|
|
|
| |
| | | |
De voornaamwoordelijke aanduiding en vervanging.
Dr. Gerlach Royen: Pronominale problemen in het Nederlands.1)
Wanneer later de balans opgemaakt wordt van de hedendaagse spellinghervorming, dan zal op de credit-zijde ook wetenschappelijke winst te boeken zijn: de geschiedenis van de ‘geslachten’ in het Nederlands,2) de verhelderende onderscheiding van sexe en genus3) en de verdiepte studie van de voornaamwoordelijke aanduiding4), waartoe Dr. Gerlach Royen onlangs een waardevolle bijdrage leverde.
Bij een vroeger geslacht van taalkundigen heerste veelal de simplistische voorstelling dat de aanduiding met hij, zij en het ‘eigenlijk’ zou moeten beantwoorden aan de drie ‘geslachten’ van de officiële Woordenlijst. Dat een meisje en een wijf ook met zij, een mannetje met hij aangeduid wordt, was een ‘uitzondering’. In de schrijfpraktijk trachtte men die regel te volgen, niet beseffende dat men daardoor tot taalfouten verviel. Wie van een vergadering zou zeggen: ‘Háár heb ik niet bijgewoond’, of van een kerk: ‘Aan háár wordt gebouwd’ maakt zich belachelijk. Het beklemtoonde haar voelt ieder Nederlander als te ‘persoonlijk’. Wie, onafhankelijk van schrijftaaltraditie, van herinnering aan buitenlands taalgebruik, het vraagstuk van de aanduiding op grond van het levende taalgevoel bestudeert, komt voor interessante vraagstukken te staan. De jongste publicatie van Gerlach Royen toont dat opnieuw duidelijk aan.
| | | | Door scherpzinnige ontleding, en vooral door een rijke verzameling van kritisch-geschift materiaal, is zijn studie uiterst leerzaam voor ieder die in taalkunde belangstelt. Terecht begint hij met een uitvoerige beschouwing over Proklisis en Enklisis: immers door de verzwakte pronominale vormen, die ‘perspektief’ brengen in de taal, buiten beschouwing te laten, komt men nooit tot helderheid. Dat heeft reeds Simons zonneklaar aangetoond. Zulke vormen als ‘onbeschaafd’ te veroordelen, omdat ze vaak niet geschreven worden, is een dwaling waaraan geen werkelijk taal-kundige zich zou mogen bezondigen.1)
Een verdienste van Royen's uiteenzetting is vooral, dat hij een scherpe scheiding maakt tussen de aanduiding van de persoon of het ding, en de vervanging van het woord. In het eerste geval speelt de sekse, en dus ook de onderscheiding ‘personen - niet personen’, een rol; in het tweede geval beslist het genus. Dat Royen dit beter onderscheidt dan Simons, is te danken aan zijn Limburgse afkomst, waardoor het verschil van Noordelijk en Zuidelijk taalgebruik hem meer bewust is. In de Zuidelijke dialekten, en dus ook in het daardoor beinvloede Beschaafd, wordt het vervangende pronomen gebruikt op een wijze die de Noordelijke sprekers en schrijvers ongewoon aandoet: in het Noorden zal men b.v. van een meisje niet licht zeggen: ‘Daar komt het aan’.2) In verband daarmee wijst de schr. ook op de mogelijkheid van ‘latente kongruentie’, wanneer b.v. het zonnetje, door de bijgedachte aan zon door ze aangeduid wordt.
| | | |
Een rijke oogst van voorbeelden leverde de haar-kultuur, waarop de schrijver vroeger reeds gewezen heeft, als een hedendaags ‘schrijftaal’-symptoom. Evenzo het ‘Hollands hij-hem gebruik bij vrouwelijke dingnamen’, dat bij voorstanders van de oude taalregels veelvuldig voorkomt, omdat de natuur vaak sterker is dan de leer. Opmerkelijk is het gebruik van mannelijke voornaamwoorden voor vrouwelijke personen, dat in dialekten verder doorgedrongen is dan men zou menen, maar dat in beschaafd spreek- en schrijfgebruik niet doordrong. Anders staat het met onzijdige voornaamwoorden bij niet-onzijdige naamwoorden, waarop Simons reeds gewezen heeft: een verschijnsel waar onze taalontwikkeling - zij het nog op verre afstand - in de richting van het Engels gaat.
Ten slotte vestigen wij nadrukkelijk de aandacht op deze passage uit het hoofdstuk Koinè en Dialekt (blz. 90): ‘Willen Zuidnederlanders, met name op pronominaal gebied, anders dan bepaalde Noordnederlanders, dan kan zulke op taalwerkelikheid berustende differentiatie bezwaarlik worden afgekeurd. Wie zulke dubbelheid in het spraakgebruik meent te moeten typeren met termen als chaos, anarchie, bolsjewisme, vereenzelvigt eenheid met eenvormigheid.’ Wij zouden daaraan kunnen toevoegen dat de zoveel opvallender, taalverrijkende verscheidenheid van woordgebruik tussen Noord- en Zuid-Nederlandse schrijvers slechts door enkele ouderwetse taal- en letterkundigen als schadelijk voor de taaleenheid is beschouwd.
Aan het einde van zijn brochure zegt Gerlach Royen dat hij geen volledige behandeling van de pronominale problemen in het Nederlands bedoeld heeft: verschillende kwesties en kwestietjes heeft hij opzettelijk onbesproken gelaten. Het is jammer dat daartoe ook behoren de aanduiding met die, dat, deze, dit, en de zogenaamde voornaamwoordelijke bijwoorden (daarvan, hiervan, ervan), omdat dit in zo nauw verband staat met aktuele moeilijkheden. In het bovengenoemde geval: vooropgeplaatste nadrukkelijke aanduiding, zijn dit de enig mogelijke vormen b.v., van een vergadering sprekend: ‘Die heb ik niet bijgewoond’, of, van een kerk: ‘Daar wordt aan gebouwd’. Enklitisch gebruikt, valt die vaak samen met ie, als enklitische vorm van hij (b.v. heeft-ie = heeft die).1)
| | | |
Het zou van belang zijn, het pronominale gebruik ook historisch te bestuderen. Dan zou blijken dat in het Noorden er al vroeg een neiging bestond om hij, waarschijnlijk omdat het te veel aan sekse deed denken, door die te vervangen. In de Twespraak maakt Spieghel aanmerking op de taal van oude bijbels. Hij las daar: ‘Menighen behaaght eenen wegh wel, maar eyndelyck brengt hy hem tótten dóód’; daarover zegt hij: Ick wane voor hy die behóórt te komen.1) Ook Vondel gebruikt soms die om dingen aan te duiden, b.v. ‘De vlegel breeckt niet eer voor dat die is versleeten’ (Maeghden, vs. 1676). Vergelijk, reeds vroeger, Hooft's Granida, vs. 348, waar die terugslaat op heusheyt.
Interessant zou het ook zijn, in de oudere schrijftaal de opkomst en de ondergang van het onmisbaar gewaande dezelve, deszelfs, derzelver na te gaan. Huydecoper heeft er voor gepleit; Weiland acht het nodig om ‘misvatting’ te voorkomen (Nederduitsche Spraakkunst, blz. 238, 242); Bilderdijk heeft het fel bestreden als een ‘dom en willekeurig indringsel’.2)
Als nu iemand de laatste bladzijde van Gerlach Royen's brochure opslaat, om te zien volgens welke regels hij nu voortaan de voornaamwoordelijke aanduiding moet toepassen en onderwijzen, dan bemerkt hij dat hij het onmogelijke verlangt. ‘Evenmin als er vaste regels te geven zijn voor het wisselend gebruik van onzijdige voornaamwoorden naast niet-onzijdige naamwoorden evenmin - zo meenden wij - behoeft er naar een eenvormige (overigens nooit afdoende of redelijke) regeling te worden gestreefd bij de pronominale aanduiding en vervanging, wanneer het mannelike en vrouwelike voornaamwoorden betreft. Een “denkbeeldig” kompromis dat voor een groot deel tegen ieders taalgevoel indruist, is a priori reeds veroordeeld.’
In hoofdzaak komt dit overeen met de ‘praktische conclusie’ van Simons:3) ‘Men trachte de voornaamwoorden spontaan te schrijven, de oudere met nawerking van de regels die hij altijd toepaste, de jongere (vooral het kind) met de argeloosheid die tot de natuur van de voornaamwoorden behoort.’
Wie met ontsteltenis, en ongevoelig voor de aangevoerde argumenten, deze raad slechts beschouwt als een bekentenis van onmacht, als een onpaedagogisch ‘laissez-aller’, zouden wij
| | | | kunnen verwijzen naar tal van geschriften van de laatste dertig jaren, zowel van ‘vereenvoudigers’ als van niet-vereenvoudigers, waarin praktisch de oude leer reeds losgelaten is, en feitelijk de hierboven gegeven raad, zonder de gevreesde noodlottige anarchie, gevolgd werd.
C.G.N. de Vooys.
|
1)Tilburg - R.K. Jongensweeshuis - 1935, Prijs f 1,25.
2)Voornamelijk in Kollewijn's bekende studie over dit onderwerp, herdrukt in zijn Opstellen en later in de bundel Nederlandse spelling, geslacht en verbuiging, Groningen (1932).
3)Zie G. Royen's artikels in dit tijdschrift, waarvan de hoofdinhoud samengevat is in de leerzame brochure Het seksuele-n-komplex (Purmerend - J. Muusses - 1934. Prijs f 0,30).
4)Op verdienstelijke wijze taalpsychologisch aangevat door onze medewerker Ph.J. Simons. Als inleiding tot zijn rijk-gedocumenteerde artikels leze men de uitvoerige samenvatting in de bovengenoemde bundel Nederlandse spelling, geslacht en verbuiging, blz. 214-292.
1)Dichters, die de enklitische vormen ook schrijven waar ze gehoord worden, zijn in dit opzicht taal-kundiger dan de taalkundige Van Ginneken. Dat ook een geschreven zij in poëzie soms als z( e) geinterpreteerd moet worden, bleek mij onlangs bij de lektuur van Granida, in vs. 176: ‘Noch ongenoten van den Minnaer dien zy' ontfonckt’, waar Hooft door de komma de binding aangeeft met de volgende klinker. Merkwaardig is ook, dat geen spraakkunst de door ieder te constateren regel geeft, dat men personen met zij of ze, maar zaken uitsluitend met ze aanduidt. Ook waar zij geschreven is, moet men die schrijfvorm dus in de laatste gevallen als ze interpreteren en lezen.
2)Dat de onderscheiding van de drie genera, in het Zuiden nog levend, nooit een grondslag kan opleveren voor de casus-n, heeft G. Royen elders herhaaldelijk - maar voor sommige bestrijders vergeefs! - aangetoond. Dat die bestrijders geen bezwaar hebben tegen een onverbogen een, mijn enz., waarbij juist de drie genera - meer dan bij de, die, deze! - in dialekt consequent onderscheiden worden (zie in deze brochure, blz. 68 en 88), is hoogst zonderling.
1)Zie daarvoor Kollewijn in Nieuwe Taalgids II, 8 en Tinbergen in II, 244.
1)Uitgave van Dr. Kooiman, blz. LXIV.
2)Zie Nieuwe Taal en Dichtkundige Verscheidenheden, III, blz. 123 vlg.; Nederlandsche Spraakkunst, blz. 126.
|
|