Biographisch woordenboek der Nederlanden. Deel 16


auteur: A.J. van der Aa


bron: A.J. van der Aa, Biographisch woordenboek der Nederlanden. Deel 16. J.J. van Brederode, Haarlem 1874


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 

[Mr. Otto van Rees]

REES (Mr. Otto van) werd den 25sten December 1825 te Utrecht geboren, en studeerde aan hare hoogeschool in de regten. Als student was hij lid van een studentengezelschap Sappho, dat naar hooger streefde dan naar onderlinge oefening en gezellig genot, en zich ten doel stelde het groenwezen, als nadeelig en den echten student onwaardig, af te schaffen. Om dit voor te bereiden gaf het een vlugschrift in het licht, door van Rees gesteld. Dit is het eerste van het verbazende aantal boekwerken en kleindere opstellen, die aan zijne pen zijn ontvloeid. Naauwelijks was hij van de akademie tot de groote maatschappij bevorderd, of de geest werd in hem wakker, om in gezelschap van eenige jonge geleerden eene maatschappelijke behoefte te vervullen. In het najaar van 1852 verscheen het prospectus van een nieuw tijdschrift: Pandora, Tijdschrift voor verspreiding van nuttige kennis, gewijd aan letterkunde, geschiedenis, schoone kunsten, land- en volkenkennis, staatswetenschappen, levensbeschrijving en alle natuurkundige wetenschappen in hare betrekking tot het dagelijksche leven. Zijn vertrek naar Utrecht in 1858 was waarschijnlijk een der redenen dat dit tijdschrift ophield. In het voorjaar van 1858 tot hoogleeraar te Groningen benoemd, zag hij zich verpligt een andere, door hem aangevangen, taak te laten varen, het vervolgen namelijk der Geschiedenis des Vaderlands, door dr. J.P. Arend aangevangen. Dit beroep deed meer en beter dan dit. Het gaf van nu aan dat bepaalde karakter aan zijn werken en streven, waardoor hij zich zijne eigene, eervolle plaats onder de beoefenaren der wetenschap heeft verworven.

Toen Ackersdijck in 1860, wegens 70jarigen leeftijd, het emeritaat had verkregen, werd van Rees de waardigste geoordeeld om te Utrecht zijne plaats te vervullen. Hij bekleedde die tot den 16den Mei 1868, toen hij overleed. Hij was lid der Kon. Maats. van Wetens. te Amsterdam, lid van het Prov. Utr. Genoots. en der Maats. van Ned. Letterk.

Hij schreef:

Bedenkingen tegen het Groenwezen aan de Utrechtsche Hoogeschool, uitgegeven van wege het Gezelschap Sappho, Utr. 1848.

Verhandeling over de Aanwijzing der politike gronden en maximen van Holland en Westfriesland door Pieter de Court. Akademisch Proefschrift, Utrecht, 1858.

[p. 157]

De Vlaamsche beweging, Utrecht, 1853.

Schets van de Geschiedenis der armoede in Nederland in Pantheon, D. I.

Iets over de doodstraf in Pantheon, D. I.

Herinneringen aan Italië in Pantheon, D II.

Prijsverhandeling over de verdiensten van G.K. van Hogendorp als Staathuishoudkundige ten aanzien van Nederland, Utrecht, 1854.

Verslag van eene niet voor den handel bestemde memorie van G.K. van Hogendorp in Konst- en Letterbode.

Een College van Statistiek van den Hoogleeraar A. Kluit te Leiden, in Sloet's Tijdschrift voor staathuishoudkunde en statistiek.

Arbeidsloonen in Pantheon, D. II.

Waarborgmaatschappijen tegen Armoede in Pantheon, D. I.

Over de Grondslagen van het Strafregt in Pantheon, D. I.

Over de verschillende levensbestemming van den man en de vrouw in Pantheon, D. II.

De staathuishoudkundige inzigten van G.K. van Hogendorp in Pantheon, D. I.

De Nederlandsche Wetgeving uit oogpunt der Nijverheid beschouwd. Drie artikelen in Pantheon, D. I.

Over de Geschiedenis der Staathuishoudkunde tot op de kruistogten in Pantheon, D. II.

Onze handelswetgeving in Volksvlijt.

Voorlezingen over de Geschiedenis der Nederlandsche Volkplantingen in Noord-Amerika, beschouwd uit het oogpunt der koloniale politiek, Tiel, 1855.

Overzigt van den handel van Nederland van 1846-1853 in Phantheon, D. I.

Iets over den Slavenstand in de Oude Wereld in Pantheon, D. I.

De Engelsche Omwentelingen in Pantheon, D. II.

De Engelsche Staatsregeling sedert Willem III in Pantheon, D. I.

Het Leenstelsel in Pantheon, D. I.

De regering en de nijverheid in Nederland van 1850-1854 in Staatkundtg en Staathuishoudkundig Jaarboekje.

De Landverhuizing in de XIX Eeuw in Pantheon, D. I.

De Nederlandsche handel en nijverheid in betrekking tot Oost-Indië in Pantheon, D. II.

Een blik op het verledene in Pantheon. D. II.

Algemeene Geschiedenis des Vaderlands (voortzetting van het werk van Dr. J.P. Arend) 3de Deel, 1ste Stuk, bl. 135-495, Amst. 1857.

Hetzelfde werk, 3de Deel, 2de Stuk, bl. 1-344.

Redevoering over de Staathuishoudkundige Geschiedenis van Nederland, uitgesproken bij de aanvaarding van het Hoogleeraarambt te Groningen, Zutphen, 1858.

[p. 158]

Algemeene Geschiedenis in de Volksbibliotheek van Weytingh en van der Haart, 1859.

De regering en de nijverheid in Nederland van 1855-1859 in Staatk. en Staathuishoudk. Jaarboekje, 1860.

Levensberigt van V.G. Schilthuis in Handel. der Maats. van Ned. Letterk. te Leiden, 1860.

Gedachten over Armverzorging in Tijdschrift voor het Armwezen, 1860.

Redevoering over de Wetenschap der Statistiek, uitgesproken bij de aanvaarding van het Hoogleerambt te Utrecht, Utrecht, 1861.

De Magna Charta. Petition of rights en Bil of rights, Utrecht, 1861.

Overzigt der Staathuishoudkunde, Utrecht, 1861.

Bijdrage tot de Kerkgeschiedenis van Noord-Amerika in Kerk. Arch. 1861.

De wetenschappelijke Werkzaamheden van Mr. J. Ackersdijk in Utr. Studenten-Almanak, 1862.

Redevoering over de Romeinsche collegia opificum in Werken van het Prov. Utr. Genoots. van K. en W. 1862,

De Suikerwetgeving in Bijdragen voor de kennis van het Staatsbestuur enz., 1863.

Het rijk buiten Europa (statistisch overzigt van de koloniën) in Staatk. en Staathuishoudk. Jaarboekje, 1863.

De arbeidersvereenigingen in Volksvlijt, 1863.

De regeling van het Bankwezen in Nederland in Volksvl. 1863.

Antwoord aan Mr. S. Vissering (over de bankkwestie) in Economist, 1863.

Over de Gilden in Sectie-Vergadering van het Prov. Utr. Genoots. van K. en W. 1864.

Ziekebussen in Volksvlijt, 1864.

De arbeidende Standen in Volks-Almanak, 1864.

Geschiedenis der Staathuishoudkunde in Ned. D. I. Utr. 1865.

De Engelsche Werkhuizen in Tijds. voor het Armw., 1865.

De regering en de nijverheid in Nederland van 1860-1864 in Staatk. en Staathuishoudk. Jaarboekje, 1865.

Het Cultuurstelsel en het batig slot in Vad. Letteroef. 1865.

De beoefening der Statistiek in Engeland in de XIX eeuw in Staatk. en Staathuishoudk. Jaarboekje, 1866.

Werktuigen in Volks-Almanak, 1867.

Bijdrage over de denkbeelden betrekkelijk Kolonisatie in de Nederlandsche Geschriften der XVIIe eeuw in Verslagen en Mededselingen der Koninklijke Akademie van Wetenschappen, Afdeeling Letterkunde, 1867.

Willem Usselinx in Vad. Letteroef. 1867.

Beschouwingen over het Wetsontwerp tot wijziging van den Bieraccijns in Volksvlijt, 1867.

Geschiedenis der Staathuishoudkunde in Nederland, D. II. Utrecht, 1868.

[p. 159]

Twee voorbeelden: de Winkelvereeniging te Oldham en de Volkskeukens te Berlijn in den Economist, 1868.

Onbillijkheid van art. 17 der Pensioenwet voor Burgerlijke Ambtenaren in Bijdragen voor de kennis van het Staatsbestuur enz. (waarvan van Rees in 1867 mede-redacteur geworden was.

Zamenspanning van Werklieden tot loonverhooging, in Volks-Almanak voor 1869.

Voorts boekaankondigingen en beoordeelingen in de Gids, de Nieuwe Bijdragen tot de kennis van het Staatsbestuur, de Vaderlandsche Letteroefeningen enz.

 

Zie Levensber. van Mr. O. van Rees, door S. Vissering, Utrecht, 1868 (waaruit deze schets is getrokken); Dr. J.J. van Oosterzee, Orat. de Relig. Christ. optima vitae humanitatis magistra, Ultr. 1869; Fruin, Tien jaren uit den Tachtigjarigen Oorlog, bl. 1 (noot).