|
|
|
| |
Scharminkel.
Ware het stuk over de verkleinwoorden niet zoo onmatig uitgedijd, ik
zou voor scharminkel of scherminkel geen afzonderlijke plaats
hebben behoeven in te ruimen. Onder de genoemde woorden toch behoort het thuis,
ofschoon zeker weinigen dat zullen vermoeden. Immers wordt scharminkel
in het gemeenzaam gesprek gezegd van een lang en mager, niet van een klein
mensch. Mag men de woordenboeken gelooven, dan beteekent, of liever beteekende
het voorheen, ook geraamte.
Oudaen sprak van vunssige
scherminkelbeenen;
Halma verklaarde scherminkelhuisje door
knekel- of beenderhuis; en
Weiland geeft in zijn Taalk. Woordenb. de
spreekwijs op: Hij ziet er uit als een scherminkel, waarin
scherminkel bezwaarlijk een mager man, maar wel een
geraamte kan beteekenen. Wie toch zal van een mager persoon zeggen.
Hij ziet er uit als een magere man? Intusschen geloof ik,
dat de beteekenis van geraamte of skelet thans verouderd is: maar
nog dagelijks kan men van levende magere scharminkels hooren spreken.
Vraagt men hem, die het woord gebruikt: hoe komen wij er aan? of: waarvoor
houdt gij het woord?, dan luidt het antwoord doorgaans, dat het eene gemeenzame
uitdrukking is, waaraan wij schertsender wijs dien zonderlingen vorm hebben
gegeven, gelijk b.v. mikmak, wisjewasje en dergelijke. Intusschen was
het oorspronkelijk een ernstig woord.
Weiland hield geraamte voor de grondbeteekenis.
Hij had bij
Kiliaan den vorm | | | |
scheminkel
gevonden: daarom schreef hij ‘scherminkel, scheminkel, is
waarschijnlijk van scheem [schim], schaduw, en inkel, enkel,
been, knok, fig. geraamte, derhalve zooveel als een schaduwgeraamte, of waarvan
de schaduw gezien wordt.’
Weiland hield dus het zamengestelde
achtervoegsel -inkel voor een zelfst. nw. Die verkeerde opvatting bragt
hem geheel van den weg, en maakte dat hij
Kiliaan's verklaring van scheminckel
door simins, simia, ofschoon hij die wel had aangehaald, geheel in den
wind sloeg.
Bilderdijk zag de zaak beter in. In zijne
Verkl. Geslachtl. III, 20, leest men: ‘Scharminkel, bij onze Ouden
scheminkel of schimminkel, voor aap, van 't Italiaansche
scemia of scemiola, aap en aapjen.’ Geheel juist,
ofschoon het Italiaansch slechts schijnbaar iets, maar inderdaad niets ter
opheldering bijbrengt, en de terminatie -inkel onverklaard blijft. De
oudste en oorspronkelijke vorm van het woord is simminkel, gevormd van
simme, sim, aap, door aanhechting van de twee verkleinende
achtervoegsels -ink en -el, waarvan straks. Daar simminkel
al spoedig tot schimminkel verbasterde, zal de aanhaling van eenige
plaatsen, waarin de echte vorm voorkomt, niet onwelkom zijn.
Maerlant zegt in Der naturen bloeme,
vers. 3412:
In onze dietsch simminkel sijn.
Ru van hare ende van leden,
Ende vele na der menschelicheden.’
Uit vers. 3433 blijkt het onzijdig geslacht van het woord:
‘Daer tsimminkel sit in bomen;’
in vers. 3448 komt het meerv. voor:
‘Daert die simminkle sien mogen.’
Doch reeds in sommige afschriften van
Maerlant's bovengenoemd werk vindt men
scimminkel, of schimminkel en dit werd weldra de gewone vorm. Dus
in de verzameling van Esopische fabelen, bekend onder den naam van
Esopet, Fab. 52, vers 3: vele scimmincle; vers. 5: 1.
Scimminkel; vers. 31: Een scimminkel; vers. 33:
tscimminkel; zoo ook | | | | Fab. 66, 1: tscimminkel. Dat
simminkel de echte vorm was, blijkt uit het grondwoord simme,
sim, het lat. simia, aap, hetwelk nog veel later, door
Vondel,
Cats en anderen gebruikt werd. De invoeging der
c of ch is zeker eenigzins vreemd, daar men bij mijn weten nooit
schim voor sim gezegd heeft. Het Italiaansche scemia,
verklaart die inlassching niet, want sc is niet onze sch, maar de
Fransche ch in chimère. Intusschen leert
Kiliaan met zijn schergeant en
schieren, voor sergeant en sieren of cieren, dat
men achter eene Romaansche s wel meer eene ch invoegde, die niet
in het woord behoorde. Dat men voortging sim naast schimminkel te
zeggen, moet daaraan toe geschreven worden, dat men het laatste woord weldra
niet meer voor een deminutief, voor eene afleiding van sim aanzag.
Immers andere verkleinwoorden op -inkel zijn bij ons niet bekend,
behalve misschien een twijfelachtig volencel dat
Graff in een Mnl. glossarium te Bern vond, zie
Ductiska, II, pag. 214. Volenkel verklaart daar het Lat.
faunus, satyr, boschgod, welk woord wel voor zot of nar met een zotskap
schijnt gebezigd te zijn.
Grimm acht volencel daarom afgeleid van
vol, dat hij voor hetzelfde woord houdt, als het fransche fol,
fou, gek. Wat hier van zij, kan ons onverschillig wezen, daar de terminatie
-inkel van elders met zekerheid blijkt. Het Ohd. heeft cansincli
(gansje) van cans (gans); het Ags. bôgincle (takje) van
bôgo (tak), Bosw. A comp. ags. dict. 48; husincle
(huisje) van hus (huis), Bosw. A dict. of the Ags. lang. 195;
râpincel, (klein touw) van râp (touw), ald. 289;
scippincel, scipincle (scheepje) van scip (schip), ald. 312.
-Inkel stemt merkwaardig overeen met het Lat. achtervoegsel
-unculus in homunculus (menschje), avunculus (oompje),
domuncula (huisje), en bestaat uit twee deelen: ink en dat
el, dat wij reeds boven, blz. 96 hebben leeren kennen. Het bestaan van
-ink, als verkleinend achtervoegsel, blijkt uit ags.
gâdunca, mutinus, fascinum obscoenum, priapus, Bows. A
dict. of the Ags. lang., 693, van gâd of gaad (punt van een
wapen, van een speer of pijl), ald. 126. Wij hebben derhalve in
scharmin-
| | | |
kel eene dergelijke vereeniging van twee
achtervoegsels, als wij ook in kruim-el-tje, drupp-el-tje en in de Mnl.
woorden cnapelkijn, benelkijn, scepelkijn aantreffen. -
Schimminkel was, gelijk uit de aangehaalde plaatsen blijkt, oudtijds
onzijdig. De overgang tot het mannel. hing zeker zamen met de verandering der
beteekenis.
Bilderdijk verklaarde de verbastering van
schimminkel in scharminkel door de woorden: ‘Doch thans bij
ons in gebruik zijnde voor een ‘geraamte, is het denkbeeld van
scharren (schrappen met lange beenen), daarmeê vermengd, en en het
woord tot de tegenwoordige vorm verbasterd.’
L.A. t. W.
|
|
|