|
|
|
| | | | | |
[IX] Refreyn
OLustich prieel, mijns harten vergier, vs. 1
noyt weerder in swerelts deel noch lieuer rosier vs. 2
noch bloeme so fier mijn ogen sagen
in desen pleyn duer Venus bestier. vs. 4
5
och dierbaer greyn en wijflic dier, vs. 5
+ hoe menighertier is mijn bijster doghen, vs. 6
daer mijn bloyende iuecht om moet verdrogen.
ic en darre dat niemant claghen,
met droeuer herten moet ic blijdtschap togen,
10
och alder liefste, mijns herten behaghen,
wilt mi doch helpen mijn lijden draghen.
| | | |
Och met wat sorgen, gheminde eerbaer,
dragic verborghen mijn lijden eenpaer, vs. 13
met versuchten swaer door nijders gront, vs. 14
15
van anxt oft sijs yet worden ghewaer
ons minlic bewijs, lief dits mi den vaer. vs. 16
och schoon bruyn oogen claer, o roden mont,
al waer alle tgoet mijn ter werelt ront,
so gaef ict om v, mijns drucs veriaghen,
20
wiens liefde mi heeft ter doot ghewont,
dwelc ghi mercken muecht sonder vraghen;
och wilt mi noch helpen mijn lijden dragen.
Als .ij. herten staen in gheliken laste vs. 23
seer minlijc beuaen en in trouwen vaste,
25
gheen weerder gasten en mogen versamen,
want wat deen begheert is danders raste. vs. 26
och bloeme vermeert, waert dat ic v so paste,
+ ic trocke te maste tseyl van groter vramen. vs. 28
die weerdighe onbesmette van blamen,
30
verlicht mijns herten druckighe vlaghen,
hebt compassie op mi naer v betamen vs. 31
op dat v belieft, aenhoort mijn ghewaghen, vs. 32
wilt mijn lijden doch helpen draghen.
Princesse, mijn alderliefste ciborie, vs. 34
35
weerdichste tresoor mijns vruechts victorie,
lustichste, minlicste, schoon oghen opslach, vs. 36
helpt mi doch veriaghen mijn plaghen
nv ter tijt, op dattet ghebueren mach,
en wilt mi mijn lijden doch helpen dragen.
Als lief duer lief hemels vruecht gebruyct,
| | | |
als lief door lief honich sueticheyt smaect,
als lief sijn lief in liefs armkens luyct,
als lief sijn lief heeft moedernaect,
5
als liefs herte aen liefs borstkens gheraect,
als lief bi lieue so langhe waect
als liefs ghesichte mach ghedoghen,
als lief dan vloect dat hem daer vaect,
omdat lief zijn lief geen chiere en can getogen, vs. 9
10
als liefs lief die traenkens moet droghen
+ door tscheyden verwachtende alleen, vs. 11
als lief hem vroech van lieue moet poghen, vs. 12
niet wetende tversamen van hem been, vs. 13
och dan ist so quaet van lieue te scheen.
|
Nadat inleiding en tekst al waren gedrukt ontdekte ik dat dit refrein ook voorkomt in de Conste der Minnen. De voornaamste varianten volgen hier. 1. lustich prieel, CM.: lieflyck lief. 2. in - noch, CM.: pensee, noyt. 3. mijn ogen sagen, CM.: en saghen mijn ooghen (terecht!). 4. desen, CM.: swerelts. 5. en, CM.: och.
vs. 1prieel: vgl. III, 56.
vergier: boomgaard, lusthof.
vs. 2rosier: rozenstruik, beeld zoowel van Maria als van de beminde; vgl. XLIV, 50; S. CCXL, 4.
vs. 4in desen pleyn: ter wereld.
vs. 5greyn: puik (vgl. bloem), vaak van personen.
vs. 6bijster doghen: hevig lijden.
15. sijs yet, CM.: yemant 21. ontbreekt. 23/24. in gheliken laste en in trouwen vaste verwisseld; beuaen, CM.: belaen. 27. ic ontbr. 29. die weerdighe, CM.: want ghy alleene. 32. ontbr. [Prince:] 1. lief duer, S.: lief; hemels: hemelsche. 2. lief - honich, S.: liefs lief by lief honighe.
vs. 14nijders gront: eig. den aard der afgunstigen, hier verzwakt tot een omschrijvende aanduiding van de ‘nijders’.
vs. 16ons minlic bewijs: de liefde die wij elkaar betoonen.
vs. 23staen in gheliken laste: denzelfden last (nl. het ‘pak der minne’) dragen.
vs. 26raste: rust, nl. der ziel, dus: bevrediging, voldoening.
vs. 28ic trocke te maste tseyl: eig. ‘ik heesch mijn zeil’, dus: het zou mij voor den wind gaan. - vrame: vreugde.
vs. 31naer u betamen: zooals u past, van u verwacht mag worden.
vs. 34ciborie: eig. hostiekelk; vaak als aanduiding van Maria en ook van de liefste gebezigd; vgl. XXIV, 31; S. XLV, 46; CLII, 6; CCXLVIII, 10.
vs. 36schoon oghen opslach: de beteekenisovergang zal wel aldus te verstaan zijn: waar men met vreugde de oogen op slaat: vgl. LXXII, 6. De strophe na Prince is hier verdwaald; zij komt overeen met de vijfde str. van S. CLXXIV.
3. als lief, S.: als liefs lief (evenzoo 4-8); na heeft: al. 7. mach, S.: can. 8. dan, S.: dhuere; daer ontbr. 9. lief zijn 1., S.: hij lieue. 10. die tr. moet, S.: moet die tranen. 11. verw. alleen, S.: wachtende allen een. Tusschen 12 en 13 bij S.: Ende lief liefs vruntscap heeft voer oghen. 14. dan ist so, S.: thes seer
vs. 9chiere: ofra. chiere, eig. vriendelijk gelaat, vandaar: goed onthaal.
vs. 11Blijkbaar ietwat corrupt, vgl. de var. die ook niet zuiver is.
vs. 12hem ... poghen: zich begeven, gaan.
vs. 13niet wetende tversamen van hem been: niet wetende wanneer ze elkaar weer ontmoeten zullen.
|
|