmiddellik
belang zijnde onderscheidingen, geeft Dwelshauvers
blz. 302, 303 en 357, 358.
34)‘L'image
sert donc de signe. C'est ce que Bradley et l'Ecole du
Meaning, Saussure, Delacroix ont
indiqué d'une manière très heureuse.
Elle a une signification, une relation à quelque chose
d'autre qu'elle-même; elle est un substitut. Elle a un
contenu intellectuel, elle est l'indication d'une
réalité logique. Elle n'est jamais
complètement isolée: elle fait partie d'un
système d'image-signes, elle est comprise grâce
à ce système. Elle n'est pas
entièrement fluide, elle a assez de stabilité, de
précision de forme et
d'homogénéité de forme pour pouvoir
être comparée à d'autres images et
à d'autres signes. Elle est un complexe; le signifiant et le
signifié, le “sensible” et
l'“intelligible” s'y mêlent, formant un
tout indissoluble. On peut apercevoir des côtes, des faces,
des couches de signification ou des détails d'aspect
sensible, mais lorsqu'on isole ainsi une partie, on doit, pour la
comprendre, se rappeler l'ensemble.’ ( Meyerson blz. 582)
35)Ter verduideliking van de te
citeren teksten is het nodig nog eenmaal op te merken dat ook bij Meyerson het ‘image’, de
aanschouwelikheid zelf, ‘signe’
genoemd wordt. Vgl. Aarni Penttilä und Unio
Saarnio: Einige grundlegende Tatsachen der Worttheorie nebst
Bemerkungen über die sogenannten unvollständigen
Symbolen. Erkenntnis IV. Leipzig 1934. blz. 28 vlg. en blz. 139 vlg.
Deze logistiese beschouwingen der taalfeiten grijpen regelrecht het
zwakke punt aan aller theorieën, die het woord scheiden in
twee helften: een helft die ‘teken’ zou zijn en 'n
andere helft ‘betekenis’. Zij hebben in dezen volkomen gelijk: het geheel is teken.
36)De
moderne franse psychologie uit de school van Meyerson,
de engelse van Bradley en Hoernlé evenals de oostenrijkse van Bühler en der duitse leerlingen van de
Würzburger Schule blijken hier plotseling aan te sluiten op
de oude aristoteliese opvattingen, en Meyerson laat
ook niet na dit op te merken. (blz. 594) Vgl. nog noot 22* en bladz.
212-213 hierachter.
37)In 'n primitieve mentaliteit is p-aa-r-d zonder
twijfel iets dat bij 't paard hoort, dat aan 't
paard eigen is. Doch dit ‘er bij horen’ is het
product van onvolkomen reflexie over taal, van taal-beschouwing, niet 'n
moment van taal-gebruik. Ook in de meest primitieve ervaring is geen
spoor aan te wijzen van toepassing van het geluid als geluid op de zaak die we in het woord tegenover ons stellen.
Dat de onomatopee hier een biezondere plaats kan innemen, is
duidelik.
38)Zelfs dit ontging aan Sapir in zijn phonologiese beschouwing niet:
‘In view of the utterly distinct psychological background of
the two classes of sound production it may even be seriously doubted
whether the innovation of speech-sound articulation is even actually the
same type of physiological fact as the innervation of
“identical” articulations that have no linguistic
context.’ (Sound Patterns blz. 40)
38*)Dwelshauvers blz. 362; vgl. de onderzoekingen van
Ach blz. 142
hiervóór.
39)Sapir heeft, vanuit een geheel ander gezichtspunt, 't
zelfde geformuleerd toen hij schreef: ‘Every typical human
reaction has a certain range of variation and, properly speaking, no
such reaction can be understood except as a series of variants
distributed about a norm or type.’ (Sound patterns blz.
38)
40)‘Each member of this system is not only characterized by a
distinctive and slightly variable articulation and a corresponding
acoustic image, but also - and this is crucial - by a
psychological aloofness from all the other members of the system. The
relational gaps between the sounds of a language are just as necessary
to the psychological definition of these sounds as the articulations and
acoustic images which are customarily used to define them. A sound that
is not unconsciously felt as “placed” with
reference to other sounds is no more a true element of speech than a
lifting of the foot in a dance step unless it can be
“placed” with reference to other movements that
help to define the dance.’ ( Sapir, Sound
Patterns blz. 39, 40) Al is zijn terminologie misschien niet
onberispelik, de zaak niettemin poneert Sapir hier
precies.
40*)De
‘departicularisatie’ is het
effect der eenheid-stellende, psychologies abstraherende, denk-act
op de betreffende aanschouwelike ken-momenten der ervaring. Over
‘psychologiese abstractie’ vgl. blz. 284
hierachter.
41)‘Dans quelles circonstances la pensée
devient-elle concrète? Quand fait-elle appel aux images? Il
semble que ce soit surtout quand elle tâtonne,
hésite, cherche, quand elle s'arrête à
un carrefour, quand elle se fixe provisoirement à un palier.
En somme, la pensée imagée, c'est la
pensée arrêtée ou la pensée
incertaine.’ (blz. 583) Vgl. nog Langeveld
blz. 99-103.
42)Bühler (Travaux IV
blz. 46, 47) wijst er op, dat dit zich zeer goed begrijpen laat uit het
feit dat komplex-kwaliteiten als melodie en rhytmiese bouw (kort-lang)
het meest aan de vocalen gebonden zijn. De hier genoemde dissertatie van
Hans Ruederer. Die Wahrnehmung des gesprochenen
Wortes. München 1916, heb ik niet in handen kunnen
krijgen.
43)Vgl. Bühler Travaux IV blz. 49 vlg., Axiomatik blz. 71,
72.
44)Dwelshauvers onderscheidt dit laatste geval nog
in tweeën, naarmate we in het ene geval onze aandacht richten
op de formulering van naar gewoonte vertrouwde gedachten, of dat we onze
gedachte, hetzij zoekend vormen, of overwegend analyseren. (blz. 563)
Selz leverde van deze verschijnselen de meest
systematiese onderzoeking. Zijn omvangrijk materiaal hier te bespreken
gaat niet aan; dat valt buiten 't bestek van deze studie.
44*)Pillsbury & Meader schrijven: ‘The
partially conscious automatic operation may at any moment be brought to
the bar of full consciousness, may be disturbed by the word processes
that constitute the major operation, and is at all times largely subject
to the control of the wider experience.’ (blz. 208)
45)Vgl.
V. Mönckeberg-Kollmar. Sprache und
Bewegung. Proceedings blz. 201 vlg.
45*)Ook hier gaan wij op dit
systeem-karakter niet verder in. De uiterst belangrijke consequentie der
systematiese ordening van de woord-aanschouwelikheid is: het elimineren
van een groot aantal geluiden en geruisen als bruikbare
woordvorm-momenten: ‘Immerhin ist ausdrücklich
hervorzuheben, dass nicht alle ‘Lautganze sondern nur solche
zu den Wörtern gehören, die eine phonematische Prägung aufweisen; Schreie und
erscheinungstreu lautmalende Gebilde, die sich dem Zwang des begrenzten
Phonemschatzes einer Sprache entziehen, sind demnach
ausgeschlossen.’ ( Bühler,
Sprachtheorie blz. 297) Bühler heeft het
onomatopee-vraagstuk m.i. opgelost, en ook het zijne bijgedragen tot een
kritiek van Heinz Werners ‘Grundfragen der
Sprachphysiognomik’ (1932) Vgl. de paragraaf: ‘Die
Lautmalende Sprache’ (Sprachtheorie blz. 195 vlg.)
|
|