Biographisch woordenboek der Nederlanden. Deel 21


auteur: A.J. van der Aa


bron: A.J. van der Aa, Biographisch woordenboek der Nederlanden. Deel 21. J.J. van Brederode, Haarlem 1878


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 

[Nicolaas Ypey]

YPEY (Nicolaas) in 1714 te Bergum geboren, werd in 1732 student aan de Franeker hoogeschool, waar hij de wiskunde en wijsbegeerte beoefende. Vervolgens studeerde hij nog 2 jaren te Leiden en eenigen tijd te Parijs, waar hij met onderscheidene geleerden in betrekking kwam, o.a. met Bolidor, die hem inlichte omtrent de vestingbouwkunde. In 1741 was hij steeds in 't gevolg van den Prins van Oranje W.K.H. Friso om dien te onderrichten in de werkzaamheden der genie, volgens de beginselen van den beroemden Coehoorn. In 1743 werd hij lector in de wiskunde te Franeker, in 1744 buitengewoon en 1747 gewoon hoogleeraar, en 1744 ook met den titel van hoogleeraar in de vestingbouwkunde begiftigd. Hij sprak bij gelegenheid dat hij zijn gewoon hoogleeraarambt aanvaardde de muni-

[p. 12]

mentis. De Staten van zijn gewest, bedienden zich van zijne kunde bij de raming der belastingen, waarop ook zijn oratie doelde, in 1764 als aftredend rector gehouden de ordinariorum tributorum natura optimoque ea exigendi modo. Hij ontwikkelde zijne gedachten omtrent de begrooting der bondgenootschappelijke behoefte van 't gemeenebest in eene Verhand. over de quota's der 7 Vereen. Prov. en om die van ieder provincie wiskunstig te berekenen (Harl. 1781-1784 en 2 tafels), terwijl men ook zijn raad innam wat den waterstaat en het dijkwezen betrof. Toen in 1774 veler gemoederen zich met bijgeloovigen angst vervulden over de rampen, die op den zeldzamen zamenstand der planeten tegen den 8sten Mei zouden volgen, vervaardigde Ypey, op verzoek der Staten, eene teekening met een geruststellend berigt, 't welk bij publicatie ter bedaring der gemoederen werd afgekondigd. Hij overleed den 14 Junij 1785.

Zijne schrifte zijn:

Oratio de ordinariorum Tributorum natura optimoque, ea exegendi modo, habita quae Magistratu Academieo abiret. Fran. 1765, 4o. opgedragen aan Willem V.

Commentarius de rebus gestis M. Coehorni, ook in 't Ned. vert. m. aanteek. Fran. 1772.

Oratio de munimentorum utilitate ac praecepuis rationibus, quare pleraque opera obsessa brevi expugnantur, necnon de locis, in quibus condenda sunt, in magnifica defensione diu propugnari possint 1784.

Grondbeginselen der kegelsneden. Amst. 1769.

Verhandeling over de zeedijken. m. pl.

Verhandelingen, den vestingbouw betreffende. Nieuwe uitg. m. pl. Amsterd. 1793.

Over de beginselen op welke het problema is gegrond, om gegeven veelhoek een met het meeste voordeel te versterken, 1775. Verh. d. Holl. Maatsch. D. III.

Over de profilen der vestingen. Ald. 1758.

Oplossing van 3 vraagstukken in de vestingbouwkunde. Ald. 1760. D.V.

Over eenige sterrekundige stoffen. 1765.

Over de voor- en nadeelen die men door een werk op verschillende wijzen te maken verkrijgt. Ald. 1770.

Over de gewelven.

 

Zie Nieuwenhuis, Verwoert, Kobus en de Rivecoert; Poggendorff, Handwörterbuch. Th. II, S. 1386.