Papieren tijgers


auteur: Gerrit Komrij


bron: Gerrit Komrij, Papieren tijgers. De Arbeiderspers, Amsterdam 1980 (vierde druk)  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 205]

De halve Schoolmeester werd een hele

Nu zijn de brieven van De Schoolmeester verschenen.

't Is voor iemand als uw dienaar moeilijk om over De Schoolmeester te schrijven. We begrijpen elkaar te goed, De Schoolmeester en ik. We zijn te zeer familie. Zodra ons iets te dicht op de huid komt, steken we er getweeën de draak mee. We bezitten, evenwel, de onblusbare aandrift tot draakstekerij niet minder wanneer ons in 't geheel niets op de huid zit. Zodra ons iets terneerslaat, treuren we in stilte, en hangen de Lachende Gaper bij de buitendeur. Ook als we helemaal niet treuren, evenwel, suggereren we alsof. Die melancholie is ingebakken, als een haarscheur in een Keulse pot. We hebben beiden niets meer dan het verdriet geörven, en we zijn de weeskinderen van Frau Sorge, maar: het wenen der erfgenamen is een gemaskerd lachen. Allebei bezitten we, om nog iets te noemen, een groot talent voor het beledigen van onze mede-ingezetenen. We zijn allerminst stichtelijk ook. En... we lijden blijkbaar beiden, zoals u ruimschoots hebt kunnen merken, aan de echt-Hollandse zelfoverschatting, die bij sommigen het bloed tot een kookpunt brengt, en bij anderen, meer dorre geesten, slechts leidt tot een nadere bestudering van het vraagstuk der ironie.

‘Gij ziet, o gebofkonte Poëet, wien het onwaardeerbaar geluk is te beurt gevallen van mij een lofdicht te ontvangen, dat ik weet te slaan maar ook te zalven en dat ik nog crediet heb bij den brievenbesteller,’ schrijft De Schoolmeester in 1833 in een van zijn vele brieven aan Van Lennep, waaruit nu een keuze, ongeveer eenzesde deel, als ‘leesuitgave’ is verschenen.

De geafficheerde hoogmoed, het zal altijd blijven bestaan, het heeft de eeuwen getrotseerd, want... de dommen trappen er onveranderlijk in. Dit zijn de oogmerken van de satirieke litera-

[p. 206]

tuur: de schrijver zorgt ervoor dat de dommen zichzelf aan de kaak stellen, maar de superieuren, de bankiers en de dominees, helpt hij met de kaakstellerij-van-zichzelf, door ze eens flink in hun aars te porren.

Dat ik weet te slaan... De Schoolmeester kon, zo blijkt ook uit de brieven waarmee we nu voor het eerst wat ruimer kennis maken, riant tekeergaan, schelden dat 't daverde, beslist niet half en half. Hij had in Engeland horen spreken over een zekere Hasebroek, die een aanzienlijke plaats onder de Hollandse predikanten zou bekleden. - ‘Kent gij dien Heer,’ zo informeert hij bij Van Lennep ‘wie is hij? Ik herinner mij in mijne jeugd een scheelen Hasebroek met twee oogen die elkander gestadig in toorn aanstaarden en een onophoudelijk neusgeslorp hetwelk mij altijd den zuiger eener pomp te binnen bracht en dus een vacuum in zijn hoofd deed vermoeden. Zoo deze laatste onderstelling gegrond is geweest, verwondert het mij geenszins dat hij thands eene aanzienlijke plaats onder de Hollandsche Predikanten bekleedt.’

De predikanten moeten het ontgelden, de Leidse professoren, de Hollandse Poëten. Ook Van Lennep spaarde hij - zij het quasi-laconiek - niet. Hij noemt hem een ezel, en een lui, nalatig beest, wanneer hij wéér geen brief van hem uit Nederland ontvangt, en zo tussen neus en lippen door, in een brief van 10 april 1847, vraagt De Schoolmeester hem: ‘ - Is het waar dat al de Ether in Holland door uw uitgever is opgekocht om voor 't Hollandsch publiek het lezen uwer werken eene min pijnlijke operatie te maken?’

Geprikkeld raakt hij wanneer de brieven van Van Lennep uitblijven, ze vormen voor hem het belangrijkste contact met Nederland, nadat hij daar door zijn schuldeisers, een liaison met ‘gevolgen’ en een furieuze chemie-professor, Van der Boon Mesch, die hij de horens had opgezet, uit was verjaagd. ‘Schrijf mij bid ik u toch spoedig, want ik verlang hier even vurig naar, als wellicht Van der Boon Mesch naar de menstruatie zijner Echtvriendin,’ schrijft hij al op zijn Nederlandse onderduikadres (1834), vlak voor zijn vlucht, en het blijft ook in Engeland zo, wanneer hij kostschoolhouder is geworden:

[p. 207]
 
O eervergeten dorpspoeet!
 
Die op Woestduin slechts zuipt + vreet
 
En d'armen schoolpedant vergeet,
 
Die thands op 't engelsche secreet
 
Aan u nog denkt in 't snijdend leed
 
Dat hem zijn laatste schijtpil deed
 
En, wijl hij dit epistel schrijft,
 
Met kracht zijn maal naar buiten drijft.
 
[...]
 
Moet ik, uit erf + land verjaagd,
 
En daaglijks door de spleen geplaagd
 
Nog lijden dat gij mijn geschrijf
 
Gebruikt op 't huisjen voor uw lijf
 
En, in mijn ongehuwden staat,
 
Me een maand naar antwoord fluiten laat?

De Schoolmeester was, ondanks zijn dankbaarheid jegens Van Lennep, die hem, dat moet gezegd, ook op cruciale momenten terzijde stond, niet bepaald een likker, een pluimstrijker, het blijkt uit zijn taalgebruik.

Dat taalgebruik! De preciezen en de preutsen hebben de negentiende eeuw zo geterroriseerd, dat het je elke keer als een verrassing overvalt dat ze 't een en ander tóch bleken te hebben uitgevonden. 't Is bepaald weldadig wanneer je eens iemand uit die naar buiten toe zo geslachtsloze eeuw zijn kloten ziet tellen. Abortussen hadden ze dus ook!

‘Wellicht,’ zegt De Schoolmeester, als hij zich zorgen maakt over het koekoeksei dat hij misschien in het nest van de ‘chemieprevester’ heeft gelegd, ‘zijn de bloedige vruchten van mijn welgemeenden arbeid reeds vereenigd met de golven van den Rhijn; zoo ze immer mochten boven drijven en een medelijdende hand ze op liquor zetten, hoop ik dat deszelfs bezitter spoedig een kozak in kwartier moge krijgen.’

Je wist het wel, maar het lucht toch op.

De brieven zijn voor die geslachtsloze negentiende eeuw inderdaad ongekend vrijmoedig en op-de-man-af. ‘Waarschijnlijk de openhartigste brievenverzameling uit de Nederlandse letterkunde van de negentiende eeuw,’ noemt Marita Mathijsen, die ook toelichtingen bij de brieven geeft, ze in haar inleiding.

[p. 208]

De halve Schoolmeester is nu een hele geworden. We leren hem in deze brieven kennen met zijn zwaarmoedigheid, zijn scabreuze verhalen, zijn sick jokes, zijn afkeer van revoluties en populisme (1848!), zijn gevoel voor eigen waarde ondanks al de tochten naar Canossa die zijn ‘weldoeners’ hem lieten maken.

O ja, de zwaarmoedigheid komt toch 't eerst, het spijt me meer dan ik zeggen kan. ‘Gij weet,’ schrijft hij in 1856, zo'n anderhalf jaar voor zijn dood, ‘het zijn altijd de grappemakers niet die het lichtste hart omdragen, en ik ben in een staat van diepe melancholie vervallen, even pijnlijk bijna voor anderen als voor mij. Alles rondom schijnt mij ontrustend en schrikwekkend toe, ik denk ieder oogenblik dat de kinderen uit schaatsen rijden zijn, éér er nog ijs ligt, of dat er iemand achter mij staat om mij een oorvijg te geven met de klepel van den kerkklok; een lange neus komt mij langer, en een platte platter voor dan waarlijk het geval is, ik verlies ieder oogenblik mijn knoopsgaten, ik ben zoo dun dat men een kaars voor mijn lichaam houdt, en aan de andere zijde de chineesche schimmen aanschouwt, en helaas mijn trouwe hond is ook dood; vraag mij dus, uit medelijden, geen zotte vaersjens meer, doch vertroost mij met een ernstige brief.’

Maar de erotiek is een goede tweede, ook de sexualiteit speelt een zware viool. De Schoolmeester is een erotomaan pur sang, en voelt zich soms net als de hond Van Rhijn, ‘die ook enkel leefde voor de l'amour’. Hij was mooi, en de meiden vielen bij ritsen in katzwijm. Hij spreekt er heel openhartig over met Van Lennep, die zelf meer het gebruikelijke type rokkenjager was, die zo echt Victoriaans ‘naast het potje waterde’. Aan al die amoureuze klachten en galante herinneringen komt een einde wanneer De Schoolmeester in het huwelijk treedt met de vrouw van wie hij zijn leven lang ‘zielsveel’ zal blijven houden.

Melancholie, erotiek en zwarte humor; het zijn waarachtig de slechtste ingrediënten niet voor een dichter. Maar De Schoolmeester heeft geen enkele dunk van zijn eigen poëzie; hij noemt zichzelf een kleine kreupeldichter.

Toch... springt hij uit zijn vel als Van Lennep z'n ‘vaersjens’ in het tijdschrift Holland met fouten en lelijkheden laat afdrukken, of ze opeengepakt wegmoffelt ‘als een zootjen dubieuze visch in 't hoekjen van de mart’ of ‘gelijk vier verkleumde bedelaarskinderen in een hondehok’.

[p. 209]

Hij stelt hoge eisen aan de literatuur, hij vindt de inhoud van dat Holland, waaraan vele letterkundigen die destijds een grote naam hadden meewerken, maar ‘ontzachelijk onbeduidend’ en ‘slijm- en slijkziek slak- en piergewemel’. En in zijn voorkeuren speelde waarschijnlijk de politieke overeenstemming een grotere rol dan de literaire. Hij stelt dus ook hoge eisen aan zichzelf: als zijn met uiterste precisie samengestelde kreupelverzen (Adonissen met een houten poot) niet even precies worden afgedrukt, dan krijgt de drukker dat, lang niet mals, te horen, van achteren en van voren.

De biografie van De Schoolmeester, zoals we die uit deze brieven kunnen herleiden, is misschien niet onmisbaar voor het lezen van zijn poëzie, maar vormt wel degelijk een extra. ‘Het zijn altijd de grappemakers niet die het lichtste hart omdragen.’

Dit zal, in dit steile land, steeds een kreet blijven die in de onvruchtbaarste aarde valt. Deze roep klonk honderden jaren vergeefs, en zal het blijven doen. De steilen willen diepte, structuur, religie, ernst, het raster, het prikkeldraad. Nog steeds geldt de stichtelijke literatuur als de ideale. De Nederlandse literatuur wemelt van de schoolmeesters. Te veel schoolmeesters, te weinig Schoolmeesters.

De Schoolmeester en ik, we kennen elkaar. U moet daarom zijn brieven lezen.