|
|
|
| |
| | | |
Hoofdstuk 1
Columbus of de ontdekking van het engagement
Het tijdschrift dat in dit hoofdstuk centraal zal staan, is
Columbus
, waaraan verscheidene jonge schrijvers die al tijdens de Duitse
bezetting in ondergrondse bladen gepubliceerd hadden - vooral in het Utrechtse
blad
Parade der Profeten
-, zouden meewerken.
Zoals ik in
Het ondergronds verwachten
beschreven heb, was de geestelijke vader van de Parade de jonge Utrechtse dichter en essayist Jan
Praas, die in 1921 te Almelo geboren was.
Afkomstig uit een sociaal-democratisch milieu, had hij in het begin van de
oorlog de Gemeentelijke hbs in de Domstad bezocht en daar een
grote liefde voor de literatuur opgevat. Samen met zijn vriend C.A.G. (‘Frits’) Planije besloot hij voor de akte m.o. Nederlands te gaan studeren. Nadat hij de hbs verlaten had, organiseerde hij geregeld literaire avondjes,
waarvoor ook vroegere klasgenoten werden uitgenodigd.
In het voorjaar van 1944 besloot Praas zijn vleugels wijder uit te slaan en
bedacht hij het plan een ondergronds tijdschrift op te richten. Dit tijdschrift,
dat eerst getypt, maar weldra gestencild werd, kreeg de enigszins ironische naam
Parade der Profeten. De redactie van het blad, dat
voorlopig maandelijks zou verschijnen, werd gevormd door Praas, zijn vriendin
Carla Scheidler en de jonge Utrechtse dichter
Ad. van Noppen. Al snel werkten vele jongeren -
ook van buiten Utrecht - mee, onder wie Guillaume van der
Graft (ps. van Willem Barnard), W.J. van der
Molen en Willem Frederik Hermans. Later
publiceerden ook de jonge Leidse schrijvers Jan
Vermeulen en Hans van Straten verzen in de Parade.
In augustus 1944 ontmoette Praas in Den Haag de ambtenaar en dichter Willem Karel van Loon, die in 1943 het initiatief
genomen had tot de oprichting van het tijdschrift
Stijl
. Nadat dit blad aan het eind van dat jaar verdwenen was, richtte de
energieke Van Loon in het voorjaar van 1944 een nieuw tijdschrift op,
Maecenas
. Aan dit blad werkten de jonge Haagse schrijvers Paul Rodenko, zijn zuster Olga Rodenko en
Paul van 't Veer mee. Ook van de dichter Hans
Warren, die in Zeeland woonde, werd in Maecenas poëzie
gepubliceerd.
In het najaar van 1944 kwam de redactie van Parade der Profeten
bovendien in aanraking met enkele jonge dichters in de Zaanstreek, onder wie de
drukker Klaas Woudt en zijn zuster Mart Woudt. Zij zouden in december | | | | van dat
jaar samen met enkele vrienden een eigen jongerenblad,
Zaans Groen
, oprichten. Kort daarvoor publiceerden zij gedichten in een omvangrijk
poëzienummer van de Parade.
Al deze contacten gaven Jan Praas de overtuiging dat er onder de jonge schrijvers
een enorm enthousiasme bestond om direct na de oorlog in een eigen tijdschrift
acte de présence te geven. Bovendien had de bekendmaking van het Tijdelijk
Persbesluit van september 1944 duidelijk gemaakt dat de redacties van de
ondergrondse bladen het recht kregen na de oorlog door te gaan. Dit was dus een
uitgelezen kans om tot bundeling van de jonge generatie in een eigen blad te
komen.
Ondernemend als hij was, besloot Praas zo snel mogelijk spijkers met koppen te
slaan. Zijn vader, die bij de Haka - het inkoop - en produktie-bedrijf van de
plaatselijke coöperaties - werkte en daardoor veel zakelijke relaties had, kon
hem daarbij een duwtje in de rug geven. Dat had hij trouwens ook al bij de
voorbereidingen voor Parade der Profeten gedaan. Dit keer
wilde het gelukkige toeval dat de directeur van de Haka over een broer
beschikte, die zelf ook weer directeur was en wel van een uitgeverij! Deze broer
was L. Veenstra, die deel uitmaakte van de directie van een jonge, ambitieuze
uitgeverij in de hoofdstad, de Amsterdamsche Boek- en Courantmaatschappij. In
het najaar van 1944 nam Jan Praas daarmee contact op. Zoals hij op 18 oktober
1944 aan zijn vriend Frits Planije schreef,1 had hij dit gedaan met de bedoeling Parade der Profeten na de bevrijding in gedrukte vorm voort te
zetten.
| |
De ABC
De Amsterdamsche Boek- en Courantmaatschappij - afgekort: ABC - was in 1938
opgericht. Het initiatief hiertoe werd genomen door Frederic (‘Fred.’) von
Eugen (1897-1989), die in hetzelfde jaar hoofd van de uitgeverij van De
Arbeiderspers was geworden. Omdat er bij een aantal boekhandels bezwaar
tegen bestond publikaties van De Arbeiderspers, ‘een rode uitgeverij’, te
koop aan te bieden, richtte Von Eugen de neutrale ABC op om met sommige
uitgaven, waaronder vooral
Het boek voor de jeugd
, een groter publiek te kunnen bereiken.
Toen De Arbeiderspers in 1940 onder beheer van de bezetter was gekomen, nam
Von Eugen daar ontslag en kon hij zijn activiteiten als zelfstandig uitgever
voortzetten in de ABC. Hij werkte daar samen met Veenstra, die de leiding
had gehad over de exploitatie van het dagblad
Het Volk
, en met Johan Winkler, chef van de redactie van dezelfde krant;
deze hadden in de zomer van 1940 eveneens ontslag bij De Arbeiderspers
genomen. Tijdens de | | | | oorlog werd het team verder uitgebreid met
de schrijver Albert Helman, die als literair
adviseur ging optreden.
Begin 1941 werd de ABC gevestigd in het pand Singel 262 in de hoofdstad, dat
vanaf 1945 ook het adres van uitgeverij Querido zou worden. Doordat de ABC
niet onder beheer van de nazi's kwam, kon de uitgeverij joden die elders
ontslagen waren, in dienst nemen.2
| |
‘De resultaten waren buiten verwachting!’
Op 16 januari 1945 - ongeveer drie maanden nadat Praas contact met de ABC had
opgenomen - kon hij Planije berichten dat Veenstra vrijdagmiddag 26 januari
bij hem thuis aan de Socrateslaan te Utrecht langs
zou komen ‘voor de eerste bespreking!’ Hij vroeg Planije die middag ook te
komen. Kennelijk maakte Praas zich er zorgen over dat zij beiden - jonge
schrijvers immers zonder enige reputatie - voor de ABC niet attractief
genoeg zouden zijn om het avontuur van een nieuw tijdschrift te wagen, en
daarom dacht hij dat het wellicht handig zou zijn ook iemand met althans
enige bekendheid erbij te betrekken. Hij schreef aan Planije: ‘Zouden we
Ad. den Besten nog uitnodigen eveneens
aanwezig te zijn? Liever doe ik 't natuurlijk met twee, maar hij heeft wàt
“naam”.’3 De
Utrechtse dichter Ad den Besten, twee jaar jonger dan Praas, had al
verscheidene jaren daarvoor in bladen als
Opwaartsche Wegen
en
Criterium
poëzie gepubliceerd. Praas kende Den Besten, die met vijf gedichten
aan het poëzienummer van de Parade had meegewerkt, sinds
kort. Waarschijnlijk drong Planije er na ontvangst van Praas' brief niet op
aan Den Besten uit te nodigen, want deze zou bij de bespreking niet aanwezig
zijn.
Praas' verlangen om het gestencilde Parade der Profeten in
de toekomst te laten drukken, werd in deze periode nog eens extra
gestimuleerd, doordat hij het eerste nummer van Zaans
Groen van Mart en Klaas Woudt onder ogen kreeg. Dat blad zag er
typografisch fraai uit en was bovendien gedrukt! Op 19 januari schreef Praas
aan Planije: ‘De Parade is over alle fronten geslagen! De inhoud is -
begrijpelijk - veel minder: 1½ goeie dichter, buiten Klaas zelf.’ En in
dezelfde brief: ‘Woudt stelt samenwerking voor, nà de oorlog, waartegen
natuurlijk geen bezwaar is. Hij wil zo spoedig mogelijk een bespreking te
A'dam of Hilversum [...].’4 Al eerder had ook Willem Karel van Loon van het Haagse Maecenas aan Praas meegedeeld dat hij wel voelde voor een
toekomstige fusie tussen zijn blad en Parade der Profeten.
Dat betekende dat Praas en Planije bij hun bespreking met Veenstra konden
suggereren, dat ze niet alleen de kring rond de Parade
vertegenwoordigden, maar ook andere groepen van jonge schrijvers - ja, zelfs
vrijwel de hele jon- | | | | ge generatie! -, waardoor een uitgever wel
gek moest zijn om niet met hen in zee te gaan.
Het gesprek met Veenstra verliep beter dan Praas en Planije hadden durven
dromen. Vier dagen later, dinsdag 30 januari, schreef Praas aan Ad den
Besten: ‘Zoals je vluchtig wellicht had opgevangen, bestonden er ernstige
plannen de Parade nà de oorlog voort te zetten (onder
andere naam en redactie). We waren daartoe in onderhandeling getreden met
een A'damse uitgeverij. De onderhandelingen vlotten echter niet erg, omdat
persoonlijk contact niet mogelijk was.’
Praas vervolgde: ‘Daarin is vorige week verandering gekomen. Vrijdag j.l.
hadden Frits en ik een onderhoud met eén van de directeuren, die zo
vriendelijk was, hiervoor naar Utrecht te komen. In het kort gezegd: De
resultaten waren buiten verwachting! We kwamen volledig tot overeenstemming,
en waarschijnlijk staat nu niets meer het verschijnen van een fors, geïllustreerd tijdschrift in de weg. Het is de wens van de
uitgever, dat jonge tekenaars ruimschoots in de gelegenheid worden gesteld
hun krachten te geven aan een sierlijk blad, dat toch niet te duur mag
worden.’ Denkbaar is dat de directie van de ABC op de hoogte was van het
Tijdelijk Persbesluit en dat zij zich realiseerde dat de jongeren rond Parade der Profeten dus het recht zouden hebben - in
tegenstelling tot de ABC - na de oorlog een eigen tijdschrift uit te geven,
maar zeker is dit niet.
Praas schreef verder: ‘In dat nieuwe blad zullen Parade, Maecenas en Zaans
Groen (een nieuw blad onder redactie van Klaas Woudt) worden ondergebracht.
(Eventueel Podium, dat in Leeuwarden verschijnt).’ De laatste opmerking
sloeg op het illegale literaire tijdschrift Podium,
waarvan het eerste nummer eind juni 1944 in de Friese hoofdstad verschenen
was en waarvan de redactie in die tijd bestond uit drie jonge dichters:
Corrie van der Noord, Gerrit Meinsma en Wim Hijmans. Klaas
Woudt, die sinds kort van het bestaan van het blad op de hoogte was, zal
Praas over de literaire activiteiten van de jonge Friezen hebben ingelicht.
Praas schreef verder aan Den Besten: ‘Het ogenblik is er dus nu, ons tot de
medewerkers en relaties te wenden om hen aan te sporen hun beste krachten te
geven aan het blad van de nieuwe generatie. Graag hoor ik van jou, hoe je
hier tegenover staat en of je in principe iets voor medewerking voelt aan
dit tijdschrift, dat geen enge richting wil
vertegenwoordigen, doch dat op ruime basis wil trachten mee te werken aan de
vernieuwing en de culturele opbouw.’5 Hieruit blijkt dat Praas in die tijd vooral dacht aan een
blad dat het werk van jongeren van allerlei schakering zou publiceren, en
niet aan een tijdschrift waarin alleen één stroming zou zijn
vertegenwoordigd.
Praas' vreugde over de toezeggingen van Veenstra zou van korte duur | | | | zijn. Na Veenstra's gesprek met Praas en Planije realiseerden
hij en de andere directeuren van de ABC zich al snel dat deze jongeren toch
wel erg onbekend waren voor een breder lezerspubliek en dat het risico groot
was dat hun tijdschrift op een fiasco zou uitlopen. Bij de ABC werd toen
bedacht dat het komende tijdschrift het best een combinatie van twee bladen
zou kunnen worden: één voor oudere, meer bekende auteurs en één voor de
jonge generatie. De beide bladen, ieder met een eigen, onafhankelijke
redactie, zouden dan gecombineerd moeten uitkomen. Het voordeel hiervan was
dat de vergunning behouden bleef.
Op 27 februari berichtte Praas aan zijn vriend Planije, dat Veenstra had
voorgesteld een tijdschrift voor jongeren én ouderen uit te geven, waarbij
‘ieder der redacties in eigen huis volledig zelfstandig blijft’.6 Voor Praas en Planije
betekende dit een bittere pil. De jonge generatie zou zich aan een breder
publiek moeten presenteren samen met ouderen: daar kon geen sprake van zijn!
Eind april 1945 zou Praas hierover aan Willem Karel van Loon in Den Haag schrijven: ‘M.i. is in ons land, op den
duur, plaats voor eén jongerenblad, en wanneer we zo zakkerig als bijblad beginnen, worden we zò tot worst gedraaid. De
jongeren willen vanzelfsprekend in een, ook materieel,
zelfstandig blad publiceren.’7
Op 18 april 1945 stelde Praas aan Planije voor het nieuwe blad Delta te noemen: voor het handhaven van de naam Parade der Profeten voelde hij weinig, omdat er te veel poëzie van
middelmatig niveau in het blad gestaan had. Bij zijn brief aan Planije
voegde Praas het ontwerp van een brief aan Veenstra, waarin hij - met
diplomatieke omzichtigheid - schreef: ‘Uw voorstel (twee tijdschriften in
een band) was voor ons een onverwachte wijziging, en hoewel de heer Planije
en ik na uitvoerige bespreking de voordelen van samenwerking inzien, achten
wij de nadelen groter. Ik wijs alleen al op het feit, dat wanneer “Delta”
(de nieuwe naam wrsch.) het tijdschrift voor jongeren moet
worden, dezen zeer zeker een zelfstandig blad willen
hebben. Daartegen kan de welsprekendheid van geén redactie het
bolwerken.’8
| |
‘Het blad van de nieuwe generatie’?
Zo was de situatie voor de jonge schrijvers rond Parade der
Profeten, toen Nederland in mei 1945 bevrijd werd. Jan Praas en Frits Planije beseften heel goed dat -
nu de ABC kennelijk niet stond te popelen om alleen een jongerenblad uit te
geven - slechts samenwerking tussen zoveel mogelijk jonge schrijvers deze
uitgeverij over de streep zou kunnen trekken. Tegelijkertijd speelde Praas,
die diep teleurgesteld was door het laatste voorstel van de ABC, met de
gedachte het tijdschrift op coöperatieve basis uit te geven. Af- | | | | komstig uit een familie, waar sterke sympathieën leefden voor de
coöperatieve idealen, overwoog hij de mogelijkheid de exploitatie van het
tijdschrift niet in handen van een commerciële uitgever te leggen, maar van
de schrijvers zelf. Daarmee zouden manoeuvres zoals van de ABC, die in zijn
ogen mede werden ingegeven door commerciële belangen, worden tegengegaan. In
dezelfde periode werd trouwens ook de uitgeverij De Bezige Bij op
coöperatieve basis opgericht.
Maar hoe het tijdschrift in de toekomst ook geëxploiteerd zou worden, van
groot belang was dat er zoveel mogelijk jongeren aan mee zouden doen. Met de
groepen rond
Maecenas
en
Zaans Groen
zou dat wel niet veel problemen opleveren: zij hadden al te kennen
gegeven met
Parade der Profeten
te willen fuseren.
Dan was er nog een groep in Maastricht, die sinds
mei 1944 het clandestiene blad
Overtocht
had uitgegeven. Deze kring bestond vooral uit Limburgse
katholieken, die er het afgelopen jaar blijk van hadden gegeven naar zoveel
mogelijk openheid te streven, maar die er waarschijnlijk niet voor zouden
voelen in een landelijk, niet-confessioneel tijdschrift op te gaan.
Overigens waren er na maart 1945 geen afleveringen van het blad meer
verschenen.
Daarentegen leek er een behoorlijke kans te bestaan dat de schrijvers rond
het Friese tijdschrift
Podium
er wel voor te vinden zouden zijn aan het nieuwe blad mee te
werken. In februari was Wim Hijmans, die over het
artistieke peil van Podium ontevreden was, uit de redactie
van dit tijdschrift gestapt. De overblijvende redacteuren, Corrie van der Noord en Gerrit Meinsma, hadden
hierna de al oudere Fokke Sierksma uitgenodigd de
redactie te komen versterken. Sierksma, die theologiestudent en
adjunctbibliothecaris van de klassieke Buma-bibliotheek te Leeuwarden was, had in die tijd met zijn zelfverzekerd optreden
en helder omlijnde opvattingen een grote invloed op de Podium-jongeren. Toen hij tot de redactie toetrad, nam hij zijn vriend
uit de illegaliteit, Pieter Kalma, mee. Dat Podium zou
blijven verschijnen, leidde overigens bij de vroegere redacteur Wim Hijmans
tot grote verontwaardiging. Samen met zijn vriend Peter van den Burch
(schuilnaam van Peter Verhoeff) had hij geen goed woord voor de inhoud van
het blad over en zij dachten erover in een eigen tijdschrift hun conflict
met Podium uit te vechten.
Een signaal dat de vernieuwde Podium-redactie wel voor
samenwerking met andere tijdschriften zou voelen, kwam op 18 mei uit
Leeuwarden. Op die dag schreef Gerrit Meinsma aan de redactiesecretaresse
van Zaans Groen, Mart Woudt: ‘Nederland bevrijd! Nog is
het ons soms vreemd te moede, vooral in de laatste maanden waarin wij ook
dikwijls onze gedach- | | | | ten lieten verwijlen bij ‘Zaans Groen’ en
hun medewerkers. We kunnen nu dus legaal verschijnen. Diepgaande
besprekingen met het Bureau voor Culturele Zaken hebben aan het licht
gebracht, dat het wenselijk is de literaire bladen zoveel mogelijk samen te
brengen. We hebben daartoe nu vanuit Lw. Het [het] initiatief genomen. Zoudt
U in die richting met uw redactie besprekingen willen houden?’9
Kort na het ontvangen van deze brief ging Mart Woudt samen met haar broer
Klaas en een andere medewerker van Zaans Groen, de jonge
dichter Siem Sjollema, op een fiets en een
gehuurde tandem en na twintig kilometer - toen de tandem het begaf- liftend
met een Canadese jeep vanuit Zaandijk naar Leeuwarden voor een bezoek aan de Podium-groep. Klaas Woudt deelde hierover in 1979 mee: ‘We hadden het
idee: wat we met Zaans Groen begonnen zijn, willen we landelijk uitbreiden.’
Over het gesprek zelf, waarbij een van de Friezen, die in handlijnkunde
liefhebberde, nog zijn handafdruk maakte, vertelde Woudt: ‘Dat ging een
beetje boven mijn pet allemaal. Ik was nog wat de uit de klei getrokken
provinciaal. Ik geloof dat zij het idealistischer en theoretischer
benaderden dan ik.’10
Via de Zaans Groen-redactie kwam nu ook een contact tot
stand tussen de Podium-groep en die rond Parade der Profeten. Op 11 juni vroeg Gerrit Meinsma aan Ad. van
Noppen, die van de redactie van de Parade deel uitmaakte:
‘Zou het geen aanbeveling verdienen een fusie tot stand te brengen tussen
verschillende voormalig “illegaal” verschijnende leetterkundige
[letterkundige] bladen?’1112 Dezelfde dag attendeerde Meinsma
verscheidene uitgevers, onder wie de Haagse uitgever A.A.M. Stols, op het
bestaan van Podium: hoe meer ijzers er in het vuur zouden
liggen, des te beter zou het zijn!
Nog geen twee weken later ontmoetten een aantal jonge schrijvers uit de kring
rond Podium en Parade der Profeten
(uitgebreid met Maecenas en Zaans Groen)
elkaar voor het eerst persoonlijk. In het Haka-gebouw te Jutphaas (dicht bij
Utrecht), waar tijdens de oorlog de redactie van de Parade
wel eens bijeengekomen was, werd in het weekend van 23 op 24 juni ‘een soort
monstervergadering’ van ongeveer twintig personen gehouden. Tot de jongeren
uit de Parade-groep die daarbij aanwezig waren, behoorden
Jan Praas, die de bijeenkomst georganiseerd had, Frits Planije, Ad den
Besten en de Leidse dichter Jan Vermeulen. Podium, waar het conflict tussen
de redactie en de vroegere redacteur Wim Hijmans
en diens vriend Peter van den Burch juist was bijgelegd - Van den Burch was redacteur geworden -, werd
vertegenwoordigd door Fokke Sierksma, Pieter Kalma, Gerrit Meinsma en Peter
van den Burch.
De bedoeling van de bijeenkomst was dus met elkaar te praten over de | | | | mogelijkheid een gezamenlijk jongerentijdschrift uit te geven.
De redactie van de
Parade
kon er daarbij op wijzen dat ze al contact met een uitgeverij had,
die mogelijkerwijs voor uitgave van een tijdschrift zou voelen, hoewel Praas
zelf de voorkeur gaf aan een uitgave op coöperatieve basis. De Parade-groep had overigens nog niet de vereiste papiervergunning
van het Militair Gezag, iets waarover de Podium-redactie
al wel beschikte. Van
Podium
was enkele weken eerder het vierde nummer verschenen, waarin het
essay ‘Doelstelling’ van Frank Wilders (ps. van Fokke Sierksma) was gepubliceerd. Daarin had
Wilders zijn opvattingen over de literatuur van de jongeren na de oorlog in
strijdbare termen geformuleerd. Dat geëngageerde essay werd nu door de groep
rond Podium als een soort program beschouwd en aan de
andere jongeren voorgelegd om bij wijze van lakmoesproef te kijken hoe ze
daarop zouden reageren.
Jan Praas vertelde in 1979 over deze bijeenkomst:
‘Ik herinner me dat we daar boven op de eerste verdieping in zo'n vleugel
hebben gezeten, aan alle kanten glas, achter grote tafels. En ik weet nog
wel dat we vrij lang hebben gesproken over de naam die het nieuwe
tijdschrift moest hebben, maar dat duidde er eigenlijk op dat er een zekere
mate van overeenstemming was bereikt.’13
Ad den Besten herinnert zich dat de Friezen vooral
dachten aan een literair-cultureel blad waarin ook aandacht aan de politiek
zou worden besteed. De grondslag hiervan moest zijn: een weerbaar, gewapend
humanisme. Den Besten: ‘In die termen dachten wij in die tijd eigenlijk
helemaal niet. Je kunt zeggen: wij waren veel esthetischer.’14
's Nachts sliepen de deelnemers op de zolder van Praas' ouderlijk huis in
Utrecht. Jan
Vermeulen vertelde in 1984 over dit nachtelijk samenzijn: ‘Fokke
Sierksma en ik hebben heel lang nog gedebatteerd over Marsman: vooral zijn bundel “Tempel en kruis”.
Hij lag de hele tijd maar “Tempel en kruis” te citeren en ik was daar in die
tijd niet zo van gecharmeerd. Er was een soort gezond wantrouwen tussen die
Friezen en ons. Dat is eigenlijk altijd blijven bestaan volgens mij, hoewel
het toch wel aardige jongens waren.’15
Dat de groep rond Podium en de anderen niet zo goed bij
elkaar pasten, blijkt ook uit een brief die de Podium-redacteur Gerrit Meinsma ruim een week na de bijeenkomst, op 3
juli, in het Fries aan Marten Brouwer schreef. Brouwer, die pas zestien jaar
oud was, had Podium in het laatste oorlogsjaar in
Groningen verspreid. Meinsma berichtte hem: ‘Wy binne nei Utert ta west om
oer fusy-plannen to praten mei oare “illegale” letterkundige blêden. It is
nou foar inoar. Mar it is noch net sa wis, det Podium der ek by komt, hwent
de jongere generaesje liket der net op sa as F[.] Wilders it foarstelt yn
Doelstelling. Allegearre binne se der tsjinoer. Miskien is der wol | | | | hwet út to meitsjen, hwent der binne wol by dy't krekt sa
tinke, mar it liket my net bêst ta.’ (‘Wij zijn naar Utrecht geweest om over
fusieplannen te praten met andere “illegale” letterkundige bladen. Het is nu
voor elkaar. Maar het is nog niet zo zeker, dat Podium er ook bij komt, want
de jongere generatie komt niet overeen met het beeld dat F. Wilders ervan
geeft in Doelstelling. Ze staan er allemaal lijnrecht tegenover. Misschien
is er wel iets van te maken, want er zijn er wel bij die precies zo denken,
maar het lijkt mij niet best toe.’)
Meinsma schreef verder over een eventuele fusie met de andere tijdschriften:
‘Wy moatte mar ris sjin. Wy geane noch mar troch.’16 (‘Wij moeten maar eens zien. Wij gaan
voorlopig maar door.’)
Dat de Podium-redactie tijdens de bespreking grote twijfels
had over de mogelijkheid van samenwerking, kan ook worden opgemaakt uit een
brief die Fokke Sierksma enkele maanden later, op 29 september, aan de
vroegere Parade-medewerker Albert Jan
Govers schreef. Sierksma merkte hierin op: ‘Reeds dadelijk
merkten wij in Utrecht, dat wij niet bij
geestverwanten waren aangekomen.’ En verder: ‘[...] wij voelden, dat zij
niet de lef hadden om uit de vicieuze cirkel te breken en het avontuur aan
te durven van de honnête homme. Zij wilden in geen geval een tijdschrift,
dat zich een doel stelde. Voor mijn gevoel zat daarachter ook de tendenz om
ten koste van alles een tijdschrift te krijgen. En dat was iets dat ons
minder kon schelen. Wij wilden ons zelf zijn in de eerste plaats, met of
zonder tijdschrift. Toch besloten wij in eerste instantie om mee te doen,
daar wij in geen geval spelbrekers wilden zijn en men ons uitdrukkelijk
verzekerde, dat er voor ons plaats zou zijn.’17
De besluiten die in Jutphaas tijdens de vaak
rumoerige vergadering genomen werden, hielden in dat Podium en de drie andere tijdschriften zouden fuseren tot één blad en
dat Jan Praas voorlopig als redactiesecretaris zou optreden. Fokke Sierksma
zou als vertegenwoordiger van de Podium-groep in de
redactie worden opgenomen. Over de vraag wat de naam van het nieuwe
tijdschrift zou worden, werd nog niets beslist: de naam Delta kon de Friezen, die trouwens geografisch met welke rivierendelta
dan ook niets te maken hebben, niet bekoren. Aan de andere kant voelde de
Parade-groep weinig voor de namen Facet en Ariël, die door Sierksma werden
voorgesteld.
Een van de andere punten die tijdens de bijeenkomst ter sprake kwamen, was
dat de Parade-groep - en daarin vooral Jan Praas - het
toekomstige tijdschrift het liefst op coöperatieve basis wilde uitgeven,
waartoe een stichting zou moeten worden gevormd: de vergadering vond
trouwens plaats in een gebouw van de coöperatie! Praas stelde voor de
schrijvers zelf het tijdschrift te laten exploiteren. De Podium-groep voelde hier weinig voor: ze vreesde | | | | dat de
jongeren daarmee te grote financiële risico's zouden lopen. Ook hierover
werd nog geen beslissing genomen. Wel werd afgesproken dat Klaas Woudt
alvast circulaires voor abonnees en medewerkers zou drukken.
| |
Eenheid in de tegenstellingen?
Intussen had de Haagse uitgever Stols op vrijdag 22 juni - de dag voordat de
Podium-redactie naar de bijeenkomst te Jutphaas zou
afreizen - aan Gerrit Meinsma geschreven dat hij
met belangstelling van de inhoud van Podium had
kennisgenomen, waarna hij opmerkte: ‘Wij voelen er wel wat voor om als
uitgever van Uw blad op te treden en vernemen gaarne van U bijzonderheden,
waarna we de zaak kunnen regelen.’18 Dat de Podium-redactie al vóór haar vertrek naar Jutphaas van deze brief
op de hoogte is geweest, is onwaarschijnlijk gezien de traagheid van het
postverkeer tussen Den Haag en Friesland kort na de oorlog.
Twee dagen nadat de bijeenkomst in Jutphaas beëindigd was, 26 juni, berichtte
Jan Praas aan Gerrit Meinsma over een bezoek dat hij en Frits Planije aan
het provinciale kantoor van het Militair Gezag gebracht hadden: ‘Planije en
ik waren bij het m.g. om toestemming voor ons blad te
verwerven. De beslissing valt uiterlijk begin volgende week. Ik telegrafeer
Sierksma dan.’19
De beslissing over de vergunning werd inderdaad snel genomen, want ruim een
week later, op 4 juli, deelde Praas aan Fokke Sierksma mee: ‘Gisteren kwam de toestemming
van het m.g. binnen; enerzijds teleurstellend. Toewijzing
nml. voor een maandblad van 24 pag., octavoformaat, 1000 ex. Dus veel minder
dan jullie voor Podium hebben.’20 Praas deelde hierna mee dat hij de
volgende dag naar Den Haag zou gaan om bij de centrale instantie van het
Militair Gezag gedaan te krijgen dat het maandblad tweeëndertig bladzijden
zou mogen tellen en in kwartoformaat zou kunnen worden uitgegeven.
Zoals we gezien hebben, voelde de Podium-redactie al in
Jutphaas duidelijke verschillen tussen haar eigen houding tegenover de
literatuur en die van de Parade-groep. Dat gevoel werd
daarna gaandeweg sterker. Op 7 juli schreef Fokke Sierksma aan Praas en
Planije over het concept van een verantwoording dat zij beiden voor het
eerste nummer van het nieuwe tijdschrift geschreven hadden. Hoewel er
volgens hem ‘beste dingen in het stuk’ stonden, was het voor zijn gevoel ‘te
veel academisch vertoog geworden, dat verschillende standpunten voorzichtig
confronteert en er een even voorzichtige synthese uit haalt’. Sierksma
stelde daarom voor in de eerste aflevering een korte algemene verantwoording
- hijzelf had er al een con- | | | | cept voor geschreven! - op te nemen,
gevolgd door twee uitvoeriger beschouwingen: zijn eigen ‘Doelstelling’ uit
het vierde nummer van Podium en het essay ‘Verengde
kringen’ van Planije en Praas, dat in het najaar van 1944 in het gestencilde
eerste poëzienummer van Parade der Profeten gepubliceerd
was. Sierksma: ‘Wanneer wij nu, na een korte algemene verantwoording, beide
stukken opnamen - ze komen toch bij een veel groter publiek en kunnen
herplaatsing best verdragen, vooral omdat Verengde kringen alleen nog maar
gestencild verschenen is - zou dat aan ons blad meteen een eigen karakter
geven. Wij laten de eenheid in de tegenstellingen zien en geven daarmee
tegelijkertijd aan, dat er voor allen plaats is. Daarbij zijn wij literair
verantwoord.’21
De eenheid in de tegenstellingen! Het was vriendelijk geformuleerd, maar
waren de tegenstellingen niet zo groot dat er van eenheid nauwelijks sprake
zou zijn?
Dat er bij de Podium-redactie inderdaad stevige twijfels
bestonden over een vruchtbare samenwerking met Praas en zijn vrienden, kan
ook worden opgemaakt uit een brief van uitgever Stols aan Gerrit Meinsma op
6 juli, waarin hij schreef: ‘In antwoord op Uw brief van 3 Juli deelen wij U
mede dat indien er van de voorgenomen fusie niets mocht komen, wij toch wel
bereid zijn met U in zee te gaan. Wij wachten dus Uw verdere berichten maar
even af.’22
Kennelijk had Meinsma in zijn brief aan Stols al betwijfeld of de fusie zou
doorgaan.
| |
‘What's in a name?’
Typerend voor de moeilijke relatie tussen de Parade- en de
Podium-groep was ook het geharrewar rond de naam voor
het nieuwe tijdschrift dat komische en welhaast kosmische proporties aannam.
Op 26 juni - kort na de vergadering in Jutphaas -
schreef Jan Praas aan Gerrit Meinsma: ‘Nadat jullie wegwaren vond Ad. den
Besten een naam voor de periodiek, die ons allen zeer beviel, nml. “museion” (tempel der muzen). Ik hoop van harte dat ze ook
bij jullie in de smaak valt. Sierksma vroeg ik jullie oordeel even door te
geven aan Klaas Woudt, in verband met de circulaires aan abonné's en
medewerkers.’23
De Podium-redactie bleek van Museion niet
gecharmeerd. Op 2 juli maakte Sierksma in een brief aan Planije en Praas
bezwaar tegen ‘het afgezaagde van deze naam’ - waarbij hij de schrijfwijze
stilzwijgend verbeterde in Mouseion - en merkte hij op:
‘Welke naam jullie wilt nemen, kan mij niet veel schelen. Alleen zou ik hem
graag oorspronkelijk en zinvol willen hebben. Een echt mouseion zou alle
kunsten moeten omvatten, iets wat met | | | | Helikon niet het geval
was. En onze productie hoopt toch iets meer te zijn dan de traditionele
wijzen, die Apollo's olympische dameskapel sinds eeuwen speelt. Ze zijn zo
oud geworden, die muzen; zij voelen zich toch altijd het best thuis bij
Pindarus en Sophocles. Daar blijft hun kapsel onberispelijk zitten, terwijl
het bij ons met onze onverwoestbare Westerse oneindigheidsdrang in de wind
een warboel dreigt te worden. Kortom: ons tijdschrift zou in de literaire
geschiedenis met deze naam een plaats krijgen als de vale museumvitrine voor
de even vaal geworden gipsafdrukken van de eens levende zangeressen van
Griekenland.’24
Twee dagen later, op 4 juli, antwoordde Praas aan Sierksma: ‘Vanmorgen
ontving ik je derde brief, die de nekslag gaf aan Mouseion! Ongelijk geven
kan ik jullie niet, alleen, wat is een betere naam. Eranos en Panspermia
lijkt de lieden hier even matig als M. Het is echter zaak dat hierin spoedig
een beslissing wordt genomen, al was het uitsluitend uit materiele
[materiële] overwegingen (die trouwens toch even de doorslag zullen geven).’
Praas merkte hierna op: ‘Om verdere moeilijkheden te voorkomen stel ik nu
voor: podium. Ik weet niets anders of beters en we kùnnen
niet langer wachten. Vermoedelijk zijn tegen die naam van jullie kant geen
bezwaren.’25
Dezelfde dag berichtte Praas aan Planije: ‘Sierksma en de andere Friezen
willen geen mouseion; ik heb nu ten einde raad podium voorgesteld. Verder kunnen ze allemaal
barsten.’26
Met dit voorstel van Praas, met hoeveel tegenzin ongetwijfeld ook gedaan,
leek een oplossing in zicht te komen. Drie dagen later, 7 juli, schreef
Sierksma aan Praas en Planije: ‘Natuurlijk hebben wij geen bezwaar tegen
Podium. Dat is echter iets anders dan dat wij er enthousiast over zouden
zijn. Een nieuwe naam was beter geweest. Facet en Ariël houden voor mij nog
steeds hun charme. Soit. Met de naam Podium kunnen we waarschijnlijk meer
bereiken.’27
Wie zou menen dat met de keuze voor de naam
Podium
de zaak beslist was, onderschat het talent van beide groepen om met
elkaar van mening te verschillen. Op 10 juli schreef Jan Praas aan Gerrit
Meinsma: ‘Gelijk hiermee schrijf ik Fokke in verband met de naam voor ons
tijdschrift, waar de diverse lieden het nog niet over eens zijn blijkbaar.
Ik gaf daarbij een grote lijst met titels; hopelijk is daar iets bij of
inspireert het jullie tot een ander voorstel.’28
Een van de namen die nog ter sprake kwamen, was De
Windroos, die door Albert Helman, adviseur
van de ABC, tijdens een bespreking met Praas was voorgesteld. Die naam viel
toen niet in goede aarde, maar Ad den Besten zou hem enkele jaren later
gebruiken voor zijn bekende serie dichtbundels, waarin verscheidene
Vijftigers zouden debuteren.
Uit de licht sarcastische toon in Praas' brieven over de naamskwestie | | | | blijkt dat hij er steeds meer door geïrriteerd raakte. Het
moeizame gedoe rond de naam - het was langzamerhand een ‘running gag’
geworden! - droeg er niet toe bij zijn plezier in het tijdschrift te
vergroten, integendeel. Op 4 juli - dezelfde dag waarop hij aan Sierksma de
naam Podium voorstelde - schreef hij in een postscriptum
bij een brief aan Planije: ‘Ik trek me geheel uit het tijdschrift terug. Ik
ga studeren [...]. Jan Vermeulen verzoek ik redactie-secretaris te worden;
hij lijkt er me de aangewezen man voor. - Nu ik dit besluit genomen heb voel
ik me gelukkiger dan in tijden het geval is geweest.’29
Dat het besluit van Praas om zich uit het
tijdschrift terug te trekken en zich weer aan de studie m.o. Nederlands te gaan wijden, vrij plotseling opgekomen was, blijkt
uit de brief die hij eerder op die dag aan Sierksma geschreven had: daarin
had hij opgemerkt dat hij zijn studie nog maar een jaar zou laten schieten,
‘want op het ogenblik gaat het tijdschrift vóór alles’.30
Overigens zou Praas zich - zoals weldra zou blijken - niet geheel uit het
tijdschrift, dat tenslotte voor een groot deel zijn geesteskind was,
terugtrekken. Hij bleef bij de voorbereidingen nauw betrokken, maar legde
alleen de functie van redactiesecretaris neer.
| |
Jan Vermeulen
Jan Vermeulen (1923-'85), die hierna
redactiesecretaris van het nieuwe tijdschrift werd, was afkomstig uit Leiden. Hij bezocht daar de Gemeentelijke hbs, waar hij enige jaren lang een klasgenoot was van de
latere schrijver Hans van Straten: tussen hen
ontstond een vriendschap voor het leven. Nadat Vermeulen in de zomer van
1942 het diploma hbs-a behaald had, ging hij als jongste
bediende werken bij de bekende Leidse boekhandel Burgersdijk &
Niermans in de Breestraat. Daarnaast studeerde hij enige tijd Nederlands aan
de School voor Taal- en Letterkunde in Den Haag.
Intussen had hij de poëzie van Gerrit Achterberg
ontdekt, die een overweldigende indruk op hem maakte. In januari 1943 kwam
hij met deze dichter, die kort daarvoor vanuit de Rekkense Inrichtingen naar
de psychiatrische kliniek Rhijngeest te Oegstgeest
was overgeplaatst, ook in persoonlijk contact. In de maanden hierna
ontmoette Vermeulen Achterberg geregeld - zo ondernam hij in het voorjaar
van 1943 samen met de dichter een expeditie naar diens ouderlijk huis te
Neerlangbroek, waar ze een dichtgespijkerde
kast, gevuld met ongepubliceerde gedichten van hem, aantroffen -, totdat
Achterberg in augustus van dat jaar Rhijngeest weer verliet.
In de zomer van 1943 ontmoette Jan Vermeulen ook de twee jaar jongere Jan Wolkers, die toen aan de Leidse
Schilderakademie studeerde. Wolkers | | | | zag in de etalage van
Burgersdijk & Niermans een boek over de impressionisten liggen,
waarin vooral een reproduktie van een danseres van Degas hem aantrok. Hij
vertelde hierover in 1992: ‘Ik moest en zou de winkel in om te vragen of ik
het boekwerk in mocht kijken. Toen ik, bijna wankelend om die schoonheid van
roze tule en roze vlees tegen een achtergrond van een regenboog van
verfijnde pasteltinten die als een waas op mijn netvlies leek te zitten, de
winkel binnenging, kwam een dichterlijke jongeman met sluik blond haar en
smalle lange handen als van een pianist me tegemoet. Hij was bijzonder
hartelijk voor de door de schoonheid tot stamelen gedoemde
schildersleerling. Toen hij begreep wat me bezielde boog hij zich de etalage
in, en zette me op een stoel met het zware boek op mijn schoot. Hoe lang ik
daar heb zitten kijken en bladeren, terwijl hij met gedempte stem klanten
hielp en er een muur van gemurmel om me heen werd opgetrokken, weet ik niet
meer precies, maar ik vraag me nog vaak met verwondering af hoe hij me voor
sluitingstijd de winkel uit gekregen heeft.’31 Ook Wolkers en Vermeulen werden vrienden
voor het leven.
In het voorjaar van 1944 moest Vermeulen, nadat hij zich aan gedwongen
tewerkstelling in Wijk aan Zee onttrokken had, in
zijn ouderlijk huis onderduiken. Hij sprak toen met Gerrit Achterberg af dat hij een keuze zou maken uit diens
onuitgegeven gedichten om daarmee een nieuwe bundel samen te stellen. Dit
werd de bundel
Morendo
, die hij in mei 1944 in vijfhonderd exemplaren publiceerde. Kort
daarna startte Vermeulen, die de smaak van het uitgeven te pakken had
gekregen, een eigen clandestiene reeks onder de naam Molenpers. In deze
reeks zouden in het laatste oorlogsjaar twaalf uitgaven het licht zien,
waaronder de dichtbundel
Elf sonnetten op Friesland
(1944) van Bertus Aafjes en de rijmprent
Bevrijding
(1945) van Jac. Vermeulen, de vader van Jan. Van Jan Vermeulen zelf
verschenen in de Molenreeks de dichtbundels
De terugtocht
, die in de zomer van 1944 uitkwam, en
Het ontoereikende
, die in november van hetzelfde jaar het licht zag. De
terugtocht, waarin zestien verzen uit de jaren 1941-'43 werden
opgenomen, opende met een gedicht onder dezelfde titel:
Ik had vanavond naar het stadspark willen gaan
Om voorgoed af te rekenen met het verleden,
Maar 'k bracht het niet verder dan halverwege,
Toen heb ik voor een venster stilgestaan
Waar ik iemand piano hoorde spelen.
Achter de bomen wies een stille maan
En al het leed is van mij afgegleden.
Langzaam ben ik de weg naar huis gegaan. 32
| | | |
In het najaar van 1944 - enkele maanden nadat De terugtocht
verschenen was - kwam Jan Vermeulen in contact met Jan Praas, die in Utrecht
bezig was bijdragen te verzamelen voor het eerste poëzienummer van
Parade der profeten
. Hoe dit contact tot stand is gekomen, is niet meer bekend:
misschien gebeurde dit via de redactiesecretaris van de Parade, Ad. van Noppen, die in die tijd allerlei schrijvers aanschreef
en die De terugtocht wellicht gelezen had. In ieder geval
werden in het eerste poëzienummer van de Parade gedichten
van Jan Vermeulen en van diens vriend Hans van Straten gepubliceerd. Van
Straten was in juli 1944 wegens het verspreiden van een illegale krant door
de Duitsers opgepakt.
Na de oorlog besloot Vermeulen zijn studie Nederlands niet meer voort te
zetten - hij had er de afgelopen jaren weinig aan gedaan - en werk te zoeken
bij een uitgeverij. Begin september 1945 zou hij ‘als een soort
factotum’33 in dienst komen bij de
Haagse uitgever Stols. Vermeulen vertelde in 1984 over hem: ‘In die tijd
gold hij toch voor iedereen eigenlijk als dé literaire uitgever, want hij
had Bloem, Roland
Holst, Nijhoff in zijn fonds, Jan van Nijlen, noem maar op, en dat was ook de
reden waarom ik bij hem wilde gaan werken.’
| |
Een nieuw fusievoorstel
De dag nadat Praas voorgesteld had dat Vermeulen de redactiesecretaris van
het nieuwe tijdschrift zou worden, werd de redactie van Podium benaderd met een ander fusievoorstel. Op 5 juli schreef de
dichter Koos Schuur haar mede namens de
romanschrijver Ferdinand Langen, dat zij beiden bij De Bezige Bij een nieuw
tijdschrift,
Het Woord
, wilden uitgeven. Hij merkte op dat zij veel sympathie hadden voor
Podium
en hij vroeg of het mogelijk was tot samenwerking - of zelfs fusie
- te komen. Daarmee zou versnippering van krachten worden tegengegaan.34
Op 11 juli reageerde Gerrit Meinsma namens de Podium-redactie op deze brief: ‘Het deed ons genoegen Uw brief te
lezen [van] 5 dezer, waarin U samenwerking tussen onze bladen voorstelde.
Was niet “De Bezige Bij” immers ook voor ons Noorderlingen het ideaal van
een synthese tussen illegaliteit en cultuur? Ook wij zijn van mening, dat
men literair Nederland in deze tijd maar niet willekeurig kan versnipperen.
Hoewel onze oproep niet zonder effect is gebleven en wij reeds met enkele
groepen besprekingen hebben gevoerd, die in een vrij gevorderd stadium zijn
gekomen, lijkt het ons zeer vruchtbaar om mondeling met U verschillende
mogelijkheden te bespreken. Op één ding zouden wij echter aan willen
dringen: haast. Over drie weken zijn de meesten van ons met vacantie.
Bovendien hebben andere | | | | plannen dan misschien een reeds te
vaste vorm gekregen. En, hoewel podium reeds papier etc.
heeft en er een behoorlijke hoeveelheid copie aanwezig is, zouden wij
samenwerking zeer op prijs stellen, om de eenvoudige reden dat men niet
tijdschriftje dient te spelen maar op onze plaats het volk te dienen. Uw
brief leek ons van dezelfde mening uit te gaan.’35
Dezelfde dag schreef Meinsma aan Jan Praas over het aanbod van Koos Schuur:
‘Dezer dagen ontvingen wij, als de redactie van het voormalige Podium, een
brief van de “Bezige Bij”, waarin zij hun instemming betuigden met het door
ons geredigeerde blad en ons vroegen om fusie met het bij hen uit te geven
tijdschrift.
‘Een man een man, een woord een woord - het spreekt vanzelf dat wij ons
gegeven woord aan Parade en Zaans Groen gestand doen. Maar liggen er hier
niet gemeenschappelijke mogelijkheden? En onderbrenging van Podium - het
grote - bij de “Bezige Bij” zou bezwaren van jullie kant om een uitgever in
de arm te nemen geheel te niet doen, daar deze uitgeverij coöperatief werkt
en dus een waarborg biedt voor behoorlijke honoraria. Bovendien zou onze
stichting door al de risico's gemakkelijk een catastrophe - vooral geldelijk
- kunnen worden. En: Wie zal dat betalen zoete lieve Gerritje! Jullie en wij
willen eenheid. Ook de lui van de “Bezige Bij” zijn jongeren. Wij horen dus
bij elkaar. Hierbij komt nog dat het een stijlvol geheel zou zijn om als
jongeren met elkaar de heel of half illegale traditie voort te zetten bij
een illegale uitgeverij van een standing als de “Bezige Bij”. Als jullie ons
vrij willen geven tot onderhandeling - het voorstel van hun zijde was aan
het oude Podium - dan willen wij voorstellen om de gehele nieuwe Podium
redactie over te brengen en twee van hen toe te voegen. Het
allerbelangrijkste is wel dat we zo doende Hutjes-vorming en overbodige
concurrentie vermijden en de literatuur dienen. Hoe groter, des te beter en
mooier. En principiële bezwaren zullen er van jullie kant niet zijn, gezien
jullie spiegel-standpunt.’ Met dit laatste bedoelde Meinsma dat het nieuwe
tijdschrift volgens de Parade-groep geen bepaalde richting
moest vertegenwoordigen, maar een ‘spiegel’ moest zijn van alles wat er door
de jonge generatie geschreven werd.
Meinsma merkte verder op: ‘Graag zouden wij zo spoedig mogelijk bericht van
jullie ontvangen; daarom dringen wij er ook op aan de zaak zo spoedig
mogelijk te overpeinzen. Mede in naam van Sierksma stelde ik dit epistel op
[...].’36
Jan Praas en - kort daarna - de nieuwe redactiesecretaris Jan Vermeulen
voelden evenwel niets voor het voorstel van de Podium-redactie. De Bezige Bij - een coöperatieve uitgeverij! - was
voor Praas wel aantrekkelijk, maar hij was bang dat bij een zo omvangrijke
fusie het eigen karakter van de | | | | vriendenclub die de Parade-groep in feite was, verloren zou gaan. Het feit dat
de Friezen bij de onderhandelingen de touwtjes in handen zouden hebben,
versterkte dit gevoel nog.
Daarbij kwam dat de samenwerking met de
Podium
-groep tot dusver uiterst moeizaam verlopen was: Praas en Vermeulen
hadden er eigenlijk geen zin meer in. Zou het niet beter zijn wanneer
Sierksma en zijn vrienden met De Bezige Bij verder gingen en de Parade-groep - versterkt met de kring rond
Maecenas
en
Zaans Groen
- haar eigen weg zocht?
Op 17 juli schreef Vermeulen aan Planije een brief waarin hij voorstelde
binnenkort een tweede landelijke conferentie te houden met alle vroegere
redacties die bij het tijdschriftplan betrokken waren. Verder merkte hij op:
‘Mijn voorstel op de nieuwe conferentie zou o.a. zijn: i.
Podium gaat samenwerken met de Bezige Bij (hierover straks uitleg) ii. Wij zetten het nieuwe tijdschrift voort in de geest
van de oude Parade - alleen veel selectiever en mèt de
goede medewerkers van Maecenas en Zaans Groen.
‘iii. Jan Praas komt in elk geval terug in de “gezuiverde”
redactie - zij het ook niet als secretaris.
‘Commentaar bij punt i: Jan Praas stuurde mij een brief
door van Meinsma uit Leeuwarden. Ik denk dat de inhoud ervan je nog onbekend
is. Het komt in 't kort hierop neer, dat de Bezige Bij aan het oude Podium een voorstel tot fusie heeft gedaan. Jan kan
hiermee absoluut niet accoord gaan - ik evenmin ik denk
wel om dezelfde redenen.
‘Over dit alles uitvoeriger op de conferentie. Er is weer nieuw gedonder over
de naam ontstaan - ditmaal v/d zijde van Zaans Groen. Het houdt niet op!
Omdat de situatie met de dag verwarder wordt, leek het me noodzakelijk een
nieuwe conferentie bijeen te roepen.’37
Zes dagen later, op 23 juli, deelde Vermeulen aan
Planije mee dat de door hem uitgeschreven conferentie op zaterdagmiddag 28
juli zou plaatsvinden in het café-restaurant D' Vijff Vlieghen aan de
Spuistraat te Amsterdam. Vermeulen: ‘Fokke Sierksma
zal wel verstek laten gaan, maar je kunt tenslotte niet van hem vergen dat
hij uit Leeuwarden komt.’38
| |
De conferentie in Amsterdam
Hans van Straten schreef in 1985 over de
bijeenkomst op 28 juli, waar hij samen met onder meer zijn vriend Jan
Vermeulen heenging: ‘Jan V. en ik reisden naar A'dam in een open
goederenwagon. Ook Jan Zitman was van de partij
[...] en nog enkele anderen, ik ben vergeten wie. Het begon te regenen, maar
er lag een zeil, waar wij onder kropen. Gezamenlijk hebben wij toen een
sonnet gecomponeerd, waarvan alleen de eerste regel mij is bij- | | | | gebleven: “Het moet niet regenen in een open trein.” In A'dam troffen wij
de Utrechters voor de deur van D' Vijff Vlieghen en begroetten hen luidkeels
met: “Heil u, heil u, marcherende Profeten!” Omdat de tent nog gesloten was,
begaven wij ons naar cafetaria De Bo¢k. Pas later gingen wij naar d.v.v.’39 Jan
Zitman was een Leidse dichter, die tijdens de oorlog aan de Parade had meegewerkt, terwijl het in de trein vervaardigde sonnet
een parodie was op een vers van de Amsterdamse dichteres Willy Berg dat in de Parade verschenen was en
dat begon met de regel: ‘Het moet niet regenen in een kleine stad...’ De
uitroep ‘Heil u’ werd ontleend aan een spotvers van de Alkmaarse dichter
Jan N. Grootenboers, eveneens uit de Parade.
Bij de bijeenkomst kwam Fokke Sierksma of een van
de andere Podium-redacteuren inderdaad niet opdagen: zij
hadden intussen besloten van een fusie met de Parade-groep
af te zien. De belangrijkste reden hiervoor was dat de literaire opvattingen
van beide groepen volgens hen te veel uiteenliepen, zoals duidelijk was
gebleken bij de beoordeling van de ingezonden bijdragen. Op 29 september
1945 zou Sierksma hierover aan de vroegere Parade-medewerker Albert Jan Govers
schrijven: ‘Spoedig bleek, dat er voor ons geen plaats was, om de eenvoudige
reden, dat verzen, die zij goed vonden, voor ons besef belabberd waren en
omgekeerd. Onze intuïtie bleek gelijk gehad te hebben. Daar wij onze goede
wil hadden getoond, konden wij toen met ere er uit stappen. En wij voelden
dat als een verademing; de fusie had ons, eenmaal terug in Leeuwarden en
andere plaatsen in Ultima Thule, danig zwaar op de maag gelegen: wij voelden
dat er iets niet klopte.’40
Nu de Podium-groep was afgevallen, werd in Amsterdam
besloten dat het de voorkeur verdiende het nieuwe tijdschrift toch bij de
Amsterdamsche Boek- en Courantmaatschappij te laten verschijnen: het idee
van een uitgave op coöperatieve basis werd dus losgelaten - ongetwijfeld om
financiële redenen. De directie van de ABC had weliswaar te kennen gegeven
liever een literair blad van ouderen én jongeren uit te geven, maar was
intussen tot de ontdekking gekomen dat veel ouderen hun medewerking al aan
andere tijdschriften hadden toegezegd. Het feit dat de groep rond de Parade met andere jongeren versterkt was, vergrootte de
kans dat het blad een succes zou worden.
Verder werd in Amsterdam afgesproken dat het eerste nummer op 1 september zou
verschijnen en dat de redactie van het nieuwe tijdschrift zou bestaan uit
Ad den Besten, C.A.G.
Planije, Jan Praas, Paul van 't Veer en Jan
Vermeulen. De laatste zou tegelijkertijd als redactiesecretaris
blijven fungeren.
Wat hierbij opvalt is dat geen vertegenwoordiger van
Zaans Groen
in de redactie werd opgenomen - Klaas
Woudt zou wel het drukken van het tijd- | | | | schrift op zich
nemen - en ook dat namens het Haagse blad
Maecenas
niet Willem Karel van Loon - hij was op
de vergadering in Amsterdam afwezig -, maar de
jonge dichter en essayist Paul van 't Veer redacteur zou worden. Van Loon
was immers de man geweest, die tijdens de Duitse bezetting het initiatief
genomen had tot de oprichting van maar liefst drie opeenvolgende
tijdschriften: Stijl, Maecenas en
En Passant
. Paul van 't Veer, die de vergadering in Amsterdam wel bijwoonde,
had aan de beide laatste bladen meegewerkt.
Op de achtergrond hiervan speelde dat Van 't Veer weinig vertrouwen had in
Van Loon als redacteur van het nieuwe tijdschrift. Op 4 juli 1945 berichtte
Jan Praas aan Fokke Sierksma dat Van 't Veer hem hierover het volgende
geschreven had: ‘De Haagse verhoudingen in de jonge kunstenaarswereld zijn
als volgt. Vanaf ong. '43 werkten Rodenko, Messelaar, Goverts,
onderget. en nog anderen mee aan Van Loon's Maecenas. Dit
was noodzaak: M was het enige communicatiemiddel en Willem Karel van Loon
een zeer actieve knaap - waarmee dan weer alles gezegd is, want hij
praesteert au fond te weinig om een positie als redacteur (vertegenwoordiger
van “litterairici”) te gedogen. Het “vertrouwelijk” van dit epistel is dat
je liever niet met W.K. van Loon hierover moet spreken. Als mens is 't een
geschikte, vlotte kerel en ruzie wil ik niet met hem hebben.’ Praas voegde
hier met het oog op de samenstelling van de toekomstige redactie aan toe:
‘Ik hoop morgen in gesprekken met Van Loon en Van 't Veer [...] een beeld te
krijgen van de juiste verhoudingen. Valt Van Loon af dan is Van 't Veer de
enige die in aanmerking komt voor een red. post.’41 De daarop volgende
dag zou Praas overigens niet naar Den Haag gaan om met Van Loon en Van 't
Veer ove deze kwestie te praten.
Paul van 't Veer deelde in 1979 mee dat tijdens de bijeenkomst in Amsterdam
de aanwezige jongeren niet veel voelden voor Van Loon als redacteur: ‘Ik
denk dat ze toen zochten naar iemand uit Den Haag die misschien meer dan
Willem Karel van wanten wist.’42
Over de naam die het tijdschrift zou krijgen, werd ook nu nog geen
definitieve beslissing genomen. De volgende dag schreef Praas aan Planije,
die op de vergadering niet aanwezig was geweest: ‘[...] we aarzelen tussen
Atrium, Columbus, Delta. Morgen wordt beslist.’43 Het werd Columbus.
Hans van Straten merkte in 1983 over deze naam op: ‘Die heb ik bedacht. We
waren allemaal grote bewonderaars van Maurice Gilliams, wiens verzen werden
verzameld in de bundel “Het verleden van Columbus”. Paul van 't Veer was er
een bewonderaar van, Jan Praas, Jan Vermeulen. Dus dat werd Columbus.’44
Zoals in Amsterdam was afgesproken, verscheen in augustus een door de
drukkerij van Klaas Woudt verzorgde circulaire, gericht aan ‘de medewer- | | | | kers van “Maecenas”, “Parade der Profeten”, “Zaans Groen”, en
aan alle andere jonge Nederlandse letterkundigen’. Hierin werd meegedeeld:
‘Het is een verheugend verschijnsel, dat de redacties van bovengenoemde
bladen bij het beëindigen der bezettingsperiode onmiddellijk pogingen in het
werk hebben gesteld een gemeenschappelijk tijdschrift te stichten, waarin
jong litterair Nederland uitingsmogelijkheid zou kunnen vinden.
‘Deze opzet is geslaagd en eind Augustus a.s. verschijnt reeds het eerste
nummer van het litterair-cultureel maandblad
“Columbus”
Dit blad bedoelt te zijn een tijdschrift: geïllustreerd, zo mogelijk van
behoorlijke omvang, typografisch uitstekend verzorgd. Wij zijn ons terdege
bewust van de verantwoordelijke taak die wij hiermede op ons genomen hebben.
Het gaat er immers om, de jonge generatie een eigen periodiek te bieden en
daarmede ons deel bij te dragen aan de opbouw van onze cultuur.
‘Daarom doen wij een beroep op u, jonge auteurs, ons in staat te stellen een
zo representatief mogelijk beeld te geven van de kansen en mogelijkheden
onzer Nederlandse litteratuur.
‘Zendt ons uw werk! Maar ook: weest propagandist voor uw eigen blad,
abonneert u!
‘Wij hopen spoedig persoonlijk met u in contact te komen.’45
| |
De roode lantaarn
Kort hierna, in augustus 1945, verscheen het eerste nummer van een ander blad
waartoe de ondernemende Jan Praas het initiatief
genomen had: het bibliofiele tijdschrift
De Roode Lantaarn
, dat ook in het inleidend hoofdstuk ter sprake gekomen is.
Al tijdens de hongerwinter had Praas, die een grote liefde had voor fraai
verzorgde boeken en bovendien vond dat in een tijdschrift literatuur en
beeldende kunsten elkaar konden versterken, het idee gekregen dit blad op te
richten. Op 25 februari 1945 had hij hierover aan Frits Planije geschreven:
‘Het ligt in m'n bedoeling te gaan uitgeven een klein bibliophiel
periodiekje, met de hand gezet en gedrukt op mooi papier in ten hoogste 50 exemplaren, die ter beschikking moeten blijven voor
onze vrienden en beste literaire relaties. Geén redactie.’ En: ‘Ik wil ± 7
mensen tot geregelde medewerking uitnodigen, niet meer
[...].’46
Kort daarna besloot Praas het blad De Roode Lantaarn te
noemen. Planije herinnert zich dat de naam verwees naar het satirische blad
De Lantaarn van de achttiende-eeuwer Pieter van Woensel. Of het begrip ‘rode’ | | | |

Omslag van De Roode Lantaarn.
| | | |

Perskaart van Frits Planije, in de zomer van 1945 uitgegeven
door de vroegere ondergrondse tijdschriften Zaans
Groen en Parade der Profeten.
Linosnede van Piet Wildschut bij een gedicht van Ad den Besten
in De Roode Lantaarn.
Ad den Besten.
| | | | ook een politieke bijbetekenis heeft gehad, weet hij niet
meer.47
Praas merkte hierover in 1979 op: ‘[...] ach, er was zoveel rood in
1945.’48
Op 17 maart 1945 schreef Praas ook Ad den Besten over
De Roode Lantaarn
: ‘Behalve jou, die ik hierbij uitnodig aan de “Roode Lantaarn” mee
te werken, nodigde ik uit: Guillaume van der
Graft, W.J. van der Molen, Frits Planije,
Gerrit Kouwenaar. De zevende man komt nog.
Het is de bedoeling dat deze zeven mensen het periodiekje hoofdzakelijk
vullen, daarnaast zo nu en dan werk van anderen.’49
De eerste aflevering van De Roode Lantaarn verscheen in een
oplage van honderd exemplaren en telde - afgezien van het omslag - twintig
bladzijden. Het nummer is door een zetfout gedateerd: augustus 1495. Het
blad verscheen zonder dat het Militair Gezag er papier voor beschikbaar
gesteld had. Een van de zakenrelaties van Praas' vader, Frans van Amerongen
- de directeur van de Amsterdamse drukkerij Dico, die tijdens de oorlog de
illustraties voor
Parade der Profeten
had verzorgd -, had nog een riem papier liggen, waarvan bij het
drukken van het tijdschrift gebruik gemaakt werd.
Op het omslag van De Roode Lantaarn, dat als ondertitel
meekreeg ‘Litterair tijdschrift’, was een middeleeuwse monnik afgebeeld,
schrijvend in een foliant. Daaromheen was een lantaarn getekend, waarvan de
houder tegelijkertijd de eerste letter vormde van het woord ‘Lantaarn’.
Het eerste nummer bevatte uitsluitend gedichten en illustraties. De verzen
waren van Thomas Vodijn (ps. van Karel Blom), Ad
den Besten, Jan Praas, Paul van 't Veer,
Guillaume van der Graft, Jan Vermeulen, W. Joh Barnard en Gerrit Kouwenaar. Van de laatste
werden tien acht-regelige gedichten gepubliceerd. De Roode
Lantaarn was verder typografisch fraai verzorgd. In het eerste
nummer werden illustraties opgenomen van Joost Baljeu, Wouter G. Spitzers en
Piet Wildschut, die ook al aan Parade der Profeten hadden
meegewerkt.
De Roode Lantaarn viel bij de redactie van
Podium
niet erg in de smaak. Dat kan worden afgeleid uit een brief die de
redacteur van dit blad Peter van den Burch op 28 augustus aan Ad den Besten
schreef. In deze brief, waarin hij ook inging op de mislukte
fusiebesprekingen tussen de Podium- en de Parade-groep, merkte hij op: ‘Ik zal volkomen eerlijk zijn en dus
beginnen met te erkennen dat jullie formeel bereikt hebben wat bereikt moest
worden. Wij van Podium hebben de weg gevolgd die wij meenden te moeten
volgen en zijn blijkbaar de Westerse gewoonten in aanmerking genomen (met
W-se gew. bedoel ik de big-bussinessgeest [big-businessgeest] die daar en
vooral in A[']dam, te constateren valt) te openhartig en
vooral te consequent geweest. Wij hebben in zo verre onze
zin gekregen dat niet een Stichting ontstond, maar een uitgever opgezocht
werd, questie die toch de aan- | | | | leiding tot het conflict was,
maar: aanleiding en niet meer. En wij zouden ook
ruiterlijk amende honorable gedaan hebben als de zaak niet dieper ging.’
Toen Van den Burch deze brief schreef, had Podium nog geen uitgever terwijl de bespreking met de
redactie van Het Woord over samenwerking - vandaar de
opmerking over de ‘big-bussinessgeest’ in Amsterdam? - op niets was
uitgelopen. Mogelijk kan hieruit de enigszins teleurgestelde toon van deze
brief verklaard worden.
Van den Burch schreef verder: ‘Jullie hebben formeel veel, ideëel bitter
weinig bereikt. Ook uit jullie circulaire aan de medewerkers blijkt dat
Columbus zonder meer orgaan van alle jongeren hoopt te worden. En ik ben er
zeker van dat jullie program (als dat er ooit komt) los zand zal blijken.
Podium hoopt hartstochtelijk partij te kiezen. En Ad, als
Columbus de geest ademt van De roode lantaarn, en ik ben bang
dat dit het geval zal blijken dan komt Columbus de haven niet eens
uit.’50
| |
‘Nog niet voldoende groene zeep’
Met zijn laatste opmerking leek Van den Burch meer gelijk te krijgen dan
zelfs hij vermoed zal hebben. De voorbereidingen voor het eerste nummer van
Columbus, dat begin september zou moeten verschijnen,
gingen - zacht gezegd - niet van een leien dakje. Zo was tijdens de
vergadering in Amsterdam afgesproken dat aan Frits
Planije gevraagd zou worden een verantwoording voor de eerste aflevering te
schrijven. Hij kon daarbij gebruik maken van een concept dat hij en Jan
Praas al in januari geschreven hadden. Maar Planije, die weer druk aan het
studeren was en wiens geestdrift voor het tijdschrift de laatste maanden
danig was bekoeld, kwam er niet toe. Op 6 augustus schreef Praas hierover
aan Ad den Besten: ‘Vanavond ontving ik laat een brief van Frits, waarin ik
de Verantwoording voor Columbus vermoedde. Helaas... Bijgaande stukken
ontvielen aan de enveloppe en daarna aan mijn hand: Het oude in Januari
opgestelde concept van Frits en mij, enkele aantekeningen erbij en een no.
van Podium.’
Praas vervolgde: ‘Het trieste geraamte voor wat twee pagina's sobere maar
programmatische tekst dient te worden.
‘Zou jij... Ik durf bijna niet bij je aan te komen, nu van alle kanten een
lawine van Columbus-werk op je neerdaalt. Zou jij die twee bladz. willen
samenstellen? Daartoe hierbij de gegevens, die je naar hartelust kunt
aanvullen, zolang het geheel tenminste strak en fors blijft.
‘Je kunt het onmiddellijk opzenden naar Klaas. Wij lezen het wel in het
eerste nummer.’51 Vooral de laatste zin - vier van de vijf redacteuren zouden | | | |

Affiche voor Columbus-middag in
Leiden.
| | | |

Columbus-middag in Leiden, 8 september 1945.
Zittend van links naar rechts: Jan Zitman, Jan Praas, Jan Vermeulen
en Willem Karel van Loon. Staand van links naar rechts: Wout Blok,
Thomas Vodijn, André van Holk, Hans van Straten, Carla Scheidler, Eb
van de Beld en Gerard Messelaar. Foto Maarten Zaalberg.
Hans Warren, in een (te krappe) witte trui van Jan Vermeulen,
op bezoek in diens kamer thuis in Leiden. Foto Jan
Vermeulen.
| | | | hun eigen verantwoording pas bij het verschijnen van het blad
onder ogen krijgen! - is om zijn laconieke toon veelzeggend voor het gebrek
aan enthousiasme waarmee althans Praas op dat moment over
Columbus
dacht.
Ook verder vlotte het niet erg met de voorbereiding voor de eerste
aflevering. Op 15 augustus schreef Jan Praas aan
Hans van Straten: ‘Morgen te 12 uur is er een
bespreking tussen redactie, drukker en uitgever bij de A.B.C. Veenstra
schrijft me dat de zaak stroef loopt, waarom snap ik niet.’52 Tien dagen later
telegrafeerde Ad den Besten aan Frits Planije:
‘Ik ga vanavond met trein 17.45 naar Leiden kom ook
moeilijkheden.’53
En op 14 september - twee weken na de geplande verschijningsdatum! -
noteerde Praas op een briefkaart aan Van Straten: ‘Er schijnt nog niet
voldoende groene zeep te zijn om Columbus van stapel te laten lopen. Of
ontbreekt de fles champagne?’54
Het eerste openbare optreden van de schrijvers rond Columbus had intussen op zaterdagmiddag 8 september plaatsgevonden in
het gebouw Gerecht 10 te Leiden. Vier dagen later merkte Hans van Straten
hierover in een brief aan Ad den Besten op: ‘Onze middag is zeker geslaagd.
Persbeschouwingen zijn nog niet verschenen [...].’55 Dat Van Straten, die tijdens de
bijeenkomst in het koele, vochtige lokaal pleuritis opliep, de middag
‘geslaagd’ noemde, mag wel als overtuigend bewijs van zijn liefde voor de
literatuur gelden.
Jan Praas schreef later over de bijeenkomst: ‘Van enige schroom was bij de
jeugdige literaten niets te merken, getuige de onderwerpen van de inleiders.
Jan Vermeulen sprak over “Dichter en wereld”,
Jan Zitman over “Zoeklichten naar
richtlijnen”, ikzelf over “Anderhalf jaar literatuurgeschiedenis”! In een
aftands zaaltje stonden de dichters achter een kathedertje hun verzen te
lezen voor een begripvol, bescheiden publiek.’56 Tot deze dichters behoorden
ook de schrijvers uit de
Maecenas
-groep Willem Karel van Loon, Gerard Messelaar en de kort daarvoor uit een Duits
werkkamp teruggekeerde Eb van de Beld.
| |
Het weekend op de Assumburg
Intussen was het plan ontstaan om de medewerkers van Columbus met elkaar in contact te brengen tijdens een weekend, dat op
6 en 7 oktober gehouden zou worden op de Assumburg, een kasteel, dat
dichtbij de Noordhollandse gemeente Heemskerk ligt
en als jeugdherberg wordt gebruikt. Begin september werd door Klaas Woudt een gedrukte uitnodiging rondgestuurd,
waarin over het programma werd meegedeeld: ‘De groep “Zaans
Groen” zal de eerste avond verzorgen met muziek en voordracht.
Verder | | | |

Brief over het weekend op de Assumburg.
| | | | staan op het programma een lezing door een bekend kunstenaar,
wandeltochten, de vergadering voor illustratoren, een kampvuur, en een bonte
avond (het ligt namelijk in de bedoeling dat het gezelschap Maandagmorgen
weer vertrekt). Voor deze bonte avond vragen wij aller medewerking.’57
Begin oktober werd nog een brief met nadere bijzonderheden over het weekend
verzonden. In deze brief - een mooi tijdsdocument, waarin vooral de
schaarste van kort na de oorlog opvalt - werd opgemerkt: ‘Assumburg bezit
wel bedden, maar dekens zijn er niet. Neemt deze dus mee, evenals een
slaapzak of een laken met een sloop. Bij een Uitgeester bakker bestelden wij
brood, neemt dus bonnen mee en geen boterhammen. Wel boter!, en liefst wat
broodbelegging. Eetgerei, d.w.z. bord, mes, vork en lepel, moet worden
meegenomen.’ En verder: ‘Het programma is nog uitgebreid met een
voetbalwedstrijd tussen Utrechtse en Zuidhollandse po-eten [poëten]. De
“bonte avond” wordt, zo mogelijk, bij een kampvuur gehouden. Alle bijdragen
zijn welkom. Dichters die op de eerste (dit is niet de “bonte”) avond uit
eigen werk willen lezen, kunnen dit Zaterdagmiddag nog opgeven.’58
Een van de deelnemers aan het weekend was de Zeeuwse dichter Hans Warren, die tijdens de oorlog aan
Maecenas
had meegewerkt. Warren, die samen met Jan
Vermeulen per trein uit Leiden was
gekomen, schreef in zijn dagboek over de aankomst op het station van Uitgeest: ‘Direct na het uitstappen hadden we contact
met anderen. Jan kende velen van hen, en de onbekenden herkenden we aan
valiezen, lange haren of andere artistieke uiterlijke kentekenen.
‘Van de velen die me op het perron de hand drukten herinner ik me alleen
Adriaan Morriën, een heel lange, soepele
kerel met lang krullend haar, een opvallende bril en iets breekbaars over
zijn hele wezen. Hij was de “bekende kunstenaar” die een lezing zou houden.
Verder: Mart Woudt in haar vuurrode trui en met haar felblonde haardos en
gulle, noordelijke lach. Twee sterk opgemaakte kleine meisjes, waarvan éen
in een pompeus bontjasje, dat waren de dametjes Scheidler, en dan Frans Obers, zich aandienend onder het lachwekkend
pseudoniem Babylon, een vrij knappe, kleine jongeman met mooi haar, die toch
een onaangename herinnering bij me heeft nagelaten.
‘Het weer, in de morgen vrij belovend, was verzuurd; uit de sombere, lage
wolken viel af en toe een spat.’59
En over de aankomst op het kasteel: ‘In de hal was een hele drukte. Er hingen
monsterlijke schilderijen die vooral opvielen door het luide geklapper dat
ze met hun in de tocht trillende doek tegen de wanden veroorzaakten, en ik
herkende Ammy de Muynck, aan haar gebogen neus en
vooruitstekende tanden. Eer ik haar kon begroeten werden mijn handen gedrukt
| | | | door die van een lange, bleke jongeman met een
zorgelijk-decadent, niet onknap gezicht onder een lange, krullende
Apollopruik. Zacht, geanimeerd zei hij: “Ik ben Wim van
Loon”.’60 Met hem was Hans Warren in juni 1944 door een advertentie in het
weekblad
Haagsche Post
in contact gekomen, wat ertoe leidde dat Warren in november van dat
jaar met een gedicht in
Maecenas
debuteerde.
Warren vervolgde: ‘In de grote zaal, een recreatieruimte, hoorde ik spoedig
bij een coterie die rond éen tafel bijeenbleef, en waartoe behalve Van Loon,
Vermeulen en Ammy ook als vaste leden
behoorden Paul Rodenko en Gerard Messelaar. Tussen Paul en mij ontstond direct een band;
ik bewonderde de dingen die ik van hem gelezen had, en hij zag iets in mijn
werk. Misschien een beetje zonder woorden voelden we ons beiden outsiders.
Paul is lang, niet onknap, hij heeft een geelbleke huid en fijne, slavische
gelaatstrekken. Hij spreekt buitengewoon beschaafd Nederlands met een iets
uitheemse tongval, maar hij hort, zoekt, stottert tijdens het spreken, het
lijkt of hij tasten moet naar de juiste woorden. Hij liep daar als een
volmaakte kosmopoliet, boeiend in alles.’61
Over de zaterdagavond: ‘Na eten, eindeloze debatten, voordrachten, waren we
naar de slaapzalen gegaan. Alle bruikbare, met linnen omhulde matrassen
werden naar de vrouwenzaal gebracht, de mannen stelden zich tevreden met de
strozakken die hard en stekelig waren, en met stugge paardedekens. Stiekem
waren een paar amoureuze afspraken gemaakt, naar later bleek; er kwam een
hoop last van.’62
Jan Vermeulen deelde in 1984 mee: ‘Dat was inderdaad een heel komische
ervaring. Een waanzinnige toestand natuurlijk met een jeugdherbergvader en
-moeder. De meisjes en de jongens, de bokken en de schapen zo van elkaar
gescheiden in een oud kasteel, heel middeleeuws, en natuurlijk gewoon de
bekende slaapzaal-geintjes van kussengevechten en pornografische poëzie
declameren in bed. Willem Hermans heeft toen een
gedicht geciteerd, dat maakte een grote indruk op ons. Dat begon met:
“Wanneer mijn lief op haar handen staat...”. Hij was in onze ogen veel
verder dan wij, want wij waren toch allemaal nogal brave, burgerlijke
jongetjes. We keken erg tegen hem op, toen al. En iedereen probeerde
natuurlijk ook een duit in het zakje te doen, en zo begon het een beetje.
Baldadigheid, mensen die stierven van de honger - want het was natuurlijk
vlak na de oorlog, dus iedereen was half ondervoed -, dus eerst ging een
groepje mensen stiekem naar de keukens om daar broden te bemachtigen, en die
kwamen weer op de slaapzalen met halve broden. Maar Hermans, Van der Molen,
Praas en ik hadden meer erotische avonturen
in onze gedachten en wij zijn in het donker naar die meisjeszalen geslopen
en zorgden daar voor de nodige paniek.’
| | | |
Carla Scheidler, die in de oorlog redactrice was geweest van
Parade der Profeten
en tijdens het weekend op de Assumburg
samen met haar zus Willy een gavotte danste, vertelde in 1979: ‘Willem
Hermans, die verscheen 's nachts op de meisjesslaapzaal, daar lag ik ook, en
in het donker ging hij op het bed van een willekeurige dame zitten en deed
daar dus minder eerbare voorstellen. En die dame werd ontzettend kwaad en
zei: “Wat denkt u wel?” en “Mijn man is hier!” Toen zei Willem: “Nou, dat
geeft toch niks.” En toen werd ze pas goed kwaad en stapte uit bed en deed
het licht aan. Toen heeft ze die herbergvader van Assumburg gewaarschuwd en
ja, toen is de volgende morgen de marechaussee gekomen en die nam Willem
mee. Toen was voor ons allemaal de pret er een beetje af.’63
Willem Frederik Hermans vertelde in 1987 over de nachtelijke escapade: ‘We
hadden natuurlijk het een en ander gedronken. En dat meisje was getrouwd met
een zeer gereformeerde dichter, die daar ook was, en die is dus naar de
politie gelopen. Die heeft de zaak verschrikkelijk opgeblazen. Het was meer
branie dan ernst.’
En verder: ‘De marechaussee is gekomen, maar ik was niet de enige die erbij
betrokken was. Ik geloof: ook Van der Molen en anderen. Wij werden in het
kamertje van de herbergvader gehaald - dat herinner ik me - en toen werden
we verhoord door die marechaussee. In die tijd had je nog een
persoonsbewijs: dat was uit de oorlog, maar dat moest je toen nog hebben.
Die marechaussee vroeg dus om mijn persoonsbewijs en daarop stond als
beroep: “assistent bij het hoger onderwijs”. Toen zei die marechaussee:
“Meneer, ik zie hier op uw persoonsbewijs, dat u assistent bij het hoger
onderwijs bent. U moest toch verstandiger wezen.” Daarmee was het
afgelopen.’64 Hermans herinnert zich niet dat hij door de marechaussee werd
meegenomen.
Hans van Straten, die door zijn pleuritis niet op
de Assumburg aanwezig kon zijn, schreef kort daarna een ballade in
zesendertig strofen, getiteld ‘De maagdenmoord van de Assumburg’. In dit -
grotendeels aan zijn romantische fantasie ontsproten - gedicht rijmde hij:
Wim Hermans werd ruw beetgepakt
en op een kamerpot gekwakt.
Als in een oud chanson de geste
riep hij: Val jij maar dood, Den Besten!
Vermeulen had het zwaar benauwd
en kreet Genade, ik ben getrouwd!
| | | |
Jan Praas schoot met een reuzevaart
dwars door de hekjes van de haard.
Hij zwaaide met zijn achterlader
en riep maar telkens Sterf, verrader!
Maar alle rovers moesten mee
naar Alkmaar naar de marechaussee.
En toen ze aan de galleg hingen,
ging men Lang zal die leven zingen.
Maar Van der Molen was abuis
en zong We gaan nog niet naar huis.
Dat was het einde van de bende
die meelij noch genade kende.
Dus burgers, gij begrijpt mij wel,
geeft iets voor Neerlands Volksherstel. 65
Dat ook de weg naar literaire roem soms via het ledikant kan lopen, bleek ook
weer bij deze gelegenheid. Een van de dichters wiens vriendin die nacht mede
het doelwit van de amoureuze expeditie was geweest, protesteerde heftig,
waarna hem beloofd werd dat hij in
Columbus
zijn poëtisch debuut zou mogen maken! Dit debuut vond in het nummer
van december 1945 plaats.
Gemengde herinneringen aan het weekend had ook Hans
Warren, die nader contact had gezocht met een van de bezoekers -
Marcel Paap uit Amsterdam -, die hem met zijn exotisch uiterlijk en ongewone
optreden had geboeid. In zijn dagboek noteerde Warren: ‘De anderen stelden
zich duidelijk tussen ons op, dat irriteerde me, en toen Marcel even wat
afdwaalde, spelend met een kleine bruine hond, kwam het heel grof: “Wat zoek
je bij die vent, je weet toch wel dat het een homo is, daar moet je niet mee
omgaan, kom mee met ons, vooruit!”’66
Twee dagen na het weekend, op 9 oktober, schreef Ad den
Besten aan Hans van Straten:
‘Inderdaad, de Assumburg is achter de rug. Welke vervelende dingen zich
hebben voorgedaan, zul je van Jan wel hebben vernomen. Voor mijn gevoel is
daardoor het hele weekend verpest, al mag ik niet ontkennen, dat wij een
zeer pleizierige Zondagavond hebben gehad, die feitelijk unaniem nog
geslaagder dan de vorige werd bevonden.’67
| | | |
Afgezien van wat tijdens het weekend op de Assumburg besproken is, zal dit
samentreffen nog in minstens één opzicht van belang zijn geweest. De
nachtelijke escapade van enkele dichters en de politionele actie daarna, die
zo'n aardige kijk op die tijd geven, riepen onder de aanwezige jongeren
allerlei reacties op: sommigen keurden de expeditie naar de meisjesslaapzaal
af, anderen de komst van de marechaussee! In ieder geval bleek hieruit een
zeker verschil in mentaliteit. Het lijkt me aannemelijk dat enkele Utrechtse
dichters met minder plezier terugkeken op wat zich in het kasteel had
afgespeeld - de brief van Den Besten geeft daar een aanwijzing voor - dan
Jan Vermeulen, wiens vriend Hans van Straten er de eerder genoemde ballade
over schreef. Latere tegenstellingen tussen enkele Utrechtse redacteuren aan
de ene kant en Vermeulen en Van Straten aan de andere kant kunnen er mede
door worden verklaard.
Tijdens het weekend op de Assumburg zal ongetwijfeld ook gesproken zijn over
het feit dat
Columbus
- meer dan een maand na de afgesproken datum! - nog altijd niet
verschenen was. Dit in tegenstelling tot
Podium
, waarvan het eerste nummer van de nieuwe jaargang intussen al was
uitgekomen.
Ook hierna moesten de jongeren rond Columbus nog enige tijd
geduld oefenen. Op 11 oktober schreef Jan Vermeulen aan Frits Planije: ‘De
situatie van Columbus is critiek!’68 En op dezelfde dag stelde Jan
Praas in een brief aan Hans van Straten als diagnose: ‘Het embryo van
Columbus lijkt me al zachtmoedig gesmoord.’69
| |
Columbus verschijnt
Ruim twee weken later, op vrijdag 26 oktober, kon Jan Praas aan Ad den Besten
berichten: ‘Klaas vertelde mij vanmiddag telefonisch dat “Columbus” gereed
is. Hij verwacht dat ze Maandag bezorgd worden.’70 Zoals eerder werd vermeld, verzorgde
Klaas Woudt het drukken van Columbus.
Deze eerste aflevering, die bij de Amsterdamsche Boek- en
Courant-maatschappij verscheen, was gestoken in een fel-oranje omslag met
vier blauwe randen. Het nummer telde vierentwintig bladzijden en opende met
een beschouwing, getiteld ‘Logboek’, geschreven door Ad den Besten en door
de hele redactie - Ad den Besten, C.A.G. Planije, Jan Praas, Paul van 't Veer en Jan
Vermeulen - ondertekend.
In dit ‘Logboek’ werd allereerst geconstateerd: ‘Zelden in de historie werd
de jeugd zo vroegtijdig met dood en ondergang geconfronteerd, als in de
afgelopen oorlogsjaren. Zelden ook werd zij dermate onontkoombaar gedwongen,
zich rekenschap te geven van het leven en zijn uiteindelijke waarden, als
toen.’
| | | |
De redactie vervolgde: ‘In het geweld der oorlogsjaren zijn wij, tegen onze
wil, teruggedrongen op ons eigen smalle ik - onderduikerschap en gedwongen
eenzaamheid dreven ons daartoe... Dit is slechts een constatering, en verre
van een program. Immers, nú is deze door ons in harde strijd met onszelf en
de wereld verworven levensbasis niet meer dan een springplank naar het
grootse gevecht midden in het leven. Doch de verbreding van onze basis zal
een concentrische zijn, geen sprong in het luchtledige zonder berading en
overleg. Onze levenswil is niet gebroken; wij wensen niet minder dan ons te
handhaven ten opzichte van het geheel der verschijnselen buiten ons,
tegenover het “nicht-ich”, tegenover die uitingen van hyper-decadentie en
onredelijk pessimisme vooral ook, die het eigen ik ondermijnen en
krachteloos maken.’
Vervolgens merkte de redactie op: ‘Voorlopig wensen wij geen al te
gepreciseerde richtlijnen te geven. Wij zouden zodoende a priori er onnodig
velen van ons kunnen vervreemden. Waren er niet vanouds verschillende wegen,
die naar Rome leidden, verschillende wegen ook om het gedroomde Indië te
bereiken? Zo achten wij de mogelijkheden, om òns doel te benaderen, met één
al evenmin uitgeput. In eerste instantie echter gaat het ons, hòè dan ook,
om de vernieuwing dier oude waarden, die onder stof en puin ener verwoeste
wereldorde onkenbaar zijn geworden en glansloos verdoft.’
En: ‘Wanneer dit tijdschrift aan een schare van onderling zeer uiteenlopende
dichterpersoonlijkheden uitingsmogelijkheden zal kunnen bieden, achten wij
voorlopig één voorwaarde vervuld, die ons de naam “Columbus” met recht zal
doen voeren. Ging niet de grote avonturier zelf met een in zijn opvattingen
belangrijk heterogene équipage in zee? De muiterijen, die ons verhaald
worden, spreken voor zichzelf. Ook wij schuwen onderlinge meningsverschillen
niet. Hachelijk!, zult ge denken. Wij antwoorden: Láát ons het avontuur! Wij
zijn er jong voor en wijs genoeg om in te zien, dat met een
rationeel-gefundeerd en consequent programma in schijn veel, in wezen weinig
gewonnen is. Doorbreekt niet de realiteit van het Leven altijd weer en naar
autonome willekeur de categorische beperkingen van het academisch verstand?’
Tenslotte schreef de redactie: ‘Ofschoon vrijwel uitsluitend litterair van
opzet, hoopt “Columbus” ook andere kunstuitingen binnen de kring der
aandacht te brengen, zoals daar zijn: beeldende kunst, muziek, film en dans,
terwijl de redactie het zich tot een plicht rekent, zich tevens op de
culturele mogelijkheden ten aanzien van ons volk te bezinnen. Problemen als
“volk en kunst” hebben haar intense belangstelling.
‘Of en in hoeverre in de meest nabije toekomst deze plannen verwezen- | | | |

Omslag van het vierde nummer van Columbus.
| | | | lijkt zullen kunnen worden, is voorshands voornamelijk
van enkele uiterlijke omstandigheden afhankelijk.
‘Hoofdzaak is thans, dat “Columbus” heeft zeegekozen!’71
Wat bij lezing van dit ‘Logboek’ opvalt, is dat het ‘eigen smalle ik’,
waartoe de schrijvers uit de kring van
Columbus
zich tijdens de bezettingstijd noodgedwongen hadden beperkt,
slechts een springplank werd genoemd ‘naar het grootse gevecht midden in het
leven’. Zoals dit ook al in ‘Centrifugale kracht en ordening’ - het
programmatische essay van Planije en Praas in het tweede poëzienummer van
Parade der Profeten
- het geval was geweest, werd hier uitdrukkelijk afstand genomen
van de poëzie van het ‘klein geluk’.
Opmerkelijk is verder dat de redactie uitingsmogelijkheden wilde bieden ‘aan
een schare van onderling zeer uiteenlopende dichterpersoonlijkheden’ en in
dit verband weinig heil zag in ‘een rationeel-gefundeerd en consequent
programma’. Deze laatste twee uitgangspunten waren duidelijk gericht tegen
de opvattingen die door de Podium-redactie tijdens de
bijeenkomst te Jutphaas naar voren waren gebracht.
Behalve het ‘Logboek’ werd in het eerste nummer
poëzie opgenomen van onder meer Jan Praas, Guillaume van der Graft, Klaas
Woudt, Hans van Straten en Paul Rodenko. Van Guillaume van
der Graft (ps. van Willem Barnard) werd het vers ‘De gevallenen’
gepubliceerd:
Zij staan, wat zij misschien niet eens vermoedden,
in 't gastenboek van God, waarvan de kaft
onschendbaar bindt. Hier volgt ten overvloede
een In Memoriam van Van der Graft.
Heeft hij dit vers tot eigen eer geschreven,
of om zich schoon te wasschen van een smaad?
Wat deed hij, toen de strijders nog in leven
waren en rechtuit vochten tegen 't kwaad?
Hield hij een Jood verborgen of geweren
of schreef hij in de ondergrondsche pers?
Niets van dit alles en dit potverteeren
na hun kleurloos verscheiden is pervers.
Kunstbroeders, die mijn gave verzen lazen,
wat heb ik met mijn dichterschap gedaan?
'k heb er fraaye bellen mee geblazen,
zij drijven nog ter hoogte van de maan.
| | | |
Maar hier beneden, waar de felle laarzen
van het gespuis ketsten op het trottoir,
heb ik bij 't weeke smelten van de kaarsen
de winter doorgebracht buiten gevaar.
Het is ook mijn schuld dat er Joden stierven,
Gods Naam heb ik gelasterd metterdaad.
Ik rijmde op mijn eigen naam en hiervan
moest ik gekweld verslag doen vroeg of laat. 72
Daarnaast bevatte dit nummer een tekening van R.H. van
Rossem, het korte verhaal ‘Natasja’ van Thomas Vodijn (ps. van
Karel Blom) en het eerste deel van het essay
‘Primitief dichterschap’ van L.J. Pieters. Deze zoon van een Rotterdamse
‘havenbaron’ zou later bekend worden als vriend en mecenas van Gerard Reve, die in 1986 zijn boek Brieven aan Ludo P. publiceerde. In zijn beschouwing beschreef
Pieters vooral de tegenstelling tussen de intellectueel - de mens die de
werkelijkheid met abstracte begrippen probeert te analyseren - en de
dichter, die volgens hem verwant is aan de zogenaamd ‘primitieve’ mens.
Pieters, die in dit opzicht geïnspireerd werd door de opvattingen van de
godsdienstfenomenoloog dr. Gerardus van der Leeuw,73 ging uitvoerig in op het feit dat de
afstand tussen subject en object voor de ‘primitieve’ mens - en ook voor de
dichter - veel kleiner is dan voor de intellectueel.
In de polemische rubriek ‘Het ei’ maakte Hans van Straten vervolgens bezwaar
tegen de naoorlogse uitgave van een ‘clandestiene’ bundel van C. Buddingh'. Hij merkte op dat Buddingh' ‘lid van
de Kultuurkamer’ was geweest en aan het literaire tijdschrift
Groot Nederland
had meegewerkt, toen dit onder nationaal-socialistische redactie
verscheen.
Verder werd een anonieme ‘Ingezonden mededeling’ opgenomen, die ook door Van
Straten geschreven was. Hierin werd de poëzie van de dichters rond de
tijdschriften
Ad Interim
en
Criterium
op de korrel genomen: ‘Op Woensdag 14 Nov. a.s.
's namiddags te 2 uur zal in Café Eylders te Amsterdam onder auspiciën van
het tijdschrift “Ad Criterim” gehouden worden een
openbare verkoping
Onder de hamer zullen komen een grote partij nymphen (met y en ph), saters,
kleine faunen (met en zonder fluit), elfen, nixen, verder borsten in vele
soorten (kleine, heuvelende, spitse) los en per paar; ruisende en
schemerende leden (beslist antiek), wenkbrauwbogen, Prinsessen, Jonkvrouwen,
Vorstinnen (uitstekend geschikt voor balladen en rondelen), enkele
zeemeer- | | | | minnen, schedels, een gegarandeerd authentieke Lethe
(gebruikt doch goed onderhouden), voorts een onnoemelijke hoeveelheid paarse
en rode rozen, enz. enz.
‘Gegadigden gelieven zich tijdig van een plaats te voorzien. De toeloop is
enorm!!!’74
De reacties op de eerste aflevering van
Columbus
waren niet bemoedigend: zowel de kwaliteit van het papier als het
niveau van de daarop afgedrukte poëzie werden fel bekritiseerd. Bovendien
was op het omslag een lijst van medewerkers afgedrukt waarin namen van
personen waren opgenomen die helemaal geen medewerking hadden toegezegd!
Zelfs de naam van de dichter Rob Cijfer, die in
april 1945 door de Duitsers was gefusilleerd, was op deze lijst vermeld. Op
30 oktober schreef Jan Praas over zijn ergernis
aan Ad den Besten: ‘Helaas had ik nog niet de
warmaandoende uiting “in behangsel gehuld pleepapier” gevonden; ik
constateerde slechts dat het omslag me volmaakt blind
maakte. De inhoud werkte als een rooie lap.’ En verder: ‘Het beste en
sterkte, de “pseudo-medewerkers” zullen wel voor muiterij zorgen bij de
afvaart. Waarom heeft Herr Van [Von] Eugen [...] Peter
v.d. Burch, Sierksma, Koos Schuur, Morriën en
Nijhoff ook niet bij de medewerkers gezet? En
niet te vergeten Marsman!’75 Uit de vermelding van de
ABC-directeur Fred. von Eugen bleek dat Praas vooral geïrriteerd was over de
uitgeverij.
Vijf dagen later, op 4 november, schreef Hans
Warren aan zijn vriendin Ammy de Muynck,
die tijdens de oorlog aan het Haagse blad
Stijl
had meegewerkt: ‘Columbus is onleesbaar, vind je niet?’76 En op 14 november: ‘[...]
v.d. Graft vind ik de meest belovende dichter van alle.’77
Ook Fokke Sierksma was weinig enthousiast, zoals bleek uit een brief die hij
op 10 november aan Albert Jan Govers stuurde:
‘Het eerste nummer van Columbus is me tegengevallen. Het logboek is vlees
noch vis -, ook wat stijl betreft. Praas' poëem is literatuur. Wat voor mij
gelijk staat met onzin. Van der Graft is prachtig. Die ziet zichzelf
tenminste in perspectief. Tot die humor (of bitterheid) zijn weinigen van
Columbus in staat. Ze zijn zo hopeloos serieus in hun geluk. [...] Het
allerbeste van de hele Columbus vind ik de ingezonden
mededeling.’78
Hans van Straten vertelde in 1983: ‘Toen het eerste nummer verscheen, zag ik
al: we zitten bij de ABC niet goed. Dat blaadje ziet er rottig uit, dat is
het niet.’
Daarbij kwam dat het ook in de redactie niet allemaal koek en ei was. Op 1
november - kort nadat de eerste aflevering uitgekomen was - schreef Jan
Vermeulen aan Ad den Besten: ‘[...] ik krijg de laatste tijd wel eens de
indruk dat de redactie (hiermee bedoel ik vooral Jan en Frits) de zaken een
| | | | beetje tè veel aan haar secretaris overlaat. Ik sta vrijwel
overal alleen voor; dit is op zichzelf niet erg; maar dan ook nog van alle
kanten boze brieven te krijgen is niet leuk. Alle klappen komen zodoende op
mij neer, in plaats van op Klaas Woudt, waar ze
op hun plaats zijn.’ En verder: ‘Copij voor het 2de nr v. Columbus is weg,
ik bedoel naar de drukker. Laten we er liever geen illustraties bij laten
maken, dan het risico te lopen van zo'n vies ding als dat van v. Rossum
[Rossem]. Het twede [tweede] nr. belooft reeds beter te worden, mede
gezuiverd van de stommiteiten door Klaas Woudt.’79
Ongeveer een week later schreef Jan Vermeulen een ongedateerde brief aan Ad
den Besten, waarin hij vertelde over een ontmoeting met ABC-directeur Fred.
von Eugen: ‘Maandag sprak ik Von Eugen; hij maakte geen sympathieke indruk
op me. Hij wilde - toen ik het over het honorarium had - n.b. de redacteuren
gratis laten werken, daar hij veronderstelde dat wij “idealisten” waren, die
het meer te doen was om hun ideeen [ideeën] uit te dragen dan om rijk te
worden!! Belachelijk. Ook wilde hij die uitbreiding tot 32 pag. pas in 1946
in laten gaan. Laten we ons daar maar bij neerleggen? Het twede [tweede]
nummer maakt m.i. geen slechte indruk.’80
Kort hierna kwam de tweede aflevering van Columbus uit,
gedateerd november 1945. Hierin bleek Paul van 't
Veer - na één nummer! - niet langer redacteur te zijn. Op de
binnenzijde van het omslag werd meegedeeld: ‘Wegens drukke werkzaamheden is
Paul van 't Veer genoodzaakt, zijn redactionele functie neer te leggen. Zijn
plaats zal worden ingenomen door Willem Karel van Loon.’
Zoals eerder werd vermeld, was tijdens de bijeenkomst eind juli te Amsterdam
besloten dat niet Van Loon, maar Van 't Veer tot
de redactie zou toetreden. Van Loon vertelde in 1979 dat hij hierover tot
zijn ‘stomme verbazing’81 in de krant las. Samen met zijn vriend Eb van de Beld, met
wie hij het blad Stijl had uitgegeven, bracht hij daarna
een bezoek aan Van 't Veer in Den Haag. Over dit bezoek schreef de laatste
op 23 augustus 1945 aan Ad den Besten: ‘Van L. was begrijpelijkerwijze
enigszins in zijn wiek geschoten over mijn en niet zijn benoeming in de
redactie van Columbus. Hij vond het trouwens onjuist om een circulaire te
richten tot de medewerkers van Maecenas zonder Zijn Goedkeuring (!) want
volgens hem is er van een opgaan van M. in C. geen sprake zonder dat hij
Z.G. eraan gehecht heeft. Hij meende echter diezelfde Z.G. niet te kunnen
verlenen zonder zelf in de redactie te zitten... of tenminste daar kwam het
op neer.’
In het vervolg van zijn brief merkte Van 't Veer op: ‘Je weet mijn en ons
stanpunt [standpunt] tegenover de figuur van Van Loon als letterkundige en
redacteur: absoluut als zodanig niet acceptabel.’82
Kort hierna werd er in Leiden een bijeenkomst gehouden waarop zowel | | | | Van Loon als Van 't Veer aanwezig waren. Tijdens deze
bijeenkomst werd langdurig gediscussieerd over de vraag wie van de twee
redacteur mocht worden. Tenslotte werd - waarschijnlijk een unicum in de
geschiedenis van Neêrlands geestesleven - tussen beide kandidaten geloot!
Van Loon herinnert zich dat hijzelf toen won. Van 't Veer vertelde in 1979:
‘Ik meen dat ij nog niet goed lootte, maar dat we het toen toch eigenlijk te
gek vonden.’ In ieder geval werd besloten dat Van Loon in de redactie zou
komen. Jan Praas merkte in 1979 naar aanleiding van het feit dat Van 't Veer
in het eerste nummer nog als redacteur werd vermeld, op: ‘Als je nu de
“Encyclopedie van de wereldliteratuur” opslaat, dan zie je dat Paul van 't
Veer hierdoor tot de wereldliteratuur behoort en Willem Karel van Loon
niet.’83
In het tweede nummer van Columbus werd het vervolg van het
essay ‘Primitief dichterschap’ van L.J. Pieters gepubliceerd. Hierin ging
Pieters vooral in op de overeenkomst tussen het magisch denken en de manier
waarop een dichter tegenover zijn poëzie staat: ‘Magie is opstand tegen het
gegevene, het dichten is een opstand tegen de kracht, de betekenis van de
woorden in het gedicht en een poging om deze betekenis naar zijn hand te
zetten. Iets hiervan - op gevaar af van te gaan hineininterpretieren - ligt
waarschijnlijk in de regels van Marsman: “hij peinst en schrijft en langzaam
vult zich het geduldig blad met tekens, die zijn hand bevreemd herkent als
letterbeelden uit een dood visioen”. Hier ook de volkomen eigen waarde, die
er aan “de tekens” gehecht wordt en die de dichter niet schept maar
herkent.’84 Interessant is hoe Pieters - enkele jaren voordat de
‘Beweging van Vijftig’ zou doorbreken - aandacht besteedde aan de magische
kant van het dichterschap. In die tijd was bij Achterberg trouwens dat
element al heel sterk.
Daarnaast bevatte dit nummer het absurdistische verhaal ‘Vijftig-jarig
jubileum’ van Olga Rodenko - later opgenomen in haar verhalenbundel
Antichambreren
(1979) - en een beschouwing van Jan Vermeulen over Ach-terbergs
gedicht ‘Kleine kaballistiek voor kinderen’. In de rubriek ‘Het ei’
reageerde C. Buddingh' onder de titel ‘Naar aanleiding van een stinkei’ op
de polemische opmerkingen die Hans van Straten in de vorige aflevering over
hem gemaakt had. Hij schreef dat diens mededeling over zijn medewerking aan
Groot Nederland
onjuist was.
| |
Paul Rodenko en zijn ‘sleutelgat - theorie’
In december 1945 verscheen het derde nummer van Columbus.
Een belangrijke bijdrage daarin was een uitvoerig essay van Paul Rodenko, dat getiteld was ‘Muggen, olifanten
en dichters’. In deze beschouwing lanceerde Ro- | | | | denko voor het
eerst zijn befaamd geworden ‘sleutelgat-theorie’. Ter introductie hiervan
stelde hij: ‘Elke kunsttheorie dient [...] in de eerste plaats van het
element van verrassing uit te gaan. Let wel: verrassing, niet verbijstering.
Bij de verrassing gaat de gewaarwording van het nieuwe onmiddellijk gepaard
met de affectieve taxatie er van, terwijl deze laatste bij de verbijstering
ontbreekt of hoogstens na verloop van tijd door een intellectuele
“ontraadselingspoging” wordt vervangen. De gecompliceerde dadaïstische en
futuristische producten verbijsteren, de hoogst-eenvoudige chinese kunst
verrast; verbijstering maakt blind, verrassing ziende. Wij hebben honderd
maal in ons leven een paar oude schoenen gezien, maar wanneer Van Gogh ze
voor ons schildert, komt het ons voor alsof wij ze voor het eerst in ons
leven zien, het lijkt wel of onze ogen plotseling herboren zijn.’
Na vervolgens te hebben uiteengezet dat dit esthetisch proces ontstaat,
doordat de kunstenaar niet van zijn routine-waarneming uitgaat, maar zijn
aandacht richt op de werkelijkheid zelf, merkte Rodenko op: ‘Men zou kunnen
zeggen dat kunst een visie op het leven is door een sleutelgat (en men
behoeft tenslotte geen psycholoog te zijn om te weten dat men door een
sleutelgat gewoonlijk veel interessanter, veel “intenser” dingen waarneemt
dan in het normale leven). Waarom gaan in de schouwburgzaal, zodra het stuk
begint, alle lichten uit? Niet, zoals een cynicus eens opmerkte, opdat men
de toeschouwers niet ziet gapen, maar om een sleutelgat-illusie te scheppen:
daarom lijkt het leven op het toneel ook altijd veel kleuriger, veel
intenser. [...] De schilderkunst bereikt hetzelfde door de omlijsting, die
de schilderij van de omringende werkelijkheid isoleert en de poëzie door het
rijm of een zich herhalend ritme, dat een aantal regels tot een van de rest
onderscheiden eenheid verbindt.’
En verder: ‘Men doet dus onjuist de lijst, het rijm als een bijkomstigheid te
beschouwen: zij zijn integendeel inhaerent aan het kunstwerk, niet als
constituerende factor, maar als voorwaarde sine qua non. Zij zijn voor den
kunstenaar even onmisbaar als de kijker voor den astronoom of de microscoop
voor den bioloog.’85
Later zou Rodenko dit essay in zijn bundel
Tussen de regels
(1956) verwerken, maar daarbij bracht hij twee opvallende
veranderingen aan. De opmerking over de ‘gecompliceerde dadaïstische en
futuristische producten’, die tot verbijstering en niet tot verrassing
zouden leiden, liet hij vervallen, terwijl hij op een andere plaats in Tussen de regels constateerde: ‘Het dadaïsme en
surrealisme, de experimentele dichtkunst hebben met één slag alle
traditionele handboeken over poëtica waardeloos gemaakt, althans voorzover
deze pretenderen het verschijnsel poëzie als zodanig te omschrijven, te
omgrenzen, voor altoos vast te leggen; voor de historiografie van de poë- | | | | zie blijven zij natuurlijk hun waarde behouden.’86 Dit is een aanwijzing dat Rodenko, die zichzelf
al in november 1944 in Maecenas gerekend had ‘tot die
romantische richting, die men tegenwoordig surrealisme noemt’,87 kennelijk
pas in de periode na 1945 ook voor het dadaïsme gewonnen werd.
Een tweede verandering die Rodenko aanbracht, is nog veelzeggender. In Tussen de regels zou hij het betoog dat zojuist werd
aangehaald, grotendeels overnemen tot op het moment dat hij aandacht wilde
besteden aan de functie van het rijm en het ritme in de poëzie - en het
lijkt alsof we zijn aarzelingen van dichtbij meemaken -: ‘De schilderkunst
bereikt hetzelfde door de omlijsting, die de schilderij van de omringende
werkelijkheid isoleert, en de poëzie door...
‘Puntje puntje puntje. Want wat ik eigenlijk had willen schrijven was: door
het rijm of een zich herhalend ritme, dat een aantal regels tot een
geisoleerde eenheid verbindt. Maar rijm, metrum, ritme zijn immers helemaal
niet constitutief voor het begrip poëzie? Misschien is het daarom nu het
juiste ogenblik om even te pauzeren en ons af te vragen wat we eigenlijk aan
het betogen zijn.’88
Via een aantal voorbeelden introduceerde Rodenko hierna een nieuw element -
het ‘“mythisch” verschiet’ -, dat de poëzie volgens hem van de haar
omringende werkelijkheid isoleert, waarna hij vervolgde: ‘Hiermee schijnen
we dan inderdaad een criterium gevonden te hebben, met behulp waarvan men
poëzie van andere spraakuitingen kan onderscheiden, zonder een beroep te
moeten doen op rijm, metrum enz., terwijl het gevonden criterium toch een
technisch, een vormcriterium is.’89
We hebben hier dus twee verschillende versies van één betoog van Paul
Rodenko. Nu komt zoiets wel vaker voor, maar het bijzondere hier is dat
tussen versie 1 en versie 2 een poëtische revolutie - die van de Vijftigers
- heeft plaatsgevonden. De gevolgen hiervan zijn in de tweede versie
zichtbaar. In 1956 achtte Rodenko het rijm, dat hij tien jaar eerder nog
‘inhaerent aan het kunstwerk’ genoemd had - sterker nog: een ‘voorwaarde
sine qua non’! -, niet meer van essentiële betekenis voor de poëzie.
Daarvoor in de plaats noemde hij het ‘“mythisch” verschiet’, wat natuurlijk
een veel subjectiever begrip is dan rijm of metrum. Rodenko plaatste dan ook
zelf het woord ‘mythisch’ tussen aanhalingstekens. Maar met deze formule
hoopte hij toch een criterium gevonden te hebben waarmee hij de poëzie van
de Vijftigers van andere spraakuitingen kon onderscheiden.
Deze kwestie is daarom zo interessant omdat zij ook een licht werpt op
Rodenko's latere houding tegenover de poëzie van de Zestigers: de dichters
die zich zouden verzamelen rondom de tijdschriften Barbarber en Gard Sivik. Rodenko voelde niet veel
voor die poëzie, omdat zij volgens hem te | | | | journalistiek was.
Met het zojuist aangehaalde betoog van Rodenko voor ogen zou ik willen
opmerken: hij miste er elk ‘mythisch’ verschiet in. Die gedichten lagen voor
hem te dicht bij de werkelijkheid, er ontbrak de illusie van het
‘sleutelgat’ aan. Dat de Zestigers daar zelf anders over dachten, blijkt al
uit het feit dat de
Barbarber
-groep sterk geïnspireerd werd door de Franse schilder Marcel
Duchamp (1887-1968), die omstreeks 1915 zogenaamde ‘ready-mades’ vervaardigd
had: voorwerpen die in geen enkel opzicht aan een esthetische smaak
voldeden, maar die hij isoleerde uit hun omgeving en alleen door deze keuze
tot kunstwerk maakte. Armando, een van de
spraakmakende dichters uit de
Gard Sivik
-groep, noteerde van zijn kant als werkmethode voor de jonge
kunstenaars: ‘isoleren, annexeren’.90 Wat opvalt is dat dus zowel Duchamp als
Armando van de gedachte bleven uitgaan dat de kunstenaar moet isoleren.
Rodenko's ‘sleutelgat-theorie’ bleek toch weer op te gaan; alleen werden
hier de grenzen tussen werkelijkheid en kunst verder gelegd dan waar hijzelf
dit gedaan zou hebben.
In hetzelfde nummer van
Columbus
verschenen ook twee verzen van Rodenko -
‘Bommen’ en ‘Nacht’ -, waarvan vooral het eerste gedicht bekend geworden is:
Kangeroes kijken door de venstergaten.
Een kat rolt stijf van het kozijn.
Het licht is als een blok verplaatst.
Geruisloos vallen drie, vier bommen op het plein
en drie, vier huizen hijsen traag
Het is aannemelijk dat Rodenko tot het schrijven van dit gedicht geïnspireerd
werd door het bombardement van het Haagse Bezuidenhout in maart 1945, dat
hijzelf meegemaakt had: bij die gelegenheid werd ook zijn ouderlijk huis in
puin gegooid. Het vers zou later worden opgenomen in zijn bundel
Gedichten
(1951),92 waarbij de
interpunctie een kleine verandering zou ondergaan: de punten in het vers
bleven gehandhaafd, maar de komma's werden geschrapt.
| | | |
Jan Vermeulen (links) en Hans van Straten, wandelend door Leiden,
januari 1946.
| | | |
In dezelfde periode waarin het derde nummer van Columbus
verscheen, hield het bibliofiele tijdschrift
De Roode Lantaarn
op te bestaan. Van dit blad waren toen vijf afleveringen uitgekomen
met een totale omvang van precies honderd pagina's. De Roode
Lantaarn werd grotendeels met gedichten gevuld, maar er werden ook
enkele beschouwingen en korte verhalen in opgenomen. Tot de medewerkers
behoorden Hans Warren en Paul Rodenko. De belangrijkste reden waarom de
uitgave van het blad gestaakt moest worden, was de terugloop in het aantal
abonnees. Al op 26 oktober - er waren toen drie nummers verschenen - had Jan
Praas aan Ad den Besten bericht: ‘[...] iedere dag brengt de post
afschrijvingen van abonné's binnen. Deze week zeker 15! Ik schat het
levenslicht van onze beminde Lantaarn dus nog op uiterlijk
twee afleveringen.’93
Het verdwijnen van De Roode Lantaarn zal vooral Jan Praas
dwars gezeten hebben: zowel het fraaie uiterlijk van het blad als het feit
dat De Roode Lantaarn zich in de eerste plaats tot een
groep vrienden richtte, waren aantrekkelijk voor hem geweest.
| |
‘Anders wordt dat weer hommeles’
Intussen ging het met
Columbus
nog altijd niet naar wens. Prettig was wel dat met ingang van
januari 1946 de omvang zou worden uitgebreid van vierentwintig tot
tweeëndertig pagina's per nummer, maar dat was dan ook het enige lichtpunt.
Een veeg teken was dat de redactie geen eensgezind team vormde, integendeel.
Frits Planije, druk aan de studie, liet weinig van zich horen, terwijl Willem Karel van Loon - teruggekeerd in de
journalistiek en teleurgesteld door de ‘affaire’ rond zijn redacteurschap -
zich volledig op de achtergrond hield. Daarbij kwam dat het tussen ‘Utrecht’ (Jan Praas en
Ad den Besten) en ‘Leiden’ (Jan Vermeulen en Hans van Straten) niet echt boterde, waarbij vooral
Den Besten en Van Straten als stoorzenders optraden. Al in augustus 1945 had
Van Straten aan Den Besten een limerick gestuurd, kennelijk als reactie op
een soortgelijk vers van Den Besten:
Denk maar niet, waarde heer Ad den Besten,
dat 'k m' om jouw limerick suf zal pesten,
want verdoemd, ik heb larie
en de hele Utrechtse veste. 94
Dat ‘Utrecht’ niet stond te juichen over de poëzie van Van Straten, kan
worden opgemaakt uit een ongedateerde brief die Jan Vermeulen waarschijnlijk
| | | | begin januari 1946 aan Ad den Besten schreef. Hierin stelde
hij voor in het vierde nummer enkele verzen van Van Straten te plaatsen die
ook zouden worden opgenomen in diens bundel
Herfst in Holland
(1946). Vermeulen merkte op: ‘[...] daar de bundel van Hans van
Straten eind deze maand verschijnt, lijkt het mij zeer gewenst dat we in het
Januari-nummer een behoorlijke bijdrage van hem opnemen. Daarna kunnen we
die verzen niet meer plaatsen en dat zou zeker erg jammer zijn. Jullie
schijnen er echter niet zo enthousiast over te zijn - wat ik niet begrijp.’
Vermeulen schreef verder: ‘Ik vrees [...] dat als we Hans niet in het
volgende nummer plaatsen, we hem voorgoed kwijt zijn en dat zullen jullie
toch niet willen. Bovendien geloof ik niet dat er voor mij dan verder nog
veel aardigheid aan is. Let wel: dit is geen ultimatum, maar alleen een
goede raad. Wij hebben met de eerste drie nrs al genoeg flaters begaan. De
gedichten van Hans laten liggen tot zijn bundel verschenen is en ze zo voor
ons onbruikbaar te maken zou de zoveelste stommiteit zijn.’95 Vermeulens brief had in ieder geval effect, want in het
januari-nummer zou inderdaad poëzie van Van Straten gepubliceerd worden.
Het gevoel van onbehagen dat uit Vermeulens brief sprak, bleek intussen ook
te leven in de kring van
Zaans Groen
, waarvan geen van de redacteuren of vaste medewerkers in de
redactie van
Columbus
zat. Weliswaar verzorgde Klaas Woudt het drukken van het
tijdschrift, maar zijn plezier daarin was de afgelopen maanden danig
vergald, doordat de redactie allerlei fouten in het blad aan hem had
toegeschreven.
Op 6 januari 1946 schreef Woudt aan Ad den Besten:
‘Stuur me zo mogelijk per omgaande de copy voor het Januari-nummer, anders
wordt dat weer hommeles, evenals de vorige afleveringen.’
Woudt merkte verder op: ‘Aan de Zaan zijn ernstige plannen “zaans [Zaans]
Groen” weer op te richten, waarschijnlijk onder auspiciën van de Zaanse
Kunstkring. “Columbus” voldoet helaas niemand hier. Mijzelf overigens ook
niet.’96 Een reïncarnatie van Zaans Groen bleef intussen
achterwege. Woudt zou nog wel enkele afleveringen van Columbus drukken, waarna drukkerij Cloeck en Moedigh te Amsterdam dit
werk overnam.
Opvallend is dat Jan Praas in deze tijd uiting gaf
aan zijn sympathie voor Fokke Sierksma. In het vierde nummer van Columbus (januari 1946) publiceerde hij het korte essay
‘Stand van zaken’, waarin de uitdrukking ‘de man op het podium’ duidelijk
naar Sierksma verwees. Na scherp te hebben
uitgehaald naar de Amsterdamse tijdschriften
Het Woord
en
Proloog
- de redacties van deze bladen kregen beurtelings het verwijt van
arrogantie en machteloosheid op hun boterham - merkte Praas op: ‘Deze heren
decreteren literatuur, maar wanneer ergens in het noorden een man (hij zij
dan | | | | geen dichter) iets te zèggen heeft, wanneer hij durft te
vechten voor een standpunt, dan wenden de jongeren èn van Proloog èn van Het
Woord, èn van Columbus zich eensgezind af, en de man op het podium staat
alleen, en wordt hardnekkig doodgezwegen. Want in Amsterdam klopt het
cultureel hart van Nederland...’97
Dat Praas, die zich hier ook kritisch uitliet over de jongeren rond Columbus, in deze periode sterk aangetrokken werd door de
ideeën die in Podium naar voren werden gebracht, blijkt
ook uit een brief die hij op 17 december 1945 aan Hans van Straten schreef.
Hierin merkte hij op: ‘Ik ben vurig verdediger van het Podium-front.’98
| |
Voor het eerst: ‘Atonaal’
Het vijfde nummer van Columbus, dat ‘Februari 1946’
gedateerd werd, is vooral opmerkelijk omdat daarin voor de eerste keer de -
aan de muziek ontleende - term ‘atonaal’ in verband met de poëzie gebracht
werd: vijf jaar voordat Simon Vinkenoog in 1951
zijn roemruchte bloemlezing uit het werk van de experimentele dichters
Atonaal
zou noemen! Dat gebeurde in een essay van Guillaume van der Graft onder de titel ‘Uitzicht op een
critische poëzie’, waarin hij het verschil tussen de dichtkunst na de eerste
wereldoorlog en de verzen van zijn eigen generatie probeerde te omschrijven.
Van der Graft, wiens eerste dichtbundel,
In exilio
(1946), in dezelfde periode door bemiddeling van Jan Vermeulen bij
Stols in Den Haag verscheen, merkte hierin op: ‘Er is tusschen die vorige
moderniteit en de huidige eenzelfde verschil als tusschen de sonatine van
Ravel en de sonate van Badings. Eerstgenoemde is in wezen “tonaal” de
tegenwoordige modernen zijn “atonaal”.’
Nadat Van der Graft vervolgens uiteengezet had, dat bij een vroegere dichter
als Marsman het beeld ontsprong ‘aan de structuur van het vers’, merkte hij
over de moderne beeldspraak op, dat zij ‘in tegenstelling tot de
ouderwetsche een gebeurtenis op zichzelf’ is. Hij schreef: ‘De waarde van
het vers schuilt thans niet in de laatste plaats in de dissonant van de
gevoelswaarde met zijn atonale (tot andere toonsoorten behoorende)
associaties. Uit dit product (en niet meer de optelling) van de
beteekenissen ontstaat de verswaarde.’99
Verrassend is niet alleen dat hier de term ‘atonaal’ in verband met de poëzie
viel, maar ook dat Van der Graft wees op het zelfstandig worden van de
beeldspraak in de moderne dichtkunst. In de jaren hierna zou dit
verschijnsel in de Nederlandse poëzie steeds duidelijker opvallen, met name
bij de Vijftigers. In 1954 zou Paul Rodenko dan
ook in de inleiding tot zijn bloem- | | | | lezing uit de poëzie der
avant-garde
Nieuwe griffels schone leien
opmerken: ‘Een min of meer uitgesproken tendens tot autonomisering
van het beeld, waarbij het beeld dus in zijn massiviteit het
logisch-constructieve kader van het vers doorbreekt, vindt men [... ] bij
welhaast alle avantgardisten.’100
In deze aflevering van
Columbus
werden ook vijf gedichten van Van der Graft gepubliceerd, waaronder
‘Katinka’:
Ik zou zoo graag hoog van den toren willen blazen
de paarse paarden in de schemering
een overbodige melodie in as.
Kijk, onder in de moestuin staat Katinka
met een goudreinet in haar handen
die houdt zij tegen haar keel.
Ik zou zoo graag de appels willen hooren ploffen
in het gras aan den voet van den toren
elegie van appels in 't gras.
Hoor, aan de rand van 't water staat Katinka
te roepen door haar spitse handen
en de weerschijn van het water is geel.
Ik zou zoo graag laag over 't water willen scheren
met uit de galmgaten van den toren
met dauw in het haar en de galm van het water
weerspiegeld in haar oogen
weerkaatst in haar keel. 101
Kort na het verschijnen van dit nummer, op 11 maart, schreef Hans Warren aan Ammy de
Muynck: ‘Zojuist Columbus doorgelezen. Je zult je ook weer geërgerd
hebben. Ik vond dit nummer het slechtste van alle. De poëzie is, zonder
uitzondering, bijzonder slecht. Zonder uitzondering: begrijp dat dit voor
mij de grote teleurstelling inhoudt dat deze keer Van der Grafts verzen me
niet vermochten te boeien. Er zijn leuke trouvailles hier en daar, maar de
gemeenplaatsen overheersen, ik mis die fijne, mousserende geestigheid.’102
Warren bleef in deze periode overigens wel trouw aan Columbus meewerken. In het zesde nummer (maart 1946) verschenen van
hem vijf verzen, waaronder ‘Het einde’, dat - blijkens notities in het
tweede deel (1982) van Warrens
Geheim dagboek
- duidelijk autobiografisch is:
| | | |
Je kamer is voorgoed verlaten, maar nog hangt de geur
In de gordijnen en is er het trouwe tikken
Der wekker. Er zweeft een motje door de lege ruimte
En de schemer schaduwt langs het oud behang.
De zee is een vlakte van donker spiegelend lood,
beslagen
Met zilveren sporen van vis en stroom.
Jij hebt het zo gezien, en gedroomd uit dit venster,
En je bent nooit gelukkig geweest.
Nu kwam een blinkende duif naar binnen door het open
raam.
Hongerig en zacht. Ik heb haar jouw naam gegeven.
Dat ik je nooit meer zien zal, heb ik haar verteld
Toen zij ging slapen in de vochtige muurnis.
Afscheid hebben wij niet genomen. Ik stond in de tuin
En wist heel het leven een ontkenning van het zijnde.
Mijzelf niet ziend ogenwijd in de natuur,
Kon ik niet schreien om mijn zachtgesproken woorden:
Zo eindigt dus een liefde. Nu komt de nacht
Koel wuiven langs het kalme water;
Traag weegt rook oneindig ver over de horizon.
Schepen voor anker ontsteken witte lampen,
Rimpelend in de spiegel. Laatste meeuwen
Slaan donker naar hun nest. Meisjes langs 't
avondwater
Zingen tweestemmig en wuiven mij lachend toe,
Nogmaals omziend, en zij weten niet
Mijn glimlach vol tranen. O, dit heb je gekend,
Mijn leven hier, de muggen langs het glas,
Al de geluiden van het duister, het rood en groene
glanzen
Van het kustlicht, de lantaarnopsteker met zijn vilten
pet,
De diepe nachtrust van dit stroomland en de trouwe
schemer
In dit vertrek. En nu alles voorbij is, nu ik nooit
meer
Je van me kan zien heengaan, altijd weer, langs het
venster,
Is toch wanhopig al mijn trouw en liefde jou
gewijd. 103
| | | |
Daarnaast bevatte dit nummer een tweetal artikelen - van J.H.W. Veenstra en F. Schamhardt -
over het verblijf van E. du Perron omstreeks 1937
in Nederlands Oost-Indië en over zijn contacten met Indonesische
intellectuelen. F. Schamhardt (1920-'84) was een neef van de schrijver W. Walraven (1887-1943), die vanaf 1915 tot zijn
dood in Indië woonde en van zijn ervaringen in talloze boeiende brieven,
vooral aan zijn familie, verslag heeft uitgebracht. Als schrijver werd hij
door Du Perron ontdekt. Schamhardt zou in 1966 Walravens brieven aan zijn
familie uitgeven.104
Pikant was intussen de titel van het artikel van Veenstra: ‘De houding van E.
du Perron in Indonesië’. Het feit dat er hier over ‘Indonesië’ gesproken
werd - in een periode dat er druk voorbereidingen getroffen werden om het
Nederlandse gezag in de archipel te herstellen -, was veelzeggend.
| |
Jan Vermeulen uit de redactie
Kort na het verschijnen van het zesde nummer, in maart 1946, besloot Jan Vermeulen uit de redactie te stappen: de
voornaamste reden hiervoor was dat hij zich met de inhoud van
Columbus
niet langer verenigen kon. Ad den Besten
zou hem hierna als redactiesecretaris opvolgen.
Duidelijk was dat de toekomst van het blad hachelijk was geworden. Vermeulen
had de voorafgaande maanden veel werk verzet en zijn vertrek betekende dus
een groot verlies. Bovendien zou het aftreden van alweer een redacteur - de
tweede binnen een half jaar! - op de abonnees een slechte indruk maken.
Jan Praas, die dit wilde voorkomen, schreef
daarom in een ongedateerde brief, waarschijnlijk eind maart, aan Ad den
Besten: ‘Maak in godsnaam geen wijziging in de redactie bekend in het
volgende nummer. Ik schreef Jan, in naam aan te blijven.
We kunnen voorlopig, tegenover de buitenwereld, geen mutaties hebben. Wel
kun je het adres van de redactie wijzigen in het jouwe. Maar verder niets.’
Praas schreef verder: ‘En laat die verdomde Van Loon eens wat doen. Vraag een
reeks verzen van hem, en wat artikelen. Er zit allicht
iets bij.’105
Vermeulen voelde er intussen niets voor als redacteur op het omslag van Columbus vermeld te blijven. Over zijn motieven om uit de
redactie te stappen, schreef hij op 31 maart in een brief, die elf (!)
kantjes telde, aan Den Besten: ‘Columbus is een
onbelangrijk, verwaterd en puériel kinderkrantje, dat, al is het altijd nog
beter dan Het Woord en Proloog, eigenlik geen reden
van bestaan heeft. En ik wil niet de indruk wekken dat ik dit allemaal mooi,
bewonderenswaardig en belangrijk vind. Je struikelt tegenwoordig over de
dichtende pubers, maar het is toch niet noodzakelik dat wij die in Columbus
van hun volle luiers ontlasten? Ik moet je eerlik zeggen dat Columbus | | | | voor mij een grote teleurstelling is geworden, en dat ik mij
met de huidige gang van zaken steeds minder verenigen kan. Het mag dan waar
zijn dat er af en toe aardige verzen in staan of goed proza, bij de gratie
van een paar mensen die kunnen schrijven, maar waar is het karakter van tijdschrift, ik bedoel tijd-schrift.
Wij doen niets anders dan de min of meer geslaagde producten van een aantal
vriendjes op te nemen, maar geven wij doelbewust leiding?
Staan wij een bepaalde, geprononceerde mening voor en durven wij daar ook
voor uitkomen? Waarin onderscheiden wij ons eigenlik van de vorige
generaties? Wij doen niets dan ze vrijwel klakkeloos bewonderen. Wij zijn
slechts bij uitzondering polemisch (en hoe dan nog!), - terwijl er genoeg te
kankeren valt, maar dan goed en gemotiveerd, wij zijn in geen enkel opzicht
strijdbaar of militant! Waar is onze Fokke Sierksma? Vrijwel de enige onder
ons die polemische talenten heeft, Hans van Straten, is voor jou toch een
beetje “outcast”. Een rubriek als “Het Ei” die een van de aardigste van het
tijdschrift zou kunnen zijn, wordt nu de belachelikste, omdat wij niets te
zeggen hebben, omdat wij nauweliks reden van bestaan hebben. Maar wat moet
je beginnen met een redactie die voor 50% incompetent is?’
Vermeulen schreef verder: ‘Ik verzoek je dan ook, om tegelijk met de
mededeling in het volgende nr van Columbus, ook mijn naam van het omslag te
schrappen, ondanks het verzoek dat ik van Jan Praas ontving om in naam aan te blijven. Dit is mijnerzijds géén breuk. Alleen
kan ik het tegenover mezelf niet langer verantwoorden, mee te doen met een
tijdschrift dat steeds meer in een richting gaat, die de mijne niet is. Ik
ben altijd individualist geweest. Laat me het wéér worden...’106
Intussen bestonden er bij Jan Vermeulen en zijn vriend Hans Warren vage
plannen voor een nieuw tijdschrift. Op 24 april berichtte Warren aan Ammy de
Muynck: ‘Jan Vermeulen heeft zich gedistancieerd van Columbus. We willen een
nieuw blad oprichten dat alleen verschijnen zal als er iets belangrijks te
publiceren valt. Onregelmatig dus. De nummers moeten steeds los te koop
zijn. Columbus is ten dode gedoemd. Het nieuwe blad zal - als het verschijnt
- vrijwel uitsluitend aan proza gewijd zijn. Verder zal het zeer streng
geselecteerde poëzie bevatten.’ In het vervolg van zijn brief merkte Warren
nog op: ‘Columbus is nu het lijfblad van Ad den Besten [...].’107
Zoals Vermeulen had voorgesteld, werden de abonnees in het zevende nummer van
Columbus (april 1946) van zijn uittreden op de hoogte
gesteld: ‘Met ingang van April is aan Jan Vermeulen op zijn verzoek
ontheffing verleend van zijn functie als redacteur-secretaris van Columbus.
Zijn taak zal worden overgenomen door Ad den Besten.’108
| | | |
Ook Hans Warren besloot hierna niet langer aan het
blad mee te werken. Op 24 juni - intussen was de achtste aflevering van Columbus uitgekomen - schreef hij aan Ammy de Muynck: ‘Uit
Columbus heb ik me teruggetrokken. [...] Het blad is
stomvervelend, het heeft me nog niets dan teleurstellingen opgeleverd.’109
Het was zonneklaar dat de bakens bij
Columbus
drastisch zouden moeten worden verzet, en wel zo snel mogelijk. Een
poging daartoe werd gedaan door Jan Praas, die in
de negende aflevering (juni 1946) een beschouwing publiceerde onder de
veelzeggende titel ‘Wij dwalen, wij dwalen, langs bergen en langs dalen’.
Hierin verweet Praas de jongeren hun gebrek aan strijdbaarheid: ‘Wij vechten
zèlfs niet meer tegen windmolens, de wapenrusting roest op zolder, en de
weerstandsloze mijmering schijnt onze enige toekomst: Aensiet u swackheyt om
u selven te verschoonen.
‘Wij hebben, om het symbolisch uit te drukken, met onze hoon over de
verzetspoëzie, ons zelf gehoond. Wat er nog aan waarachtig levensgevoel in
ons school, hebben wij terwille van de aesthetische dichter in ons,
gesmoord.’ Hiermee doelde Praas op de kritische opmerkingen over de
literaire waarde van de verzetspoëzie, die in het afgelopen jaar vooral door
Koos Schuur en andere medewerkers van het
tijdschrift
Het Woord
gemaakt waren.
Praas vervolgde: ‘Wij zweven, broeders, wij zweven ergens buiten deze wereld,
en wij willen blijkbaar niet beseffen dat er voor ons nu maar één
verblijfplaats is. Niet bij de goden, maar bij het gemartelde mensdom.
‘Wij hebben maar eén taak: die van het gevecht. Niet die
van een verdediging van ruïnes, maar die van een voorhoede-gevecht om nieuwe
waarden, om een nieuw bewustzijn.’
En daarom: ‘Er dient fel te worden opgetreden. Tegen het would-be-isme, tegen
de pose, tegen de onwaarachtigheid, tegen de kernloosheid.
‘Hier ligt een taak voor de critiek. Op versgeploegde grond, waar alle
onkruid gewied is, zàl een nieuwe poëzie bloeien. Van klaprozen en
korenbloemen maalt men nu eenmaal geen meel. De oogst zal wellicht schraal
zijn, maar er zal graan over de velden golven, goudgeel
graan. Noeste arbeid, broeders in Apollo, een beleven van de problemen van
de eigen tijd, studie van de buitenlandse en de eigenlandse oudere
literatuur tot Hooft en Huygens, tot Anna Bijns en Jacob van
Maerlant toe, dat tesamen met de “worsteling in eigen ziel” zal ons van ons
doelloos dwalen leiden naar de weg die voor ons ligt.’110
Het negende nummer bevatte verder de novelle ‘Een Franse comedie’ van Paul Rodenko en een polemische bijdrage van de
redactiesecretaris van Podium, Wim
Hijmans, onder de titel ‘De heer Praas legt een windei’.111
| |
| | | |
‘De paleisrevolutie’
Intussen was bij Jan Vermeulen en Hans van Straten
de ergernis over de koers van Columbus steeds groter
geworden. Zoals we gezien hebben, had Vermeulen in april met de gedachte
gespeeld een nieuw tijdschrift op te richten, maar dat was op niets
uitgelopen. In plaats hiervan besloten de beide Leidenaars, wellicht
gestimuleerd door Praas' militante essay in het juni-nummer, een poging te
ondernemen Columbus in een andere richting te duwen.
Op 30 juni stuurde Van Straten een brief van zes getypte kantjes aan Jan
Praas, waarin hij het beleid van de Columbus-redactie fel
aanviel. Deze brief zou de stoot geven tot wat in de kring rond het blad als
‘de paleisrevolutie’ bekend zou worden: een drastische wijziging van de
redactie en tegelijkertijd van de opzet van het tijdschrift.
In zijn brief stelde Van Straten allereerst dat de dichtkunst van de jonge
generatie in Nederland niets anders was dan ‘de poëzie van het oude
Criterium in haar decadentie’, en wees hij op het
optreden van een aantal veelbelovende essayisten als S.
Dresden, Fokke Sierksma, Max de Jong en Paul Rodenko. Hierna constateerde
hij: ‘[...] de met zoveel bombarie aangekondigde generatie van jonge
dichters is gebleken nauwelijks een schim te zijn van wat ervan verwacht
werd. De poëzie waartoe zij in staat is, is krachteloos, futloos, en zonder
toekomstmogelijkheid (om een uitdrukking van Marsman te gebruiken: deze generatie heeft geen sperma). De tijdschriften Het Woord, Proloog en Columbus zijn daarmee
mislukt en hebben elke reden tot bestaan verloren. Buiten deze tijdschriften
om ontwikkelt zich langzaam maar zeker een àndere jonge generatie, scherp
intellectueel georiënteerd en hoofdzakelijk bestaande uit essayisten. Dat is
punt één. Nu verder. Ik snap werkelijk niet hoe mensen als jij en anderen
(Ad vooral) zich zo voortdurend en exclusief kunnen interesseren voor de
poëzie der jongeren. Het wordt nu toch zo langzamerhand wel eens tijd dat we
onze belangstelling gaan richten op belangrijker objecten, dat we eens wat
verder gaan zien dan onze poëzie-neus lang is.’
Van Straten deelde hierna mee dat Jan Vermeulen en hij hadden nagedacht over
de mogelijkheid ‘om van Columbus een volwaardig tijdschrift te maken’ en dat
ze daartoe ‘een compleet hervormingsplan’ hadden opgesteld. Als eerste punt
hiervan bracht hij naar voren: ‘Het karakter van Columbus moet gewijzigd
worden van een anthologisch tijdschrift, zoals het nu is, tot een
strijd-tijdschrift op scherp-principiële grondslag. Een jongerentijdschrift
heeft volgens mij slechts bestaansrecht wanneer het vecht en weet waarvoor
het vecht. Kijk naar de jongens van Podium!’
En verder: ‘De poëzie is in de laatste jaren zozeer gevulgariseerd en tot | | | | een modeverschijnsel geworden, dat we slechts bij wijze van
uitzondering gedichten op mogen nemen. In elk geval zal de nadruk niet
vallen op de poëzie, maar op de principiële instelling, op de polemiek dus,
en zal daarnaast in sterk verhoogde mate de aandacht worden gevraagd voor de
novelle en het essay.’
Van Straten merkte in verband hiermee op: ‘Om de polemische instelling beter
tot uitdrukking te brengen wordt de rubriek Het Ei van een loos aanhangsel
gemaakt tot de rubriek die het tijdschrift feitelijk draagt.’
Tot de andere vijf punten die Van Straten in zijn brief noemde en die voor
een deel het uiterlijk van Columbus en het contact met de
medewerkers betroffen, behoorde ook punt 6: ‘Een fusie met Podium moet
overwogen worden.’
Na het ‘hervormingsplan’ van Vermeulen en hemzelf te hebben ontvouwd, schreef
Van Straten nog: ‘Terugziend op de eerste negen nrs. van Columbus constateer
ik: wat betekent het of er hier en daar wel een paar goede gedichten van Van
der Graft te vinden zijn, of een goed essay van Pieters, of een goede
novelle van Rodenko, als deze dingen eenvoudig verdrinken in een zee van
geestloosheid? Pas in het kader van een vastomlijnd programma komen
bijdragen van een dergelijk peil tot hun recht, en kan er tenminste niet
gezegd worden dat ze toevallig in het blad verzeild zijn. Er is een
belangrijke jonge generatie, en hier ligt voor ons een ongelofelijke kans.
Maar dan moeten we het blad ook opheffen uit de sfeer van h.b.s. ersgedoe waarin het nu verkeert. De mensen die ik je noemde
bijeenbrengen, vorm geven aan de gemeenschappelijke ideeën, een stevige
principiële grondslag en daaraan vasthouden, dàn krijgen wij een tijdschrift
van het formaat van Forum.’112
Hans van Straten wilde Columbus dus van een ‘anthologisch
tijdschrift’ tot een ‘strijd-tijdschrift’ maken, waarin voor de poëzie veel
minder plaats zou zijn dan tot dusver het geval was geweest. Dat laatste
kwam overeen met wat Hans Warren in april aan Ammy de Muynck geschreven had
over het blad dat Vermeulen en hij in die tijd wilden oprichten. Verder valt
op dat Van Straten - na de mislukte pogingen daartoe in de vorige zomer -
opnieuw een fusie met Podium voorstelde.
Het duurde ruim twee weken, voor er uit Utrecht een
reactie kwam, en deze reactie kwam bovendien niet van Jan Praas - aan wie
Van Stratens brief gericht was geweest -, maar van Frits Planije. Op 16 juli
schreef deze aan Van Straten en Vermeulen dat Praas en hij het druk hadden
gehad met hun examens, waarna hij op Van Stratens brief zelf inging: ‘Dat er
een generatie van essayisten in opkomst is, wil ik wel aannemen, maar
voorhands zie ik dat nog niet zo scherp als jullie. Immers schier alle
essays van de laatste | | | | maanden zijn ontstaan bij de gratie van
de poëzie. Zonder de laatste zouden ze er niet zijn geweest. En waarom
stuurden jullie nooit essays? Dat veel poëzie nageboorte
van
Criterium
is, onderschrijf ik, maar juist die echte Crit.
gasten spraken wij [...] af te weren.’ En verder: ‘We spraken immers
onderling af bij de opzet van Col. om zo weinig mogelijk één richting te
zijn gedurende de 1e jaargang. Maar nu is de tijd rijp om te veranderen.’
Planije schreef tenslotte: ‘Daar dit alles, zoals het hier staat, natuurlijk
te beknopt is en toelichtingen behoeft en daar Col. jullie toch blijkbaar
meer ter harte gaat dan ik eigenlijk dacht, stelde ik j.l. Zaterdag voor
jullie + Sierksma begin Aug. uit te nodigen tot een symposion. Ik hoop dat
jullie komen.’113 Uit de laatste passage blijkt dat Van Stratens voorstel om over een
fusie met Podium na te denken, niet in rotsige bodem was
gevallen.
Drie dagen later, 19 juli, berichtte Ad den Besten
aan Hans van Straten: ‘Aangezien het beter is,
geen burengerucht te verwekken, wanneer wij elkaar aan het aftuigen gaan,
heeft de redactie van Columbus het goed geoordeeld, de voorgenomen
samenkomst in de bossen rondom Nijkerk te doen
plaats hebben, en wel het weekend 4/5 Augustus a.s.’114
De volgende dag - Den Bestens brief was nog niet bij Van Straten gearriveerd
- schreef deze aan Jan Praas: ‘Eindelijk,
eindelijk hebben we dan een levensteken uit Utrecht, in de vorm van een brief van Planije. Natuurlijk geldt je
examen volledig als excuus (hoe is het afgelopen?) maar je had ons toch
tenminste een berichtje van ontvangst kunnen sturen.’
Van Straten, wiens strijdbaarheid de laatste weken niet was afgenomen,
schreef verder over
Columbus
: ‘De nieuwe redactie, zoals Jan en ik die willen, is: Jan, jij en
ik. Onze redenering is: Utrecht heeft nu een jaar lang de kans gehad om van
Columbus iets te maken. Jullie hebt deze kans grondig verknald (bewijs:
Columbus is een blad waaraan men zijn schoenen afveegt).
Nou wij!’ En: ‘Kom nou s.v.p. niet aandragen met Karel, Planije etc. Planije
heeft nu een jaar gehad om te bewijzen dat hij niet deugt voor
tijdschrift-leider (ik heb hem zelfs op geen enkele Columbus-bijeenkomst
ontmoet), Karel is alleen nóg erger en over Ad praat ik helemaal niet meer.
Jan, jij en ik, wij kunnen een soort ideaal-combinatie vormen, een
oorlogskabinet.’ Met ‘Karel’ bedoelde Van Straten Karel
Blom, die tot Praas' vriendenkring behoorde en onder de
schuilnaam Thomas Vodijn aan Columbus meewerkte.
Over Planije's voorstel om in augustus een ‘symposion’ met Sierksma te
houden, merkte Van Straten op: ‘Dan volgt een uitnodiging om in Augustus (!)
eens naar Utrecht te komen! Alsof we nog een week langer konden wachten!
Jullie denken zeker: als we die Leidenaars maar een beetje op sleeptouw
nemen dan worden ze wel weer kalm! Kort en goed: Zaterdag 27 Juli komen | | | | Jan en ik naar Utrecht, en jullie zijn er,
meisjes of kampeertochtjes worden niet als excuus
geaccepteerd.’115
Voordat de beide Leidenaars naar Utrecht kwamen, werd duidelijk dat het
‘symposion’ met Fokke Sierksma niet door zou
gaan. Op 24 juli berichtte deze aan Ad den Besten: ‘Het spijt me, dat ik
jullie uitnodiging niet kan aannemen. De hele maand Augustus ben ik bezet.
Ik zou het zeer gewaardeerd hebben, dat het contact weer eens opgenomen kon
worden.’116
Intussen was het enthousiasme van Ad den Besten om
met Columbus door te gaan tot het absolute nulpunt
gedaald. Het vooruitzicht met Vermeulen of Van Straten - of allebei! - in
één redactie te moeten samenwerken, lokte hem allerminst, terwijl ook het
verbale wapengekletter rond het blad hem maar matig beviel. Hij vertelde in
1979 dat hij hierover in die tijd ‘een vrij stevig gevoel van onbehagen’ had
en dat ‘op een gegeven moment’ de zaak hem ‘tot hier zat’. Bovendien werd
Den Besten, die eind 1945 bij uitgeverij Holland was gaan werken en daarom
naar Amsterdam was verhuisd, sterk in beslag
genomen door allerlei werk voor de uitgeverij. Nog vóór de bijeenkomst in
Utrecht besloot hij dan ook uit de redactie te
stappen.
Op zaterdag 27 juli werd in Praas' ouderlijk huis te Utrecht de door Van
Straten voorgestelde bijeenkomst gehouden. Vermeulen en Van Straten
ontmoetten bij die gelegenheid alleen Praas en Karel Blom. Ad den Besten en
Frits Planije waren dus niet komen opdagen. De redacteur Willem Karel van Loon wist zelfs nergens van.
In 1982 schreef Hans van Straten over deze
bijeenkomst: ‘De beide Leidenaren kwamen “geladen” aan, wij verwachtten veel
tegenstand, maar dat viel enorm mee: de Utrechters waren de
inschikkelijkheid zelf. Er werd natuurlijk over en weer toch nog wat gekeft,
maar de hele sfeer herinner ik mij toch als vriendschappelijk.’ En verder:
‘Om een uur of drie - het werd alweer licht - gingen we op weg naar de
studentenkamer van (Albert-)Jan Govers, die ons
verrast ontving. Bij de muziek van de afn117 hebben we de nacht verder
uitgezeten. Jan Govers had een kleine grijze kater rondlopen, die hij
eigenlijk niet kon houden. Ik nam hem mee, gewoon in mijn handen, naar Leiden, waar het dier tien jaar lang bij mijn moeder
heeft gewoond.’118
Kort na deze bijeenkomst schreef Jan Praas in een ongedateerde brief aan Ad
den Besten: ‘Het was wel zeer jammer dat je het weekend hier niet hebt
kunnen bijwonen. In jouw persoon ontbrak zeker een essentieel deel van het
geheel, al liepen de meningen ook nù ver uiteen. Voor de nieuwe jaargang
ingaat zullen we toch nog wel enkele keren moeten praten.’
Uit wat Praas verder schreef, bleek dat er intussen serieus rekening werd
gehouden met een fusie tussen
Columbus
en
Podium
. Hij merkte op: ‘Over | | | | een nieuwe redactie zijn we het
wel eens geworden (vier bij samengaan met podium (2-2);
drie wanneer Columbus alleen
verdergaat). Alleen weten we nog niet wie het moeten zijn.
Jan Vermeulen en ik zouden m.i. (weer) hoofdzakelijk papieren redacteuren zijn. De figuur van Hans impliceert m.i. een
doodlopen binnen korte tijd. Andere namen houden weer evenveel andere
bezwaren in ook.
‘De grootste zegen zou zijn: Columbus opheffen! (Sierksma schreef in dezelfde
geest over Podium) En toch hobbelt de zaak steeds weer door.’119
Precies een week na de bijeenkomst in Utrecht, op zaterdag 3 augustus, had
Praas in Amsterdam een bespreking met directeur Veenstra van de ABC over de
plannen voor de komende jaargang. Zoals we gezien hebben, werd door de
redactie al bij de start weinig gunstig over de samenwerking met de ABC
gedacht, waarbij vooral directeur Fred. von Eugen min of meer als gebeten
hond optrad: daarin was later geen verandering gekomen. Het gebrek aan
liefde was trouwens wederkerig, want bij de uitgeverij werd Columbus als een regelrecht fiasco beschouwd. Met Veenstra had
Praas al tijdens de oorlog een prettig contact gehad en dus lag het voor de
hand dat hij met deze directeur de situatie rond het tijdschrift zou
bespreken.
Dezelfde dag ontmoetten Jan Praas en Jan Vermeulen eveneens in de hoofdstad
de Podium-redacteuren Fokke Sierksma - hij had voor deze
bijeenkomst in augustus dus kennelijk toch tijd kunnen vrijmaken! - en Peter
van den Burch (Peter Verhoeff). Daarbij stelde Columbus
een fusie met Podium voor. Sierksma en Van den Burch
antwoordden hierop, dat zij al nieuwe redacteuren - Anne Wadman en Jaap
Mulder (Gerrit Borgers) - hadden aangezocht en dat het daarom niet
gemakkelijk zou zijn nu met Columbus samen te gaan. Wel
zegden zij toe dat zij de mogelijkheid van een fusie aan Mulder en Wadman
zouden voorleggen.
De directie van de ABC had na de bespreking van Praas met Veenstra niet veel
bedenktijd nodig om de samenwerking met Columbus op te
zeggen. Die taak nam Fred. von Eugen op zich. Op dinsdag 6 augustus schreef
hij aan de redactie: ‘Na het gesprek dat de Heer Praas Zaterdag j.l. met den
Heer Veenstra voerde, hebben wij Uw plannen voor de eventuele uitgave van
een nieuwe jaargang van columbus ernstig overwogen.
‘U weet hoe wij over de eerste jaargang, als geheel, denken. Deze is ver
beneden onze verwachting gebleven. In de loop van het jaar hebben wij reeds
herhaaldelijk aan deze, onze mening, evenals aan onze vrees voor wat toen
nog toekomst was, uiting gegeven, zonder nochtans met het voortschrijden van
de tijd en het verschijnen van nieuwe nummers, veel verbetering te
constateren.’
Von Eugen vervolgde: ‘Wij gaven columbus een royale kans,
maar | | | | neen, eerlijk gezegd zien wij geen reden van bestaan voor
dit tijdschrift zonder eigen kleur, zonder eigen toon, zonder eigen stijl en
dat zich van vele andere tijdschriften slechts hierin onderscheidt, dat het
nog net iets slechter is dan vele andere, waaraan het papier en de druk in
deze tijd van schaarste aan materiaal en productiecapaciteit evenmin goed
besteed is.
‘Daarom stellen wij U een scheiding voor. Over de verdeling van de boedel
zullen wij geen ruzie krijgen, hetgeen overigens bij een moderne scheiding
onbetamelijk zou zijn.’120 Onder deze brief werd door Jan Vermeulen121 met
potlood ‘haha!’ geschreven. Vermeulen vertelde in 1984: ‘We waren niet kapot
van die mededeling, want we vonden dat eigenlijk geen uitgever bij wie we
ons thuis voelden.’
| |
Paul Rodenko in de redactie
Intussen was tijdens de vergadering in Utrecht op 27 juli - vooral op
aandringen van Vermeulen en Van Straten - afgesproken, dat aan de Haagse schrijver Paul Rodenko gevraagd zou worden redacteur van Columbus te worden, wanneer er althans van een fusie met
Podium niets zou komen.
Op zondag 4 augustus - één dag na zijn bespreking met Sierksma en Van den Burch - nam Praas
daarom contact met Rodenko op, ‘om hem te polsen over het bezetten van een
redacteursfunctie, ingeval de fusie met Podium niet
doorgaat’,122
zoals hij de volgende dag aan Jan Vermeulen meedeelde. Op 9 augustus schreef
Rodenko hierover aan Hans van Straten: ‘Ik kreeg een brief van Jan Praas, waarin hij mij vroeg, tot de nieuwe
redactie van Columbus toe te treden. Hij schreef dat jij
je binnenkort met mij in verbinding zou stellen om nader over een en ander
te praten. Kom je dus een dezer dagen naar Den Haag? [...] Ik wilde je in
ieder geval graag spreken om, alvorens ik ja zeg, meer concrete gegevens
over de nieuwe plannen te horen (Jan Praas schreef iets over een “gans nieuw
beleid”). Ik ben direct achter mijn schrijfmachine gaan zitten en heb een
aantal punten opgesteld, die ik noodzakelijk acht, wil Columbus werkelijk een stimulerende kracht in het Ned. litteraire
leven worden. Wanneer jij nu ook een soortgelijk lijstje opstelt, waarin je
mijn punten hetzij uitbreidt, hetzij aanvalt, zullen we hoop ik een
vruchtbaar en efficiënt gesprek over de kwestie van de nieuwe koers van C.
kunnen voeren. Dan weten we waar we aan toe zijn en of we al dan niet tot
een vruchtbrengende samenwerking zullen kunnen komen.’123
Het ‘lijstje’, dat Rodenko bij zijn brief voegde, bevatte een aantal
uitgangspunten voor een nieuwe redactionele formule, waaronder:
‘1. Breken met de principiële programmaloosheid van het afgelopen jaar. Een
positief, concreet programma.
| | | |
‘2. In verband hiermee: grote aandacht besteden aan de critiek. Geen critiek
in het wilde weg, maar uitgaande van vaste richtlijnen in overeenstemming
met het opgestelde programma.
‘3. Veel aandacht besteden aan de buitenlandse litteratuur, vooral nieuwe
richtingen en stromingen. Bespreken, critiseren en onze eigen plaats
bepalen. We moeten vooral levend en polemisch zijn.’
Over
Podium
en
Het Woord
merkte Rodenko hierbij op: ‘Podium en Het Woord zijn de enige
bladen, die van een concreet programma uitgaan, maar ofschoon Podium het
probleem van de mens-in-de-situatie stelde, zag het die situatie alleen
practisch-maatschappelijk, terwijl het probleem in de eerste plaats een metaphysisch probleem is, terwijl Het Woord uitsluitend
van een poëtisch vorm-probleem uitgaat. Hiertegenover zou ik een uitspraak
van Saroyan willen stellen: “Do you know that I do not believe there is
really such a thing as a poem-form, a story-form or a novel-form? I believe
there is man only. The rest is trickery.”’124
Twee zielen - één gedachte! Hans van Straten en Paul Rodenko zaten duidelijk
op één lijn. Beiden wilde breken met ‘de principiële programmaloosheid’ van
Columbus
, zoals Rodenko het noemde, en ook wilden ze allebei voor het
kritische en in het bijzonder polemische element een grote plaats inruimen.
Overigens had Rodenko in die tijd wel het plan in oktober naar Parijs te gaan
om daar zijn studie af te maken, maar het was de vraag of hij daar een
betaalbare kamer zou kunnen vinden. Begin augustus had hij daarom Adriaan
Morriën, redacteur van Criterium en Litterair
Paspoort, gevraagd voor hem een aanbevelingsbrief te schrijven aan
de directeur van het ‘Collège Néerlandais’ aan de Boulevard Jourdan in de
Franse hoofdstad.125
Kort nadat Rodenko zijn brief aan Van Straten geschreven had, verscheen het
tiende nummer van Columbus. In dit nummer, gedateerd ‘Juli
1946’, werd meegedeeld: ‘Ad den Besten is met ingang van 1 Augustus om
redenen van practisch-principiële aard uit de redactie van Columbus
getreden.’126
In deze aflevering verscheen Den Bestens laatste bijdrage aan het
tijdschrift: het uitvoerige essay ‘Het dichterschap en het denken’. Hierin
verzette hij zich tegen een al te rationele benadering van poëzie: ‘[...] er
wordt in poëticis al genoeg, te veel gedacht en gezocht met de autoriteit
van de autonome “zuivere” rede. Er is te weinig van dat echte,
spontane kunstenaarschap, dat niet behoeft te bestaan in de kramp van
enige “kunstenaarsmoraal” (meer denken, meer ontroering, meer of
minder techniek, etc.), doch dat blindelings één ding vertrouwt: het vers
zal voor zichzelf denken; m.a.w. het mag mij beheersen en richting geven in
plaats van het omgekeerde; want | | | | het vers - geheel! - weet beter
hoe en wie ik ben dan mijn “souverein” denken.’127
Intussen waren de gesprekken over de samenstelling van de nieuwe redactie in
een beslissende fase gekomen. Om - na het vertrek van Ad den Besten -
tegenover de buitenwereld de schijn van een zekere continuïteit op te
houden, werd afgesproken dat Frits Planije en Willem Karel van Loon formeel
nog redacteur zouden blijven, hoewel al besloten was dat zij in ieder geval
met ingang van de nieuwe jaargang uit de redactie zouden stappen. Planije
vertelde in 1982 over zijn redacteurschap: ‘Ik had er geen zin meer in,
omdat het literaire spel mij, los van de persoonlijke vriendschap met
bepaalde figuren, te weinig boeide.’ Planije, die later verscheidene
veelgebruikte schoolboeken zou schrijven, koos in die tijd voor een loopbaan
bij het onderwijs. Willem Karel van Loon, die in de eerste jaargang van Columbus niets had gepubliceerd - hij had het gevoel dat
zijn werk niet gewaardeerd werd -, deelde in 1979 mee dat in de redactie
langzamerhand een ‘wat onverkwikkelijke sfeer’ was ontstaan. Bij de
besprekingen over de toekomst van Columbus werd hij niet
betrokken, hoewel hij nog redacteur was. Van Loon: ‘We hebben elkaar uit het
oog en daardoor ook uit het hart verloren.’
In de nieuwe redactie zou van de vroegere redacteuren dus alleen Jan Praas
overblijven! Daarnaast zouden zowel Jan Vermeulen als Hans van Straten
redacteur worden: een hecht duo, dat op het beleid een belangrijke invloed
zou kunnen uitoefenen. Tenslotte werd halverwege augustus - een spoedige
fusie met Podium leek van de baan - afgesproken dat ook
Paul Rodenko met ingang van de nieuwe jaargang in oktober 1946 deel van de
redactie zou gaan uitmaken. Dit tot grote vreugde van Van Straten en
Vermeulen. De laatste vertelde in 1984: ‘We hadden onze hoop heel erg
gevestigd op Paul Rodenko, omdat hij een jongen was die een heel
stimulerende invloed had. Ondanks zijn gestotter, zijn vreemde optreden had
hij - wat men tegenwoordig noemt - charisma, en dat was heel overtuigend.’
Dit charisma werd nog versterkt door Rodenko's kosmopolitische afkomst -
zijn vader was een uitgeweken Rus - en door het feit dat hij psychologie
studeerde: in die tijd en in dat milieu een studievak met groot prestige.
In afwijking van wat eind juli in Utrecht besloten was - Columbus zou drie
redacteuren krijgen, als het niet tot een fusie met Podium
kwam -, zou de redactie dus vanaf oktober uit vier redacteuren bestaan.
Afgesproken werd dat Van Straten als redactiesecretaris zou optreden.
| |
| | | |
Hans van Straten
De nieuwe redactiesecretaris was in 1923 te Leiderdorp geboren, vanwaar hij al na enige weken naar Leiden verhuisde. Daar bezocht hij de hbs, waar hij voor het eerst met de Nederlandse poëzie in
aanraking kwam. In 1987 schreef hij in zijn boek
De omgevallen boekenkast
over zijn eerste literaire passie: ‘Voor mij begon de poëzie op 15
mei 1940, de dag waarop de Duitse troepen Leiden binnentrokken. Na het
avondeten fietste ik naar de leeszaal, leende de
Gedichten
van Jacques Perk en reed enigszins
gehaast terug, want we moesten om acht uur binnen zijn en iedereen
verwachtte dat de Duitsers zouden schieten op alles wat zich daarna nog op
straat bevond.
‘Ik was op het spoor van Perk gezet door enkele verzen in een
schoolbloemlezing (
Nederlandse Stemmen
van Piet Oomes), waarbij ik vooral werd
geïntrigeerd door de mededeling dat de dichter voor zijn wankele gezondheid
herstel had gezocht in de Ardennen en daar een meisje had ontmoet dat hem
inspireerde tot zijn sonnettencyclus
Mathilde
.
‘Perk heb ik helemaal verzwolgen. Op mijn zolderkamer schreef ik zijn poëzie
compleet over in een cahier met kartonnen kaft, dat ik speciaal voor dit
doel had aangeschaft. Zijn sonnetten waren voor mij, zestienjarige
hogereburgerscholier, wat men noemt: een openbaring.’128
Kort hierna kocht Van Straten
Mei
van Herman Gorter en schreef hij zijn
eerste gedicht. In die tijd sloot hij met zijn klasgenoot Jan Vermeulen, eveneens idolaat van poëzie, een
hechte vriendschap.
Nadat Van Straten in 1942 het diploma hbs-b behaald had,
studeerde hij Latijn voor het staatsexamen gymnasium - de dichter Max de
Jong, die kort daarvoor in Leiden was komen wonen, stimuleerde hem daarbij
-, maar deze studie gaf hij na een half jaar op. In september 1943 schreef
hij zich vervolgens in voor de studie Nederlands aan de School voor Taal- en
Letterkunde in Den Haag.
In de zomer van 1944 verscheen Van Stratens eerste poëziebundel,
Tot nader order
, bij de Molenpers van Jan Vermeulen. De bundel, die twaalf
gedichten bevatte en waarvan vijfenzeventig exemplaren gedrukt werden,
opende met het sonnet ‘Vermetel perspectief’:
Zolang 'k de bruidsparen verachtte
die daags uit de stadhuizen komen
kon ik van liefde nimmer dromen,
ver bleef mij elke trouwgedachte.
Met jou is mij iets nieuws gekomen
wat 'k nooit gehoopt heb of verwachtte;
| | | |
nóg ben 'k tot liefde niet bij machte,
jouw kus is onverdiend belonen,
maar heeft mij nieuwe hoop gegeven
op een verliefd bohème-leven:
jij wordt mijn ongetrouwde vrouw.
Wij zullen op een zolder wonen,
er moeten maar veel kindren komen,
dan blijf ik je misschien nog trouw.
129
Kort na de publikatie van deze bundel, op 10 juli, werd Van Straten bij het
huis aan huis verspreiden van de illegale krant
De Kroniek van de Week
door de Feldgendarmerie gearresteerd en na verhoor op het
hoofdbureau van politie te Rotterdam onmiddellijk
doorgestuurd naar het concentratiekamp Amersfoort,
waar hij tot 29 augustus werd vastgehouden. Daarna werd hij overgeplaatst
naar de gevangenis aan het Wolvenplein te Utrecht.
Hij belandde er in de ‘Jugend-Zelle’, waar een jaar eerder de dichter Gerrit Kouwenaar als medewerker van het illegale
literaire tijdschrift
Lichting
opgesloten was geweest. In oktober werd Van Straten tot een
gevangenisstraf van acht maanden met aftrek van voorarrest veroordeeld.
Omdat hij als een ‘literatuurstudent’ werd beschouwd, kreeg hij in januari
een baantje in de gevangenisbibliotheek, wat hem in de gelegenheid stelde
veel te lezen.
Toen Van Straten op 9 maart 1945 werd vrijgelaten, voelde hij zich ziek,
waarna hij al snel hoge koorts kreeg. De dag na zijn thuiskomst ontving hij
bezoek van Jan Vermeulen, die hem het eerste poëzienummer van
Parade der Profeten
overhandigde. Hoewel er vijf verzen van hem in dat nummer stonden,
was Van Straten zelf tot dan toe niet van het bestaan van de Parade op de hoogte geweest: omdat hij in de gevangenis zat, waren
zijn gedichten door Vermeulen ingestuurd. Van Straten vertelde in 1983 over
zijn kennismaking met dit poëzienummer: ‘Ik dacht: dit is het wel. Dit is de
nieuwe generatie.’
In augustus 1946 - in de periode waarin Van Straten redactiesecretaris van
Columbus
werd - was hij van plan zich bij het begin van het nieuw academisch
jaar in te schrijven voor de rechtenstudie aan de Universiteit van Leiden.
Hij dacht erover later in de journalistiek te gaan.
| |
| | | |
De keuze voor het engagement
De strubbelingen rond de redactie van Columbus leidden er
intussen toe dat het augustus-nummer begin september nog niet verschenen
was. Ad den Besten schreef op 5 september aan
Hans van Straten een brief waaruit bleek dat
hij met weinig vrolijkheid op zijn werk als redactiesecretaris terugkeek:
‘Hoe staat het nu met de zaken? Ben jij red.-secretaris? Ik gun je de lol.
De aardigheid gaat er na twee maanden wel af. Komen de volgende nummers van
de eerste jaargang niet meer? Het wordt langzamerhand tijd.’130
Alsof Den Besten hiertoe het sein gegeven had, kwam het elfde nummer,
gedateerd ‘Augustus 1946’, kort hierna uit. Deze aflevering opende met een
onvervalst programmatische beschouwing van Jan Praas, die getiteld was ‘In
zicht van de nieuwe jaargang’. In dit essay merkte Praas op dat de redactie
van Columbus zich bij de start op een zo ruim mogelijk
standpunt had geplaatst, maar dat nu de tijd gekomen was om duidelijk
positie te kiezen. Hij schreef: ‘Wij stellen ons doelbewust op een
principiële en uiteraard smalle basis. De politiek van schipperen en
neutraliteit is voorbij. Niet dat wij daarmee alle problematiek opgelost
achten. Maar de weg ligt afgebakend.
‘De jonge generatie is zich van een taak bewust. Zij heeft partij gekozen: in
het leven zelf, èn in de litteratuur. Zij aanvaardt de ideologie. Zij
aanvaardt de synthese tussen maatschappij en cultuur.
‘columbus roept op de brug: een stoottroep
van europees georiënteerde jonge essayisten!’131
Het standpunt van Praas lag dus in dezelfde lijn als de voorstellen die Van
Straten in juni naar voren gebracht had. Ook hier werd het belang van de
essayisten beklemtoond, ook hier werd een meer strijdbare houding bepleit.
Een heel andere geest sprak uit een bijdrage van C.A.G.
Planije, getiteld ‘Ronde-tafelconferentie’, die in hetzelfde
nummer gepubliceerd werd. Hierin debatteerden een polemist, een
melancholicus, een scepticus en een rebel over ‘het probleem van de artist
in deze tijd en deze samenleving’. Daarbij merkte de melancholicus vrijwel
aan het slot van de discussie op: ‘Wat is het oude en wat het nieuwe. Al
slopen jullie het oude, wat voor positiefs laten jullie gelden daar
tegenover. Waarhéén denken wij? Naar welke woning? Illusies, waarde heren,
illusies. Heerlijke illusies om over te mijmeren en te dromen, illusie, die
het leven is, de rede ten spijt.’ Hierna sloot de melancholicus het gesprek
af met een ‘Au revoir’.132 Het ligt voor de hand in deze
opmerkingen het standpunt van Planije zelf verwoord te zien, die hierna niet
meer aan Columbus zou meewerken.
In de polemische rubriek ‘Het ei’ werd deze keer vooral het werk van enkele
schrijvers rond
Het Woord
onder vuur genomen. Jan Vermeulen
| | | | wees in een bespreking van de bundel
Herfst, hoos en hagel
(1946) van Koos Schuur op de grote
invloed die deze van de poëzie van Martinus
Nijhoff zou hebben ondergaan, waarna hij besloot: ‘Ik zou er niet aan
gedacht hebben deze bespreking “Rats, Kuch en Bonen” te noemen, als de
inhoud van “Herfst, Hoos en Hagel” niet inderdaad een allegaartje was
geweest van onverwerkte invloeden, een hutspotje van verzetspoëzie en
ivoren-toren-lyriek. Nu men langzamerhand overal weer behoorlijk kan eten,
weiger ik met deze stamppot mijn maal te doen, en zéker niet voor
f9.50.’133
Over de roman
Hélène in het heelal
(1945) van Ferdinand Langen merkte Hans
van Straten vervolgens op: ‘Hélène in het Heelal is een
teleurstelling. Het is een ontzettend flauw verhaaltje, opgediend in een
goedkoop sfeertje van kitsch-exotiek dat vagelijk herinnert aan een zeker
soort vooroorlogse Hawaiian-films (wat in godsnaam bracht Vestdijk ertoe te
spreken van “bezwerende kracht”?). Aan een interessante (laat staan
belangrijke) probleemstelling komt het boek niet toe.’134
Tenslotte wees Van Straten op enkele treffende overeenkomsten die er zouden
bestaan tussen een gedicht in de bundel
Serenade voor Lena
(1942; tweede druk: 1946) van Jan G.
Elburg en vroegere poëzie van Jan Engelman
en Bertus Aafjes. Met een verwijzing naar de
techniek van de geprefabriceerde woningen, die kort daarvoor in Amerika
ontwikkeld was, schreef Van Straten: ‘Waarom zouden wij van de wonderen der
Amerikaanse woningbouw geen gebruik maken in onze poëzie? Time is money, en
klaar is klaar. Nog een kleine perfectionnering van de techniek en we
stoppen één exemplaar van
Het Gevecht met de Muze
en één van
De Tuin van Eros
links in de machine, en rechts rollen onze eigen bundeltjes eruit,
met colophon en al. Lang leve de nieuwe kunstrichting, eenvoudiger dan het
surrealisme, gemakkelijker dan dada, en goedkoper dan de anecdotiek. Lang
leve de moderne efficiency, lang leve de neue Machinenkunst!’135
In het literaire tijdschrift
Criterium
(oktober 1946) schreef Willem Frederik Hermans over deze aflevering
van
Columbus
dat het blad hierin eindelijk zijn naam eer begon aan te doen: ‘Men
heeft zich tot dusverre vergeefs afgevraagd welke nieuwe werelden dit blad
pretendeerde te ontdekken. Dwaling! Men vergat dat Columbus de man is die
aangetoond heeft hoe men Indië niet ontdekt.’
Hermans schreef verder: ‘Jan Vermeulen heeft met
ijver gezocht uit welke windstreken de herfst, hoos en hagel van Koos Schuur
komen. Hans van Straten wijst Ferdinand Langen op een door dezen nog niet
geëxploreerd terrein, dat evenwel een paradijs is als expres voor hèm
geschapen: de boerenroman, en dezelfde criticus collationneert in een stukje
dat de voortreffelijke titel “Prefabricated Poetry” draagt een tekst van
Elburg met teksten | | | | van Engelman, Aafjes e.a. Alle drie
beschouwingen geven lieden die van oorspronkelijkheid houden de indruk dat
zij noch bij Schuur, noch bij Langen of Elburg veel van hun gading zullen
vinden.’136
Het twaalfde en laatste nummer (september 1946) van de eerste jaargang van
Columbus, dat kort na de elfde aflevering uitkwam,
opende met een beschouwing van Jan Praas en
Thomas Vodijn (Karel Blom) onder de titel ‘De
grond waarop wij staan’: een titel die overeenkwam met die van het eerste
hoofdstuk van De lage landen bij de zee. Een geschiedenis van
het Nederlandse volk (1934) van Jan en Annie Romein. In hun essay
schetsten Praas en Vodijn de ontwikkeling die de literatuur van de jonge
generatie het afgelopen jaar had doorgemaakt en riepen zij opnieuw tot meer
strijdbaarheid op. Het ‘klein geluk’ stelden ze aan de kaak als ‘iets wat
als klein profijt, klein genot gebrandmerkt moet worden’.137 Verder
werden in deze aflevering een kort verhaal van Olga
Rodenko en aforismen ‘over vrouwen, liefde en andere zaken’ van
Paul Rodenko gepubliceerd. In de rubriek ‘Het
ei’ stond het vers ‘Lintjesregen’ van een anonieme dichter (Jan Praas):
Het regent, regent overal,
zelfs schrijvers zijn bedruppeld:
Zie hoe de dichter Roland Holst
naast een roverhoofdman huppelt.
Jan Prins werd ridder, en legt zo
Misschien regent het volgend jaar
achter bergen en op schuren. 138
Met het verschijnen van het twaalfde nummer was aan de samenwerking van de
redactie van Columbus met de uitgeverij ABC een einde
gekomen. De vraag was: welke uitgever zou de boedel willen overnemen? Een
van de kandidaten was de Haagse uitgever A.A.M. Stols, bij wie Jan Vermeulen
werkte en die een jaar eerder belangstelling getoond had voor de uitgave van
Podium. Dit bleek een schot in de roos: Stols was
bereid de publikatie van Columbus met ingang van de nieuwe
jaargang over te nemen. Hans van Straten zou hierover in 1992 schrijven:
‘Jan wist, zonder de geringste moeite, Stols over te halen de exploitatie
voort te zetten. Die man moet wel een onverwoestbare optimist zijn
geweest.’139
| |
| | | |
Een legendarische uitgever
Alexandre Alphonse Marius (‘Sander’) Stols (1900-'73), afkomstig uit
Maastricht, was een zoon van A.L.H. Stols, die in 1894 samen met Hubertus
Boosten de bekende Maastrichtse drukkerij Boosten & Stols had
gesticht: in 1945 zou op de persen van deze drukkerij het literaire
tijdschrift
Overtocht
gedrukt worden.
Ook Sander Stols voelde zich tot het vervaardigen van boeken aangetrokken. In
1922 richtte hij samen met zijn broer Clemens zijn eerste bibliofiele
uitgeverij op, Trajectum ad Mosam. In de jaren daarna verschenen mooi
verzorgde boeken, waarvoor hem in 1925 bij gelegenheid van de beroemde
Exposition des Arts Décoratifs te Parijs een ‘Grand Prix’ werd toegekend.
Twee jaar later startte Stols met de Halcyon Press, waarin opnieuw talrijke
bibliofiele uitgaven het licht zouden zien. Om de Nederlandse poëzie te
stimuleren, nam hij vervolgens in 1931 het initiatief tot oprichting van het
tijdschrift
Helikon
, dat tien afleveringen per jaargang zou tellen. Helikon is tot in 1939 blijven verschijnen.
Begin mei 1940 - in dezelfde maand werd de drukkerij van Boosten &
Stols bij het bombardement van Maastricht zwaar beschadigd - verscheen het
eerste nummer van het internationale tijdschrift Halcyon,
geredigeerd en uitgegeven door Stols. Van Halcyon kwamen
tijdens de tweede wereldoorlog nog elf andere typografisch fraai verzorgde
nummers uit.
Ook anderszins bleef Stols tijdens de bezettingsjaren actief. In totaal
publiceerde hij tweeënzestig clandestiene uitgaven, waaronder vele
poëziebundels van Franse auteurs. Daarnaast gaf hij ook werk van Nederlandse
schrijvers uit, zoals
In memoriam Charles Edgar du Perron en Menno ter Braak
(1940) van A. Roland Holst.
| |
De tweede jaargang
Nadat Stols toegezegd had de uitgave van
Columbus
over te nemen, kon de nieuwe redactie voortvarend aan de tweede
jaargang werken, maar plotseling leek er toch weer een kink in de kabel te
komen: Paul Rodenko, die - zoals we gezien hebben - van plan was in Parijs
te gaan studeren, kreeg tot zijn grote vreugde bericht dat hem een kamer was
toegewezen in het ‘Collège Néerlandais’. In een ongedateerde brief deelde
hij Hans van Straten mee: ‘Ik zal dus van een plaats in de redactie van
“Columbus” moeten afzien: van Parijs uit kan ik mij moeilijk
verantwoordelijk stellen voor alles wat er in komt. Wèl ben ik van plan om
ook van daaruit zoveel mogelijk mee te werken, zodat ik toch wel graag
jullie komende vergadering wilde bijwonen om over het een en ander te
praten.’140
| | | |
Rodenko's bericht was een uiterst onaangename verrassing voor Van Straten en
Vermeulen, die hem hierna overhaalden toch maar redacteur te blijven. Begin
oktober vertrok Rodenko vervolgens naar Parijs, waar hij zich aan de
Sorbonne inschreef voor de studie vergelijkende literatuurwetenschap en
psychologie.
Het duurde daarna nog tot begin december voordat het eerste nummer van de
tweede jaargang van Columbus, gedateerd ‘October 1946’,
zou uitkomen. Uiterlijk zag dat nummer er heel anders uit dan de
afleveringen die tot dusver verschenen waren. Werd het omslag tijdens de
eerste jaargang - afgezien van de eerste aflevering! - in voornamelijk
stemmige tinten uitgevoerd, het eerste nummer van de nieuwe jaargang had een
rode omslag, waarop zwarte en witte kleuren fel afstaken.
In een - door Rodenko geschreven - inleidende beschouwing onder de titel ‘Bij
de nieuwe jaargang’ verklaarden de redacteuren Jan Praas, Paul Rodenko, Hans
van Straten en Jan Vermeulen: ‘Nu bij het ingaan van de tweede jaargang een
vernieuwde redactie optreedt, lijkt het ons van belang enkele punten
openbaar te maken, die de laatste tijd in kringen rond het tijdschrift het
onderwerp van levendige debatten hebben uitgemaakt.
‘Toen Columbus in October 1945 van wal stak, kon het, als fusie-tijdschrift
van verscheidene ex-clandestiene bladen, en gegeven de toenmalige onheldere
situatie in de nederlandse litteratuur, moeilijk iets anders zijn dan een
poging om de diverse groepen die achter deze bladen stonden te verenigen. Zo
kreeg Columbus dus uiteraard het karakter van een anthologisch tijdschrift. Thans echter, nu wij ons een beeld hebben
kunnen vormen van de situatie in binnen- en buitenland - een beeld dat, voor
zover het het binnenland, en met name de jongeren, betreft, van een
beangstigende kleurloosheid is - thans is het duidelijk geworden dat wij
alleen door een scherp en onvoorwaardelijk positie-kiezen de jonge
nederlandse litteratuur uit het drijfzand van provincialisme en
onbelangrijkheid, waarin zij meer en meer dreigt te verzinken, kunnen
redden.’
De redactie vervolgde: ‘Uit talloze tekenen blijkt dat zich meer en meer het
besef begint baan te breken dat een litteratuur, die haar inspiratie zoekt
in “de kleine kring van het ik en zijn vrienden” (en niet te vergeten de
bedvriendinnetjes), een litteratuur van het klein geluk en de ivoren toren,
geestelijke inteelt betekent en ten dode is opgeschreven. Nooit ook was de
tijd voor een “vlucht in de romantiek” slechter gekozen dan thans. En dit is
daarom de zin die wij aan Columbus willen geven: te strijden vóór de
elementaire levenswaarden, vóór de realisering en zelfbevestiging van onze
diepste menselijkheid, vóór de intellectuele volwaardigheid - tégen de alom
veld winnende geest van verslapping en vervlakking, tégen de vervalsing | | | | van menselijke waarden, tégen de nationale domheid, in welke
vorm deze verschijnselen zich ook aandienen. Criterium voor ons is de existentiële hartstocht, waarmee het probleem “mens”
gesteld wordt, de felheid, waarmee de auteur als totale
persoonlijkheid achter zijn werk staat en de problemen van zijn
tijd te lijf gaat. Tegenover de “Brei des Gefühls” enerzijds en het
abstracte intellectualisme anderzijds plaatsen wij de vitaal-geïnteresseerde
intelligentie, het denken als persoonlijk levensbelang.’
Tenslotte schreef de redactie: ‘Deze nieuwe jaargang betekent een nieuw
begin. En ja - tegen alle defaitisten in, tegen alle wereldwijze en
oppervlakkige sceptici, tegen alle bloedeloze betweters in betuigen wij de
noodzaak èn de mogelijkheid van een geestelijke renaissance. Misschien zijn
onze verwachtingen te hoog gespannen - maar voor de verwezenlijking ervan
zullen wij vechten met alle krachten waarover wij beschikken, met volledige
inzet van onze persoonlijkheid. Wij rekenen er daarbij op een gehoor te
vinden, niet van welwillende, maar passieve belangstelling, maar een dat met
ons mee-leeft, mee-denkt en dóór-denkt, een gehoor dat samen
met ons een hecht en stevig front vormt tegen de geestelijke
slapheid en gemakzucht, die hier in Holland nog steeds de toon aangeeft.
Slechts zo kan Columbus gemaakt worden tot wat wij ons bij deze nieuwe
jaargang voor ogen hebben gesteld.’141
Na deze redactionele inleiding, die als een klaroenstoot klonk, maakten ook
verscheidene andere bijdragen een strijdbare indruk. In ‘Een kwestie van
symmetrie’ van Paul Rodenko, waarin een dialoog werd weergegeven, viel een
van de gesprekspartners met een accent dat aan het proza van de Franse
romanschrijver Louis-Ferdinand Céline herinnert, allerlei vertrouwde waarden
aan. Zo merkte hij op: ‘Het komt eigenlijk allemaal op hetzelfde neer. Je
kunt schrijven of vloeken of aan politiek doen of preken of met een vrouw
naar bed gaan, het zijn alleen maar verschillende manieren om jezelf te
bedonderen. Je wringt je zus, je wringt je zo, maar je komt er toch niet
onderuit. Je kunt de grootste acrobaat zijn en je in de gekste bochten
wringen, maar je komt er toch niet onderuit. Onder het gevoel dat je onder
de luizen zit bedoel ik.’142 En in een bijdrage, getiteld ‘Dertig jaar verzet’,
schreef Hans van Straten over de geestelijke emancipatie van Europa uit een
verouderde orde: ‘Een aardig inzicht in de vordering van de hierbedoelde
emancipatie verkrijgt men door een vergelijking van de literatoren van nu
met die van voor 1914. Eens was het mogelijk dat een Paul Verlaine in Parijs
liep te huilen dat hij zich verveelde, dat een Rainer Maria Rilke in een
vervallen kasteeltje zijn kluizenaarsbestaan leefde, dat een Marcel Proust
een omvangrijke romancyclus schreef, in bed. Stel
hiertegenover de schrijvers van nu: de tankcommandant André Malraux, de
oorlogscorrespon- | | | |


Paul Rodenko als student in Parijs.
| | | | dent Ernest Hemingway, de résistant Louis Aragon!’143
Een opvallende bijdrage in het eerste nummer was een uitvoerige beschouwing
van Paul Rodenko, waarin onder de titel ‘Het einde van de psychologische
roman’ de ontwikkeling die dit romangenre in de afgelopen eeuw had
doorgemaakt, werd geanalyseerd. Volgens Rodenko
was met de ‘ontdekking van de absurditeit van het leven, d.i. de principiële
ondoordringbaarheid van het leven voor het oog van de psychologie, [...]
elke psychologische “transparant-making” als een fictie, een zelfbedrog
ontmaskerd en werd er aan de psychologische roman slechts één mogelijkheid
gelaten: door het aantonen van het fictieve karakter van zijn pretenties
zijn eigen doodvonnis te tekenen; hetgeen dan ook in het franse
existentialisme is geschied.’144
Was uit bepaalde formuleringen in de redactionele inleiding - zoals: ‘de
felheid, waarmee de auteur als totale persoonlijkheid
achter zijn werk staat’ - al een opvallende verwantschap met
Forum
gebleken, nog duidelijker werd het belang van het tijdschrift van
Menno ter Braak en E. du
Perron erkend in een kort artikel van Hans van Straten, dat
getiteld was ‘Forum voorbij?’ en in de polemische rubriek ‘Het ei’ opgenomen
werd. Van Straten merkte hierin op: ‘Wij, jongeren van 1946, die wat
critischer staan tegenover de door Hoornik gepropageerde “bewogenheid”,
kunnen slechts constateren dat Du Perron zich in zijn “Land van Herkomst” en
“De Smalle Mens” heel wat vollediger heeft gerealiseerd dan in welk van zijn
gedichten. “Forum voorbij” betekende in Hoornik's
mond “Nog niet aan Forum toe”. En al verschillen ònze opvattingen in duizend
opzichten van die van “Forum”, al zullen wij consequent ook het Forumse
individualisme, exclusivisme etc. van een vraagteken moeten voorzien, dan
staat voor ons toch als een paal boven water, dat de hele geestelijke
instelling van Forum precies 100 pct verkieslijker was dan die van het oude
Criterium, en dat wij althans in één opzicht naar
Forum terug kunnen verlangen, nl. waar het gaat om het plan der
discussie.’145
In ‘Het ei’ werd ook een kort gedicht van Van Straten gepubliceerd, getiteld
‘Herfsteinde’:
Dit herfstuiteinde drijft ons stiller samen
dan wij heel dit vreemd najaar zijn geweest.
Wij zijn verlaten en geen droom geneest
ons van wat ons de herfstregens ontnamen.
Wij zien het najaar als een vale schim
voorbij de grijsheid van de huizen dwalen;
| | | |
maar stil, niets kan er bij de weemoed halen
van 't nieuwe nummer van Ad Interim. 146
Verder werden in deze aflevering twee humoristische verzen van C.J. (‘Kees’) Stip gepubliceerd - van hem was
tijdens de Duitse bezetting het vers ‘Diewertje Diekema’ in Podium verschenen -, waaronder ‘(S)onnet’:
Een kip van onverdacht fatsoen
was door een haan van zwakke zeden
arglistig om de tuin geleden,
gelijk dat hanen hennen doen.
De kip heeft toen haar schuld beleden
en onder 't welverdiend sermoen
zich beide ogen natgeschreden.
Te laat bezield door de begeerte
haar toch niet meer te redden eer te
bewaren, koos zij zich tot taak
het zondig ei te onderdrukken.
Ze barstte met een knal aan stukken
en stierf voor een verloren zaak. 147
De reacties op dit nummer van
Columbus
waren over het algemeen positief, iets wat nog niet in de éénjarige
geschiedenis van dit tijdschrift was voorgekomen. Op 5 december schreef de
dichter en essayist Adriaan Morriën aan Jan Vermeulen: ‘Ik ontving vanmorgen Columbus onder zijn gewijzigde redactie en voor den eersten keer
heb ik het gespannen gelezen, althans voor de helft, want het is nog pas een
uur in huis. Het lijkt mij een uitstekend begin en als jullie er in slagen
den geheelen jaargang in groote trekken zoo levendig, strijdbaar en
principieel te houden, dan laat ik mijn geboortedatum op mijn persoonsbewijs
met tien jaar verschuiven. In de redactioneele verklaring herken ik de hand
van Rodenko, die mij in het najaar over zijn plannen met het tijdschrift
heeft gesproken. Het beginsel is uitmuntend, ondanks den manifest-toon hier
en daar. Het is hier na den oorlog op litterair en cultureel gebied te lang
een slappe, grijze janboel geweest. Maar voor een deel hebben jullie daar
zelf met je “romantische” poëzie aan meegewerkt.’148
Veertien dagen later, op 19 december, merkte Rodenko vanuit Parijs in | | | | een brief aan Van Straten op: ‘De
meeste mensen die het nieuwe “C.” zien, vinden de kleuren wat goedkoop; ik
voor mij mag dat echter wel. Trouwens, het geeft op die manier werkelijk de
indruk van een strijdschrift. Het papier is wat goedkoop en het omslag
scheurt te licht, maar verder ben ik er wel tevreden mee.’
Rodenko vervolgde: ‘Morriën schreef mij dat het nieuwe “C.” een goede indruk
had gemaakt, “beter dan de hele vorige jaargang bij elkaar”. Verder nog
critieken gehoord?’149 En op 26 januari 1947 schreef Rodenko - nadat hij had
vernomen dat de oudere dichter Jan Greshoff
enthousiast op Columbus gereageerd had - aan Vermeulen:
‘Het is [...] inderdaad schitterend, dat hij zo enthousiast voor Columbus is
en het enige wat we kunnen doen is ons zoveel mogelijk inspannen om dat
enthousiasme ook werkelijk te rechtvaardigen.’150
Ook in de kranten trok de gewijzigde koers die
Columbus
was gaan varen, de aandacht.
Vrij Nederland
schreef over het eerste nummer van de nieuwe jaargang: ‘In een
uitstekend geschreven inleiding betuigt de redactie, die over een gezonde
strijdbaarheid beschikt, de noodzaak en de mogelijkheid van een geestelijke
renaissance. Deze aflevering bevat een bijzonder goed essay van Paul Rodenko
over het eind van de psychologische roman.’151 En W.L.M.E.
van Leeuwen merkte in de
Vrije Twentsche Courant
op: ‘In het voorwoord tot de tweede jaargang laat de redactie een
krachtig protest hooren tegen het uiterst sceptische van deze tijd; tegen de
defaitistische geest van nu. Terecht zeggen zij, dat het huis waarin wij
willen leven... door onszelf zal moeten worden gebouwd.
Een strijdend humanisme dus, dat, ook in den dichter,
eischt een zich bewust zijn van de noodzakelijkheid van een synthese
tusschen maatschappij en cultuur, dus van ook sociaal de keuze te doen... De belofte is er. De essays in dit
eerste nummer zijn belangwekkend (van Van Straten zoowel als van Rodenko);
de polemiek niet kort genoeg; het oorspronkelijk proza en de enkele
gedichten echter beneden de maat.’152 Minder
positief was de
Nationale Rotterdamsche Courant
: ‘Waar het tijdschrift Columbus [...] heen wil,
wordt met de maand onduidelijker. De vernieuwde redactie poogt bij het
ingaan van den nieuwen jaargang haar beginselen te verduidelijken. Zij zal
bij de “beangstigende kleurloosheid” van de jonge Nederlandsche literatuur
“scherp en onvoorwaardelijk positie kiezen”. Wij betwijfelen intusschen of
“Een kwestie van symmetrie” van Paul Rodenko [...] hiertoe den weg heeft
geopend. Deze kleur is o.i. te kleurrijk; het kan ook zijn, dat wij nog te
jong en vooral te beangstigend zijn...’153
Ruim een jaar later, in februari 1948, zou S.
Vestdijk in een essay in
De Gids
nader ingaan op Rodenko's beschouwing over de psychologische ro- | | | | man. Vestdijk, die als schrijver van dergelijke romans Rodenko's
stuk met speciale aandacht gelezen zal hebben, schreef: ‘Onlangs kon men in
het voormalige jongerentijdschrift Columbus (Oct. '46) een
opvallend intelligente en, ondanks de beknoptheid historisch breed opgezette
beschouwing van actueel belang lezen, getiteld
Het Einde van de psychologische Roman
, van de hand van Paul Rodenko, die
blijkens mededeling op de omslag psychologie heeft gestudeerd en dus weten
kan waarover hij schrijft. Mede op grond van existentialistische uitspraken
voorspelt (subs. constateert) hij de ondergang van de bedoelde
romanvorm.’154
Na vervolgens tot de conclusie te zijn gekomen, dat de psychologie ook in de
toekomst nog een bijdrage aan de roman kan geven, merkte Vestdijk op: ‘[...]
de psychologie wordt alleen anders; zij evolueert; het zou
ook wel vrij bedroevend zijn, indien zij dit niet deed. Bij de moderne
auteur, die de mensch voornamelijk handelend weergeeft,
zoodat er eenvoudig geen tijd meer overblijft voor analyse
en rustig bespiegelde karakterbeelden, evenmin als in het werkelijke leven,
waar politici, beurslieden, bankiers en avonturiers op haastig samenvattende
schattingen van hun medemenschen zijn aangewezen, is deze verandering ook
reeds danig bespeurbaar; maar wie durft volhouden, dat Faulkner of Malraux
niet psychologiseeren? Zij beoefenen een versnelde psychologie, waarvoor de
technieken trouwens allang gereed lagen. Daarbij maakt het weinig verschil,
of de monologue intérieur dan wel een andere techniek wordt toegepast ter
rechtstreeksche suggestie van de dynamische werkelijkheid “mensch”. Malraux
b.v., in zijn schrijftrant ook in andere opzichten weinig modernistisch,
versmaadt in La Condition Humaine de monologue intérieur
vrijwel geheel, zonder dat dit veel invloed heeft op de gewijzigde
geestesgesteldheid, die hier aan bod is gekomen.’155 Vestdijks
essay, getiteld ‘De psychologie in de roman’, zou in 1956 worden opgenomen
in zijn bundel Zuiverende kroniek.
Was het eerste nummer van de tweede jaargang van Columbus
al enkele maanden te laat verschenen, de tweede aflevering liet door gebrek
aan voldoende kopij nog langer op zich wachten. De redactie besloot daarom
de afleveringen voor november en december 1946 samen te voegen tot een
dubbelnummer, dat pas eind februari/begin maart 1947 uitkwam.
De kern van dit dubbelnummer werd gevormd door een uitvoerig essay van Paul
Rodenko, waarin onder de titel ‘Henry Miller en het probleem van de
obsceniteit’ een diepgaande analyse werd gegeven van de romans van deze -
kort na de oorlog in brede kring omstreden - auteur. Na een beschrijving te
hebben gegeven van het (voor Miller zo typerende) ‘kruisigingscomplex’ - de
lezers, geschokt door de obscene taal en de aantasting van allerlei
vertrouwde zekerheden in het werk van de auteur, ‘kruisigen’ | | | |
hem -, concludeerde Rodenko: ‘Wanneer wij nu vragen, waarin het verschil
tussen een “pornograaf” en een “groot schrijver” bestaat, dan kunnen wij om
te beginnen zeggen dat de obsceniteit voor de pornograaf doel is, voor de “grote schrijver” daarentegen middel. Wanneer wij deze tegenstelling nader willen omschrijven,
moeten wij zeggen dat de pornograaf er op uit is zijn lezers te behagen,
terwijl de “grote schrijver” integendeel zijn lezers tot een haat-reactie
tracht te provoceren; het uiteindelijk criterium ligt tenslotte in het
“kruisigingscomplex”, dat bij de pornograaf geheel ontbreekt. Het lijdt na
het bovenstaande, hoop ik, geen twijfel dat wij Henry Miller niet onder de
pornografen, maar, zonder enige ristrictie [restrictie], onder de “grote
schrijvers” zullen moeten classificeren.’156
Naast proza van L.Th. Lehmann, journaalfragmenten
van Theo van Baaren en een kort verhaal van Olga Rodenko bevatte dit nummer ook een aantal
recensies, waaronder een bespreking door Hans van
Straten van twee oorlogsdagboeken:
Doortocht
(1946) van Bert Voeten en
Dagboek uit een kamp
(1946) van Loden Vogel (ps. van Louis
Tas). Van Straten merkte hierover op: ‘Het essentiële verschil tussen
deze beide auteurs is dat Voeten systematisch aan de realiteit van de oorlog
tracht te ontkomen, terwijl Vogel zich er integendeel niet aan onttrekt,
maar “boven de dingen tracht te staan”. Een ander verschil is de wijze
waarop beiden hun “onderwerp” behandelen; Vogel weet altijd nog wel een
zekere humor in de situatie te ontdekken, Voeten komt echter nooit verder
dan de constatering “och och wat verschrikkelijk”.’157
Over deze aflevering van
Columbus
schreef het katholieke weekblad
De Nieuwe Eeuw
: ‘Columbus dat door Stols in een sierlijk gewaad gestoken werd komt
met een dubbelnummer voor November en December. Hier eist Paul Rodenko de
meeste aandacht op voor een gedegen beschouwing over Henry Miller en het
probleem van de obsceniteit, dat [die] wij moeilijk kunnen onderschrijven,
ofschoon het toegejuicht kan worden dat men het probleem althans ziet.
Behoudens de boekbesprekingen weet Columbus verder weinig belangwekkends
voor te zetten.’158
| |
De zwanezang van Columbus
Was dit nummer al een dubbelnummer, ook de afleveringen voor januari en
februari 1947 zouden worden samengevoegd. Een veeg teken! Op het omslag van
dit tweede dubbelnummer, dat de zwanezang van Columbus zou
worden, deelde de redactie nog hoopvol mee: ‘Wegens vertraging in de
verschijning der afleveringen, verschijnt het Januari-Februari nummer in een
verminderde omvang van 48 pagina's. De omvang van de volgende | | | |
afleveringen zal derhalve dienovereenkomstig vergroot worden.’ Die volgende
afleveringen zijn niet meer verschenen.
Dit laatste nummer, dat omstreeks 1 april 1947 uitkwam, opende met een
gelukwens van de redactie aan uitgever Stols, die in die dagen het feit
herdacht dat hij vijfentwintig jaar eerder zijn uitgeversloopbaan was
begonnen. In deze gelukwens, die door Jan Vermeulen geschreven was en buiten
medeweten van de andere redacteuren in Columbus was
geplaatst, werd over Stols opgemerkt: ‘Aan de talrijke gelukwensen die hij
bij deze gelegenheid ontving, willen wij op deze plaats gaarne ook de onze
toevoegen en in dit verband tevens onze erkentelijkheid betuigen voor wat
hij voor “Columbus” heeft gedaan. Toen wij verleden jaar aan het einde van
de eerste jaargang “op straat stonden” en het voortbestaan, of liever een
wedergeboorte van ons tijdschrift onwaarschijnlijker leek dan ooit, was de
Heer Stols onze laatste toevlucht. Deze uitgever, die zich voor de oorlog
bijna aan de jonge Nederlandse poëzie geruïneerd heeft, verschafte ons
terstond een gastvrij onderdak. In aanmerking genomen, dat wij met een
vrijwel failliete boedel onze intrek bij hem namen, en dat een tijdschrift
als “Columbus” commercieel natuurlijk nooit het geringste succes zal
opleveren, kunnen wij niet anders dan de Heer Stols hartelijk danken voor
deze “goodwill” en hem verzekeren dat, indien wij er ooit in slagen één of
meer jaargangen vol te maken (wat natuurlijk niets te maken heeft met
arrivisme), wij dit voor een zeer belangrijk deel aan hem te danken zullen
hebben.’159
Een opvallende bijdrage aan het laatste nummer waren drie gedichten van Gerrit Achterberg, van wie - zoals we gezien hebben
- in 1944 de bundel
Morendo
door de Molenpers van Jan Vermeulen uitgegeven was. Een van deze
gedichten was getiteld ‘Het meisje en de trom’:
Zij had een trom gevonden om te slaan.
Toen werd zij van metaal en kreeg haar handen
opnieuw van God oorspronkelijk in handen
om op de trommel met stokken te slaan.
Om met de trom op het tooneel te staan
achterovergebogen aan de banden
die haar verbonden met de bonzen van de
gespannen wanden van dit gromorgaan.
Haar oogen zijn gesloten, want zij voelt
het rhythme door haar lichaam zegevieren,
een drift, die zich op de roffelen koelt.
| | | |
Offer en overmacht slaan om en om.
Meisje en instrument paren als dieren;
het levend meisje en de doode trom. 160
Dit sonnet zou later - met veranderingen - gepubliceerd worden in Achterbergs
bundel
Hoonte
(1949)161 en nog weer later -
met nieuwe wijzigingen! - in de verzamelbundel
Cryptogamen iii
(1954).162
Behalve ‘Vijf passages over altruïsme’ en een reeks aforismen van Max de Jong bevatte het laatste nummer ook een
serie aantekeningen van Jan Molitor (ps. van Aimé van Santen, 1917-'88), een
jonge essayist, die tijdens de bezetting samen met Paul
Rodenko Slavische talen en literatuur had gestudeerd en met deze
en diens zuster Olga bevriend was geraakt. Na de oorlog werd hij docent
Nederlandse taal- en letterkunde aan de universiteit van de Tsjechoslowaakse
stad Olomouc. Met Paul Rodenko onderhield hij in die tijd een drukke
correspondentie. Aan het slot van zijn bijdrage in Columbus, getiteld ‘Tussen Jan Molitor en
Ippolyt Wrochow’, noteerde hij: ‘Ik geloof in het uitdrijven van de duivel
met Beëlzebub. Je moet de indruk, die een vrouw op je maakt, bestrijden met
andere indrukken van andere vrouwen. Daarvoor is het echter nodig, een
hoeveelheid vrouwen “achter de hand” te hebben... Het meeste genoegen heeft
zo'n zielige vrouwenjager als ik bén - en ik zal nooit de in-en-in zielige
oorsprong, het vastgrijpen-aan-moeders-rokken, dat er achter zit, vergeten -
wanneer hij een vrouw kan “weigeren”, hautain aan haar voorbijgaan en haar
beledigen. Want dat is toch een bewijs van mannelijkheid, van emancipatie,
nietwaar? Als kleine jongen heb ik het begrip donjuan niet zozeer bewonderd
dan wel benijd - op het eerste gezicht imponeert de macht van zo'n individu.
Zulke donjuans als ik zijn er echter niet veel, d.w.z. die weten wat ze
willen. En ik wil geen coïtusrecord. De coïtus zie ik zelfs, of wil ik graag
zien, als toegeeflijkheid van mijn kant. Ik zou een donjuan willen zijn, die
bij wijze van spreken onaneert, terwijl een vrouw er verlangend bijstaat.
Wat heerlijk is het echter om het nog theoretisch te rechtvaardigen de
vrouwenhater uit te hangen in een gezelschap van begeerlijke vrouwen en in
de grond van de zaak te weten, dat je alleen een vrouwenvrezer bent...’
Molitor vervolgde: ‘Ik ben het prototype van den dilettant, die de vaklui op
hun eigen terrein te lijf gaat... het gaat bij mij om het legendariseren van mijn probleem uit wraak voor
de minachting en de ellende, die ik heb moeten slikken. Ik ben zo
verschrikkelijk bang voor vrouwen geweest en ze hebben me zo meedogenloos -
ik wil niet zeggen met opzet - beledigd dat ik watertand mijn gefabriceerde
rol te gaan spelen... zoiets als een schilder die niet schildert, maar
alleen modellen uitkleedt en dan weggaat... daar- | | | | van zou ik een
record willen vestigen, hierin zou ik tegen een gynaecoloog willen
concurreren. Maar ik lieg weer als een rund, ik kruip nog habitueel met
vrouwen in bed, omdat ik zo zielig ben en naar de warmte van het andere
lichaam verlang...
‘Zo profaan is de oorsprong der dingen... wat voor dingen? Wel, theorieën,
philosophie, litteratuur... zo zielig is het begin van legenden en tot nu
toe was het beter dat de legenden-lezers er niets van wisten. Je moet
eigenlijk gewoon met je Olympus als een fait-accompli voor de dag komen en
je niet met debatten inlaten: Ik vertel wat en dat is
voortaan jullie cultuur!
‘Ja, zo moest het eigenlijk...’163
Een curieuze bijdrage in dit nummer was het verslag van een bezoek bij de
Franse schrijver Paul Léautaud door de Belgische schilderes Rachel Baes, die
met uitgever Stols bevriend was. Over
Columbus
in die periode en over Rachel Baes’ bijdrage, getiteld ‘Paris 11
Octobre 1946’, schreef Hans van Straten in 1988
in het literaire tijdschrift
Maatstaf
: ‘Toen dit blad na de euforie van de eerste nummers opeens in
hevige kopijnood kwam te verkeren, toverde Stols uit zijn hoed een bijdrage
van zijn Brusselse vriendin: niets meer of minder dan een dagboekfragment (het dagboek als literatuurvorm was in die dagen
bij de happy few van Nederland veruit favoriet), nog wel in het Frans, waarin Rachel Baes verslag deed van een bezoek aan Paul
Léautaud, in zijn vervallen paviljoen aan de zuidkant van Parijs.’164
Veel aandacht werd in de laatste aflevering van Columbus
besteed aan het Franse existentialisme: van D.A. de Graaf werd een
beschouwing opgenomen over L'être et le néant (1943) van
Jean-Paul Sartre, terwijl Paul Rodenko een waarderend artikel publiceerde
over het boek Existentie-philosophie en
literatuurbeschouwing (1946) van S. Dresden. Rodenko had in die tijd in
Parijs de kans het optreden van de existentialisten van dichtbij mee te
maken. Op 10 november 1946 schreef hij hierover aan Jan Vermeulen: ‘Laatst
heeft Sartre een conférence gehouden in de Sorbonne over “La responsabilité
de l'Écrivain” (in het kader van de feestmaand van de unesco): het was een formele vechtpartij om er in te komen, er moest
zelfs door de politie worden opgetreden. Met veel moeite, een verloren knoop
en platgedrukte sigaretten ben ik er tenslotte in gekomen. Een paar dagen
later sprak Malraux (dat liep ook storm), die ook zo'n beetje de
existentialistische kant uitgaat; hij beschouwde de mens althans als
tragisch wezen, of de tragiek als het kenmerk van de (twintigste-eeuwse,
westeuropese) mens.’165
De recensies in de kranten over dit dubbelnummer van Columbus waren in het algemeen nogal negatief, waarbij vooral de
aantekeningen van Jan Molitor niet in goede aarde bleken te vallen.
De Nieuwe Eeuw
schreef: ‘Max de Jong levert zeer geleerde aphorismen en passages.
Zo doet ook Jan Moli- | | | | tor die er ook nog pervers bij is. Het
hernieuwde begin van Columbus is weinig gelukkig, al denkt
de redactie er zelf anders over.’166 En de criticus Max Nord in
Het Parool
: ‘Van “Columbus” kon men op grond van het eerste nummer na
herverschijning verwachtingen koesteren, die blijkens de nummers ⅔ en ⅘ niet
zijn waar gemaakt. Ook dit blad gaat nu werk van Achterberg, Lehmann en b.v. D.A. de Graaf opnemen; wat het daarnaast van
“eigen” medewerkers publiceert, blijft beneden het peil van het
aanvaardbare, en erger (Jan Molitor en Max de Jong!) Paul
Rodenko is de enige in dit gezelschap, die de moeite waard is.’167
Tenslotte schreef W.L.M.E van Leeuwen in
De Vrije Katheder
: ‘Hinderlijk vervelend zijn dan Jan Molitor's
aphorismen, hinderlijk vooral door die alom woekerende zelfoverschatting,
die zo velen brengt tot het laten drukken van invallen, die het in een
gesprek doèn, maar 't gedrukt stellig nièt doen. Over de sexuele grootspraak
aan het slot van dit “artikel” valt verder beter te zwijgen; toen ik van
deze onsmakelijke lectuur toevallig opkeek en door het coupéraampje de
bloesemende appelbomen in de landen zag staan, kon ik niet nalaten om deze
puber-erotiek te glimlachen en aan Toussaint van Boelaere's wijze korte
woorden te denken naar aanleiding van Miller's openhartigheden: “Niets voor
mij”. Vanwege de onzedelijkheid? Welneen, louter vanwege de
kinderachtigheid.’168
Na dit dubbelnummer zijn dus geen afleveringen van Columbus
meer verschenen. In het vierde hoofdstuk van dit boek zal blijken dat er nog
wel één nummer werd voorbereid, maar tot een uitgave daarvan is het niet
meer gekomen.
De belangrijkste oorzaak waardoor
Columbus
tenslotte de strijd om het bestaan heeft moeten opgeven, zal de
drastische daling van het aantal abonnees zijn geweest die opgetreden was
bij de overgang van de eerste naar de tweede jaargang: ondanks de inzet van
de redactie en het aanvankelijk enthousiasme bij sommige critici bleek in de
maanden daarna dat die daling niet meer ongedaan kon worden gemaakt. Tijdens
de eerste jaargang telde Columbus ongeveer zeshonderd
abonnees: een aantal dat uiteraard lang niet groot genoeg was voor een
sluitende exploitatie. Bij de overgang naar de tweede jaargang regende het
vervolgens bedankjes, waardoor het blad na oktober 1946 nog maar ongeveer
tweehonderd abonnees had. Deze situatie was des te ernstiger, omdat uitgever
Stols - buiten Columbus om - in deze periode vooral door
vorderingen van de fiscus in grote financiële moeilijkheden raakte.
Het ligt voor de hand dat de daling van het aantal abonnees voor de
redactiesecretaris van Columbus, Hans
van Straten, een belangrijk motief was om in januari 1947 contact
op te nemen met de redactie van
Podium
: hij | | | | wilde opnieuw proberen tot een fusie tussen
beide tijdschriften te komen. Kort hierna vonden fusiebesprekingen plaats,
waarbij ook het tijdschrift Proloog betrokken raakte. Deze
besprekingen zouden uiteindelijk tot een samengaan van Columbus en Podium leiden. In het vierde hoofdstuk
zal hierop verder worden ingegaan.
| |
Terugblik
Zo zijn we aan het slot van de geschiedenis van Columbus
gekomen: een historie die niet zonder slag of stoot verlopen is - evenmin
als de ontdekkingsreis van de naamgever van het blad - en waarin het
redactionele serviesgoed geregeld door de huiskamer vloog. Erg vriendelijk
ging het er inderdaad niet aan toe, ook niet in de brieven die de
redacteuren elkaar schreven en waarin dikwijls over reusachtige kleinigheden
eindeloos werd doorgezeurd, kleinigheden waarmee ik de lezer verder niet
lastig heb willen vallen.
Tegen deze achtergrond van permanente ruzies en ruzietjes is het toch nog
verwonderlijk dat Columbus meer dan een jaar lang is
blijven verschijnen, waarbij bovendien de omvang van de diverse nummers
vrijwel steeds gelijk gebleven is: tweeëndertig bladzijden. De eerste
jaargang telde in totaal driehonderdzestig pagina's, de tweede jaargang -
die liep overigens niet verder dan tot en met de vijfde aflevering -
honderdvierenveertig pagina's. Samen: ruim vijfhonderd bladzijden. Geen
gekke prestatie voor een kibbelend gezelschap, dat tot enkele maanden vóór
het einde eigenlijk voortdurend vond dat het blad het papier niet waard was
waarop het gedrukt werd.
Eén van de punten waarover geregeld gediscussieerd werd, was in hoeverre Columbus poëzie moest opnemen of vooral essays moest
publiceren. Zoals we gezien hebben, stelde Hans van Straten in juni 1946 een
accentverschuiving van poëzie naar essay voor, waardoor het blad
strijdbaarder zou kunnen worden. Het is daarom aardig te kijken of deze
accentverschuiving inderdaad heeft plaatsgevonden.
Het antwoord op deze vraag kan worden afgeleid uit enkele cijfers die
duidelijke taal spreken. Bij berekening blijkt dat de poëzie in de eerste
jaargang negenentachtig bladzijden besloeg - dus bijna vijfentwintig procent
van de totale omvang - en in de tweede jaargang slechts vijf bladzijden
(ruim drie procent): een wel zeer drastische teruggang! Ook het aandeel van
het verhalend proza werd kleiner: van honderdnegentien pagina's (ruim
drieëndertig procent) naar dertig (bijna eenentwintig procent). Het is dan
ook niet verwonderlijk dat het aandeel van het beschouwend proza in die
periode sterk toenam: in de eerste jaargang waren honderdachtenveertig
bladzijden (ruim eenenveertig procent) met essayistische bijdragen ge- | | | | vuld, in de tweede jaargang honderdzes bladzijden (bijna
vierenzeventig procent). Het aandeel van de illustraties - vier pagina's of
ruim één procent in de eerste jaargang, drie pagina's of ruim twee procent
in de tweede - bleef vrijwel gelijk.
Uit deze berekening kan dus de conclusie worden getrokken dat in de tweede
jaargang het aandeel van de poëzie - vergeleken met de eerste jaargang - tot
ongeveer één-achtste werd teruggebracht, terwijl toen bijna driekwart van
het tijdschrift met essays werd gevuld! De redactie kreeg daardoor volop de
kans Columbus tot een ‘strijd-tijdschrift’ om te smeden.
Wie waren nu de dichters die een sterk stempel op Columbus
hebben gedrukt? Van de eenenvijftig dichters die aan de eerste jaargang
meewerkten, waren er enkele die meer dan tien verzen in het blad
publiceerden: Guillaume van der Graft (14), Ad den Besten (12) en Hans
Warren (11). Aan de tweede jaargang werkten maar vier dichters
mee: Kees Stip, van wie twee humoristische
gedichten werden opgenomen, Hans van Straten, die
een satirisch versje publiceerde, en daarnaast Guillaume van der Graft en
Gerrit Achterberg. Omdat Van der Graft ook
aan de eerste jaargang had meegewerkt en Achterberg in die tijd al een
bekend dichter was, is duidelijk dat in de tweede jaargang in poëtisch
opzicht geen nieuwe wegen werden ingeslagen. Hoogstens was er sprake van een
grondige opruiming van de dichterlijke boedel, die zover ging dat in het
eerste dubbelnummer van de tweede jaargang zelfs helemaal geen gedicht werd
gepubliceerd! Bij deze opruiming lieten vooral Paul
Rodenko en Hans van Straten zich niet onbetuigd.
Verreweg de meeste gedichten die in Columbus opgenomen
werden, lagen in de lijn van de poëzie uit de jaren dertig en begin jaren
veertig: invloeden van met name Nijhoff, Bloem, Marsman en Slauerhoff kwamen daarbij op allerlei manieren te
voorschijn. Vooral het sonnet beleefde in Columbus een
waar hoogseizoen. Toch waren er ook enkele verzen, zoals ‘Bommen’ van Paul
Rodenko en ‘Katinka’ van Guillaume van der Graft, waarin iets ongewoons aan
de hand was: gedurfde vormgeving, vreemde beeldspraak en heel direct
taalgebruik. Hier leek een nieuwe poëzie in de verte te worden aangekondigd.
Daarnaast publiceerden elf schrijvers verhalend proza in de eerste jaargang
en vier in de tweede. Hiertoe behoorden Olga
Rodenko, die in enkele verhalen absurde kanten van het leven liet
zien, haar broer Paul, die in zijn novelle ‘Een Franse comedie’ een boeiend
spel met illusie en werkelijkheid speelde, en L.Th.
Lehmann, die in een reeks proza-notities uiterst persoonlijke
observaties weergaf.
Onder de essayisten die het meest op de voorgrond traden, waren in de eerste
jaargang Jan Praas, Paul Rodenko en Ad den Besten en daarna Hans
| | | | van Straten en opnieuw Paul Rodenko. Opvallend
veel essays in Columbus gingen over de richting waarin het
tijdschrift koers zou moeten zetten.
Vanaf de - door Ad den Besten geschreven - verantwoording in het allereerste
nummer werd daarbij afstand genomen van de poëzie van het ‘klein geluk’: een
theoretische plaatsbepaling overigens, die vaak niet overeenkwam met de
poëtische praktijk, waarin het ‘klein geluk’ nog een grote rol bleef spelen.
Hierna klonk, tegen het einde van de eerste jaargang, de roep om meer
engagement in de maatschappelijke en culturele strijd van die dagen steeds
luider - vooral in verscheidene essays van Praas -, waarna een sterk
vernieuwde redactie met ingang van de tweede jaargang besloot duidelijk
positie te kiezen en daarbij geïnspireerd werd door de internationale
avant-garde van die tijd. In feite kon deze redactie trouwens weinig meer
doen dan de ideeën die in deze avant-garde leefden, bekend maken en van
kritische kanttekeningen voorzien. De weerklank van deze ideeën was immers
in Nederland tot dusver gering gebleven, waardoor ook de poëzie en het
verhalend proza er nauwelijks door werden beïnvloed.
Een van de boeiendste beschouwingen in Columbus was die van
Paul Rodenko waarin hij voor het eerst zijn bekende ‘sleutelgat-theorie’
ontvouwde. De consequentie van zijn betoog over de eigen werkelijkheid van
het gedicht was dat in de poëzie andere wetten kunnen gelden dan de
functionele regels van de omgangstaal. Dat was natuurlijk wel eens vaker
verkondigd, maar toch was het pleidooi voor deze opvatting van belang in een
tijd waarin sommigen-geïnspireerd door de ideeën van Menno ter Braak - de
poëzie wel erg rationalistisch wilden benaderen. Mede door wat Rodenko
schreef werd de weg geopend voor allerlei poëtische experimenten buiten de
eisen van grammatica en syntaxis om.
Ad den Besten sloot bij deze opvatting van Rodenko
aan met een essay waarin hij over het gedicht opmerkte: ‘[...] het mag mij
beheersen en richting geven in plaats van het omgekeerde; want het vers -
geheel! - weet beter hoe en wie ik ben dan mijn “soeverein” denken.’169
In dezelfde richting gingen de opvattingen van L.J. Pieters, die in zijn
beschouwing ‘Primitief dichterschap’ op de overeenkomst tussen het magisch
denken en de werkwijze van de dichter wees. Guillaume van der Graft
besteedde verder in een persoonlijk betoog aandacht aan het autonome
karakter van de beeldspraak in de moderne poëzie, waarbij - zoals we gezien
hebben - ook de term ‘atonaal’ voor het eerst in literaire zin gebruikt
werd.
Terwijl in Columbus veel geschreven werd over de poëzie,
kwam in essays het proza veel minder ter sprake. De meest opvallende
bijdrage kwam ook nu van Paul Rodenko. In een tweetal beschouwingen in de
tweede jaargang | | | | kondigde hij achtereenvolgens het einde van de
psychologische roman aan en brak hij een lans voor het goed recht van de
romanschrijver Henry Miller om ‘obscene’ uitdrukkingen in zijn boeken te
gebruiken. Vooral met het oog op de vele discussies over morele kwesties die
in de jaren hierna naar aanleiding van sommige romans van Willem Frederik
Hermans, Louis Paul Boon en anderen zouden ontstaan, was dit een belangrijk
pleidooi voor meer vrijheid in de literatuur.
Op sociaal en politiek gebied werd in het bijzonder in de essays van Jan
Praas en Hans van Straten gepleit voor een sterker engagement met de
maatschappij dan tot dusver door de jongeren was getoond. Praas pleitte -
heel idealistisch, maar ook weinig concreet - voor een ‘synthese tussen
maatschappij en cultuur’. Van Straten werd vooral meegesleept door het
visioen van de avantgardistische kunstenaar, die op allerlei gebied aan de
emancipatiestrijd van zijn tijd deelneemt, ja, er zelfs een centrale rol in
speelt. Dat de redactie van Columbus niet bang was zich te
engageren, bleek ook uit enkele bijdragen, waarin sympathie werd getoond
voor het streven van Indonesische jongeren naar de onafhankelijkheid van hun
land.
Columbus heeft in de korte tijd van zijn bestaan natuurlijk een hele
ontwikkeling doorgemaakt. Wat begonnen was als het orgaan van een club
vrienden en vriendinnen die elkaar tijdens de Duitse bezetting hadden leren
kennen, werd een ‘strijd-tijdschrift’ waarin de redactie er niet tegenop zag
zich in zo kort mogelijke tijd zoveel mogelijk tegenstanders te verwerven.
Dat bracht met zich mee dat uit een vrij groot gezelschap een soort
Gideonsbende werd gevormd waartoe slechts weinigen toegang kregen.
De cijfers spreken ook hier duidelijke taal. Aan de eerste jaargang werkten
drieënzestig auteurs mee, die voor een groot gedeelte uit de Parade-kring afkomstig waren en voor een veel kleiner deel uit de
groep rond het Haagse blad
Maecenas
. Overigens vergoedde hier de kwaliteit het gebrek aan kwantiteit,
want tot deze Haagse groep behoorde Paul Rodenko, die duidelijk de meest
interessante bijdragen aan het tijdschrift geleverd heeft. De schrijvers
rond
Zaans Groen
die ook aan de wieg van Columbus hebben gestaan,
hebben nauwelijks in het blad gepubliceerd: slechts één gedicht van Klaas Woudt en twee verzen van Maarten Welsloot wisten in het tijdschrift door te dringen. Er
waren verder ook jongeren uit andere ondergrondse bladen die aan Columbus meewerkten, onder wie Theo
van Baaren (
De Schone Zakdoek
), Theo Joekes (
Lichting
), Jan Engels (
Overtocht
) en Willem Hijmans (
Podium
).
Met de komst van de tweede jaargang liep het aantal schrijvers in
Columbus
drastisch terug: slechts achttien auteurs hebben in de vijf
afleveringen van deze jaargang gepubliceerd. Tegelijkertijd werd het
redactionele aan- | | | | deel groter. Namen de verschillende
redacteuren in de eerste jaargang zesenzestig bladzijden (ruim achttien
procent van de totale omvang) voor hun rekening, in de tweede jaargang was
dit aantal gestegen tot drieënzeventig (bijna eenenvijftig procent)! Dat de
tweede jaargang van Columbus voor meer dan de helft met
bijdragen van de redacteuren gevuld werd, kan een gevolg genoemd worden van
de overgang van een meer anthologisch tijdschrift, waarin dus een
bloemlezing van teksten geboden werd, naar een ‘strijd-tijdschrift’.
Dat deze verandering niet zonder pijn gegaan is, blijkt uit de
correspondentie die uit deze jaren bewaard gebleven is. De hechte
vriendenclub uit de bezettingsjaren bleek na de bevrijding snel uiteen te
vallen: de nieuwe vrijheid bracht met zich mee dat iedereen in een andere
richting wegstoof. Was het tijdens de oorlog geen probleem geweest voldoende
medewerkers voor
Parade der Profeten
te vinden, na de bevrijding bleek het heel wat moeilijker elke
maand weer een aflevering van
Columbus
vol te krijgen. Organisatorisch was het allemaal veel ingewikkelder
geworden - ook doordat de redactie niet meer in één stad woonde -, terwijl
daarnaast nu ook de buitenwereld een hartig woordje meesprak. De felle
concurrentie tussen de vele tijdschriften bracht met zich mee dat de
onderlinge kritiek uiterst scherp was.
Terwijl Columbus tijdens de eerste jaargang veel leek op
andere, grotendeels anthologische tijdschriften zoals
Proloog
en
Ad Interim
- hoewel over beide bladen in Columbus diverse
kritische noten werden gekraakt -, ging de tendens steeds sterker in de
richting van een programmatisch blad als Podium. Jan Praas bleek al in december 1945 duidelijk op de
lijn van Podium te zitten. In augustus 1946 werd - na de
mislukte poging in de zomer van het jaar ervoor - opnieuw geprobeerd tot een
fusie met het tijdschrift van Fokke Sierksma te
komen, maar ook nu hield Sierksma de boot af. De overgang naar een meer
programmatische opzet in de tweede jaargang van Columbus
bracht daarna dit blad qua sfeer en mentaliteit zo dicht in de buurt van Podium, dat een spoedige omarming waarschijnlijk leek.
De mening van de redactie van Columbus over het andere
programmatische tijdschrift na de oorlog, Het Woord, was
ronduit ongunstig. Vooral de literaire schoonheidscultus, die volgens de
Columbianen door Koos Schuur werd gepropageerd, werd meermalen scherp
aangevallen. Ook diens negatieve beoordeling van de verzetspoëzie vond in
dit blad geen weerklank.
Zoveel jaar na het verschijnen van Columbus blijkt de
grootste verrassing van het blad te schuilen in de tweede jaargang. De
redacteuren die deze jaargang samenstelden, wisten spannende afleveringen te
vervaardigen: speels, opwindend, uitdagend. Vooral de strijdbaarheid van
Paul Rodenko en het | | | | enthousiasme van Hans van Straten zullen
daarbij doorslaggevend zijn geweest. In de persoonlijke ontwikkeling van
Rodenko zijn deze afleveringen daarom zo bijzonder, omdat hij wellicht nooit
zo'n vrije hand heeft gehad bij het samenstellen van een literair blad als
in dit geval. Deze nummers van Columbus laten vèrgaand
zien hoe hij zich een ideaal tijdschrift voorstelde. Voor Rodenko zelf was
deze episode bovendien van belang omdat hij, die nog nooit in de redactie
van een tijdschrift gezeten had, daardoor ontdekken kon wat de mogelijkheden
èn de grenzen zijn voor wie via een literair blad zijn ideeën wil
verspreiden.
Achteraf gezien kwam het einde van Columbus, mede gelet op
de strijdbaarheid in de tweede jaargang, toch nog onverwacht. In het laatste
nummer werd de uitgever, die het blad gered had, nog feestelijk
toegesproken! Een scherper oog had Gerrit
Achterberg, wiens gedicht ‘Ovoïde’ in deze aflevering werd opgenomen.
Het slot van dit gedicht, waarin - zoals Jan Praas eens opmerkte - in een
‘profetische regel’170 het einde van het blad werd aangekondigd,
luidde:
Columbus ligt te kraaien in zijn graf,
als kwam de ronde aarde op hem af. 171
Wie zei daar dat dichterlijke intuïtie niet bestaat?
|
2Reinold Kuipers,
maart 1992 (telefoongesprek).
7Archief-Willem Karel
van Loon.
9Doorslag van brief in archief-Nederlands Letterkundig Museum
en Documentatiecentrum in Den Haag (verder: Archief- nlmd).
10Klaas Woudt tijdens een door mij
afgenomen interview in februari 1979. In de hierna volgende noten
betreffende interviews worden alleen de naam van de geïnterviewde en de
maand waarin het gesprek plaatsvond, vermeld.
11Doorslag van brief in
archief- nlmd.
12Gerrit Meinsma, juni 1982.
13Hans van
Straten, ‘Het korte uur van de Parade’, in Parade der
Profeten (Reünienummer), pag. 14. (z.p.), 1979.
14Ad den Besten, maart 1979.
15Jan Vermeulen,
november 1984.
16Archief-Marten Brouwer.
17Archief-Albert Jan Govers.
20Doorslag van brief
in archief-C.A.G. Planije.
21Archief-C.A.G. Planije.
24Archief-C.A.G. Planije.
25Doorslag van brief in archief-C.A.G.
Planije.
26Archief-C.A.G. Planije.
29Archief-C.A.G. Planije.
30Doorslag van brief in archief-C.A.G. Planije.
31Jan
Wolkers e.a., Leven in letters. Over Jan Vermeulen,
pag. 8. Arnhem, 1992.
32Jan Vermeulen, De terugtocht, zonder
pagina-aanduiding. (Z.p.), 1944.
33Jan Vermeulen, ‘Een tuiltje Bloem’, in
Jan Wolkers e.a., Leven in letters. Over Jan
Vermeulen, pag. 116. Arnhem, 1992.
35Doorslag van brief in archief- nlmd.
37Archief-C.A.G.
Planije.
39Hans van Straten in een
bijlage bij brief volgende noten betreffende aan mij geschreven brieven
blijft de vermelding ‘aan mij’ achterwege. Hetzelfde geldt voor notities
die ik ontving naar aanleiding van mededelingen in dit boek.
40Archief-Albert Jan
Govers.
41Doorslag van brief in archief-C.A.G. Planije.
42Paul van 't Veer,
maart 1979.
43Archief-C.A.G. Planije.
44Hans van Straten, april 1983.
45Archief-C.A.G. Planije.
47C.A.G. Planije, februari 1982.
48Jan Praas, ‘Utrechtse bladspiegel’, in
Parade der Profeten (Reünienummer), pag. 6.
(z.p.), 1979.
52Archief-Hans van Straten.
53Archief-C.A.G. Planije.
54Archief-Hans van
Straten.
56Jan
Praas, ‘Utrechtse bladspiegel’, in Parade der Profeten
(Reünienummer), pag. 7. (z.p.), 1979.
57Archief-Ammy de Muynck.
59Hans Warren, Geheim dagboek (deel 2, 1945-'48), pag. 39. Amsterdam,
1982.
63Carla Scheidler, november 1979.
64Willem Frederik Hermans, mei
1987.
65Anoniem [Hans van Straten], ‘De maagdenmoord van de
Assumburg’, in Parade der Profeten (Reünienummer),
pag. 158-159. (z.p.), 1979.
66Hans Warren, Geheim dagboek (deel 2, 1945-'48), pag. 47. Amsterdam,
1982.
67Archief-Hans van Straten.
68Archief-C.A.G.
Planije.
69Archief-Hans van Straten.
71Columbus, jg. 1, pag. 1-3.
73L.J. Pieters, mei 1992.
74Columbus, jg. 1,
pag. 24.
76Archief-Ammy de Muynck.
78Archief-Albert Jan Govers.
79Doorslag van brief in archief-Erven Jan Vermeulen.
81Willem Karel van Loon, maart
1979.
84Columbus, jg. 1,
pag. 31.
85Id., jg. 1,
pag. 59-60.
86Paul Rodenko, Tussen de regels, pag. 11.
Den Haag, 1956.
87Maecenas, nr. 6, pag. 14.
88Paul Rodenko, Tussen
de regels, pag. 14-15. Den Haag, 1956.
90Geciteerd in:
Sjoerd van Faassen e.a., De Nieuwe Stijl 1959-1966,
pag. 18. Den Haag, 1989.
91Columbus, jg. 1, pag. 63.
92Paul Rodenko, Gedichten, pag. 14. Amsterdam, 1951.
97Columbus, jg. 1, pag. 100.
98Archief-Hans van Straten.
99Columbus, jg. 1, pag. 120.
100Paul Rodenko, Nieuwe griffels schone leien, pag. 13. Den
Haag/Antwerpen, 1954.
101Columbus, jg. 1, pag. 126.
102Archief-Ammy de Muynck.
103Columbus,
jg. 1, pag. 153.
104In W. Walraven, Brieven. Aan familie en vrienden 1919-1941. Amsterdam,
1966.
105Archief-Ad den Besten.
107Archief-Ammy de Muynck.
108Columbus, jg. 1, pag. 200.
109Archief-Ammy de Muynck.
110Columbus, jg. 1, pag. 233-234.
111In zijn bijdrage viel Hijmans Praas aan, die in het
aprilnummer van Columbus beweerd had dat Podium niet ‘een gezicht’, maar slechts ‘één gezicht’ - en wel
dat van Fokke Sierksma - zou hebben (pag. 199).
112Archief-Hans van
Straten.
116Archief-Ad den Besten.
117American Forces Network.
118Hans van Straten, ‘Addenda
& corrigenda’ bij René Bastiaanse, De
Columbus-groep (1943-1947). De klandestiene en na-oorlogse
geschiedenis van de jongeren verzameld rond de literaire
tijdschriften (Doctoraalscriptie). (z.p.) [Nijmegen], z.j.
[1982].
119Archief-Ad den Besten.
120Archief-Hans van
Straten.
121Hans van Straten in een brief d.d. 8 april 1983.
122Archief-Hans van Straten.
125Fotokopie in archief-Adriaan
Morriën.
126Columbus, jg. 1,
pag. 296.
127Id., jg. 1, pag. 271-272.
128Hans van Straten, De omgevallen
boekenkast, pag. 161. Amsterdam, 1987.
129Hans van Straten, Tot nader
order, zonder pagina-aanduiding. (z.p.), 1944.
130Archief-Hans van Straten.
131Columbus, jg. 1, pag. 300-301 (bij
vergissing weergegeven als: 268-269).
132Id., jg.
1, pag. 316 (weergegeven als: 284).
133Id., jg. 1, pag. 325
(weergegeven als: 293).
135Id., jg. 1, pag. 328 (weergegeven als:
296).
136Criterium, jg. 4,
pag. 715.
137Columbus, jg. 1, pag. 333.
139Hans van Straten, ‘Leven in letters’,
in Jan Wolkers e.a., Leven in letters. Over Jan
Vermeulen, pag. 50. Arnhem, 1992.
141Columbus, jg. 2, pag. 1-3.
148Archief-Erven Jan Vermeulen.
151Vrij Nederland, 21 december 1946.
152Vrije Twentsche Courant, 21 december 1946.
153Nationale Rotterdamsche Courant, 23 december
1946.
154De Gids, jg. 111,
pag. 95.
155Id., jg. 111, pag. 104-105.
156Columbus, jg. 2, pag. 74.
158De Nieuwe Eeuw,
29 maart 1947.
159Columbus, jg. 2,
pag. 97.
161Gerrit Achterberg, Hoonte, pag. 25. Amsterdam, 1949.
162Gerrit Achterberg, Cryptogamen iii, pag. 187. Amsterdam,
1954.
163Columbus, jg. 2, pag. 125.
164Maatstaf, jg. 36, nr. 6, pag.
2-3.
166De
Nieuwe Eeuw, 12 april 1947.
167Het Parool, 8 mei 1947.
168De Vrije
Katheder, 6 juni 1947.
169Columbus, jg. 1, pag. 272.
170Jan Praas, ‘Utrechtse
bladspiegel’, in Parade der Profeten (Reünienummer),
pag. 8. (z.p.), 1979.
171Columbus, jg. 2, pag. 109.
|
|