|
|
|
| |
Een uitgelezen dag
Aan het Hoofdbestuur
van de Koninklijke Academie
van Kunsten en Wetenschappen
te Den Haag
Hooggeleerde Dames en Heren,
Het is vandaag zondag, en dat is een uitgelezen dag om u te schrijven, zoals ik in het onderstaande hoop toe te lichten.
Ik zie zo goed als nooit een advertentie van u, waarin u bijvoorbeeld te kennen geeft - vooral aan getalenteerde buitenstaanders en jonge mensen - dat u leerstoelen, beurzen of stipendia openstelt. Dat verbaast mij weleens, aangezien ook een meer dan honderd jaar oude instelling als de uwe, met al zijn eerbiedwaardigheid, het toch juist van nieuwe ontdekkingen en ontwikkelingen in de door uw instituut bestreken vakgebieden moet hebben. En de ervaring leert nu eenmaal dat de grootste vooruitgang in de kunsten en wetenschappen niet geboekt wordt door mensen die al dertig jaar een prominente rol in een bepaald hoekje van hun professionele wereld vervullen, maar eerder door goede amateurs die uit het niets opstaan en tot ieders verbijstering en zelfs ongeloof (en later afgunst) iets hoogst belangwekkends bij te dragen blijken te hebben.
U moet dit alles niet persoonlijk opvatten. Het is er verre van dat ik in deze brief kritiek zou willen uiten op het functioneren van uw Academie of u de les zou willen lezen. Ik ben - het zij in alle bescheidenheid gezegd - een liefhebber, een buitenstaander, die vanaf
| | | | een grote afstand tot de wetenschap daaraan iets zou willen bijdragen, waar naar mijn overtuiging een grote invloed op de wetenschapsbeoefening van kan uitgaan, in het bijzonder op het terrein van de humaniora of nog preciezer de geschiedwetenschap. Ja, zozeer meen ik een alomvattende theorie over het verloop der menselijke ontwikkeling te hebben ontdekt, dat de geschiedenis, wanneer men haar eenmaal door de bril van mijn ontdekking heeft leren zien, daarna nooit meer dezelfde zal zijn. Ik geloof zelfs dat grote delen van de historische wetenschap, de antropologie, de psychologie en de sociologie overbodig worden, aangezien zij veel te ingewikkelde verklaringen zoeken voor zaken die - als men ze eenmaal in hun wezen en onderlinge samenhang heeft leren herkennen - vrij eenvoudig blijken te liggen.
Ik zou graag zien dat u deze brief als een open sollicitatie wilt opvatten, bij voorkeur naar een positie als hoogleraar aan een der Nederlandse universiteiten, liever nog buitengewoon hoogleraar, vrijgesteld van onderwijs, waarmee tot uitdrukking komt dat mijn benadering van de moderne beschavingsgeschiedenis van de mens allerminst gewoon te noemen is. Ik kan mij dan geheel aan de voortzetting van mijn onderzoeksprogramma wijden.
Een curriculum vitae zal ik u besparen. Mijn precieze levensloop is ook weinig ter zake. Ik ben zelf helaas op een zaterdag geboren, maar dat doet meen ik niet af aan de inhoudelijke merites van mijn wetenschappelijke visie. U moet weten dat mijn vader jarenlang journalist was bij een keurige Rotterdamse krant, en daardoor heeft hij op zondag nooit iets betekenisvols kunnen verrichten, aangezien er op die dag in Nederland geen krant te maken valt. Maar zoals gezegd, mijn persoonlijke achtergrond is niet van belang. Het gaat om mijn ideeën.
Welnu, Hooggeleerde Dames en Heren, op het eerste gezicht lijkt het alsof de zondag altijd een kalme dag is, alsof de mensen hun bijbelse rustdag cultiveren en hun die ook niet ontnomen wordt. Maar naar mijn overtuiging is die zogenaamde zondagsrust bedrieglijk.
Als een dier ogenschijnlijk rustig zit, voert het iets in zijn schild. Stilzittende spinnen, onbeweeglijke krokodillen, turende poezen, roofvogels die op één plek in de lucht hangen, alle gebruiken zij de schijnbare rust, die aan anderen veiligheid suggereert, als camouflage voor en voorbereiding op hun meest energieke en gewelddadige acties. Zo is het ook met de wereld in het groot. De zogenaamde stilte die de Dag des Heren ons biedt, wordt door de Voorzienigheid zelf, of zo u wilt door het Noodlot, gebruikt als dekmantel voor het
| | | | laten plaatsvinden van de grootste en meest invloedrijke gebeurtenissen. Het zou kunnen, daarin hoop ik mij tijdens mijn Hoogleraarschap nader te verdiepen, dat de lichte ingeslapenheid en onoplettendheid van de wereld de kansen op werkelijk belangrijke gebeurtenissen groter maakt. Het is eveneens mogelijk dat het simpelweg in de orde der dingen ligt dat op de zevende dag, als de Schepper zijn allesoverheersende werk heeft stilgelegd, de inheemse en goddeloze krachten van de natuur zelf aan het werk slaan en hun greep op de loop der dingen hernemen.
Hoe dit ook zij, ter voorbereiding op mijn wetenschappelijke arbeid aan een van de onder uw Academie ressorterende universiteiten, wil ik u graag in het kort mijn interpretatie van de wereldgeschiedenis voorleggen. Ik doe dat in de vorm van een korte samenvatting van een uitvoeriger analyse, zoals ik die in het kader van mijn aanstaande functie hoop uit te werken. Ik begin weer even bij een ander begin.
Een van de meest misleidende aspecten van de geschiedenis en de geschiedschrijving in het algemeen en het verloop van het menselijk leven in het bijzonder is, dat wij de gebeurtenissen zoals ze zich hebben voltrokken en zoals wij ze hebben ervaren in ons bewustzijn, plegen te ordenen volgens het principe van de chronologie. Daar is geen enkele rechtvaardiging voor, behalve dat het nu eenmaal handig is om gebeurtenissen die zich niet tegelijkertijd hebben voorgedaan, door toekenning van een jaarnummer te groeperen en ze vervolgens na elkaar in onze herinnering en onze geschiedschrijving op te slaan. Dat maakt het onthouden en het nakijken relatief eenvoudig. De aanval op Pearl Harbor vond plaats in 1941, de moord op John F. Kennedy in 1963. Daar zit 22 jaar tussen en dat geeft ons een gemakkelijk gevoel van ordening. Door op gebeurtenissen een jaartal te plakken hebben we ze een beetje onder onze controle gebracht, een beetje onschadelijk gemaakt. Ja - en dat is het gevaarlijke van deze dwang van de chronologie - doordat wij gebeurtenissen van opeenvolgende jaartallen voorzien, suggereren wij aan onszelf en anderen dat die chronologische verhouding ook een logische relatie met zich mee brengt. De bestorming van de Bastille en de Slag bij Waterloo, respectievelijk in 1789 en 1815, speelden zich in een en hetzelfde tijdvak binnen het domein van de Franse nationale geschiedenis af en dus interpreteert men er lustig op los, hoe de ene gebeurtenis onvermijdelijk moest leiden tot de andere. Terwijl als men weet dat 14 juli 1789 op een dinsdag viel, terwijl Waterloo zich op een zondag voltrok, dan kan men tot heel andere ge- | | | | dachten komen. Maar laat ik niet te hard vooruitlopen.
In het persoonlijk leven van de mens is het wezenlijk niet anders dan in de geschiedenis als geheel. Waarom kent men aan herinneringen jaartallen toe? ‘In 1982 maakte ik een reis van enkele maanden door Spanje’, en ‘In 1983 ben ik van mijn vrouw gescheiden’ zijn twee mededelingen die aan de toehoorder suggereren dat er tijdens die reis door Spanje wel het een en ander met de spreker gebeurd zal zijn, dat hij op zijn tochten over het Iberische schiereiland al vervuld moet zijn geweest van twijfels over de overlevingskansen van zijn huwelijk, ja dat hij met een aantal persoonlijke levensvragen ernstig overhoop lag. Onzin, totale onzin, Hooggeleerde Dames en Heren. Misschien heeft de man zijn aanstaande vrouw pas in 1982 in het vliegtuig terug op weg naar huis ontmoet, is hij daar hals over kop mee getrouwd, om enkele maanden later tot de ondervinding te komen dat hij dat van zijn levensdagen nooit had moeten doen. Niks logica dus! Chronologica, meer niet!
Of laat mij u een literair voorbeeld geven, als u mij tenminste nog een enkel moment wilt toestaan. Marcel Proust (geboren in 1871) en James Joyce (geboren in 1882) kunnen zonder meer tijdgenoten worden genoemd. Prousts levenswerk A la recherche du temps perdu verscheen vanaf 1913 en de auteur overleed in 1922. Joyce werkte vanaf 1914 aan zijn grote roman Ulysses en het verscheen uiteindelijk in 1922 in boekvorm. Historisch gesproken overlappen dus werk en leven van deze twee grote twintigste-eeuwse Europese schrijvers elkaar bijna volledig. De jaartallen bewijzen het. Maar wie ooit één pagina Proust naast één pagina Joyce gelegd heeft, moet begrijpen dat deze twee auteurs historisch juist niets met elkaar gemeen hebben. Proust werd dan ook op een maandag geboren en Joyce op een donderdag. Voilà!
Omgekeerd zijn er schrijvers die ogenschijnlijk door eeuwen van elkaar gescheiden worden, terwijl ze nu juist historisch (maar dan logisch en niet chronologisch) zeer verwant aan elkaar zijn. Mijn theorie is dan - u zult het inmiddels begrepen hebben - dat de dag in de week waarop ze geboren zijn hun ware verwantschap aan het licht kan brengen. Joyce bijvoorbeeld, die niets met zijn tijdgenoot Proust gemeen heeft, is veel beter in verband te brengen met Dante Alighieri, die maar liefst zes eeuwen vóór hem leefde. Beiden waren herscheppers van antieke mythen, en beiden vestigden een nieuwe literaire expressie die generaties lang standhield als een enorme invloed op de taal en de literaire cultuur. En... beiden werden op een donderdag geboren, Dante op donderdag 14 mei 1265 en Joyce op donderdag 2 februari 1882.
| | | |
Toeval, zult u zeggen, maar ik kan u verzekeren dat dit soort voorbeelden even gemakkelijk te putten zijn uit de kunstgeschiedenis, de politiek of de wereld van de muziek. Wel wil ik u eerlijk bekennen dat ikzelf in de jaren die ik nu aan mijn ontdekking heb besteed ook wel eens door twijfel bevangen ben geweest. Er zijn soms kleine afwijkingen, maar ik kan in alle oprechtheid zeggen dat die altijd weer uitermate verklaarbaar blijken en de essentiële waarde van mijn theorie intact laten. Die theorie, en ik kom nu tot een afronding, is dus een tweeledige: a) de dag in de week waarop iets gebeurt verleent aan die gebeurtenis een karakter dat zwaarder moet wegen dan de willekeurige toekenning van een jaartal in de opeenvolging van onze kalender, en b) alle werkelijk belangrijke gebeurtenissen spelen zich altijd - ondanks de schijn van het tegendeel - op zondag af.
De lijst met zondagen die de loop van de menselijke geschiedenis beslissend hebben beïnvloed is enorm. Ik ben nu dertien jaar met deze materie bezig (begonnen op zondag 28 augustus 1983) en ik heb in die jaren totaal 1421 cruciale historische gebeurtenissen bijeengebracht, die zich op een zondag hebben voltrokken. Dat is een veelvoud van wat er op de andere dagen genoteerd kon worden. De hoeveelheid bewijsmateriaal is kwantitatief en kwalitatief overweldigend en mijn verzameling is hier dan ook onmogelijk in haar geheel weer te geven. Dat zou het kader van deze sollicitatiebrief verre te buiten gaan. De lijst reikt van de al eerder vermelde Slag bij Waterloo (zondag 18 juni 1815) tot de geboorte van William Shakespeare (zondag 23 april 1564) en van de moord op aartshertog Frans Ferdinand in Serajevo op zondag 28 juni 1914 tot de Japanse aanval op Pearl Harbor (zondag 7 december 1941) of de Slag bij Lepanto (zondag 7 oktober 1571), enzovoort, enzovoort.
Twijfels sprak ik over. Ja, die heb ik wel gehad, zoals toen ik ontdekte dat de ramp met de Titanic - beslist een sleutelgebeurtenis in de overgang van de negentiende naar de twintigste eeuw - op maandag 15 april 1912 plaatsvond. Op zo'n moment heb ik wel eens wanhopig gekeken naar de honderden ordners die ik heb verzameld, naar mijn wanden met kaartenbakken, met alle gegevens uit kranten, tijdschriften, archieven, correspondentie, dagboeken, memoires en wat niet al. Maar na verder onderzoek bleek mij dat de ramp zich rond middernacht heeft afgespeeld. Het schip zonk weliswaar om 2.20 uur in de vroege ochtend van de 15de april, maar de fatale botsing met de ijsberg vond al enkele uren eerder plaats, om precies te zijn om 23.40 uur, dus nog juist op zondag 14 april! Kort- | | | | om, keer op keer blijkt dat mijn theorie niet kan zinken.
Praktisch gesproken wil ik u voorstellen mijn vakgebied te betitelen als ‘Zondagkunde’ en mijn leeropdracht als volgt te formuleren: ‘Bestudering van de aard der gebeurtenissen in historisch perspectief al naar gelang de dag van de week waarop zij zich hebben voorgedaan, inzonderheid het belang daarin van de zondag’. Mijn financiële eisen zouden niet bescheidener kunnen zijn: ik verlang geen enkele honorering van mijn arbeid, maar neem genoegen met een formele aanstelling voor 0,2 weektaak, die ik consequent op zondag zal vervullen. Een aparte werkkamer behoeft derhalve voor mij niet ingericht te worden. Met een gedeelde kamer - door mij uitsluitend op zondag te gebruiken - en de mogelijkheid mijn werkmateriaal (circa 160 strekkende meter) onder te brengen in een een universitaire archiefruimte ben ik meer dan voldoende toegerust.
Hooggeleerde Dames en Heren, uw Academie is opgericht in 1861, om precies te zijn op 12 januari. Ikzelf ben geboren op 19 september 1953. Ik weet niet of u het ooit voor uw geschiedschrijving heeft nagekeken (ik wel), maar ook u bent uw bestaan niet op een zondag aangevangen. Toch meen ik dat uw instelling een belangrijke functie vervult. Ik kan daar het nodige aan bijdragen, daar ben ik van overtuigd. Waarom ben ik daar zozeer van overtuigd? Zo het bovenstaande al niet de doorslag geeft, dan wil ik erop wijzen dat de Koninklijke Academie van Kunsten en Wetenschappen te Den Haag net als ondergetekende op een zaterdag ter wereld is gekomen. Met andere woorden, Hooggeleerde Dames en Heren, wij zijn voor elkaar geschapen en ik zie uw berichten met het volste vertrouwen tegemoet.
Hoogachtend, etc.
Maarten Asscher
|
|
|